In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen soms in haar bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in de gekamde en schoon gevederde sprieten van de mannetjes van vele soorten. Bij een der Haften (Ephemerae), namelijk Chloëon, heeft het mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist.1 De bijoogjes (ocelli) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere insekten, zooals bij de Mutillen, bij welke zij ook vleugelloos zijn. Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen waardoor het eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen, hetzij in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust, versierselen of muziek. Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje in staat stellen het wijfje te grijpen, behoeven wij hier daarom slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen aan de spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen2 moeten worden beschouwd, [532]„is het verwonderlijk”, zooals de heer B. D. Walsh3 heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de natuur voorkomen, die slechts tot het schijnbaar onbeteekenende doel dienen om het mannetje in staat te stellen het wijfje stevig vast te grijpen.” De bovenkaken (mandibulae) worden daartoe somtijds gebruikt; zoo heeft het mannetje van Corydalis cornutus (een Netvleugelig Insekt, eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend groote kromme kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te beschadigen.4 Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (Lucanus Elaphus) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het wijfje, tot het zelfde doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij een der Graafwespen (Ammophila) gelijken de bovenkaken der beide seksen nauwkeurig op elkander, maar worden tot zeer verschillende doeleinden gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood opmerkt, „uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun sikkelvormige kaken”5, terwijl de wijfjes deze organen gebruiken om in het zand te graven en haar nesten te maken.
Fig. 23. Mannetje van Crabo cribrarius.
Fig. 24. Wijfje van Crabo cribrarius.
Fig. 25. Mannetje van Taphroderes distortus (zeer vergroot).
Fig. 26. Wijfje van Taphroderes distortus (zeer vergroot).
De voeten (tarsi) der voorpooten zijn bij de mannetjes van vele kevers uitgezet of met breede haarkussens voorzien en bij vele geslachten van Waterroofkevers zijn zij gewapend met een ronden platten zuiger, opdat het mannetje zich aan het glibberige lichaam van het wijfje zou kunnen vasthechten. Het is een veel meer ongewone omstandigheid, dat bij de wijfjes van sommige Waterroofkevers (Dytiscus) de dekschilden (elytra) diepe groeven [533]bezitten en dat zij bij Acilius sulcatus dik met haren zijn bezet, om het mannetje te helpen. Bij de wijfjes van sommige andere Waterroofkevers (Hydroporus) vertoonen de dekschilden met het zelfde doel verdiepte stippels.6 Bij het mannetje van Crabro cribrarius (Fig. 23) is de scheen (tibia) tot een breede hoornachtige plaat uitgezet met kleine vliezige vlekken, die er een vreemd aanzien aan geven, gelijk aan dat van een zeef.7 Bij het mannetje van Penthe (een kevergeslacht) zijn eenige weinige van de middelste leedjes der sprieten (antennae) uitgezet en aan de ondervlakte van haarkussens voorzien, volkomen gelijkende op die aan de voeten der Loopkevers (Carabidae), „en blijkbaar tot het zelfde doel dienende.” Bij de mannetjes der Waternimfen, „zijn de aanhangsels aan het uiteinde van den staart gewijzigd volgens [534]een bijna oneindige verscheidenheid van merkwaardige modellen om hen in staat te stellen den hals van het wijfje te vatten.” Eindelijk zijn bij de mannetjes van vele insekten de pooten van bijzondere stekels, knobbels en sporen voorzien, of de geheele poot is gebogen of verdikt; dit is echter in geenen deele altijd een seksueel kenmerk, of één paar of alle drie de paren zijn verlengd, somtijds in buitensporige mate.8
In al de orden vertoonen de seksen van vele soorten verschillen waarvan men de beteekenis niet begrijpt. Eén merkwaardig geval is dat van een kever (fig. 25, 26) bij het mannetje waarvan de linker bovenkaak veel grooter is dan de rechter, zoodat de mond zeer misvormd is. Bij een anderen Loopkever, den Eurygnathus, hebben wij, voor zoover de heer Wollaston weet, het eenige geval, waarin het wijfje, hoewel in veranderlijke verhouding, een veel breeder en grooter kop bezit dan het mannetje. Een aantal dergelijke gevallen zouden hier kunnen worden opgenoemd. Zij zijn veelvuldig bij de Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera); een der meest buitengewone is, dat bij vele Dagvlinders de voorpooten min of meer geatrophieerd zijn, zoodat de schenen (tibiae) en voeten (tarsi) in eenvoudige rudimentaire knobbels zijn overgegaan. Ook het beloop der vleugeladeren verschilt dikwijls bij de twee seksen9, en soms verschilt ook de vorm van den omtrek der vleugels aanmerkelijk, zooals bij den Aricoris epitus, die mij in het Britsch Museum door den heer A. Butler werd getoond. De mannetjes van sommige Zuid-Amerikaansche Dagvlinders hebben bosjes haar op de randen der vleugels en horenachtige uitwassen op de oppervlakte van het achterste paar.10 Bij verscheidene Britsche Dagvlinders zijn, zooals de heer Wonfor heeft aangetoond, alleen de mannetjes gedeeltelijk met bijzondere schubben bekleed. (1)
Over het nut van het heldere licht van het wijfje van den glimworm is veel geredeneerd. Het mannetje is zwak lichtgevend, evenals de larven en zelfs de eieren. Sommige schrijvers hebben ondersteld dat het licht dient om vijanden te verschrikken, andere om het mannetje den [535]weg naar het wijfje te wijzen. De heer Belt11 schijnt eindelijk het raadsel te hebben opgelost; hij heeft ontdekt, dat al de Lampyridae welke hij heeft onderzocht, in hooge mate walgelijk van smaak zijn voor insektenetende zoogdieren en vogels. Het is daarom in overeenstemming met de onderstelling van den heer Bates, die later zal worden uiteengezet, dat vele insekten de Lampyridae nauwkeurig nabootsen, zoodat ze voor deze zullen worden aangezien en zoo aan den dood ontsnappen. Hij gelooft verder, dat het voor de lichtgevende soorten voordeelig is, dat zij dadelijk als oneetbaar worden herkend. Waarschijnlijk kan de zelfde verklaring worden uitgebreid tot de Springkevers (Elater), van welke beide seksen in hooge mate lichtgevend zijn. Het is niet bekend, waarom de vleugels van den vrouwelijken glimworm niet tot ontwikkeling zijn gekomen; maar in haar tegenwoordigen toestand gelijkt zij zeer veel op een larve, en, daar vele dieren zoo gretig op larven azen, kunnen wij begrijpen, waarom zij zooveel lichtgevender en opzichtiger dan het mannetje is geworden, en waarom de larven zelf ook lichtgevend zijn.
Verschil in grootte tusschen de Seksen.—Bij Insekten van alle soorten zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner dan de wijfjes12; en dit verschil kan soms zelfs in den larventoestand worden opgemerkt. Zoo aanmerkelijk is het verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke cocons van den zijdeworm (Bombyx mori), dat zij in Frankrijk door een bijzondere wijze van wegen van elkander worden gescheiden.13
In de lagere klassen van het Dierenrijk schijnt de meerdere grootte van de wijfjes algemeen daarvan af te hangen, dat zij een verbazend groot aantal eieren voortbrengen; en dit gaat tot op zekere hoogte wellicht ook bij de Insekten door. Dr. Wallace heeft echter een veel waarschijnlijker verklaring voorgesteld. Hij vindt na zorgvuldig acht te hebben gegeven op de ontwikkeling van de rupsen van Bombyx Cynthia en Yama-Maju, en vooral van eenige dwerg-rupsen, opgekweekt uit een tweede broedsel met onnatuurlijk voedsel, „dat naar verhouding dat de individueele nachtvlinder fraaier is, ook de voor haar gedaanteverwisseling noodige tijd langer is; en dit is de reden, dat het wijfje, hetwelk zwaarder en grooter is, omdat zij haar talrijke eieren moet dragen, zal worden voorafgegaan door het mannetje, dat kleiner [536]is en minder noodig heeft om rijp te worden.”14 Daar nu de meeste Insekten een kort leven hebben en daar zij aan vele gevaren zijn blootgesteld, zal het blijkbaar voordeelig voor het wijfje zijn om zoo spoedig mogelijk te worden bevrucht. Dit doel zal worden bereikt, als de mannetjes, doordat zij het eerst rijp worden, bij de komst der wijfjes in grooten getale gereed zijn, en dit zal op zijn beurt, zooals de heer A. R. Wallace heeft opgemerkt15, op natuurlijke wijze het gevolg zijn van de natuurlijke teeltkeus; want de kleinste mannetjes zullen het eerst rijp zijn, en dus een grooter aantal nakomelingen nalaten, die de mindere grootte hunner voorvaderen zullen overerven, terwijl de grootere mannetjes, omdat zij later rijp worden, minder nakomelingen zullen nalaten.
Er zijn echter uitzonderingen op den regel, dat de mannetjes der Insekten kleiner zijn dan de wijfjes, en van sommige dezer uitzonderingen kan men de oorzaak begrijpen. Lichaamsgrootte en kracht zullen een voordeel zijn voor de mannetjes die om het bezit der wijfjes vechten; en in deze gevallen, zooals bij het Vliegend Hert (Lucanus), zijn de mannetjes grooter dan de wijfjes. Er zijn echter andere kevers, die, voor zoover men weet, niet met elkander vechten, bij welke toch de mannetjes grooter zijn dan de wijfjes; en wij begrijpen de beteekenis van dit feit niet; in sommige dezer gevallen echter, zooals bij de groote Dynastes en Megasoma, kunnen wij ten minste inzien, dat er geen noodzakelijkheid bestond, dat de mannetjes kleiner waren dan de wijfjes, opdat zij vroeger rijp zouden zijn dan deze; want deze kevers hebben geen kort leven, en er blijft dus tijd genoeg over voor de paring der seksen. Zoo zijn ook de mannetjes der Waternimfen (Libellulidae) soms aanmerkelijk grooter en nooit kleiner dan de wijfjes16; en de heer MacLachlan gelooft, dat zij gewoonlijk met de wijfjes paren, voor er één of twee weken zijn voorbijgegaan, en voor zij de aan de mannetjes eigen kleuren hebben verkregen. Het merkwaardigste geval echter, dat ons toont, hoe ingewikkeld en gemakkelijk voorbij te zien de oorzaken dikwijls zijn, waarvan een zoo onbeduidend kenmerk, als een verschil in grootte tusschen de seksen, afhangt, leveren ons de Angeldragende Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera aculeata); want de heer F. Smith deelt mij mede, dat in bijna geheel die groote groep [537]de mannetjes, in overeenstemming met den algemeenen regel, kleiner dan de wijfjes zijn en ongeveer een week vroeger dan deze uit de pop te voorschijn komen; onder de Bijen zijn echter de mannetjes van de honigbij (Apis mellifica), van Anthidium manicatum en Anthophora acervorum, en onder de Graafwespen (Fossores) de mannetjes van Methoca ichneumonides, grooter dan de wijfjes. De verklaring van deze afwijking is, dat bij deze soorten bij de paring het vliegen in de open lucht volstrekt noodzakelijk is, en de mannetjes veel kracht en een groote lichaamsgestalte noodig hebben om de wijfjes door de lucht met zich te dragen. De toeneming der lichaamsgrootte is hier verkregen in tegenspraak met de gewone betrekking tusschen de grootte en den duur van het ontwikkelingstijdperk; want hoewel de mannetjes grooter zijn, komen zij vroeger uit de pop dan de kleinere wijfjes.
Wij zullen nu een overzicht geven van de verschillende orden, en daarbij die feiten uitkiezen, welke ons hier meer bijzonder aangaan. De Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) of Vlinders zullen voor een afzonderlijk hoofdstuk bewaard blijven.
Orde der Springstaarten (Thysanura).—De leden dezer orde zijn voor hun klasse laag georganiseerd. Het zijn vleugellooze, dof gekleurde, kleine insekten, met leelijke, bijna misvormde koppen en lichamen. De seksen verschillen niet van elkander; maar zij bieden ons één belangwekkend feit aan, waardoor wordt aangetoond dat de mannetjes zelfs op een laag gedeelte van de ladder van het dierenrijk vlijtig het hof aan de wijfjes maken. Bij de beschrijving van Smynthurus luteus zegt Sir J. Lubbock17: „Het is zeer vermakelijk deze kleine schepsels met elkander te zien koketteeren. Het mannetje, dat veel kleiner dan het wijfje is, loopt rondom haar, en zij stooten elkander, met het aangezicht naar elkander toestaande, en achterwaarts en voorwaarts gaande als twee speelsche lammeren. Dan houdt het wijfje zich, alsof zij weg wil loopen, en het mannetje loopt haar achterna, terwijl uit zijn uiterlijk op vreemdsoortige wijze zijn toorn blijkt, haalt haar in en gaat weder tegenover haar staan; dan draait zij op preutsche wijze rond maar hij, vlugger en levendiger, loopt ook snel rond, en schijnt haar met zijn sprieten te slaan; daarop staan zij een tijd lang tegenover elkander, spelen met hun sprieten en schijnen geheel en al in elkander verdiept te zijn.”
[538]
Orde der Tweevleugeligen (Diptera).—De seksen verschillen weinig in kleur. Het grootste aan den heer F. Walker bekende verschil is in het geslacht Bibio, waarin de mannetjes zwartachtig of geheel zwart, en de wijfjes donker bruinachtig oranje zijn. Het geslacht Elaphomyia, door den heer Wallace18 in Nieuw Guinea ontdekt, is zeer opmerkelijk, daar de mannetjes horens bezitten, waarvan de wijfjes geen spoor vertoonen. De horens ontspringen onder de oogen en gelijken merkwaardig veel op die van herten, daar zij hetzij van puntige of van afgeplatte vertakkingen zijn voorzien. Zij evenaren bij een der soorten het geheele lichaam in lengte. Men zou kunnen denken, dat zij dienden om mede te vechten maar daar zij bij ééne soort van een prachtige met zwart omzoomde rozeroode kleur zijn, met een bleeke streep in het midden, en daar al deze insekten er zeer fraai uitzien, is het wellicht waarschijnlijker, dat deze horens tot sieraad dienen. Dat de mannetjes van sommige Tweevleugeligen met elkander vechten, is zeker; want Prof. Westwood19 heeft dit meermalen bij sommige soorten van Tipula of Langbeenige Muggen gezien. De mannetjes van andere Tweevleugeligen schijnen te trachten de wijfjes door hun muziek te winnen. H. Müller20 bespiedde een tijd lang twee mannetjes van Eristalis, die aan een wijfje het hof maakten; zij zweefden boven haar en vlogen heên en weêr, tegelijkertijd een hoog gonzend geluid voortbrengende. Muggen en muskieten (Culicidae) schijnen elkander ook door gegons aan te trekken, en Prof. Mayer heeft voor eenige jaren aangetoond, dat de haren op de sprieten van het mannetje eenstemmig trillen met de noten van een stemvork, binnen de grenzen van de geluiden die door het wijfje worden voortgebracht. (2) De lange haren trillen sympathetisch met de lage, en de korte met de hooge tonen. Landois verzekert ook, dat hij herhaaldelijk een geheelen zwerm muggen naar zich toe heeft doen vliegen door een bijzondere noot te zingen. De verstandelijke vermogens der Tweevleugeligen zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan die der meeste andere orden van Insekten21, in overeenstemming met hun hoog ontwikkeld zenuwstelsel.
[539]
Orde der Halfvleugeligen (Hemiptera).—De heer J. W. Douglas die een bijzondere studie van de Britsche soorten heeft gemaakt, is zoo vriendelijk geweest mij het een en ander mede te deelen omtrent haar seksueele verschillen. De mannetjes van sommige soorten bezitten vleugels, terwijl de wijfjes vleugelloos zijn; de seksen verschillen in den vorm van het lichaam en van de voorste vleugels (elytra), in de tweede geledingen van haar sprieten en in haar voeten (tarsi); maar daar de beteekenis dezer verschillen volkomen onbekend is, kunnen wij ze hier stilzwijgend voorbijgaan. De wijfjes zijn over het algemeen grooter en sterker dan de mannetjes. Bij de Britsche en, voor zoover de heer Douglas weet, ook bij de uitlandsche soorten, verschillen de seksen gewoonlijk niet veel in kleur; bij ongeveer zes Britsche soorten is echter het mannetje aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en bij omstreeks vier andere soorten is het wijfje donkerder dan het mannetje. Van sommige soorten zijn beide seksen fraai gekleurd; en, daar deze insekten uiterst erg stinken, kunnen hun opzichtige kleuren aan insektenetende dieren tot een teeken dienen, dat zij oneetbaar zijn. In eenige weinige gevallen schijnen hun kleuren rechtstreeks beschermend te zijn; zoo meldt mij Prof. Hoffman, dat hij een kleine bleekroode en groene soort nauwlijks kon onderscheiden van de knoppen op de stammen van de limmetjesboomen welke dit insekt veelvuldig bezoekt.
Eenige soorten van Roofwantsen (Reduvidae) maken een sjirpend (striduleerend) geluid, dat bij Pirates stridulus, naar men zegt22, wordt voortgebracht door de beweging van den hals in de holte van het voorste segment van het borststuk (prothorax). Volgens Westring maakt ook Reduvius personatus een piepend geluid. Het is mij echter niet mogen gelukken, eenige bijzonderheden omtrent deze insekten te vernemen; en ik heb ook geen reden om te onderstellen, dat er in dit opzicht verschil tusschen de beide seksen bestaat.
Orde der Gelijkvleugeligen (Homoptera) (3).—Ieder die in een woud tusschen de keerkringen heeft gewandeld, moet verbaasd zijn geweest over het geraas dat de mannetjes der Cicaden maakten. De wijfjes zijn stom, zooals de Grieksche dichter Xenarchus zegt: „Gelukkig leven de Cicaden, daar zij sprakelooze vrouwen hebben.” Het daardoor veroorzaakte rumoer kon duidelijk worden gehoord aan boord van de [540]„Beagle”, toen deze op een vierde mijl afstands van de kust van Brazilië voor anker lag; en kapitein Hancock zegt, dat het op een afstand van een mijl kan worden gehoord. De Grieken sloten weleer de Cicaden ter wille van haar zang in kooien op, en de Chineezen doen zulks nog heden, zoodat hij in de ooren van sommige menschen aangenaam moet klinken.23 (4) De Cicadidae zingen gewoonlijk over dag, de Lantaarndragers (Fulgoridae) schijnen nachtzangers te zijn. Volgens Landois24, die dit onderwerp onlangs heeft bestudeerd, wordt het geluid voortgebracht door de trilling van de randen der spleten van de stigmata, die in beweging worden gebracht door een uit de luchtbuizen (tracheae) voortkomenden luchtstroom. Doch deze meening is vóór eenige jaren betwist. Dr. Powell schijnt te hebben bewezen25, dat het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een vlies, dat door een bijzondere spier in werking wordt gebracht. Bij het levende insekt kan men, als het sjirpt, dit vlies zien trillen, en bij het doode insekt wordt het juiste geluid gehoord, wanneer aan de spier, als zij een weinig is gedroogd en verhard, met de punt van een speld wordt getrokken. Bij het wijfje is de muzikale toestel aanwezig, maar veel minder ontwikkeld dan bij het mannetje en wordt nimmer gebruikt om geluid voort te brengen. (5)
Ten opzichte van het doel der muziek zegt Dr. Hartman, van de Cicada septemdecim der Vereenigde Staten sprekende26: „Het gezang wordt nu (6den en 7den Juni 1851) in alle richtingen gehoord. Ik geloof dat het de liefdesverklaringen der mannetjes zijn. In een dicht jong kastanjeboschje van ongeveer manshoogte staande, waar honderden Cicaden mij omgaven, nam ik waar, dat de wijfjes zich rondom de zingende mannetjes plaatsen.” Hij voegt erbij: „In dit jaargetijde (Aug. 1868) bracht een dwergpereboom in mijn tuin omstreeks vijftig larven van Cicada pruinosa voort; en ik merkte meermalen op, hoe de wijfjes naar een mannetje toegingen, als hij zijn schelle tonen voortbracht.” Fritz Müller schrijft mij uit Zuid-Brazilië, dat hij dikwijls naar een muzikalen wedstrijd tusschen twee of drie mannetjes van Cicaden heeft [541]geluisterd, die een bijzonder krachtige stem hadden en op aanmerkelijken afstand van elkander zaten. Zoodra het eerste zijn zang had geëindigd, begon onmiddellijk het tweede; wanneer dit gereed was, begon een ander, en zoo vervolgens. Daar er veel wedijver tusschen de mannetjes bestaat, is het waarschijnlijk, dat de wijfjes hen niet slechts ontdekken door de voortgebrachte tonen, maar dat zij ook, evenals de wijfjes van vogels, worden opgewekt of aangelokt door het mannetje dat de aantrekkelijkste stem heeft.
Ik heb geen goed uitgedrukte gevallen van tot versiering dienende verschillen tusschen de seksen van de Gelijkvleugeligen gevonden. De heer Douglas meldt mij, dat er drie Britsche soorten zijn, bij welke het mannetje zwart of met zwarte banden geteekend is, terwijl de wijfjes bleek gekleurd of donker zijn. (6)
Orde der Rechtvleugeligen (Orthoptera).—In de drie families van springende insekten, die tot deze orde behooren, namelijk de Krekels (Achetidae), de Sabelsprinkhanen (Locustidae) en de Veldsprinkhanen (Acridiidae), munten de mannetjes uit door hun muzikale vermogens. Het door sommige Sabelsprinkhanen voortgebracht gesjirp is zoo sterk, dat het gedurende den nacht op een mijl afstands kan worden gehoord27, en dat hetwelk door sommige soorten wordt voortgebracht, is niet wanluidend zelfs voor menschelijke ooren, zoodat de Indianen aan den Amazonenstroom hen in gevlochten kooien bewaren. Alle waarnemers zijn het er over eens, dat de tonen dienen om de wijfjes hetzij te roepen of op te wekken. Men heeft echter opgemerkt28, dat het mannetje van den Russischen Treksprinkhaan (een der Veldsprinkhanen), als hij met het wijfje gepaard is, van toorn en ijverzucht sjirpt, wanneer een ander mannetje nadert. Als de huiskrekel ’s nachts wordt overvallen, gebruikt hij zijn stem om zijn makkers te waarschuwen.29 Een der Sabelsprinkhanen, Platyphyllum concavum, die door de Noord-Amerikanen „Katy-did” wordt genoemd, klimt, volgens de beschrijving30, op de bovenste takken van een boom, en begint des avonds zijn luidruchtig gesnap, terwijl de tonen zijner mededingers uit de naburige boomen voortkomen, en de bosschen weêrgalmen den geheelen nacht door van den kreet van „Katy-did-she-did.” De heer Bates zegt van [542]den Europeeschen zwarten veldkrekel (een der Achetidae): „men heeft opgemerkt, dat het mannetje zich ’s avonds aan den ingang van zijn hol plaatst, en sjirpt tot er een wijfje nadert; dan worden de luide tonen vervangen door een meer gesmoord geluid, terwijl de gelukkige muzikant de gezellin die hij heeft verworven, met zijn sprieten liefkoost.”31 Door met een penneschacht over een vijl te strijken, slaagde Dr. Scudder er in een dezer insekten zoo ver te brengen, dat het hem beantwoordde.32 Bij beide seksen is door von Siebold een merkwaardig gehoorwerktuig gevonden, dat in de voorpooten is gelegen.33
Fig. 27.
Fig. 27. Gryllus campestris (volgens Landois). Bovenste oppervlakte van een voorvleugel met de uitstekende gladde ader, waarover de tanden (st. Fig. 28) worden gewreven.
Fig. 28.
Fig. 28. Onderzijde van een deel van de vleugelader, zeer vergroot, om de tanden te toonen.
Bij de drie Families worden de geluiden op verschillende wijze voortgebracht. Bij de mannetjes der Krekels (Achetidae) hebben beide voorvleugels den zelfden toestel; en deze bestaat bij den zwarten veldkrekel (Gryllus campestris, Fig. 24, 25), volgens de beschrijving van Landois34 uit 131 tot 138 scherpe, dwarse ruggen of tanden (st), aan de onderzijde van een der aderen van den voorvleugel. Deze getande ader wordt snel gestreken over een gladde, harde, uitstekende ader van den tegenovergestelden vleugel. Eerst wordt de eene vleugel over den anderen gewreven en daarna wordt de beweging omgekeerd. Beide vleugels worden tegelijkertijd een weinig opgelicht om de resonantie te vermeerderen. Bij sommige soorten zijn de voorvleugels van het mannetje voorzien van een plaatje dat er als talk uitziet.35 Ik heb hier een teekening gegeven (Fig. 29) van de onderzijde van de ader bij een [543]andere soort van krekel, namelijk den huiskrekel (Gryllus domesticus).
Fig. 29.
Tanden aan de ader van Gryllus domesticus (naar Landois).
Wat het ontstaan dezer tanden aangaat, heeft Dr. Gruber36 aangetoond, dat zij ontwikkeld zijn met behulp der teeltkeus uit de kleine schubben en haren waarmede de vleugels en het lichaam bedekt zijn, en ik kwam tot het zelfde besluit ten opzichte van die der Schildvleugeligen (Coleoptera). Doch Dr. Gruber toont verder aan, dat hun ontwikkeling gedeeltelijk een rechtstreeksch gevolg is geweest van de wrijving van den eenen vleugel over den anderen.
Fig. 31. Fig. 30. Fig. 32.
Fig. 30. Chorocoelus Tanana (naar Bates). Fig. 31 en 32. Tegenovergestelde muziektoestellen der beide voorvleugels.
Bij de Sabelsprinkhanen (Locustidae) verschillen de tegenovergestelde voorvleugels in maaksel (Fig. 30, 31, 32), en kunnen niet, gelijk in de vorige familie, op omgekeerde wijze worden gebruikt. De linkervleugel, die als [544]de strijkstok van de viool werkt, ligt over den rechtervleugel die de viool zelf voorstelt. Een der aderen (a, Fig. 31) aan de ondervlakte van den eersten is fijn gezaagd en wordt gestreken over de vooruitstekende aderen aan de onderste oppervlakte van den tegenovergestelden of rechtervleugel. Bij onze Britsche Phasgonura viridissima scheen het mij toe, dat de gezaagde ader wordt gewreven tegen den afgeronden achterhoek van den tegenovergestelden vleugel, waarvan de rand verdikt, bruin gekleurd en zeer scherp is. Aan den rechtervleugel, maar niet aan den linker-, is een klein plaatje, zoo doorzichtig als talk, door aderen omgeven en spiegel (speculum) genaamd. Bij Ephippiger vitium een lid van de zelfde familie, hebben wij een merkwaardige ondergeschikte wijziging; want bij dezen zijn de voorvleugels sterk in grootte afgenomen, maar „het achterste gedeelte van het voorborststuk (prothorax) verheft zich als een soort van koepeldak over de voorvleugels en deze inrichting dient waarschijnlijk tot versterking van het geluid.”37 (7)
Fig. 33.
Achterpoot van Stenobothrus pratorum; r de zijtandjes, waardoor het sjirpend geluid wordt voortgebracht.
Wij zien derhalve, dat het muziekinstrument meer is gedifferentieerd en gespecialiseerd bij de Sabelsprinkhanen, waartoe ik geloof, dat de krachtigste muzikanten van de orde behooren, dan bij de Krekels, bij welke beide voorvleugels het zelfde maaksel hebben en tot de zelfde functie dienen.38 Landois ontdekte echter bij een der Sabelsprinkhanen, namelijk bij Decticus, een korte en smalle rij kleine tanden, bloote rudimenten, op de ondervlakte van den rechtervoorvleugel, die onder den anderen ligt en nooit als strijkstok wordt gebruikt. Ik nam het zelfde rudimentaire deel waar aan de onderzijde van den rechtervoorvleugel bij Phasgonura viridissima. Wij mogen hieruit gerust afleiden, dat de Sabelsprinkhanen afstammen van een vorm, bij welken, evenals bij de hedendaagsche Krekels, beide voorvleugels aan de ondervlakte gezaagde aderen bezaten en beide even goed als strijkstok konden worden gebruikt, maar dat bij de Sabelsprinkhanen de beide voorvleugels trapsgewijze zijn gedifferentieerd en volkomener gemaakt, volgens het beginsel van verdeeling van den arbeid, de eene om uitsluitend de rol van strijkstok, de andere om die van viool te vervullen. Op welke wijze [545]de eenvoudiger inrichting bij de Krekels ontstond, weten wij niet; het is echter waarschijnlijk, dat de basale deelen der voorvleugels elkander vroeger evenals tegenwoordig overdekten, en dat de wrijving der aderen een knarsend geluid voortbracht, zooals ik zie, dat nu het geval met de voorvleugels is.39 Een dergelijk knarsend geluid, nu en dan eens bij toeval door de mannetjes gemaakt, kan, als het hen, al was het maar nog zoo weinig, diende als een loktoon voor de wijfjes, gemakkelijk door de seksueele teeltkeus zijn versterkt, doordat gepaste wijzigingen in de ruwheid der aderen voortdurend behouden bleven.
Fig. 34.
Tandjes op het dijbeen van Stenobothrus pratorum, sterk vergroot (naar Landois).
Fig. 35.
Mannetje van Pneumora (naar een voorwerp op het Britsch Museum).
Fig. 36.
Wijfje van Pneumora (naar een voorwerp op het Britsch Museum).
Bij de derde en laatste familie, namelijk de Acridiidae of Veldsprinkhanen, wordt het gesjirp op een geheel verschillende wijze voortgebracht, en is, volgens Dr. Scudder, niet zoo schril, als bij de voorgaande families. De binnenvlakte van de dij (Fig. 33) is voorzien van een overlangsche rij kleine, sierlijke, lancetvormige, veerkrachtige tandjes, van 85 tot 93 in getal40 (Fig. 34); en deze worden over de scherpe, [546]uitstekende aderen der voorvleugels gestreken, welke daardoor in trilling geraken en geluid geven. Harris41 zegt, dat wanneer een der mannetjes begint te sjirpen, hij eerst „de scheen van den achterpoot onder de dij brengt, waar zij in een daartoe bestemde groeve wordt opgenomen, en dan den poot snel op en neder trekt. Hij speelt niet op beide zijn violen te gelijk, maar afwisselend eerst op de eene en dan op de andere.” (8) Bij vele soorten is het grondvlak van het achterlijf uitgehold tot een groote holte, die, naar men gelooft, als klankbodem werkt. Bij Pneumora (Fig. 35 en 36), een Zuid-Afrikaansch geslacht tot de zelfde familie behoorende, ontmoeten wij een nieuwe en opmerkelijke wijziging: bij de mannetjes steekt namelijk een smalle scherpe rug aan beide zijden van het achterlijf uit, waartegen de dijen der achterpooten worden gewreven.42 Daar het mannetje vleugels bezit, hoewel het wijfje vleugelloos is, is het opmerkelijk, dat de dijen niet op de gewone wijze tegen de voorvleugels worden gewreven; maar dit moet wellicht worden verklaard door de ongewoon geringe grootte der achterpooten. Ik ben niet in de gelegenheid geweest om de binnenste oppervlakte der dijen te onderzoeken, die, naar de analogie te oordeelen, fijn gezaagd zou zijn. De Pneumora-soorten zijn ter wille van haar sjirpvermogen sterker gewijzigd, dan eenig ander Rechtvleugelig Insekt; want bij het mannetje is het geheele lichaam in een muziekinstrument veranderd, als een groote doorzichtige blaas, door lucht uitgezet, om daardoor de resonantie te vermeerderen. (9) De heer Trimen deelt nog mede, dat aan de Kaap de Goede Hoop deze insekten gedurende den nacht een verwonderlijk geraas maken.
Er is ééne uitzondering op den regel, dat de wijfjes in deze drie families geen bruikbaar muziekinstrument bezitten; want bij Ephippiger (een der Sabelsprinkhanen) zegt men43, dat beide seksen daarvan voorzien zijn. Dit geval kan worden vergeleken bij dat van het rendier, de eenige soort van hert bij welke beide seksen horens bezitten. Hoewel de wijfjes der Rechtvleugeligen dus bijna zonder uitzondering stom zijn, vond Landois44 toch rudimenten van sjirporganen aan de dijen der vrouwelijke Veldsprinkhanen, en dergelijke rudimenten aan het ondervlak der voorvleugels van de vrouwelijke Krekels; maar hij slaagde er [547]niet in om dergelijke rudimenten te vinden bij de wijfjes van Decticus, een der Sabelsprinkhanen. Bij de Gelijkvleugeligen bezitten de stomme wijfjes der Cicaden het eigenaardige muziekinstrument in onontwikkelden staat; en wij zullen later in andere afdeelingen van het dierenrijk tallooze voorbeelden ontmoeten van deelen die aan het mannetje eigen zijn, doch in rudimentairen toestand ook bij het wijfje worden gevonden. Dergelijke gevallen schijnen op het eerste gezicht aan te toonen, dat de beide seksen oorspronkelijk op de zelfde wijze gebouwd waren, doch dat zekere organen later door de wijfjes verloren werden. Het is echter een meer waarschijnlijke meening, zooals vroeger is verklaard, dat bedoelde organen door de mannetjes werden verkregen en gedeeltelijk op de wijfjes overgebracht.
Landois heeft een ander belangwekkend feit waargenomen, namelijk dat bij de wijfjes der Veldsprinkhanen de sjirptandjes op de dijen levenslang in den zelfden toestand blijven, waarin zij bij beide seksen in den larvenstaat het eerst verschijnen. Bij de mannetjes daarentegen komen zij tot volkomen ontwikkeling en verkrijgen zij hun volkomen inrichting bij de laatste vervelling, als het insekt volwassen en voor de voortplanting gereed is.
Uit de hier vermelde feiten zien wij, dat de middelen waardoor de mannetjes hun geluiden voortbrengen, bij de Rechtvleugeligen van zeer onderscheiden aard zijn, en dat zij geheel verschillen van die welke bij de Gelijkvleugeligen worden gebruikt.45 Maar in het geheele dierenrijk vinden wij onophoudelijk, dat het zelfde doel door de meest verschillende middelen wordt bereikt, hetgeen daardoor wordt veroorzaakt, dat de geheele organisatie in den loop der eeuwen veelvuldige veranderingen ondergaat; en daar eerst het eene, daarna het andere deel wordt gewijzigd, wordt uit verschillende veranderingen voordeel getrokken tot het zelfde algemeene doel. De verscheidenheid der middelen om geluid voort te brengen bij de drie families der Rechtvleugeligen en bij de Gelijkvleugeligen vervult onzen geest met de hooge belangrijkheid van deze organen voor de mannetjes, ten einde de wijfjes te roepen of aan te lokken. Wij behoeven ons niet te verwonderen over de groote verandering welke de Rechtvleugeligen in dit opzicht [548]hebben ondergaan, daar wij tegenwoordig door Dr. Scudder’s merkwaardige ontdekking46 weten, dat daarvoor meer dan overvloedig tijd is geweest. Deze natuuronderzoeker heeft onlangs een fossiel insekt gevonden in de Devonische vorming van Nieuw-Brunswijk, dat voorzien is van „het welbekende tympanum of sjirp-orgaan der mannelijke Sabelsprinkhanen.” Dit insekt, hoewel in de meeste opzichten met de Netvleugeligen (Neuroptera) verwant, schijnt, zooals met zeer oude vormen zoo dikwijls het geval is, de beide orden der Netvleugeligen en Rechtvleugeligen te verbinden, die nu algemeen als geheel onderscheiden worden gerangschikt.
Ik heb weinig meer over de Rechtvleugeligen te zeggen. Sommige soorten zijn zeer strijdlustig; als twee mannelijke zwarte Veldkrekels (Gryllus campestris) bij elkander worden opgesloten, vechten zij, totdat de eene den anderen doodt, en de Mantis soorten (Roofsprinkhanen) manoeuvreeren volgens de beschrijving met hun zwaardvormige voorpooten als huzaren met sabels. De Chineezen bewaren deze insekten in kleine bamboezen kooien en laten ze met elkander vechten evenals vechthanen.47 Wat de kleur aangaat, munten sommige uitlandsche (exotische) sprinkhanen uit, wier achtervleugels met rood, blauw en zwart versierd zijn; maar daar in deze geheele orde de beide seksen zelden veel in kleur verschillen, is het twijfelachtig, of zij deze fraaie kleuren aan seksueele teeltkeus verschuldigd zijn. Opzichtige kleuren kunnen voor deze insekten nuttig zijn als een bescherming, volgens het beginsel, dat in het volgende hoofdstuk zal worden verklaard, door hun vijanden te waarschuwen, dat zij oneetbaar zijn. Zoo heeft men waargenomen48, dat een Indische fraai gekleurde sprinkhaan standvastig werd weggeworpen, als men hem aan vogels en hagedissen aanbood. Er zijn echter in deze orde enkele gevallen van seksueele kleurverschillen bekend. Het mannetje van een Amerikaanschen krekel49 wordt beschreven als ivoorwit, terwijl het wijfje afwisselt van bijna wit tot geelachtig groen of zwartachtig. De heer Walsh deelt mij mede, dat het volwassen mannetje van Spectrum femoratum, een der Spookinsekten of Wandelende Bladeren (Phasmidae), „van een glanzend bruinachtig gele kleur [549]is, terwijl de volwassen wijfjes dof ondoorschijnend aschachtig bruin en de jongen van beide seksen groen zijn. Eindelijk kan ik vermelden, dat het mannetje van ééne merkwaardige soort van krekel50 voorzien is van een „lang vliesachtig aanhangsel, dat als een sluier over het gelaat valt”; of dit echter tot een sieraad dient, is niet bekend.
Orde der Netvleugeligen (Neuroptera).—Hierover behoeft weinig te worden gezegd, behalve ten opzichte der kleur. Bij de Haften (Ephemeridae) verschillen de donkere kleuren dikwijls bij de seksen een weinig51; maar het is niet waarschijnlijk, dat de mannetjes daardoor aantrekkelijker voor de wijfjes worden gemaakt. De Waternimfen (Libellulidae) zijn versierd met prachtige groene, blauwe, gele en vermiljoenkleurige metaalglanzende tinten; en de seksen verschillen dikwijls. Zoo zijn de mannetjes van sommige Agrionidae, gelijk Prof. Westwood opmerkt52, „van een rijk blauw met zwarte vleugels, terwijl de wijfjes schoon groen met ongekleurde vleugels zijn.” Bij Agrion Ramburii zijn deze kleuren echter bij beide seksen juist omgekeerd.53 Bij het uitgebreide Noord-Amerikaansche geslacht Hetaerina hebben alleen de mannetjes een fraaie karmijnroode vlek op het begin van elken vleugel. Bij Anax junius is het gronddeel van het achterlijf bij het mannetje levendig ultramarijnblauw en bij het wijfje grasgroen. Bij het verwante geslacht Gomphus en bij sommige andere geslachten verschillen de seksen daarentegen slechts weinig in kleur. In het geheele dierenrijk komen vele dergelijke gevallen voor, waarin de seksen van nauw verwante vormen hetzij grootelijks, of zeer weinig, of in het geheel niet verschillen. Hoewel bij vele Waternimfen zulk een groot verschil in kleur tusschen de seksen bestaat, is het dikwijls moeielijk te zeggen, welke de schitterendste is, en bij ééne soort van Agrion is de gewone kleuring der seksen juist omgekeerd, zooals wij daareven hebben gezien. Het is niet waarschijnlijk, dat in eenig geval haar kleuren tot bescherming zijn verkregen. Zooals de heer MacLachlan, die deze familie nauwkeurig heeft bestudeerd, mij schrijft, zijn de Waternimfen—de tyrannen der insektenwereld—van alle insekten het minst vatbaar om door vogels [550]of andere vijanden te worden aangevallen. Hij gelooft, dat haar schitterende kleuren dienen om de andere sekse aan te lokken. Het verdient met betrekking hiertoe opmerking, dat de Waternimfen door bijzondere kleuren schijnen te worden aangetrokken; de heer Patterson54 nam waar, dat die soorten van Agrionidae, wier mannetjes blauw zijn, zich in grooten getale op den blauwen dobber van een vischlijn neerzetten; terwijl twee andere soorten door blinkende witte kleuren werden aangetrokken.
Het is een belangwekkend, het eerst door Schelver opgemerkt feit, dat de mannetjes bij verscheidene geslachten, tot twee onder-families behoorende, als zij pas uit het larvenhulsel voortkomen, juist zoo zijn gekleurd als de wijfjes; maar dat hun lichamen binnen korten tijd een opzichtige melkachtige blauwe tint aannemen, die het gevolg is van de uitzweeting van een soort van in aether en alcohol oplosbare olie. De heer MacLachlan gelooft, dat deze kleursverandering bij Libellula depressa geen plaats grijpt voor ongeveer veertien dagen na de gedaanteverwisseling, als de seksen gereed zijn om te paren.
Sommige soorten van Neurothemis vertoonen volgens Brauer55 een merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij sommige wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere wijfjes „zeer rijk aan aderen is, evenals bij de mannetjes van de zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel volgens de Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote rijkdom aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”. Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar het, evenals elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent voorhanden is, komt het nu en dan ook bij deze tot ontwikkeling. Wij hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de beide seksen van vele dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te gelijken, namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij dit bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de wijfjes; bij dit bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge en volkomen overbrenging tot stand. De heer MacLachlan deelt mij een ander geval van dimorphisme mede, dat bij verscheidene soorten van Agrion plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt van een oranjekleur, en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is waarschijnlijk [551]een geval van atavisme; want wanneer bij de ware Waternimfen (Libellulae) de seksen in kleur verschillen, zijn de wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als men onderstelt dat Agrion afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de kenmerkende seksueele kleuren der typische Waternimfen (Libellulae) bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die richting af te wijken, alleen bij de wijfjes bestond.
Hoewel deze Waternimfen zulke groote, sterke en wreedaardige insekten zijn, heeft de heer MacLachlan nooit waargenomen, dat de mannetjes met elkander vochten, behalve, naar hij gelooft, bij sommige der kleinere Agrion-soorten. Bij een andere zeer verschillende groep in deze orde, namelijk bij de Termieten of Witte Mieren, kan men soms in den zwermtijd de seksen elkander achterna zien zitten, „het mannetje achter het wijfje, somtijds twee mannetjes één wijfje najagende en met groote vurigheid wedijverende, wie den prijs zal winnen.”56
Orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera).—Bij de beschrijving der levenswijze van een Graafwesp (Cerceris), merkt de heer Fabre57, die onovertreffelijke waarnemer, op, dat „veelvuldig gevechten plaats grijpen tusschen de mannetjes om het bezit van het eene of andere bijzondere wijfje, dat schijnbaar, alsof zij er niet in was betrokken, naar den strijd om de oppermacht zit te kijken, en, als de overwinning is beslist, bedaard wegvliegt in gezelschap van den overwinnaar.” Westwood58 zegt, dat de mannetjes van een der Bladwespen (Tenthredinidae) „te zamen vechtende met toegeklemde bovenkaken zijn gevonden.” Daar de heer Fabre zegt, dat de mannetjes van Cerceris een bijzonder wijfje trachten te verkrijgen, is het goed ons te herinneren, dat insekten, tot deze orde behoorende, het vermogen bezitten om elkander na lange tusschenruimten van tijd te herkennen, en zeer aan elkander zijn gehecht. Pierre Huber, wiens nauwkeurigheid niemand betwijfelt, scheidde bijvoorbeeld eenige mieren, en toen zij na een tusschenruimte van eenige maanden andere ontmoetten, die vroeger tot de zelfde vereeniging hadden behoord, herkenden zij elkander wederkeerig en liefkoosden elkander met haar sprieten. Waren zij vreemdelingen geweest, [552]dan zouden zij te zamen hebben gevochten. Als daarentegen twee vereenigingen elkander slag leveren, vallen de mieren van de eene partij elkander soms in de algemeene verwarring aan; maar spoedig bemerken zij haar dwaling en dan liefkoost de eene mier de andere.59
In deze orde zijn geringe verschillen in kleur volgens de sekse gemeen; maar in ’t oog loopende verschillen zijn zeldzaam, behalve in de familie der Bijen; echter zijn beide seksen van zekere groepen zoo schitterend gekleurd,—bijvoorbeeld die van de Goudwespen (Chrysis) bij welke vermiljoen en metaalglanzend groen de overhand hebben,—dat wij in verzoeking komen om zulks voor een gevolg der seksueele teeltkeus te houden. Bij de Sluipwespen (Ichneumonidae) zijn volgens den heer Walsh60 de mannetjes bijna algemeen lichter gekleurd dan de wijfjes. Bij de Bladwespen (Tenthredinidae) daarentegen zijn de mannetjes over het algemeen donkerder dan de wijfjes. Bij de Houtwespen (Siricidae) verschillen de seksen dikwijls; zoo heeft het mannetje van Sirex juvencus oranje banden over het lichaam, terwijl het wijfje donker purperkleurig is; maar het is moeielijk te zeggen, welke sekse het meest versierd is. Bij de Tremex columbae is het wijfje veel levendiger gekleurd dan het mannetje. Bij de Mieren zijn, naar de heer F. Smith mij mededeelde, de mannetjes van verscheidene soorten zwart, terwijl de wijfjes bruinachtig zijn. In de familie der Bijen, vooral bij de eenzaam levende soorten, verschillen, naar ik van den zelfden uitnemenden insektenkenner hoor, de seksen dikwijls in kleur. De mannetjes zijn over het algemeen het levendigst gekleurd, en bij Bombus, zoowel als bij Apathus, veel veranderlijker van kleur dan de wijfjes. Bij Anthophora retusa is het mannetje van een rijk roodachtig bruin, terwijl het wijfje geheel zwart is; evenzoo zijn de wijfjes van onderscheidene soorten van Xylocopa zwart, terwijl de mannetjes helder geel zijn.
Daarentegen zijn bij sommige soorten, gelijk Andraena fulva, de wijfjes veel levendiger gekleurd dan de mannetjes. Dergelijke verschillen in kleur kunnen moeilijk alleen worden verklaard, doordat de mannetjes, zonder verdedigingsmiddelen zijn en dus bescherming noodig hebben, terwijl de wijfjes goed worden verdedigd door haar angels. H. Müller61, [553]die een bijzondere studie heeft gemaakt van bijen, schrijft deze verschillen in kleur voornamelijk aan seksueele teeltkeus toe. Dat bijen een scherp waarnemingsvermogen voor kleuren hebben, is zeker. Hij zegt, dat de mannetjes de wijfjes hartstochtelijk zoeken en om haar bezit vechten; en hij verklaart door dergelijke gevechten, hoe de bovenkaken van de mannetjes bij sommige soorten grooter zijn dan die van de wijfjes. In sommige gevallen zijn de mannetjes veel talrijker dan de wijfjes, hetzij vroeg in het voorjaar, of op alle tijden en plaatsen, of locaal. Bij sommige soorten schijnen de schoonste mannetjes door de wijfjes, en bij andere de schoonste wijfjes door de mannetjes te zijn uitgezocht. Bij gevolg verschillen in zekere geslachten (Müller, blz. 42) de mannetjes van de verschillende soorten zeer in uiterlijk, terwijl de wijfjes bijna niet van elkander zijn te onderscheiden; bij andere geslachten heeft het tegendeel plaats. H. Müller gelooft (blz. 82), dat de door de eene sekse door seksueele teeltkeus verkregen kenmerken dikwijls in verschillende mate op de andere sekse zijn overgegaan, juist gelijk de toestel om stuifmeel te verzamelen van het wijfje dikwijls op het mannetje is overgegaan, voor wien hij volstrekt nutteloos is.62 Bij een Nieuw-Hollandsche bij (Lestis bombylans) is het wijfje van een uiterst schitterend staalblauw, soms met levendig groene [554]schakeeringen, terwijl het mannetje van een heldere bronskleur en rijk met roodachtig dons begroeid is. Daar in deze groep de wijfjes in haar angels uitnemende verdedigende wapenen bezitten, is het niet waarschijnlijk, dat zij in kleur van de mannetjes zijn begonnen te verschillen ter wille van de bescherming.
Mutilla Europea maakt een sjirpend geluid; en volgens Goureau63 hebben beide seksen dit vermogen. Hij schrijft het geluid toe aan de wrijving van den derden en de daarvoorgaande ringen (segmenten) van het achterlijf, en ik heb waargenomen, dat de oppervlakte daarvan met fijne, gelijkmiddelpuntige (concentrische) richeltjes is bezet; maar dit is ook het geval met den uitstekenden kraag van het borststuk, waaraan de kop door een geleding is verbonden; en deze kraag geeft, als men hem met de punt van een naald bekrast, juist het zelfde geluid. Het is nog al vreemd, dat beide seksen het vermogen om te sjirpen zouden bezitten, daar het mannetje gevleugeld en het wijfje vleugelloos is. Het is bekend, dat Bijen sommige gemoedsaandoeningen, b.v. toorn, uitdrukken door den toon van hun gebrom, gelijk ook sommige Tweevleugelige Insekten doen (10); ik heb echter geen melding van die geluiden gemaakt, daar zij in volstrekt geen verband met de vrijage staan.
Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera).—Vele kevers zijn zoodanig gekleurd, dat zij gelijken op de oppervlakten die zij gewoonlijk bezoeken. Andere soorten zijn met prachtige metallieke kleuren versierd,—bij voorbeeld, vele Loopkevers (Carabidae), die op den grond leven en het vermogen bezitten om zich te verdedigen door de afscheiding van een scherpe bijtende stof,—de prachtige Diamantkevers, die door een uiterst harde huid worden beschermd,—vele soorten van Goudhaantjes (Chrysomela), zooals Chrysomela cerealis, een groote, fraai met verschillende kleuren gestreepte soort die in Groot-Brittannië tot den naakten top van Snowdon beperkt zijn,—en een menigte andere soorten. Deze prachtige kleuren, die dikwijls in strepen, vlekken, kruisen en volgens andere sierlijke modellen gerangschikt zijn, kunnen moeielijk voordeelig zijn voor de bescherming, behalve in het geval van sommige zich met bloemen voedende soorten; en wij kunnen niet gelooven, dat zij doelloos zijn. Daarom rijst bij ons het vermoeden, dat zij strekken om de andere sekse te bekoren; maar wij hebben daarvan geen bewijzen; want de seksen verschillen zelden in kleur. Blinde kevers, die [555]elkanders schoon natuurlijk niet kunnen zien, prijken, naar ik van den heer Waterhouse jun. hoor, nimmer met schitterende kleuren, hoewel zij dikwijls glanzende bekleedselen hebben; maar de reden van hun donkere kleur is wellicht, dat blinde insekten holen en andere duistere plaatsen bewonen.