1 Sir J. Lubbock, „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXV, 1866, blz. 484. Ten opzichte der Mutillen zie Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 213. 

2 Deze organen van het mannetje verschillen dikwijls bij nauw verwante soorten, en leveren uitnemende soortskenmerken op. Hun belangrijkheid ten [532]opzichte hunner functie heeft men echter, volgens een opmerking die de heer R. MacLachlan mij maakte, waarschijnlijk te hoog geschat. Men heeft beweerd, dat kleine verschillen in deze organen voldoende zouden zijn om de kruising tusschen goed uitgedrukte verscheidenheden of beginnende soorten te voorkomen, en derhalve haar ontwikkeling bevorderen. Dat dit moeielijk het geval kan zijn, mogen wij afleiden uit vele gevallen, die zijn opgeteekend van verschillende soorten, die in copulatie met elkander zijn waargenomen. (Zie b.v. Bronn, „Geschichte der Natur”, Bd. II, 1843, blz. 164, en Westwood, „Transact. Ent. Soc.”, vol. III, 1842, blz. 195). De heer MacLachlan deelt mij mede, (zie „Stett. Ent. Zeitung”, 1867, blz. 155), dat, toen verschillende soorten van Kokerjuffers (Phryganidae), die sterk uitgesproken verschillen van deze soort vertoonen, door Dr. Aug. Meyer bij elkander werden opgesloten, zij met elkander paarden, en dat één paar vruchtbare eieren voortbracht. 

3The Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, Mei 1867, blz. 88. 

4 De heer Walsh, ibid., blz. 107. 

5Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 106, 205. De heer Walsh, die mijn aandacht vestigde op dit dubbel gebruik der kaken, zegt, dat hij het feit herhaaldelijk heeft waargenomen. 

6 Wij hebben hier een merkwaardig en onverklaarbaar geval van dimorphisme; want sommige van de wijfjes van vier Europeesche soorten van Dytiscus hebben gladde dekschilden; en er zijn geen overgangen tusschen gegroefde of van verdiepte stippels voorziene en geheel gladde dekschilden waargenomen. Zie Dr. H. Schaum, aangehaald in de „Zoologist”, vol. V–VI, 1847–48, blz. 1896. Evenzoo Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 305. 

7 Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 193. De volgende mededeelingen omtrent Penthe en andere, tusschen aanhalingstekens geplaatst, zijn ontleend aan den heer Walsh, „Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, blz. 88. 

8 Kirby en Spence, „Introduction”, enz., vol. III, blz. 332–336. 

9 E. Doubleday, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 379. Ik kan er bijvoegen, dat bij sommige Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) het beloop der aderen op de vleugels bij de twee seksen verschilt (zie Shuckard, „Fossorial Hymenop.”, 1837, blz. 39–43). 

10 H. W. Bates, in „Journal of Proc. Linn. Soc.”, vol VI, 1862, blz. 74. De waarnemingen van den heer Wonfor worden aangehaald in „Popular Science Review”, 1868, blz. 343. 

11The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 316–320. Over het lichten der eieren, zie „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, Nov., blz. 372. 

12 Kirby and Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, blz. 209. 

13 Robinet, „Vers à Soie”, 1848, blz. 207. 

14Transact. Ent. Soc.”, 3rd series, vol. V, blz. 386. 

15Journal of Proc. Ent. Soc.”, 4 Febr. 1867, blz. LXXI. 

16 Voor deze en andere mededeelingen omtrent de grootte der seksen, zie Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 300; over den levensduur der Insekten, ibid., blz. 444. 

17Transact. Linnean Soc.”, vol. XXVI, 1868, blz. 296. 

18The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 313. 

19Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 526. 

20Anwendung” enz. „Verh. d. n. V. Jahrg.”, XXIV, blz. 80. Mayer, in „American Naturalist”, 1874, blz. 236. 

21 Zie het hoogst belangwekkende werk van den heer B. F. Laune, „On the Anatomy of the Blow-Fly, Musea vomitoria”, 1870, blz. 14. 

22 Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 473. 

23 Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Westwood’s „Modern Class. of Insects”, vol. II, 1840, blz. 422. Zie ook, over de Fulgoridae, Kirby and Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 401. 

24Zeitschrift für wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 152–158. 

25Transact. New-Zeeland Institute”, vol. V, 1873, blz. 286. 

26 Ik ben het volgende verschuldigd aan den heer Walsh, die mij dit uittreksel van een „Journal of the Doings of Cicada septemdecim” door Dr. Hartman, heeft gezonden. 

27 L. Guilding, „Transact. Linn. Soc.”, vol. XV, blz. 154. 

28 Köppen, aangehaald in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 460. 

29 Gilbert White, „Nat. Hist. of Selborne”, vol. II, 1825, blz. 252. 

30 Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 128. 

31The Naturalist on the Amazons”, vol. 1, blz. 252. De heer Bates bespreekt op zeer belangwekkende wijze de overgangen tusschen de muziekinstrumenten der drie families. Zie ook Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 445 en 453. 

32Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868. 

33Nouveau Manuel d’Anat. Comp.” (Fransche vertaling), tome I, 1850, blz. 567. 

34Zeitschrift für Wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 117. 

35 Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 440. 

36Ueber den Ton-apparat der Locustiden, ein Beitrag zum Darwinismus”, „Zeitschr. f. wiss. Zoölog.”, Bd. XXII, 1872, blz. 100. 

37 Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 453. 

38 Landois, ibid., blz. 121, 122. 

39 De heer Walsh deelt mij mede, dat hij heeft opgemerkt, dat het wijfje van Platyphyllum concavum, als men het vangt, een zwak knarsend geluid maakt door haar boven vleugels tegen elkander te wrijven. 

40 Landois, ibid., blz. 117. 

41Insects of New England”, 1842, blz. 133. 

42 Westwood, „Modern Classification”, vol. I, blz. 462. 

43 Westwood, ibid., vol. I, blz. 453. 

44 Landois, ibid., blz. 115, 116, 120, 122. 

45 Landois heeft eenige jaren geleden bij sommige Rechtvleugeligen (Orthoptera) rudimentaire organen gevonden, die zeer sterk gelijken op de geluidvoortbrengende organen der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en dit is een verwonderlijke zaak. Zie „Zeitschr. für wissensch. Zoölog.”, B. XXII, Heft 3, 1871, blz. 348. 

46Transact. Ent. Soc.”, 3rd. series, vol. II („Journal of Proceedings”), blz. 117. 

47 Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 427; voor de Krekels blz. 445. 

48 De heer Ch. Horne in „Proc. Ent. Soc.”, 3 Mei, 1869, blz. XII. 

49 De Oecanthus nivalis. Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 124. 

50 Platyblemnus: Westwood, „Modern Class.”, vol. I, blz. 447. 

51 B. D. Walsh, de Pseudo-Neuroptera van Illinois, in „Proc. Ent. Soc. of Philadelphia”, 1862, blz. 361. 

52Modern Class.”, vol. II, blz. 37. 

53 Walsh, ibid., blz. 381. Ik ben de volgende feiten over Hetaerina, Anax en Gomphus aan dezen natuuronderzoeker verschuldigd. 

54Transact. Ent. Soc.”, vol. I, 1836, blz. LXXXI. 

55 Zie uittreksel in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 450. 

56 Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. II, 1818, blz. 35. 

57 Zie een belangwekkend artikel, „The Writings of Fabre”, in „Nat. Hist. Review”, April, 1862, blz. 122. 

58Journal of Proc. of Entomolog. Soc.”, Sept. 1863, blz. 169. 

59 P. Huber, „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150, 165. 

60Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1866, blz. 238–239. 

61Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen”, Verh. d. n. Jahrg. XXIX. 

62 De heer Perrier maakt in zijn artikel „La Sélection sexuelle d’après Darwin” („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 868), zonder naar het schijnt veel over de zaak te hebben nagedacht, de tegenwerping, dat, daar men weet, dat de mannetjes van sociale bijen voortkomen uit onbevruchte eieren, zij geen nieuwe kenmerken op hun mannelijke nakomelingschap kunnen overbrengen. Dit is een buitengewone tegenwerping. Een vrouwelijke bij, bevrucht door een mannetje dat een of ander kenmerk bezat, waardoor de vereeniging der seksen gemakkelijker werd gemaakt, of dat hem aantrekkelijker voor het wijfje maakte, zal eieren leggen, waaruit alleen wijfjes zullen voortkomen; maar deze jonge wijfjes zullen het volgende jaar mannetjes voortbrengen; en zal men nu beweren, dat dergelijke mannetjes de kenmerken van hun grootvaders niet kunnen erven? Om een geval te nemen met gewone dieren, dat zoo dicht mogelijk daarbij komt: indien een wijfje van eenig wit viervoetig dier of vogel werd gekruist met een mannetje van zwart ras, en hun mannelijke en vrouwelijke jongen met elkander werden gepaard, zal men dan beweren, dat de kleinkinderen niet een aanleg tot zwartheid van hun grootvaders zouden kunnen erven? Het verkrijgen van nieuwe kenmerken door de onvruchtbare werkbijen is een veel moeielijker geval, maar ik heb in mijn „Ontstaan der Soorten” trachten aan te toonen, op welke wijze deze onvruchtbare wezens worden onderworpen aan de macht der natuurlijke teeltkeus. 

63 Aangehaald bij Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 214. 

64 Pyrodes pulcherrimus, bij welke de seksen in ’t oog loopend verschillen, is door den heer Bates beschreven in „Transact. Ent. Soc.”, 1862, blz. 50. Ik zal eenige weinige andere gevallen opnoemen, waarin ik van een verschil in kleur tusschen de seksen van kevers hoorde. Kirby en Spence („Introduct. to Entomology”, vol. III, blz. 301) vermelden een Cantharis, Meloe, Rhagium en de Leptura testacea; het mannetje van deze laatste is bruinachtig van kleur, met een zwart borststuk en het wijfje over het geheele lichaam dof [556]rood. Deze twee laatste kevers behooren tot de familie der Boktorren (Longicornia). De heeren R. Trimen en Waterhouse jun. geven mij bericht omtrent twee Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), namelijk een Peritrichia en Trichius, het mannetje van den laatsten is donkerder gekleurd dan het wijfje. Bij Tillus elongatus is het mannetje zwart en het wijfje, naar men meent, altijd van een donker blauwe kleur met een rood borststuk (thorax). Ook het mannetje van Orsodacna atra is, naar ik van den heer Walsh hoor, zwart, terwijl het wijfje (de zoogenaamde O. ruficollis) een roodachtig bruin borststuk heeft. 

65Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1864, blz. 228. 

66 Kirby en Spence, „Introduct. Entomolog.”, vol. III, blz. 300. 

67 Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 329. 

68Modern Classification of Insects”, vol. I, blz. 172. Op de zelfde bladzijde vindt men een beschrijving van Siagonium. Op het Britsch Museum merkte ik één mannelijk voorwerp van Siagonium in een tusschenbeidenstaanden toestand op, zoodat het dimorphisme niet streng doorgaat. 

69The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 276. 

70Entomological Magazine”, vol. II, 1833, blz. 82. Zie ook omtrent de [563]gevechten van deze soort, Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 314; en Westwood, ibid., vol. I, blz. 187. 

71 Aangehaald door Fischer, in „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome X, blz. 324. 

72Ann. Soc. Entomolog. France”, 1866, aangehaald in „Journal of Travel”, door A. Murray, 1868, blz. 135. 

73 Westwood, „Modern Class.”, I, blz. 184. 

74 Wollaston, over eenige muziekmakende Snuitkevers (Curculionidae), „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. VI, 1860, blz. 14. 

75Zeitschrift für wiss. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 127. 

76 Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer G. R. Crotch, zoowel wegens de toezending van talrijke geprepareerde voorwerpen van verschillende [565]torren, tot deze drie Families en andere behoorende, als wegens belangrijke inlichtingen van allerlei soort. Hij gelooft, dat het sjirpvermogen bij Clythra nog nooit te voren was waargenomen. Ik ben ook veel dank verschuldigd aan den heer E. W. Janson voor inlichtingen en voorwerpen. Ik mag hierbij voegen, dat mijn zoon, de heer F. Darwin, heeft ontdekt, dat Dermestes murinus sjirpt, maar hij zocht te vergeefs het daartoe dienende orgaan. Scolytus is onlangs door den heer Algen als een sjirpend insekt beschreven in het „Edinburgh Monthly Magazine”, 1869, Nov., 130. 

77 Schiödte, vertaald in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XX, 1867, blz. 37. 

78 Westring heeft (Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, Bd. II. 1848–1849, blz. 334) de sjirporganen zoowel bij deze twee, als bij andere Families beschreven. Van de Loopkevers (Carabidae) heb ik Elaphrus uliginosus en Blethisa multipunctata onderzocht, mij door den heer Crotch toegezonden. Bij Blethisa worden de dwarse ruggen op den gerimpelden rand van den ring van het achterlijf, voor zoover ik kon beoordeelen, niet gebruikt om de raspen op de dekschilden te schrappen. 

79 Ik ben aan den heer Walsh, van Illinois, dank verschuldigd voor de toezending van uittreksels uit Leconte’s „Introduction of Entomology”, blz. 101, 143. 

80 De heer P. de la Brulerie, aangehaald in „Journal of Travel”, A. Murray, vol. I, 1868, blz. 135. 

81 De heer Doubleday meldt mij, dat „het geluid wordt voortgebracht, doordat het insekt zich zoo hoog, als het kan, op zijn pooten verheft, en dan zijn borststuk vijf of zes malen in snelle opeenvolging tegen de zelfstandigheid slaat, waarop het zit.” Voor mededeelingen aangaande dit onderwerp, zie Landois, „Zeitschrift für wissens. Zoolog.”, Bd. XVII, blz. 131. Olivier [570](aangehaald bij Kirby en Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 325) zegt, dat het wijfje van Pimelia striata een vrij sterk geluid voortbrengt door met haar achterlijf tegen de eene of andere harde zelfstandigheid te kloppen, „en dat het mannetje, aan dezen loktoon gehoor gevende, haar spoedig volgt, waarop zij paren.” 

82 De sage zegt, dat Hercules, aan den Rhegiaanschen oever der rivier willende uitrusten, zoo werd gehinderd door het gesjirp der Cicaden, dat hij Zeus bad ze te doen verstommen. Zijn bede werd verhoord; aan den Rhegiaanschen oever werd na dien tijd nooit weêr het geluid van een Cicade vernomen, terwijl de Locrische oever van hun eentonig gesjirp bleef weêrgalmen. Deze fabel bewijst, dat er toch ook wel Grieken waren, die minder bewondering voor het gezang der Cicaden gevoelden. 

83 Vandaar hadden de Atheners van goeden huize gouden Cicaden op het voorhoofd, of op de kruin van het hoofd in de haren gevlochten, of op het gevest van het zwaard, als zinnebeeld, dat zij autochthonen waren (Thucyd. I, 6; Scholiast op Aristophan.; Nubes vs. 984; Athenaeus XII, 512, 6; Virgilius, Ciris, 126). 

84Proc. Ent. Soc. of Lond.”, 1864, blz. 13. 

85 Wij spreken hier van Sabelsprinkhanen, daar wij onderstellen, dat de hieronder medegedeelde waarneming van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven betrekking heeft op een der tot die familie behoorende soorten. Wanneer wij ons hierin vergissen en de bedoelde soort een der Veldsprinkhanen is, dan blijft onze redeneering toch volkomen in haar geheel; men heeft hier dan slechts te lezen Veldsprinkhanen, en het hier opgemerkte bij aanteekening 7 in plaats van bij aanteekening 6 te voegen. 

86 De grenzen der waarneembare tonen zijn bij alle menschen niet geheel de zelfde. Helmholtz neemt aan, dat gemiddeld de laagste waarneembare toon overeenstemt met 16 trillingen per seconde, de hoogste waarneembare toon met 38000 trillingen per seconde. Elke toon die derhalve met minder dan 16 of meer dan 38000 trillingen per seconde overeenstemt, maakt geen indruk op ons gehoorwerktuig.