[Inhoud]

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.

DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, DOOR C. Darwin.

(Vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237.)

Dr. Schulte te Fürstenwalde heeft mij opmerkzaam gemaakt op de schoone kleuren welke op alle vier de vleugels van een vlinder, de Diadema bolina, te voorschijn komen, als men hem van een bepaald punt uit beschouwt. De beide seksen van dezen vlinder verschillen aanmerkelijk van kleur. De vleugels van het mannetje zijn, als men het van een achter het dier gelegen punt uit beziet, zwart met zes zuiver witte vlekken en bieden een bevalligen aanblik, maar beschouwd van een vóór het dier gelegen standpunt, in welke positie het mannetje als het het wijfje nadert, door dit wordt gezien, vertoonen de witte vlekken zich met een kring van schoon blauw omgeven. De heer Butler liet mij in het Britsch museum een soortgelijk maar nog in ’t oogvallender verschijnsel zien bij een vlinder uit het geslacht Apature, waarbij de seksen ook in kleur verschillen en bij het mannetje de prachtigste blauwe en groene tinten alleen voor een persoon die vóór hetzelve is geplaatst, zichtbaar zijn. Verder vertoonen bij verscheidene soorten van Ornithoptera de achtervleugels van het mannetje een schoone goudgele kleur, maar alleen als zij van voren worden beschouwd; dit geldt ook voor O. magellanus, maar hier hebben wij, gelijk mij de heer Butler toonde, een gedeeltelijke uitzondering, want de kleuren gaan, als men ze van achteren beschouwt, van goudgeel in een bleek, iriseerend blauw over. Of deze laatste kleur de eene of andere bijzondere beteekenis heeft, zou alleen kunnen worden uitgemaakt door iemand die het gedrag van het mannetje kon waarnemen in het land waar dit in de natuur voorkomt. Dagvlinders sluiten, als zij stilzitten, hun vleugels [613]tegen elkander aan; de ondervlakten welke dikwijls donker zijn gekleurd, kunnen dan alleen worden gezien, en dit dient, gelijk algemeen wordt aangenomen, tot bescherming. Als echter de mannetjes de wijfjes het hof maken, doen zij de vleugels afwisselend dalen en weêr oprijzen, en het schijnt een natuurlijk besluit, dat zij op die wijze handelen om de wijfjes te behagen of op te wekken. Door de boven beschreven gevallen wordt dit besluit nog waarschijnlijker gemaakt, doordat de schoonheid van het mannetje door het wijfje alleen volkomen wordt gezien, als dit haar nadert. Wij worden daardoor herinnerd aan de verschillende manieren waarop de mannetjes van vele vogels, b.v. de pauw, de Argusfazant enz., de wijfjes uitlokken en met hun verwonderlijk fraai gevederte zoodanig dat het op het voordeeligst uitkomt, voor hun niet versierde vriendinnen te pronken. (1)

Deze beschouwing geeft mij aanleiding er eenige opmerkingen aan toe te voegen over de vraag, in hoever bij het eerste verkrijgen van zekere instinkten, met inbegrip van seksueele pronkerijen, noodzakelijk bewustzijn in het spel komt; want daar alle mannetjes van de zelfde soort zich op de zelfde wijze gedragen, als zij aan de wijfjes het hof maken, mogen wij daaruit het gevolg trekken, dat het pronken tegenwoordig instinktmatig is geworden. De meeste natuuronderzoekers schijnen te gelooven, dat elk instinkt eerst met bewustzijn werd ontwikkeld, maar dat schijnt mij in vele gevallen een onjuist besluit te zijn, hoewel het in andere juist is. Vogels die op verschillende wijzen worden opgewekt, nemen zonderlinge posities aan en zetten hun vederen op; en als het opzetten der vederen bij een bijzondere soort voordeelig was voor een mannetje dat aan een wijfje het hof maakte, zoo komt het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk voor, dat deze voordeelige eigenschap door zijn nakomelingen werd overgeërfd; wij weten, dat bij den mensch dikwijls leelijke aanwensels en onbewust aangenomen nieuwe gebaren erfelijk zijn. (2) Wij kunnen een ander geval beschouwen (waarop, naar ik meen, reeds door iemand de aandacht werd gevestigd), namelijk dat van jonge, op den grond levende vogels die zelfs onmiddellijk na het uit het ei komen neêrhurken en zich verbergen, als zij in gevaar zijn; hier schijnt het nauwelijks mogelijk, dat deze gewoonte dadelijk na de geboorte en zonder bewustzijn kan zijn verkregen. Wanneer echter die jonge vogels welke, wanneer zij schrikten, bewegingloos bleven zitten, veelvuldiger voor roofdieren bewaard bleven dan die welke trachtten te ontvluchten, dan kan de gewoonte van het neêrhurken [614]door de jonge vogels zonder eenig bewustzijn hoegenaamd zijn verkregen. Deze redeneering kan met bijzondere kracht worden toegepast op zoodanige jonge loop- en watervogels, wier ouden zich zelven niet verbergen, als zij in gevaar komen. Van den anderen kant vliegt een patrijshen, als er gevaar bestaat, een kort eind van haar jongen dicht ineengedoken weg en laat die achter, vliegt dan op de aan bijna iedereen bekende manier, alsof het was verlamd, maar toch anders dan een werkelijk gewonde vogel dicht over den grond langs: zij maakt zich zelve in het oog vallend. Nu is het echter meer dan twijfelachtig, of er ooit een vogel heeft bestaan, die verstand genoeg bezat om te denken, dat hij een hond of anderen vijand van zijn jongen kon weglokken, als hij het gedrag van een verwonden vogel nabootste. Want dit veronderstelt, dat hij zulk een gedrag bij een verwonden kameraad had waargenomen en wist, dat het een vijand tot vervolging zou aansporen. Vele natuuronderzoekers nemen tegenwoordig bijvoorbeeld aan, dat het slot van een tweeschalig schelpdier door het behouden blijven en overerven van kleine nuttige wijzigingen (variaties) is ontstaan, daar de individu’s met een iets beter ingerichte schelp in grooter aantal behouden bleven, dan die met een minder goed ingerichte; waarom zouden niet voordeelige wijzigingen in de overgeërfde handelingen van een patrijs op de zelfde wijze bewaard zijn gebleven, zonder dat het dier er bij dacht of een bewust doel had, even goed als in het geval van het schelpdier, waarbij het slot der schalen onafhankelijk van het bewustzijn is gewijzigd en verbeterd?

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) Zie Deel II, hoofdstuk XIII, XIV en XV van het onderhavige werk. Wat Darwin hier van vogels zegt, had in dit werk beter achter die hoofdstukken gestaan, maar wij wilden het niet scheiden van hetgeen daaraan over kapellen voorafgaat, omdat het daarmede in het oorspronkelijk stuk in „Nature” door Darwin zelf tot één geheel is verbonden.

(2) Vergelijk: C. Darwin, „Het uitdrukken der Gemoedsaandoeningen bij den Mensch en de Dieren”.