„Daar had ik me bijna verpraat!” dacht hij toen van Everdingen vertrokken was. „We zullen wel djatihout koopen waar ze thuis niets van weten, maar als die Everdingen er de lucht van krijgt, maakt hij maar weer capsies.”
Rencke zat in zijn voorgalerij, in diep nadenken. Zooeven was de inlander bij hem geweest, dien hij had afgezonden naar Sabrang, den dag van den brand, om te trachten aldaar de brandstichters op te sporen. De man was teruggekomen met een bericht dat Rencke ongelooflijk toescheen. Volgens zijn zeggen was het heel niet moeielijk geweest katrangan19 te krijgen. De dader heette Tjokro, en vertelde aan al wie het hooren wilde, dat hij gehandeld had op aansporen van den toewan besaar, die hem er tweemaal twee ringgits voor gegeven had; de laatste maal zoo ’t heette om uit te vinden wie het gedaan had!
Rencke wist niet wat hij er van denken moest. De door hem gezonden inlander was zeer betrouwbaar; het stond dus vast dat die Tjokro zich zoo had uitgelaten; maar kon het waar zijn, wat hij beweerde? Hij dacht er over om naar Korman te gaan, en het dezen te vertellen, doch schrikte hiervoor terug omdat hij hem niet geraadpleegd had alvorens zijn mannetje [52]te zenden. Van Everdingen te waarschuwen vond hij niet fair.…
„Soedah!” besloot hij; „als het waar is dat die Tjokro de zaak rondbazuint, dan komen er ook anderen achter. Het gaat mij in zekeren zin niet eens aan. Ik zwijg derhalve.”
De komst van den bediende van Korman met een dik pak papieren gaf aan zijn gedachten een andere richting. Het waren passen voor het vervoer der koffie naar de stad, één voor iederen picol. Zij waren geteekend door den secretaris der residentie, en werden beschouwd als een panacee tegen het vervoer van clandestiene koffie. Want, meende de resident, als nu ieder, die zonder zulk een pas koffie transporteert, wordt aangehouden, hoe zou dan nog diefstal aan iemand nut zijn, als hij de verkregen waar niet zonder groot gevaar bij de afnemers kan brengen?
Dit was immers juist geredeneerd! Het gaf een hoop schrijfwerk en meer werkte het niet uit; want van Watoeombo gingen den volgenden morgen als eerste zending dertig picolpaarden, waarop minstens tien picols koffie die rechtens aan het gouvernement toekwamen.
Toen deze oogst weg was, werd het tijd aan de voorbereidende maatregelen te denken voor dien van het volgend jaar. Zonder aarzelen schatte Korman die op duizend picols; wat er tekort kwam wist hij [53]nu gemakkelijk aan te vullen. Doch er moest een installatie gekocht worden, en daarvoor zou hij zelf naar Soerabaja gaan.
Eer hij vertrok bezorgde hij twee dingen. Vooreerst de benoodigde metselsteenen, waartoe hij een steenbakker liet komen, die aan den overkant der kalie de geschikte aarde vond om zijn bedrijf uit te oefenen, en daar weldra aan den gang was met vormen.
Ten tweede het hout. Hij was vast besloten zooveel mogelijk stijlen van djatihout te gebruiken voor de permanente gebouwen der installatie. Een deel daarvan moest hij inkoopen, om geen achterdocht te verwekken; doch de rest, en tevens het hout voor van Everdingen’s nieuwe woning, bezorgde hij zich op de volgende manier.
Voor eigen gebruik, dat wil zeggen voor hun huizen, mogen de javanen djatihout kappen. Zoodoende vindt men in de dessa hier en daar een huis waarvan het geraamte uit de zoo gewilde houtsoort bestaat. Het is niemand verboden zulk een woning te koopen en naar elders over te brengen. Doch er zit niet veel hout in. En toch ontvangt de kooper zooveel balken als hij wil, die allen uit dat fameuse huis heeten te komen.
Het eigenaardige van de transactie bestaat in de aanstellerij van kooper en verkooper. Geen van beiden spreekt het woord uit, dat de zaak aanwijst die moet worden uitgevoerd. [54]
„Kromo,” zegt de eerste. „Ik wil je huis koopen; ik kan echter zoo op het oog niet schatten hoeveel hout er in zit; breng het bij mij op de onderneming, en daar zal ik het opmeten; ik betaal zooveel per voet.”
Kromo antwoordt op dit alles met het stereotype noeninggih ’ndoro. Hoogstens bedingt hij een hoogeren prijs dan de gebodene. Eindelijk wordt hem gevraagd of er wel balken van zekere afmeting in voorkomen, en wordt hem de maat met een grassprietje of een touwtje duidelijk gemaakt. Dan trekt hij een bedenkelijk gezicht.
„Ja, zie je,” gaat de kooper voort. „Die moet ik absoluut hebben. Maar ik geloof wel dat zij er zijn, ten minste achterin heb ik eenige balken gezien, die nog nieuw waren. Men zou haast zeggen dat zij eerst kort geleden gekapt waren.”
Een uitdrukking van groote slimheid verspreidt zich over Kromo’s trekken, en het noeninggih klinkt haast hartstochtelijk. Hij begint te begrijpen; en terwijl de europeaan voortgaat met het telkens bijna te zeggen, nog steeds twijfelend of de inlander zijn bedoeling wel vat, laat deze de djatiboomen die hij vellen zal, reeds voor zijn geestesoog voorbijgaan. En als de kooper eindigt met hem op het hart te drukken dat van de balken de poeroesan20 niet af mag breken, grijnslacht hij zachtjes. [55]
Dan gaat hij hakken en brengt bij één ouden balk, twintig nieuwe, waaraan een poeroesan gefabriekt is, die elk eerzaam timmerman een stuip zou bezorgen van het lachen als hij hem zag.
Op zijn reis naar Soerabaja, den dichtstbijgelegen houtaankap aandoende, bestelde Korman eenig houtwerk; voornamelijk daksparren en andere stukken van kleinere afmeting, die hij op de onderneming moeielijk kon laten aanmaken, daar zij gezaagd moesten worden, en de inlandsche timmerlieden die hij had, slechts konden bekappen.
Nauwelijks was hij weg, of Li maakte zich op om aan een beleefdheidsplicht te voldoen. De huishoudsters van de employé’s hadden haar allen bezocht, doch Korman had haar nimmer toegestaan contra-bezoeken te gaan brengen. Het ging haar aan het hart, want Li was van nature zeer fijn van manieren, doch waar hij gebood moest zij volgen; dat beschouwde zij als haar eerste plicht. Nu echter was er gelegenheid het verzuimde in te halen, en zij maakte er dadelijk gebruik van.
Als de hoogste in rang ontving Minah—de barones, zou Biezeman zeggen—het eerste bezoek, dat van ’s morgens tot in den vooravond duurde. Toen zij kwam ontving Minah haar met gebak, maar niet de gewone inlandsche kwee-kwee, neen, echt gebak zooals dat in de groote steden werd gemaakt door [56]hollandsche dames. Ook onderwees zij Li in de kunst het te bereiden, met gist die zij zelf kweekte en waarmee zij ook brood bakte. Brood! Dat zag men op Watoeombo slechts eens per week, als de plajangan kwam, en dan nog oudbakken. Li moest dadelijk weten hoe Minah dat deed.
En deze wees haar hoe zij een kopje meel nam, er een dooier van een ei doorheen werkte en wat zout, het daarna aanmengde met klapperwater en door de kokki liet kneden, of eigenlijk slaan op een plank, tot het genoeg was, wat zij dááraan zag dat het deeg in draden kon worden getrokken die taai waren, en hoe fijn ook, niet braken. Dan nam zij voor de eerste maal een weinig deeg er van af, en bewaarde dit in een stopflesch tot den volgenden dag; dan werd de helft er van in het nieuw te maken brood gebruikt en van het geknede deeg weer een weinig bijgevuld in de stopflesch. Na vier of vijf dagen was daarin een soort gist gekweekt en door het gebruik daarvan rees het brood elken dag mooier.
Aan de rijsttafel was van Everdingen tegenwoordig, en volmaakte de ontvangst die Minah aan Li bereid had, door zijn vele attenties. Toch, toen Li naar huis ging was zij niet in haar schik. Zij kon zich geen rekenschap geven van wat het was, maar Minah had op haar een ongunstigen indruk gemaakt. Zou het jaloezie wezen? Vrouwen zijn soms zonderling, en [57]gunnen den man dien zij verstooten hebben aan geen ander.
Li had er spijt van dat zij Minah den volgenden dag bij zich genoodigd had; doch het was niet te herroepen, en Minah kwam.
Toen zij weer vertrokken was wist Li wat haar gevoel beteekende. Minah was een valsch, gevaarlijk wezen. Li had moeite gehad zich bedaard te houden, en dat moest toch, wilde zij zonder gevaar voor haar zelve en haar kinderen het kwaad voorkomen dat stond te gebeuren.
Zij hadden samen gepraat—Minah bracht het gesprek er op—over de positie van een huishoudster. Dat Korman haar kon wegzenden, wist Li; doch natuurlijk zou hij dat nimmer doen, tenzij zij zich misdroeg; en o! de gedachte zelfs daaraan was haar vreemd. Zij was immers zijn vrouw, de moeder zijner kinderen.…
Minah noemde haar een onnoozel halsje. Zij wist dan beter wat er in de wereld te koop was. De heeren namen een huishoudster op een goedkoopje, zoolang zij nog geen tractement genoeg hadden om een njonja21 blanda te bekostigen. Want die zijn duur; ten eerste van nature, ten tweede door hun kleeding, en ten derde omdat zij van niets verstand hebben en door de bedienden van alle kanten bestolen [58]worden. Watblief? Die waar Minah’s moeder diende, was een der pintersten, wat echter niet belette dat zij, Minah, zes jaar lang had meegegeten. En zij niet alleen. Ieder der bedienden had een vrouw of een man en kinderen, die allen meeaten uit de goedang. Een kleine kolonie op het achtererf! Welke huishoudster, die zuinig wilde zijn, zou dat toelaten? Van Everdingen en zij hadden een kokki, een jongen, en een waterdrager, die allen in de bijgebouwen woonden en in de kost waren. Maar zij kregen niets te veel, niet meer dan zij ook precies op konden; en familie duldde Minah zelfs niet in de kampong.
Dat had Minah van alle kanten goed bekeken. Zoodra de heeren het betalen konden, namen zij een vrouw en kon de huishoudster haar matje oprollen. Tenzij zij pinter was. Want er waren middelen om de heeren te dwingen! Die assistent-resident onder anderen, die naast hen woonde in de stad.… Minah was nog jong toen het gebeurde, maar zij had het verhaal dikwijls gehoord van de oude tante van haar moeder, die bij hen inwoonde, en zelf de obat had geleverd. Die mooie meneer dacht zoo stilletjes met verlof naar Holland te gaan. Maar het behoefde niet! Want een poosje te voren werd hij ziek en dacht dat hij ging sterven. En zijn huishoudster had verschrikkelijk geschreid en zich aangesteld alsof zij zich de haren uittrok van verdriet, kermende en klagende [59]dat zij en haar kinderen naar de kampong verwezen waren, omdat die arme schapen niet gewettigd waren. Toen was er een ambtenaar gekomen van de secretarie en zij waren getrouwd, om de kinderen. En de njonja assistent trok kousen en schoenen aan en een zwartzijden japon, en mocht voortaan als er visite was binnenkomen; want.… de assistent-resident werd beter! Wat hadden haar moeder en de tante van haar moeder er dikwijls om gelachen! Maar zij, Minah, had het zich in het geheugen geprent; en eer zij met haar zuster was meegegaan naar hier, om huishoudster te worden bij van Everdingen, wist zij uit welke planten de obat was getrokken die zulk een heerlijke uitwerking had.
Li nam zich voor om Korman dadelijk te waarschuwen als hij thuis kwam. Op het oogenblik durfde zij niets, want zoo’n schepsel was tot alles in staat als zij wist dat Li haar verraden had.
Korman bleef langer uit dan hij oorspronkelijk van plan geweest was. Toen hij bij den fabrikant kwam om te bestellen, vroeg deze hem ten eerste hoeveel koffie hij per etmaal wilde pellen, en ten tweede over hoeveel water hij beschikken kon. Op de eerste vraag kon hij natuurlijk dadelijk antwoorden, zoodat de fabrikant hem aanraadde op Sabrang, op beide afdeelingen, een paar pulpers te plaatsen, door koelies uit de hand te draaien; evenzoo op de afdeeling van [60]Brisson; doch op Watoeombo zelf moest andere beweegkracht aangewend worden en dadelijk een grootere installatie opgesteld. Als de drijfkracht water was, dan moest de fabrikant weten hoeveel daarvan kon verkregen worden, teneinde de grootte van het waterwiel te kunnen berekenen.
„Wel, een kalie vol!” riep Korman uit.
De fabrikant kon evenwel met die opgave niet volstaan.
„Ik moet twee dingen weten,” zeide hij. „De hoeveelheid water en het verval. Het eerste bepaalt men ruw weg, door de kalie over een lengte van vijftig meters op afstanden, van bijvoorbeeld vijf meter, te peilen en aldus de gemiddelde diepte te berekenen. Dan meet men op dezelfde wijze de gemiddelde breedte. En eindelijk laat men aan het begin van het gemeten vak een licht voorwerp, een kurk of zoo, in het water vallen en neemt nauwkeurig op in hoeveel seconden het den weg aflegt tot aan het einde.
„Voor het verval moet ik weten hoe hoog u, na afdamming der rivier, het water kunt krijgen boven de plaats der installatie. Dat geschiedt door eenvoudig waterpassen.”
„Wilt u dat eens opschrijven,” verzocht Korman, „dan zal ik mijn eersten geëmployeerde opdragen een en ander ten spoedigste te doen.”
Zoo geschiedde, en Korman moest wachten tot hij [61]de opgaven van Watoeombo had ontvangen. Ook schreef hij aan Messner, die hem opdroeg voor hem een viertal pulpers te bestellen, die met de hand bewogen konden worden, doch later eventueel ook op een waterwiel te gebruiken waren.
In den tijd die er verliep tusschen het afzenden van zijn brief en het antwoord daarop, verveelde Korman zich vrij wel in de groote stad, daar hij bijna niemand kende. ’s Avonds bezocht hij meestal de Sociëteit, waar Benoit hem een introductie bezorgd had; maar te eenkennig om zich aan dezen of genen voor te stellen, zat hij uit den treure de prentjes te bekijken in de leeszaal.
Eens meende hij een bekende luidklinkende stem te hooren, en opziende bemerkte hij zijn buurman van Os. Snel sloeg hij de illustratie die voor hem lag, dicht en hield zich als wilde hij het gebouw verlaten, zich echter met opzet naar de zijdeur begevende om van Os tegen te komen.
„Hallo!” riep deze uit. „Ben jij ook hier? Dat treft! Laat mij om te beginnen de heeren eens aan elkaar voorstellen. Kaptein Kool van de genie, mijn technisch raadsman—meneer Korman, administrateur van het monsterland Watoeombo.”
Beiden vonden de kennismaking aangenaam, althans zij verklaarden zulks.
„En wanneer ga je weer naar boven?” vroeg van Os. [62]
„Over een paar dagen,” zeide Korman, en vertelde waarop hij wachtte.
„Dan konden wij wel samen gaan—dat is te zeggen met ons drieën,” opperde van Os. „Want mijn vriend Kool zal me het genoegen doen van ziek te worden en berglucht noodig te hebben tot herstel van gezondheid.”
„O zoo!” zeide Korman lachend, den kapitein aanziende, die een toonbeeld van gezondheid was.
„Van Os spot er mee,” zeide deze. „Doch ik ben werkelijk ongesteld. De zaak is deze: als ik om dezen tijd niet eens naar een koel klimaat ga, dan word ik ziek en moet toch naar boven.”
„Dus bij wijze van voorbehoedmiddel?”
„Geraden! Voor den dienst is het precies hetzelfde of ik gezond dan wel ziek een maand absent ben, maar voor mij persoonlijk maakt het een groot verschil. En nu kan ik tegelijk mijn vriend van Os een genoegen doen door eens naar zijn bouwerij te kijken; waarom zou ik het dus laten?”
„U heeft volkomen gelijk,” zeide Korman. „En … mag ik vragen, heeft u ondervinding van den aanleg van koffie-établissementen?”
Er was onmiskenbare ironie in den toon van zijn stem. Kapitein Kool voelde het, en fronste de wenkbrauwen.
„Hoe kan je dat vragen!” riep van Os als verwonderd [63]uit. „Heb je meneer zijn naam niet goed verstaan?”
„Ja wel,” stotterde Korman; „kaptein Kool …”
„Van de genie,” vulde van Os aan. „Juist; en ken je dan het werk niet dat de kaptein heeft samengesteld?”
„Neen …”
„Wel voor den dokter! Hoe is het mogelijk?! Kijk bij gelegenheid eens in de laatste aflevering van de Indische Gids; die heeft er nog een recensie over.”
„Hoe heet het?” vroeg Korman geheel overbluft.
„Hm,” deed van Os, „ùche, ùche. Hoe duivel … o ja…, Koffie-établissementen, in Oost- en West-Indië. Is ’t niet, Kool?”
„Ja,” zeide deze met een quasi zedige gelaatsuitdrukking. „Met houtsneden.”
„Juist. Er staan teekeningen achter.”
„Wel,” zeide Korman, „dan zal ik er morgen dadelijk een exemplaar van koopen. Het is hier toch te krijg?”
„Ik geloof dat Thieme & Co het heeft,” zeide kapitein Kool. „Hoewel … het is in Holland uitgegeven.”
„Kom, laat ons nu wat gaan biljarten,” stelde van Os voor, zijn glas ledigend.
„Wat heb je dien meneer te pakken gehad,” zeide kapitein Kool toen hij met van Os in een kossong22 [64]naar huis reed. „Wat voor een soort mensch is hij?”
„’n Goed merk; alleen een beetje verwaand,” zeide van Os.
Korman ging den volgenden morgen naar Thieme & Co en vroeg naar het boek van kapitein Kool. De employé die hem te woord stond, raadpleegde den Catalogus voor den Boekhandel, doch vond het er niet in.
„Het is zeker een pas uitgekomen werk. Ik zal er over schrijven en het u toezenden. Mag ik uw adres weten?”
Korman gaf het en ging toen terug naar zijn logement, waar hij tot zijn groote vreugde brieven van Watoeombo en Donowarie vond met de verlangde opgaven.
De zaken wikkelden zich nu spoedig af. De fabrikant maakte zijn becijferingen, en daarna een teekening voor het metselwerk dat Korman had laten doen. Voor de opstelling van het ijzeren waterwiel en de overbrengende beweging, zou een deskundige te Watoeombo komen.
Zooals was afgesproken maakten zij de terugreis met hun drieën, in Korman’s reiswagen.
Op Watoeombo komende bevond Korman dat er reeds een flinke massa hout was aangekomen, zoowel van den houtaankap als uit de dessa. De steenbakkers hadden een oven opgebouwd van twintigduizend steenen, en er juist den brand in gestoken, zoodat [65]men over een week de gare metselsteenen kon verwachten. In de stad had hij kalk en portland-cement besteld; zand leverde de kalie in elke hoeveelheid.
Rencke, die in zijn schooltijd aan rechtlijnig teekenen gedaan had, zette, na eenige studie op de teekening van den fabrikant, de fundaties heel aardig uit; tot stille tevredenheid van Korman, die gevreesd had met vragen te zullen worden lastig gevallen over al die strepen en lijnen waarvan hij niets begreep.
Zoodra zij zoover waren dat op het terrein zelf de grootte van de molenloods kon aangegeven worden, werd deze opgetrokken. Djatihouten stijlen op steenen voetstukjes droegen het dak, dat met gegalvaniseerd ijzer gedekt werd. De helft der loods werd ingenomen door de molens; de andere helft, die ongeveer anderhalf meter hooger uit den grond was, werd bevloerd en gepleisterd, terwijl een laag halfsteensmuurtje er omheen liep.
Toen men dit gereed had, en aan den buitenkant ook de fundeering voor het waterwiel, schreef Korman aan den fabrikant dat hij gereed was, en stuurde koelies en paarden naar de stad, om het daar, bij zijn chineeschen agent, bewaarde ijzerwerk af te halen.
Ver boven de kampong was een dammetje in de kalie gelegd, even hoog genoeg om een gootvol water af te leiden. Een mandoer, dezelfde die indertijd van Korman een pak slaag had gekregen, [66]omdat hij de terrassen niet waterpas kon maken, was daar aan het werk; en nu hij water had bewees hij als een echte javaan daarmee de zuiverste waterpasse leiding te kunnen maken. Bijna veertig voet boven de molenloods kwam de waterleiding uit, waarin men desverkiezende de geheele kalie had kunnen aftappen.
Van Soerabaja kwam nu de deskundige, de monteur der fabriek, die de installatie geleverd had. Hij bracht een inlandsch werkman mee. Deze twee, geholpen door een zestal koelies van de onderneming, zetten het ijzeren waterwiel, dat uit segmenten bestond die aan elkaar geschroefd werden, in korten tijd op de fundatie, en daarvan uitgaande, brachten zij een as dwars door de loods aan, die zes riemschijven droeg, één voor elken pulper. Ten slotte liet de deskundige een draaibare sluis maken, om, al naar men noodig had, het water in het wiel te kunnen leiden of het te doen afstroomen naar de kalie. Toen dit alles gereed was, waarmee ongeveer twee weken waren gemoeid geweest, liet hij den boel draaien. Daarbij bleek dat alles in orde was, althans de beweegkracht en de transmissie; de pulpers zouden eerst gekeurd kunnen worden als er koffie was. Doch het systeem was reeds elders beproefd en goedbevonden, dus gaf Korman zonder aarzelen een kasaanwijzing af op Benoit voor den prijs der installatie en de onkosten van het monteeren, waarmee de deskundige vertrok. [67]
Op de afdeelingen, en eveneens op Donowarie, was het eenvoudiger toegegaan. Daar stonden de molens onder een bamboe-loods en daarnaast de gemetselde waschbakken. Water voor de pulpers en voor het wasschen werd met bamboe-leidingen uit de kalie getrokken.
De molenloods te Watoeombo stond dicht bij de administrateurswoning, en vandaar tot aan de kampong werd nu het geheele terrein getransformeerd in droogbakken; in vorm gelijk aan de primitieve aarden bakken, doch nu netjes bevloerd met metselsteenen en geheel met portland-cement bepleisterd. In de specie die voor pleisteren gebruikt wordt, mag geen kalk bijgemengd worden, daar deze zich door de inwerking van de natte koffie oplost.
Lang voor de koffie geplukt kon worden waren op Watoeombo de installaties gereed. Op Marialand was men niet zoo vlug.
Kapitein Kool was daar den dag na zijn aankomst begonnen het terrein, dat van Os voor zijn installatie bestemd had, van alle kanten te bekijken en op te meten. Toen had hij teekengereedschap te voorschijn gehaald en zich gedurende een week beziggehouden met het vervaardigen van schetsen, die hem echter geen van allen schenen te voldoen.
„We moesten eens beginnen, ouwe,” zeide van Os op een morgen. [68]
„Dat zullen we ook,” was het antwoord. „Maar mijn stelregel is: eerst met het hoofd, dan met de handen. En met het hoofd ben ik bezig, ja bijna klaar. Kijk eens hier.”
Terwijl van Os de hem voorgelegde schets bekeek, legde de genieofficier hem die uit.
„Dat is drommels mooi!” riep van Os eindelijk uit. „Weet je wat, ik zeg niets meer; ga jij je gang, al moest het nog een maand duren.”
„Overmorgen ben ik klaar,” beloofde Kool. „Laat straks even een plank voor mij afschaven, dan zal ik de werkteekeningen maken. Overmorgenochtend kan je laten beginnen met uitgraven; ik zal het morgen uitzetten.”
Kapitein Kool bleef een maand, en toen hij weg ging, wist van Os hoe hij het werk moest afmaken. Een zestal werkteekeningen wezen het als vanzelf aan, duidelijk en gedétailleerd als zij waren.
Eindelijk was ook hij zoover dat de monteur kon komen, niet echter om een waterwiel op te stellen, doch een kleine stoommachine.
De administrateur van Marialand had namelijk één principe consequent doorgevoerd. Zijn woning, de kampong en het établissement lagen precies in het centrum der onderneming. Dat had hij geacht het meest in het belang van de zaak te zijn, en daar moest zoo mogelijk alles zich naar regelen. Hij kon nu wel [69]een waterleiding maken naar het établissement, doch de kosten daarvan zouden zeer hoog geloopen zijn; dus koos hij een stoommachine als motor voor zijn pulpers en maakte een gewone buisleiding van bamboe voor het waschwater. En om dit laatste nog zoo goedkoop mogelijk in te richten, liet hij de leiding slechts uit één bamboe aanleggen en een verzamelbassin metselen, dat ’s nachts vol liep, en zoodoende voor het werk overdag genoeg uitleverde.
Het opstellen van de kleine stoommachine duurde niet lang, doch bij het proefstoomen draaide zij zeer langzaam, en toen de pulpers werden aangekoppeld weigerde zij formeel den dienst. De monteur, een gewezen machinist van een stoomboot, zocht een week lang naar de fout, en verklaarde eindelijk dat die moest zitten in een te kleine uitholling van de stoomschuif, waardoor de afgewerkte stoom niet spoedig genoeg ontwijken kon en zoodoende een tegendruk veroorzaakte.
Van Os zat met de handen in het haar. Tot overmaat van ramp kreeg hij de tijding dat er twee nichtjes van hem in Indië waren aangekomen en te Batavia zouden komen inwonen bij hun oom, een andere broer van van Os. Dit ware nu op zichzelf genomen zoo erg niet, maar broer kon hen om de een of andere reden niet dadelijk bergen, en had hen daarom tijdelijk in het logement bezorgd, om hen per eerstvolgende [70]boot naar Soerabaja, adres van Os, op te zenden. Hij moest dus naar Soerabaja om hen te halen.
„Hoor eens,” zeide hij tot den monteur, toen de tijd drong; „loopt dat ding nu of niet? Ik bedoel vandaag nog.”
„Neen meneer,” was het antwoord. „Er is een gebrek aan de.…”
„Ja wel, dat weet ik,” viel van Os in. „Er zit iets in de stoomschuif het achterste voren, of zoo. Ik wou alleen zeggen dat ik morgen naar Soerabaja ga. Wil je meegaan of wachten tot je chef hier komt; want dien breng ik mee.”
„Ik zou liever hier blijven,” zeide de monteur. „Als de ingenieur dan komt, wou ik er graag bij zijn.”
„Goed,” besloot van Os.
Korman had gehoord dat van Os met zijn installatie tobde. Hoe en wat, wist de inlander die het vertelde niet te zeggen. Daarom besloot hij er eens heen te gaan. Op het briefje, dat hij vanwege den kwaadaardigen hond den dag te voren verzond, kreeg hij echter antwoord van mevrouw van Os dat haar man plotseling op reis was gegaan. Hij stelde den tocht dus uit.
Na een week kwam van Os terug, zijn nichtjes en den ingenieur medebrengende. De laatste was een dier weinige Engelschen, die men in het buitenland aantreft vrij van de ruwe vlegelachtige lompheid en stijve [71]aanstellerij, die de kenteekenen zijn van exemplaren van dat ras, zoodra zij hun eigen land verlaten hebben.
Hij was daarenboven zeer conversabel en bewegelijk, sprak bijna onberispelijk hollandsch, en had de reis vooral voor de jonge dames met veel tact en geest weten op te vroolijken.
De nichtjes, Caroline en Saartje, twee en twintig en twintig jaar oud, waren beiden zeer blond, opgewekt, beschaafd, muzikaal en pas van de kostschool.
De monteur haastte zich zijn chef te begroeten.
„Halloh Stevens,” zeide deze; „won’t she go? Wat mankeert er aan?”
Door van Os vergezeld gingen zij naar de machine. En hier veranderde op eens de geheele manier van doen van den engelschen ingenieur. Kalm en met een ernstige beradenheid bezag hij de opstelling, en knikte een paar maal goedkeurend.
„Well done!” zeide hij tot Stevens, die herademde. Toen, de hand aan het vliegwiel der machine slaande, trachtte hij dit, doch vergeefs, om te draaien.
„Laat dien riem even afnemen,” gelastte hij. „Heb je al stoom?”
„Pas twintig pond meneer,” antwoordde Stevens met een blik op den manometer.
De riem die de machine aan de overbrengende beweging verbond was er intusschen afgenomen. Nog eens herhaalde de ingenieur zijn proef, en toen hij [72]met alle kracht het vliegwiel nauwelijks een duim verder kon draaien, vroeg hij om een schroefsleutel. Hiermede draaide hij de moeren van de kussenblokken een weinig losser, en ging voorts ook die der werkbussen na. Eindelijk lichtte hij de klepjes van de oliekoppen op, en draaide voor de derde maal aan het vliegwiel, dat nu zonder eenige moeite rondging.
Toen zette hij de waterkraantjes van den cilinder open, liet nog één blik over het geheel gaan en draaide langzaam aan de smoorklep.
Statig zette het kleine ding zich in beweging. Pf, pf, deden de waterkraantjes, maar nadat deze gesloten waren, hoorde men niets meer.
„She ’s allright,” verklaarde de ingenieur.
„Ja wel,” zeide van Os, „zoo ging het laatst ook, maar dat is te langzaam, en als de molens aangezet worden staat hij stil.”
De ingenieur zeide niets, doch met een handige beweging wierp hij den riem over het draaiende drijfwiel. De machine bleef bijna even vlug doorloopen. Nog een zetje aan de smoorklep, en alles snorde full speed.
„Prachtig!” riep van Os uit. „Wacht, ik ga de dames roepen.”
Van zijn afwezigheid maakte de ingenieur gebruik om den armen Stevens, die er met open mond bij stond, een ongezouten standje te maken. En deze [73]kon niets anders tot zijn verdediging aanvoeren, als dat hij aan boord gewoon was geweest met stijf aangeslagen metalen te werken.
„Dat is waar,” zeide zijn chef. „Maar als je je zelf aanbiedt om landmachines te monteeren, dan behoor je ook daarvan verstand te hebben. Never mind, het overige is in orde, wees in ’t vervolg attenter.”
De dames vonden het natuurlijk heel mooi; maar van Os was in de wolken. Morgen moest er geplukt worden, en hoezeer zijn vrouw ook tegenstribbelde en beweerde dat zij nooit klaar zou komen, wilde hij invitaties rondzenden aan alle heeren in de buurt om in den namiddag te komen en vervolgens een klein maalfeest mede te vieren.
Dat zij allen aan de uitnoodiging voldeden behoeft wel geen betoog, en eenstemmig was de bewondering over de practische inrichting van het établissement.
Aan den rand van het boschje, waarin het woonhuis stond, lag een vrij gelijkmatig hellend terrein. Bovenaan waren drie terrassen uitgekapt. Op het hoogste stond een loods, met steenen vloer, welke vloer van hout was voortgezet en met een dikke pleisterlaag bedekt tot over het tweede terras heen, alzoo daarop een bovenverdieping vormende. Deze bovenverdieping was, met het hoogste terras, de ontvangloods der roode koffie. Door gaten in den vloer, die in trechters uitkwamen, liep de koffie door water [74]gestuwd en medegevoerd in de pulpers, die beneden stonden op het tweede terras, waar een kleine afgescheiden ruimte ook de stoommachine en ketel inhield. Het derde terras bestond uit vier waschbakken. Dit alles was onder dak en omsloten door een traliewerk van zoogenaamd volièregaas. Nog lager waren de droogbakken, terrasvormig vóór en naast elkander, door een vernuftig gotenstelsel gescheiden, waarlangs men de koffie, als die gewasschen was, met een waterstraal op de bakken kon doen loopen. Behalve de stoker voor de machine, waren twee man voldoende om de geheele installatie te doen werken.
Toen de gasten verzameld waren, leidde van Os hen naar de molenloods en nam het ontvangen van de koffie een aanvang. Door een mandoer en een amboneesch opzichter geleid, liep dit, dank zij de tucht die bij alles op Marialand heerschte, zeer spoedig af. Daarop ging men het trapje af naar de machinekamer. Slechts de dames en de administrateurs konden hierin een plaats vinden, de anderen stonden in de ruimte bij de pulpers.
Op de smoorklep was een bloemruiker gebonden; en terwijl een bediende champagne presenteerde, noodigde de ingenieur mevrouw van Os uit de machine in beweging te stellen.
„Ik durf niet,” zeide zij. „Laat Caroline het maar doen.” [75]
Caroline durfde wel. Zij trad naar voren en draaide op aanwijzing van den ingenieur aan het wieltje. Daarbij had zij uit vrees voor olievlekken de mouw van haar japon hoog opgetrokken en vertoonde een buitengewoon fraaigevormden arm. Trouwens het heele tooneeltje, toen de machine begon te draaien en de aanwezigen een luid hoera deden opgaan, had iets zeer frisch en levendigs, geaccompagneerd als het werd door het geklater van het vallende water en het knarsen van de koffie in de pulpers.
Men had eindelijk genoeg gekeken en allen begaven zich naar het woonhuis, om zich met een bittertje of een glas port voor te bereiden tot het diner. Aan tafel werd toast na toast geslagen. Doch toen Messner den gastheer prees over zijn practischen blik bij de inrichting van de installatie, nam deze het woord en verklaarde dat de eer daarvan geheel aan zijn vriend Kool toekwam.
„’t Is waar ook,” zeide Korman. „Dat boek … ik heb het niet kunnen krijgen. Heb jij het?”
„Neen,” antwoordde van Os. „Dat was een ui.”
„Hoe flauw!” mompelde Korman. Doch hij werd niet boos; daartoe was hij op het oogenblik niet in een stemming. Er was met hem sedert het laatste uur iets zonderlings voorgevallen. Eerst wist hij niet wat het beteekende en meende dat hij koorts had. Een extra bittertje, anders voor hem een afdoend [76]middel, hielp ditmaal niet; doch toen hij aan tafel zat en links van zich Caroline van Os vond … o, toen zag hij plotseling weer dien arm aan de smoorklep en een hevige begeerte maakte zich van hem meester om dien meer, altijd! te mogen zien, hem tevens te kunnen verbergen voor de onbescheiden blikken van ieder ander. Hij dacht niet aan Li, aan zijn kinderen, aan niets als aan dien blanken arm, dien hij detailleerde in zijn vormen en lijnen tot het kuiltje toe in den elleboog.…
Na tafel speelden de dames op de piano, en later op den avond werd dit instrument voor het raam der binnengaanderij geschoven om den dans te accompagneeren der jongelui in de voorgalerij. Korman stond in de deuropening, zich verwenschende dat hij niet kon dansen en geen oogenblik de bevallige gestalte van Caroline uit het oog verliezende, woedend als nu Rencke, dan van Everdingen, dan Brisson haar omvatten.…
En het verliet hem niet meer, ook niet toen de gewone gang van het werk hem tot bedaarder nadenken dwong. Li was wel goed, maar men kon toch zijn heele leven niet tegen zoo’n bruin gezicht blijven kijken, en ook vond hij het nu eensklaps jammer om het geslacht der Kormans voorgoed in de donkere kleur te converteeren. Wat een verschil toch! In het gezicht mocht het minder opvallen, maar [77]op zoo’n arm! En verder! Hoe echter moest hij het tot stand brengen? Li wegzenden … wat zou Messner doen? En toch, niettegenstaande alle moeielijkheden die hij voorzag, wilde hij het niet opgeven.
De meisjes blijven een maand of drie, had van Os gezegd; welnu, die tijd was lang genoeg om alles voor te bereiden, en eindelijk zou hem wel een denkbeeld invallen om met fatsoen Li weg te krijgen en Caroline in haar plaats. Intusschen zou het zaak zijn dikwijls naar Marialand te gaan; een voorwendsel was gemakkelijk te vinden … een digestiebezoek om te beginnen.
Doch in de eerste dagen kwam er niet van. De pluk was begonnen. Brisson werd op het hoofdkwartier ontboden en belast met het toezicht op het malen en de verdere behandeling der koffie. In zijn vrije oogenblikken liet Korman hem aan de boeken werken, die nu van den beginne af opgehaald, in behoorlijken vorm werden ingericht.
In Brisson’s plaats werd voorloopig de hoofd-mandoer van Rencke gezet, terwijl Korman een oproeping in de couranten had laten plaatsen voor een nieuwen opzichter. Aan beide europeanen gaf deze regeling, vooral in de eerste dagen, veel werk.
Eén zaak baarde Korman veel zorg. Hij moest dit jaar een paar honderd picols gouvernementskoffie koopen, en als het wat lang duurde eer hij een [78]employé had voor de afdeeling van Brisson, zou de hoofd-mandoer dien inkoop moeten leiden. Dat was de kat op het spek binden, met andere woorden den man in sterke verleiding brengen ten eigen bate te ruim te meten en er zoo een duitje uit te knoeien.
Korman besloot een laatste poging aan te wenden om van Everdingen tot andere gedachten te brengen wat betrof den opkoop van koffie.
Voor de eerste maal sedert het feest op Marialand ging Korman van Watoeombo weg. Nauwelijks had hij de kampong achter zich, of weer hield datgene zijn gedachten bezig dat er sedert zijn ontmoeting met Caroline van Os nooit geheel uit was geweest. Alleen, waar het een zaak betrof die hem persoonlijk aanging, kon hij nooit in geregelde volgorde nadenken. Steeds nam hij sprongen van de voorbereiding eener zaak, als hij al zoover kwam, tot op het geheel gereedzijn en de gevolgen daarvan voor hem zelf. Zooals nu, op zijn rit naar Sabrang, moest hij tot drie, viermaal toe zijn gedachten terugdringen van het punt dat zij bereikt hadden, namelijk het huwelijksleven met Caroline, tot de vraag hoe van Li af te komen en hoe Caroline … aan te klampen, zooals hij dat bij zichzelf uitdrukte.
Hij stond voor van Everdingen’s woning vlugger dan hem lief was, ja eigenlijk hinderde het hem dat hij niet nog wat had kunnen doorrijden en zich bij [79]zijn overdenkingen houden, te meer daar hij nu niet gereed was met zijn argumenten in de zaak waarover hij van Everdingen had te spreken.
Maar hij was er, en dus steeg hij af, zich echter verwonderende van Everdingen niet voor den dag te zien komen. Op het werk waar hij langs gereden was, had hij hem ook niet gezien; waar duivel zat de vent?
„Hei, djongos!”23 riep hij naar binnen gaande. Geen jongen, doch Minah verscheen. Met haar slofjes klikklakkende over de bamboe-mat draaide zij op hem af, en zichtbaar was de teleurstelling op haar ronde gezichtje, toen Korman van haar coquet persoontje in ’t geheel niet aangedaan scheen.
„Waar is meneer?” vroeg hij op ongeduldigen toon.
„Tobat,” klaagde Minah; „meneer is uit. Hij is in de laatste dagen altijd uit, en komt soms niet eens rijsttafelen.”
„Is hij bij meneer Biezeman?” vroeg Korman.
„Neen,” zeide Minah verbaasd. „Op Soemberpetong. Om teekeningen te maken van den molen daar. Hij zeide dat de toewan besaar het gelast had.”
Op Soemberpetong! Minah gebruikte hier den inlandschen naam voor het land van van Os.
Korman stond als versteend. Soemberpetong! Marialand! En dat terwijl hij zijn tijd met nietsdoen verknoeide! [80]Een beeld, van Everdingen vrijende met Caroline, teekende zich in zijn gedachten af en deed hem de vuisten ballen. Vervloekt! En toen herinnerde hij zich op eens wat Li hem bij zijn terugkomst verteld had van Minah …
„Op mijn last, haha!” stootte hij uit. „Heeft hij je dat wijsgemaakt, domoor? Ja wel, op mijn last! Oók als hij straks een der jonge dames als zijn vrouw hier in huis brengt zeker?”
Een donkerder tint overtoog Minah’s gelaat, haar borst ging hevig op en neer, en een stap nader komende greep zij met haar rechterhand den opslag van Korman’s jas.
„Apa betoel?”24 vroeg zij.
Hij maakte dat bevestigend keelgeluid, in Indië gebruikelijk, en nam tevens haar hand van zijn jas weg, om op een heel anderen toon voort te gaan.
„Pas op,” zeide hij; „als iemand het zag!” Doch haar hand hield hij vast, haar zachtjes voortduwende tot in van Everdingens slaapkamer.
„Soedalah!” zeide Minah. „Als hij mij ontrouw is, waarom zou ik hem trouw zijn.”
„En nu,” gebood Korman bij het weggaan, „mondje dicht, hoor! Ook over dat andere dat ik je gezegd heb.”
Op den terugweg ontmoette hij van Everdingen. Hij schrok er van; dat was op het randje af! [81]
„Zoo, verliefde ridder!” begroette hij hem. „Ik hoor dat je op Marialand geweest bent; vues hè?”
„Ja,” zeide van Everdingen, insgelijks lachend. „Op de installatie van ginds. Ik dacht, waarom zouden wij niet van het goede voorbeeld profiteeren, en heb meneer van Os gevraagd of ik zijn inrichting mocht opmeten en nateekenen. Toen heeft hij mij toegestaan zijn eigen teekeningen te copieeren; doch bij hem aan huis; hij wilde ze niet uit handen geven.”
„Niet kwaad bedacht,” vond Korman. „Heb je tijd om vanavond op Watoeombo te komen?”
„Zeker!”
„Kom dan vóór den eten, en deel in onzen pot.”
Bij den zijweg, dien van Everdingen afgekomen was, hield Korman zijn paard een oogenblik in, als dacht hij er over naar Marialand te rijden.
„Neen,” zeide hij halfluid en zijn paard wederom aanzettende, „nog niet.” En met groot leedvermaak dacht hij aan den poets dien hij van Everdingen gespeeld had. Ook de uitnoodiging van hedenavond zou een steentje bijdragen; Minah moest immers gelooven dat van Everdingen weer naar Marialand ging! Wat een leelijk gezicht zou hij trekken als hij, in plaats van Caroline, de bruine Minah naar het bureau van den burgerlijken stand moest geleiden!
Het gelukte hem intusschen niet van Everdingen [82]dien avond te bewegen tot het opkoopen van koffie. De tuinen op Sabrang stonden goed, meende deze, en zouden voldoende opbrengen om hun langs eerlijken weg een gezonde verdienste te bezorgen.
Korman drong niet sterk aan, hoewel hij in van Everdingen’s gevoelen niet deelde, althans wat de tuinen van Watoeombo betrof. Hij had een flauw besef dat die niet voldoende produceerden, dat Messner naar gelang van zijn aanplant meer maakte, om niet te spreken van Marialand waar de koffie in alle tuinen haast even mooi stond, zonder schrale plekken. Alleen door opkoop van gouvernementskoffie was het goed te maken; zonder die hulp zou Benoit al heel gauw vragen doen die minder aangenaam waren.
Even na het avondeten kwam de plajangan. De trommel openende vond Korman die vol brieven.
„Wat een schep!” zeide hij. „Heb je lust ze te lezen?”
„Hoe zoo?” vroeg van Everdingen.
„Het zijn sollicitaties, ingekomen op onze advertentie,” lichtte hem Korman in. „Je kunt merken dat de tijden veranderen; een jaar of wat geleden kon je je blind zoeken naar een employé; nu is er overvloed. Vier en dertig!” riep hij uit, de brieven tellende. „Hier, pak aan!”
Zij lazen, elkaar de brieven overreikende, en toen zij gereed waren bleven beiden eenige oogenblikken zwijgen. [83]
„Er zijn er bij die je zóó opzij kunt leggen,” merkte Korman eindelijk aan.
„Ja, de meesten zelfs!” stemde van Everdingen toe. „Die van sinjo’s en gepensionneerden bijvoorbeeld. Weet u wie mij het meest lijkt?”
„Die … waar is de brief … die maar een paar regels schrijft, bedoel je?”
„Ja.”
„Hier heb ik hem,” zeide Korman. „Hm … ja; ’n flinke hand en weinig omhaal … Lamers heet hij. Vooruit dan maar! Hij kan komen.”
Nog dienzelfden avond schreef Korman aan Lamers, blij in het vooruitzicht dat die plaats nu spoedig vervuld zou zijn en hij zelf meer tijd zou hebben om voor zijn bijzondere belangen te zorgen.
Intusschen begrijpende dat niets zijn zaak meer schaden kon dan zich niet te vertoonen en den ander vrij spel te laten, zette hij zich den volgenden middag te paard en reed naar Marialand.
„Ik kom nog eens op mijn gemak kijken naar je installatie,” zeide hij na gegroet te hebben.
„Dat is goed,” zeide van Os. „Alleen zal je mij moeten excuseeren; morgen gaat de post en ik heb heel wat te schrijven. De meisjes zullen je wel gezelschap houden.”
„En Caroline kan meneer de noodige ophelderingen geven,” voegde Saartje er bij. „Zij studeert voor machinist.” [84]
„Trekt u dat vak werkelijk aan?” vroeg Korman, terwijl zij opwandelden. „Ik wil zeggen …” stotterde hij, „de kennis van … ahem … de werktuigkunde.”
„O neen,” lachte zij. „Het is enkel nieuwsgierigheid. Ik kon niet goed velen dat het machinetje voor mij zooveel geheimzinnigs bleef behouden.”
„Nu jokt zij heusch,” zeide Saartje. „Oom had van den ingenieur een boekje gekregen, moet u weten, om van buiten te leeren. Als dan de inspecteur van het stoomwezen kwam kon oom zijn examen doen … verbeeld u, voor stoker! Toen oom er één avond in had zitten lezen, werd hij wanhopig van al die vreemde namen van dingen die hij niet vinden kon. Caroline is daarop met onuitputtelijk geduld aan het zoeken en vergelijken gegaan, tot zij op een goeden dag oom alles kon uitleggen en aanwijzen.”
„Dat is knap,” vond Korman.
„Saartje overdrijft,” zeide Caroline. „Ik heb eenvoudig den inlandschen drijver uitgehoord, die al die namen kende; het eenige moeielijke was de woorden te herkennen, zooals hij die radbraakte.”
Zij gingen door de takker-loods, waar de amboneesche opzichter bezig was de koffie te ontvangen en de machinekamer in. Korman bespeurde dadelijk een verschil met de vorige maal dat hij hier geweest was. Het was schooner. De vloer zoowel als de machine. Langs het latwerk was een plank gespijkerd en daartegenaan [85]hingen in keurige orde de schroefsleutels, oliekannen; pakking en andere waarlooze stukken. Zelfs het brandhout was netjes opgestapeld.
Met zichtbare deferentie groette de inlandsche drijver—een maleier—de binnentredende jonge dame, en deelde haar mede dat hij door den opzichter aangezegd was over een kwartier stoomklaar te zijn.
„Hoe vindt u mijn studeerkamertje?” vroeg Caroline.
„Prachtig,” zeide Korman. „Ik wist niet dat het in een machinekamer zoo zindelijk kon zijn. U is nu zeker op de hoogte van alles?”
„O ja,” antwoordde zij. „Erg moeielijk is het niet.”
Zij praatten nog wat door, tot het sein op een miniatuur kenthong boven weerklonk en het malen een aanvang nam.
Caroline zette zelf de machine in beweging, doch als Korman ditmaal gehoopt had nogmaals den fraaien arm te zien, dan had hij mis gerekend, want de jonge dame was nu aan het werk gewoon.
Over één zaak was hij echter tevreden. Het kostte hem namelijk volstrekt geen moeite meer om met de meisjes te praten; de woorden kwamen als vanzelf; hij vond zich zeer onderhoudend en hoopte dat de anderen die meening deelden. Het scheen wel zoo, want bij het naar huis gaan zeide Caroline:
„Foei, wat hebben we gebabbeld; meneer Korman heeft haast geen tijd gehad om iets te zien.” [86]
„Toch wel,” zeide Korman overluid, en toen zich naar Caroline overbuigende, fluisterde hij haar in: „Ik heb u immers gezien?”
Het was te donker, maar anders had Korman kunnen zien hoe Caroline te gelijk een kleur kreeg en een onwillige beweging maakte.
Voor heden echter was voor Korman dit de finale geweest van zijn hofmakerij. Op het laatste eindje van den weg liet hij Saartje de kosten van het gesprek dragen, en was blij toen hij onder de vleugelen van van Os in de voorgaanderij zat, en een bittertje hem deed herstellen van de doorgestane moeite.
Het avondeten liep vlug af, en daarna gingen van Os en Korman naar de voorgaanderij, doch de dames bleven achter.
„Hè,” zuchtte van Os; „ik ben blij dat die schrijverij achter den rug is. Het spijt mij dat ik je alleen moest laten, maar na tafel is het mij onmogelijk een letter op papier te zetten.”
„Och,” zeide Korman, „ik heb me uitstekend geamuseerd. Veel gezien heb ik natuurlijk niet, want het was een gepraat zonder eind.”
„Dat begrijp ik,” lachte van Os. „Ja, op den duur zou ik de meisjes hier niet kunnen hebben. ’t Is te lastig; je moet ze bezighouden, weet je, en dat kost meer tijd dan ik missen kan. Apropos, we komen eerstdaags eens bij jou.” [87]
„Doe dat niet!” riep Korman verschrikt uit. „Mijn huiselijke omstandigheden …”
„Poeh!” deed van Os. „Ze zijn in Indië geboren—de meisjes bedoel ik.”
„Ja wel, maar …” zeide Korman. „Hoor eens. Als je in den knoei zat met het een of ander waar je geen raad mee wist, wat zou je doen?”
„Dat hangt er van af,” zeide van Os verwonderd. „Je zoudt iemand anders kunnen raadplegen, bijvoorbeeld; hoewel dat gewoonlijk niet veel helpt.”
„Misschien in mijn geval wel,” meende Korman.
„Aha, gewichtige mededeelingen. Dat is een buitenkansje,” spotte van Os. „Kom maar over de brug; maar laat ik je eerst nog ’n grogje inschenken.”
„Ziezoo. Wat heb je nu?” vervolgde hij nadat dit gewichtige werk volvoerd was. „Soesah met je geldschieter?”
„Neen, daar behoef ik niet bang voor te zijn,” zeide Korman. „Het is iets anders. Ik zou je er niet over gesproken hebben, als je daar even dat plan niet geopperd had … het is eigenlijk nog wat vroeg … hm, ik kan, dat begrijp je, niet altijd ongetrouwd blijven …”
Van Os begon te begrijpen. Zachtjes fluitend bleef hij vlak voor zich uit staren, met de strakke uitdrukking van iemand die eerst meer hooren wil alvorens zijn goed- of afkeuring te laten blijken. [88]
„Sinds de vorige keer dat ik hier was,” ging Korman voort, „heb ik gemeend dat … hoe zal ik het zeggen … dat ik er niet te lang mee wachten moest; en dat je nichtje Caroline … Zie je, eigenlijk kan ik nog niets zeggen; maar toch zou ik niet graag hebben dat zij in aanraking kwam met … je weet wel.”
„Dat is duidelijk,” zeide van Os. „Je kunt moeielijk zeggen: ‚Kijk, daar heb je nu mijn huishoudster. Zou je zoo vriendelijk willen zijn haar plaats in te nemen?’ Bedoel je het zoo niet?”
„Juist!” antwoordde Korman. „Daarbij komt dat ik in een heel bijzondere positie verkeer, doordat ik kinderen heb. Anders zou je, als je dergelijke plannen hebt, tegen je huishoudster kunnen zeggen: ruk uit! En mocht het mislukken, dan neem je een ander. Maar ik kan dat niet doen. Nu dacht ik de zaak uit te stellen … dat wil zeggen mij te bepalen tot een vriendschappelijken omgang en later je nicht na te reizen. Als jij me intusschen een handje helpen wou …”
„Ik? Hoe bedoel je dat?” vroeg van Os.
„Wel … het is natuurlijk de vraag of je er vóór bent.”
„Gesteld dat het zoo is.”
„Me dunkt dat het dan niet moeielijk is. Ik kom hier af en toe, en jij plaagt haar een beetje …” [89]
„Dankje,” zeide van Os, „dat doe ik niet. Ik wil je wel van dienst zijn, maar niet op die manier. Je moet zelf zien of je het met Caroline vinden kunt; daar bemoei ik mij niet mee. Om je te bewijzen dat ik je niet ongenegen ben, zal ik je al dadelijk iets vertellen wat je nuttig kan zijn. Weet je waarom mijn broer de meisjes hierheen gestuurd heeft?”
„Nog niet.”
„Ik weet het eigenlijk niet zeker, maar ik ken hem en heb zoo mijn vermoedens. Nauwelijks waren de meisjes hier, of ik las in de courant dat hij zijn pensioen zou aanvragen. Nu is mijn broer altijd een erge duitendief geweest, en zou hij nooit zijn pensioen hebben genomen als hij niet voor het mindere inkomen een aequivalent had gevonden. Begin je hem te snappen?”
„Neen,” zeide Korman, met een onwillekeurige blik op de brandyflesch, waaruit van Os al sprekende een derde grogje prepareerde.
„Je weet toch wel wat een aequivalent is?” vroeg van Os.
„Ja wel,” zeide Korman. „Een ding dat, als ze het niet vinden kunnen, de regeeringsmannen belet noodige veranderingen en verbeteringen in te voeren.”
„Je wordt nog uiig op den laten avond,” zeide van Os. „Welnu, mijn broer heeft dat gevonden in het fortuin van de meisjes. Begrijp je het nu?” [90]
„O!” riep Korman uit. „Hoe kon ik dat weten!”
„Dat is waar,” stemde van Os toe. „Daar had ik niet aan gedacht. En … weet je wat … ik vind het een nobele streek van je dat je daar in ’t geheel niet naar gevraagd hebt. Ik zal je helpen, kerel; dat beloof ik je nu. Haha! en mijn broer een kool stoven. Hij, die dacht dat de binnenlanden veilig waren, en zeker van hier uit de meisjes ergens heengebracht zou hebben waar op geen tien paal afstand een vrijer te vinden was! ’t Zou mij niets verwonderen of hij ging naar Holland.”
„Dus zou ik haar hier nog moeten vragen?”
„Natuurlijk,” zeide van Os. „Ik zal er met mijn vrouw over spreken, en kom wel eens op Watoeombo: Heb zoolang geduld.”
Toen Korman op den weg naar huis was, bedacht hij plotseling dat hij geheel vergeten had over van Everdingen te spreken. Soedah! dien zou toch spoedig de lust vergaan; en zoo niet, dan was Saartje er ook nog. Want het was zonderling, nu hij wist dat de meisjes fortuin hadden, was het alsof de persoonlijke voorkeur die hij Caroline gegeven had sterk verminderde, verbleekte door den goudglans die haar omstraalde. Het eenige was dat Saartje zooveel jonger was. Een vrouw moest niet te jong zijn; zij behoorde zich rekenschap te kunnen geven van wat zij deed als zij trouwde, om niet naderhand te gaan zaniken [91]over verloren illusies en dergelijken. Want het te jonge trouwen der meisjes in Indië was voor driekwart de oorzaak der vele echtscheidingen in dat land, meest een jaar of twee drie na het huwelijk. Als halve kinderen die zij zijn, verrast hen de huwelijksaanvraag; hopende getrouwd nog meer vrijheid te hebben dan thuis, rijker te kunnen leven, nieuwsgierig naar den omgang met een man, zeggen zij ja, om na korten tijd te bemerken dat hun nieuwe toestand niet beantwoordt aan het door hen gedroomde ideaal. En dan is de man de schuld van alles, tot zij zich verbeelden door hem bedrogen en misleid te zijn en hunkeren van hem ontslagen te worden, om in een vrije positie te kunnen doen en laten wat zij willen.
Het was over tienen toen hij thuiskwam. Naast het geraas van de kalie weerklonk nog dat van het waterwiel, niet ongelijk aan het geklepper van een raderstoomboot. Korman verkleedde zich eerst en ging toen naar de molenloods, waar hij Rencke en Brisson vond, de eerste om den ander wat gezelschap te houden bij het eentonige opzicht over het malen.
„Veel binnengekomen?” vroeg Korman.
„Honderd dertig kisten,” antwoordde Brisson; „behalve de taik loewak.”
„Mooi zoo, dat begint goed te gaan. En is er nog wat bereide koffie ontvangen?” [92]
„Pas drie picol. Ze vroegen het hier te mogen brengen, maar dat wilt u immers niet hebben?”
„Neen, zeker niet,” zeide Korman. „Waarom is dat? Knoeit die vent?”
„Ik geloof het niet,” zeide Brisson. „Maar zooals u weet, de eene inlander vertrouwt den ander niet.”
„Binnen een week kan Lamers, de nieuwe opzichter, hier zijn. Zeg hun dat, en laat hen tot zoolang maar scharrelen. Hoe is het, ben je bijna klaar?”
„Ja, meneer, ’t is zoo gedaan.”
Een oogenblik later hield het geknars van de molens op, en gingen zij ieder naar zijn huis. Korman om aan de zijde van Li te liggen droomen over zijn huwelijksplannen.
Geduldig wachtte hij nu tot van Os kwam. Dit gebeurde echter in de eerstvolgende week niet. Intusschen was de nieuwe opzichter gekomen en aan het werk gezet.
Lamers voldeed echter niet aan de verwachting die Korman, afgaande op zijn brief, van hem gekoesterd had. Dat schrijven toch had een zekere beschaving doen veronderstellen, die de man geheel en al miste. Ruw in voorkomen en manieren maakte hij een ongunstig verschil met de andere jongelui van Watoeombo. Op zijn werk was echter in den eersten tijd geen aanmerking te maken; hij ging op zijn tijd naar de tuinen, kon goed met het volk omgaan, was netjes [93]op zijn administratie en.… kocht veel koffie op.
„Jongens, meneer,” zeide Brisson op een morgen tot Korman, „wat zet die Lamers een vaart! Hij is nog geen tien dagen hier en heeft al over de zestig picols.”
„Is hij razend?” riep Korman uit. „Dat moet niet; op zoo’n manier komt er niets in het gouvernementspakhuis, en zouden wij in ’t oog loopen. Stuur hem eens een boodschap.… of weet je wat, laat hem dien inlander, die zoo’n beetje den baas speelt bij den aanvoer, eens hierheen zenden.”
Terwijl Brisson om aan dezen last te voldoen zich naar zijn schrijftafel begaf en een briefje aan Lamers opstelde, wandelde Korman het kantoor uit, de voorgalerij in. Er waren nu twee weken verloopen sedert zijn gang naar Marialand, en nog hoorde of zag hij niets van van Os. Door uitvragen van den man die het rapport van Sabrang ’s morgens bracht, was hij te weten gekomen dat van Everdingen er in dien tijd nog driemaal geweest was. Waar moest dat heen? Hij beschuldigde zichzelf van groote domheid dat hij tegenover van Os zoo openhartig geweest was. Die hield hem natuurlijk voor den gek, terwijl hem tevens de gelegenheid was afgesneden om zelf zijn belangen te behartigen.
Plotseling ondervangt een witte stip, op den weg tegenover hem, zijn starenden blik. Waarachtig, het [94]was van Os! Korman’s hart klopte tot in zijn keel; in groote spanning wachtte hij den komende af.
„Zoo, old fellow!” riep de oudkapitein afstijgende, terwijl hij Korman, die hem te gemoet kwam, de hand drukte. „Ja, ja,” vervolgde hij de drie treden van de voorgaanderij opstappende, „ik praat al engelsch ook. Dat komt er van als je nichtjes te logeeren hebt die pas van de kostschool komen.”
„Sst,” deed Korman; „er zit iemand in ’t kantoor.”
„Maak je niet ongerust,” zei van Os. „Ja wel—ik zal straks eens naar je molens kijken, maar eerst wat te drinken hebben. Ik heb het wel aan je verdiend!”
Korman riep den bediende.
„Een potje bier?” vroeg hij, en toen van Os toestemmend knikte, gelastte hij den jongen dat te brengen.
Te gelijk met het gevraagde kwam ook Li voor. Zij begroette den gast, die haar handje in de zijnen nam en haar eenige oogenblikken als medelijdend aankeek, tot groote ergernis van Korman.
Op zijn dooie gemak dronk van Os zijn glas bier, daarbij Li vragende naar de kinderen en vertellende van zijn dochtertjes, als schepte hij er genoegen in Korman zoo lang mogelijk te laten wachten. Eindelijk stond hij op en begaven zich de beide mannen naar de ledige molenloods. In een hoek daarvan was een [95]klein kantoortje afgescheiden, waar zij plaats namen.
„Nu ouwe,” begon van Os, „je kansen staan goed. Maar ’t heeft kracht gekost! Je boft er mee dat mijn vrouw Caroline zoo goed mag lijden en haar graag hier in de buurt zou hebben.”
„Heb jullie het haar gezegd?” vroeg Korman.
„Zoo mal niet,” was het antwoord. „Neen, we hebben dat erg pinter aangepakt. In de eerste dagen hebben we de lui zoo eens de revue laten passeeren, om te zien of zij ook wou aanbijten. Maar zij was ons te slim af. Ten laatste heeft mijn vrouw haar alleen onderhanden genomen, en haar afgeschilderd wat haar wachtte bij mijn broer, en hoe leuk het zou zijn als ze hier kon blijven. En wat denk je dat ze geantwoord heeft?”
„Zeg het maar.”
„Dat employés toch ook dikwijls van de eene onderneming naar de andere trokken. Slim hè? Ze liet zoodoende mijn vrouw uit den hoek komen, want die moest jou toen wel noemen. Jij of van Everdingen, zei ze. Nu, die had bij ons zitten vertellen dat hij in stilte geëngageerd was in Holland, dus bleef jij alleen over. Toen kwamen je kinderen op de proppen; en zij kon zich toch ook niet op een bordje aan je laten presenteeren … Enfin, het eind van de geschiedenis was dat zij zei: als je haar vroeg, dan zou zij erover denken; maar in ieder geval de voorwaarde stellen [96]dat je de kinderen naar Europa stuurde. Ik heb er een dag of vijf over heen laten loopen eer ik hier naar toe kwam, en nu moet jij nog een paar dagen wachten eer je op Marialand komt; want ik wil om den dood niet dat zij merkt dat ik of mijn vrouw je een handje geholpen hebben. Oef! is dat lang praten! Laat ons nu een bittertje gaan pakken.”
„Wacht nog even,” zeide Korman. „Kan ik nu dadelijk met haar spreken?”
„Wel verduiveld,” barstte van Os uit. „Wou je dat ik de vrijerij ook nog voor je deed?”
„Neen, liever niet,” zeide Korman lachend. „Enfin, ik begrijp het al. En … ik kan mijn huishouden voorloopig zoo laten?”
„O ja, tot je haar vraagt. Kassian, ik heb wezenlijk met dat arme ding te doen. Als ik er zoo een gehad had geloof ik niet dat … soedah, jij moet het weten; dat zijn mijn zaken niet.”
„Blijf je eten?” vroeg Korman, toen zij terugwandelden naar het huis.
„Dankje. Eén paitje, en dan ruk ik uit. Ze behoeven thuis niet te weten dat ik hier ben geweest.”
Toen van Os weg was bleef Korman zitten nadenken. Een gevoel van spijt maakte zich van hem meester, dat hij zoo voorbarig gehandeld had ten opzichte van van Everdingen. Hij durfde hem nu niet meer waarschuwen. Minah zou, als hij het deed, natuurlijk [97]alles vertellen, en hij wist dat hem den zedelijken moed ontbrak om tegenover haar vol te houden dat zij loog. Trouwens, die meid kon hem nog in een lastig parket brengen. Als hij met Caroline getrouwd was, zou zij dan haar mond houden? Hm, als hij haar niet in den weg stond, wel, en anders niet. Dan moest de zaak maar loopen zooals zij wilde.
„Zeg, Brisson!”
„Ja, meneer,” riep de employé terug, en kwam in de voorgaanderij.
„Moet je geen bittertje hebben? Niet? Jongen, het staat toch zoo mal! Je moest het maar eens doorzetten. Ik heb nogal wat met je te bepraten, zoo af en toe, en dat doe ik liever niet onder werktijd. Maar ik vind het schrikkelijk saai om met je aan de bittertafel te zitten en alleen wat te gebruiken. Je moest ’s avonds thuis eens beginnen, tot je er aan gewend bent.”
„Ik zal het probeeren,” zeide Brisson.
„Doe dat. Schiet je op met de boekerij?”
„O best, meneer; ik denk over een dag of wat geheel „bij” te zijn. Maar ik ben een raar ding tegengekomen. Zoudt u eens even willen zien?”
Korman volgde hem in het kantoor.