1 Kaart; ’n onomatopee. 

2 In ernst, werkelijk. 

3 Precies hetzelfde. 

4 Ingeboet. 

5 Kuren. 

6 Provisiekamer. 

7 Platte wan. 

8 Faeces. 

9 Door wrijving ontbolsteren. 

10 Inlandsche beambte voor de ontvangst der koffie. 

11 Breede ronde hoed van bamboe gevlochten. 

12 Spaansche peper. 

13 Gebak, snoeperij. 

14 Javaansch adellijke. 

15 Ja heer. 

16 Medicijn. 

17 Helder. 

18 De djatibosschen op Java zijn gouvernements-eigendom. 

19 Helderheid. 

20 Pen, boven aan den stijl, om in den ligger gelaten te worden. 

21 Njonja = mevrouw. 

22 Snorwagen. 

23 Jongens, bedienden. 

24 Waarlijk?—Is dat zoo? 

25 Draagstoel. 

26 Prinsen. 

27 Ga mee! 

28 De vijftiende plank. 

29 Javaansche winkel van eetwaren. 

30 Kind van het land. 

31 Afkorting van nonja