„Hier,” zeide Brisson, hem een kladstaat voorleggende, „sluit ik op 31 Maart met meer uitgaven dan er geld in kas was. Op 4 April klopt het weer.” [98]
„Hoe komt dat?” vroeg Korman, en toen hij zich over het staatje heenboog kleurde hij sterk. „Ik zie het al,” zeide hij daarop; „er is een betaling tusschen.”
„Ja,” zeide Brisson, „dat heb ik ook gezien. U schijnt ’n vergissing te hebben in den datum van ontvangst der remise.”
„Neen, dat kan niet,” zeide Korman. „Ik heb waarschijnlijk geld van mij zelven gebruikt; ik meen mij zoo iets te herinneren …”
„Zal ik dan de laatste posten van Maart maar overbrengen in April?” vroeg Brisson. „Of, omdat u de staatjes naar Soerabaja gezonden heeft, is het misschien regelmatiger dat ik de kas bezwaar met een voorschot van uwentwege?”
„Ja, dat is beter,” besliste Korman, zich omdraaiende.
De employé oogde hem na met een wonderlijke uitdrukking, om daarna een notitie te doen op een blaadje van zijn zakboekje, waar bovenaan het volgende opschrift stond: „Vermoedel. door K. gecharg. posten.”
Een paar dagen later stond Korman juist gereed naar Marialand te rijden, toen een inlander, in wien hij den chef van het koffietransport uit de dessa Plèrès herkende, op de bovenste trede van de trap der voorgaanderij neerhurkte.
„Wat heb je?” was de vraag waarmee Korman het eerbiedig koelo noewoen beantwoordde. „Meneer [99]Lamers heeft je hierheen gezonden, niet waar?”
„Meneer moest hem niet kwalijk nemen.… meneer Lamers had hem niet gestuurd. Hij was uit eigen beweging gekomen om de hulp af te smeeken van den toewan besaar. Zijn picolpaard met koffie stond in de kampong van meneer Lamers, doch met dezen had hij niet kunnen spreken, want hij was dronken, heel erg dronken. Hij gooide met stoelen naar ieder die hem naderde.”
„Hoor je dat?” riep Korman Brisson toe.
„Neen meneer,” antwoordde deze het kantoor uitkomende.
„Die vent vertelt dat Lamers stomdronken is. ’n Mooi geval! Ga jij.… neen toch niet.… loop even achterom naar tuin Podrono III, daar zal je meneer Rencke vinden. Verzoek hem door te gaan naar Lamers en de zaak te onderzoeken.”
Brisson ging en intusschen sprak Korman met den inlander.
„Voor wat meneer vreesde,” zeide deze, „was volstrekt geen gevaar. In het gouvernementspakhuis werd niet minder geleverd dan vroeger. De koffie die hij bracht kwam van den anderen kant van het gebergte, langs een pad dat sinds jaar en dag alleen gebruikt werd om opium van de kust en clandestien zout te vervoeren.”
„O zoo,” zeide Korman, „dan is het goed.” En hij gaf den man zijn afscheid, hem zeggende dat meneer Rencke wel gezorgd zou hebben voor zijn koffie. [100]
Korman bleef wachten op Rencke’s terugkomst. Het duurde niet lang of deze kwam.
„Een misselijk geval,” rapporteerde hij. „De man is door het dolle heen. Hij is, geloof ik, wat we aan boord een kwartaal-zuiper noemden. Hij ziet wezens die hem te lijf willen, en zoo voort. Eerst dacht ik dat hij mij ging attaqueeren, maar hij kwam tot betere gedachten. Toen schold hij op u en Brisson. Ik zou daar geen melding van maken, als die dronkemanspraat niet iets had ingehouden dat.… enfin, hij dreigde met bij de eerste gelegenheid de beste aan den resident bericht te zullen zenden van den koffie-opkoop hier.”
„Dat hem de duivel hale!” riep Korman woedend. „Hij moet onmiddellijk weg. Kan je dat alleen aan?”
„O ja wel,” zei Rencke glimlachend; „als u maar tijd laat tot hij zijn roes heeft uitgeslapen. Zou u het niet raadzaam achten hem zijn salaris uit te betalen?”
„Dat is goed,” zeide Korman. „Vraag maar geld aan Brisson, die heeft de kas.”
Korman reed heen.
„Tante, daar komt mijn vrijer!”
Mevrouw van Os en haar nichtjes waren in den tuin bezig, toen deze plotselinge uitroep van Caroline allen deed opzien. Tusschen de boomen door bespeurden zij de gestalte van den naderenden Korman, [101]waarop mevrouw de vlucht nam naar binnen, terwijl de beide meisjes in een vroolijk lachen uitbarstten.
„Bello!” riep mevrouw in de verte, en „Bello, Bello! waar is de hond?” herhaalde Caroline.
Onwillekeurig hield Korman zijn paard in, wat de pret der meisjes nog deed vermeerderen.
„Foei!” fluisterde Saartje. „Pas op, straks gaat hij nog op den loop!”
„Morgen dames! Mag ik meelachen; waarover is het?” vroeg Korman.
„Caroline zei,” begon Saartje, „kijk, daar komt …”
„Zal je zwijgen!” viel Caroline in, kleurend tot in haar hals.
„.… daar komt meneer Korman.”
„Ik ben zeker dat uw zuster iets anders gezegd heeft,” plaagde Korman. „Wil ik eens raden?”
„Dat is goed; maar … ééns.”
„Nu dan: daar komt die aardige, gezellige …”
„Ho, mis!” riepen beide meisjes.
„Dan.…”
„Neen, ééns mocht u raden, niet meer,” zeide Caroline. „Komt u binnen? Tante is zich gaan opknappen en oom is naar de tuinen,” vervolgde zij het huis binnengaande. „Dus is u aan onze genade overgeleverd. Wacht, ik zal de honneurs eens waarnemen.” En den zwaren basstem van haar oom imiteerende sprak zij met koddige deftigheid: „Daar doe [102]je wèl aan, ouwe! Ga zitten. Wat zal je gebruiken? Een potje bier?”
„Steek eens op!” voltooide Saartje, die een sigarenkoker uit de binnengalerij gehaald had.
„Bravo, dames!” zeide Korman, een manilla opstekend. „Ik zal thuis eens nazien of ik nog niet een paar complete heerenkostumes heb.”
„O graag,” riep Caroline uit. „We zullen ze u netjes gestopt terugzenden.” En hierbij fixeerde zij een hersteld plekje op Korman’s witte jas.
„En de rafels afknippen,” voegde Saartje er aan toe, als toevallig haar blik op den onderkant van Korman’s pantalon richtend.
„Op alle punten geslagen!” zeide Korman. „Maar hoe kan het anders; twee tegen één?”
„Tante roept,” zeide Saartje opstaande, en ondanks den wanhopigen blik van haar zuster verdween zij.
Er ontstond een stilte. Caroline keek zenuwachtig voor zich, wetende dat Korman, als hij wezenlijk plannen had, van deze gelegenheid gebruik zou maken; Korman verrast door het plotselinge alleenzijn met Caroline, vergetende wat hij had willen zeggen. Dit vergeten hield zijn geest zoo bezig, dat hij niet in staat was iets anders te bedenken, en eindelijk het feit zelf ter hulp nam.
„Juffrouw Caroline,” begon hij, „ik had gehoopt vandaag een oogenblik met u alleen te kunnen spreken, [103]en mij voorbereid op wat ik zeggen zou. Maar nu, ’t is vreemd, weet ik niets meer, behalve het doel dat ik voor oogen had. Dat is … dat ik u vragen wou … of u … mijn vrouw wilt worden.”
Zij hield haar oogen neergeslagen, en hij, hierdoor moediger wordende, greep haar hand. En hij sprak door, wetende dat men van een vrouw veel gedaan krijgt met kalm te praten, het doet er niet toe wat, als het stemgeluid slechts onafgebroken voortrolt in niet al te sterke variaties van toon. Want dat zou haar aandacht afleiden en die naar den spreker trekken, terwijl de bedoeling is dat zij, zich verbeeldende na te denken, verhinderd wordt door het spreken om zulks logisch te doen, en zachtjesaan medegevoerd wordt op den klank, om, als de spreker ophoudt met een intonatie van zalig verlangen, een antwoord te geven dat als het ware een voortzetting en slot is van wat hij zeide.
Korman kweet zich hiervan meesterlijk. Caroline’s zacht uitgesproken „ja” volgde zonder komma of punt op zijn laatste woord; eerst toen hij haar naar zich toe trok en haar een zoen gaf, kwam zij tot besef van wat zij gedaan had, en dat zij geheel vergeten had haar condities te noemen, zooals zij zich had voorgesteld te zullen doen als Korman haar vroeg.
„Bravo, bravo!” en hiermee sprong van Os over het zijhekje van de voorgaanderij, vlug genoeg om [104]Caroline op te vangen eer zij door de middendeur weg kon komen.
„Zoo juffertje!” zeide hij haar gezichtje tusschen zijn handen nemend. „Laat jij je zoenen in een open galerij! Kijk me eens aan, als je durft. Brutaal als de beul!” liet hij er op volgen, toen de blauwe kijkers van Caroline hem ondeugend tegenflikkerden. „Zeg, Korman, jij liever dan ik hoor!”
„Ik hoor tante’s slofjes klepperen,” zeide Caroline ontsnappend. „Pas maar op, oom!”
„Zoo’n rakker!” riep van Os. „Intusschen gefeliciteerd, ouwe! Dat heb je hem knap geleverd. Hei, jongens, minoeman! Ik heb trek in een paitje, en jij?”
„Ik ook, alleen weet ik niet of.…”
„Kom, stel je niet aan. Daar ben je niet jong genoeg meer voor,” zeide van Os. „En.… verwen haar niet, pas op!”
Er werd besloten het engagement voorloopig nog geheim te houden. Ten eerste moest Caroline aan haar oom te Batavia schrijven, en voorts had Korman eenigen tijd noodig om zijn „huishoudelijke inrichting” te regelen, met andere woorden Li weg te zenden en voor de kinderen in Holland een onderkomen te zoeken.
Het laatste was niet het gemakkelijkste. Jong uit Holland vertrokken had hij daar geen vrienden meer; die relaties waren verjaard of afgestorven. Zijn moeder [105]was de eenige, doch deze had hem op zijn mededeeling van de geboorte van Hendrika kort en beslist geantwoord dat zij geen „wilde” kinderen van hem erkende. Alleen wanneer hij die „heidensche” vrouw tot het christendom kon overhalen en haar trouwde op de eerlijke hollandsche manier, zou zij er notitie van nemen. Tot zoolang verzocht zij verschoond te blijven van berichten hetzij over „dat mensch”, hetzij over de kinderen.
Geen uitleggingen van Korman hadden gebaat; zij bleef bij haar eerste woord.
Het toeval gaf hem een middel aan de hand om in deze zaak te voorzien. Ongeveer een week nadat hij het jawoord van Caroline ontvangen had, moest Korman voor zaken naar de stad. In het logement ontmoette hij een hoofdingenieur van den Waterstaat, die naar aanleiding van irrigatieplannen, daar eenigen tijd bleef vertoeven.
„Een heel werk,” merkte Korman op, toen de ingenieur hem had uitgelegd hoever zich de plannen uitstrekten. „Als het uitgevoerd wordt blijft u zeker hier?”
„In geen geval,” was het antwoord. „U weet nog niet hoeveel tijd er gewoonlijk verloopt tusschen een opname en de uitvoering van een werk.”
„Ik kan het mij eenigszins voorstellen,” zeide Korman, „als ik naga hoelang het geduurd heeft eer wij de papieren voor onze erfpacht gekregen hebben.” [106]
„Nu, en over twee maanden heb ik mijn pensioen verdiend,” zeide de ingenieur. „Zoolang zal mijn werk hier wel duren; dus hebben we ons huishouden te Soerabaja opgebroken, om zoo gauw mogelijk naar het vaderland te kunnen gaan.”
„Is mevrouw dan ook hier?” vroeg Korman en op dit oogenblik schoot hem zijn idee te binnen.
Hij schoof zijn stoel dichter bij dien van den ouden heer.
„Neem me niet kwalijk,” zeide hij, „als ik u een voorslag doe. We zitten hier in de binnenlanden zoo hulpeloos.… Enfin, de zaak is dat ik een gelegenheid zoek om mijn twee kinderen naar Europa mee te geven.”
De ingenieur trok de wenkbrauwen samen.
„Als u er eens met mevrouw over sprak,” vervolgde Korman. „Ik heb er een bankje van duizend gulden voor over.”
„O!” riep de ingenieur uit, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat plotseling veranderde. „Dan behoef ik er mijn vrouw niet over te spreken—dat is te zeggen, voor den vorm natuurlijk … ik wou maar … ik bedoel dat u op een toestemmend antwoord kunt rekenen. Morgenavond bijvoorbeeld. Dan hebben wij een dag bedenktijd; voor den vorm, ziet u.”
„Mijn moeder woont in Utrecht,” hernam Korman. „Zij is oud en verplaatst zich moeielijk. Dus moeten de kinderen bij haar aan huis bezorgd worden.” [107]
„Dat is niets,” verklaarde de ingenieur. „Dat zijn bijzaken. Ha, daar is mijn vrouw; mag ik u voorstellen.…”
Twee dagen daarna reed Korman naar zijn land terug met het prettige gevoel van de grootste moeielijkheid te boven te zijn gekomen.
Ongeveer halverwege de onderneming trok een stoet die hij in de verte zag aankomen zijn opmerkzaamheid. Het was een dier bamboe draagstoelen, eigenlijk een huis in miniatuur, door twaalf koelies gepikeld, terwijl een ander twaalftal er omheen liep ter aflossing.
Naderbij gekomen herkende hij in den begeleider een mandoer van Sabrang. De man liet de tandoe25 bij Korman neerzetten en schoof de deur in den zijwand open. Op een matras uitgestrekt lag daar van Everdingen. Zijn gezicht was verschrikkelijk ingevallen, doch de oogen stonden helder toen hij Korman als geruststellend toeknikte.
„Het ging niet langer,” zeide hij. „De dokter moet maar eens zien wat hij er van maken kan.”
„Wat scheelt er aan?” vroeg Korman verschrikt.
„Koorts en pijn in de rechterzij. Biezeman zegt dat het leverziekte is. Is dat gevaarlijk?”
„Gevaarlijk niet,” zeide Korman. „Vraag aan den [108]dokter of hij je temoe lawa wil geven. Dat is de eenige afdoende inlandsche medicijn.”
„Ik zal het onthouden,” beloofde van Everdingen. En hij stak Korman de hand toe, die deze met een huivering aanvatte.
Korman vertoefde slechts een oogenblik op Watoeombo, om dadelijk door te gaan naar Sabrang. Bij het huis van van Everdingen hield hij even stil. Er was niemand. Op weg naar Biezeman, trof hij dezen in de tuinen aan.
„Een leelijk geval, meneer, met den jonker,” merkte de employé op.
„Wat denk jij dat het is?” vroeg Korman.
„Ja, wat zal ik daarvan zeggen. Ik ben geen dokter,” verklaarde Biezeman. „En die kunnen een mensch toch ook niet in zijn binnenste kijken, zoodat ze wel raden moeten en net zoolang probeeren met hun likkepotjes totdat er een pakt. Maar om op ons aperpo terug te komen—ik heb nogal genie in wat moeder de vrouw er van zegt; die zegt alsdat het den jonker zijn lever is; en dat is ’n leelijk ding als je dat in de kou krijgt.”
„We willen er het beste van hopen,” zeide Korman. „Kan je het werk alleen af?”
„Dat houdt niet over, meneer. Dat sakrementsche malen.… als ik daar iemand voor krijgen kon.”
„Goed,” zei Korman. „Ik zal den hoofd-mandoer [109]van Watoeombo zoolang hier sturen. Je hebt het huis van meneer van Everdingen afgesloten, heb ik gezien.”
„Ja meneer,” antwoordde Biezeman; „en de barones is bij ons ingekwartierd. Die deed niks als grienen en wou absoluut mee naar de stad; om den jonker obat te geven, zei ze. Maar dat ging natuurlijk niet; en op die inlandsche obat heb ik in ’t geheel geen fidutie meer.”
„Zeg dat niet te gauw!”
„Neen, ik weet best wat ik zeg. U kent dien ouden vent wel, dien toovenaar die bij meneer Messner is?”
„Ja wel,” zeide Korman.
„Nu, dien heb ik laatst hier gehad. En weet u wat die zei? Hij zei dat javaansche medicijn allemaal larie was, behalve als je ze uit het goede adres hebt.”
„En dat is?”
„Ja, dat weet ik zoo precies niet meer. Hij vertelde van pangerans26; als die er meer vrouwen op na hielden dan één—en dat deden ze allemaal—dan gaven zij die andere geen erfenis mee, maar leerden ze de obat kennen. Die weten het alleen en mogen het niet verder vertellen. Hij zelf was … ik zal maar zeggen ’n buitenbeentje van zoo’n pangeran, en zijn moeder wist er dus ook alles van; maar zij heeft hem niets anders nagelaten als ’n tooverboek waarmee hij dieven vangt.” [110]
„Doet hij dat met een boek?” vroeg Korman, die altijd behagen schepte in het gepraat van Biezeman.
„Ja, maar ik heb hem in de kaart gekeken. Dat boek is geschreven met arabische letters, maar het is gewoon javaansch. Als je nou wat hebt, zooals ik laatst, toen ze kains van moeder de vrouw gestolen hadden, dan vraagt hij je heelemaal uit: op welken dag, hoe laat zoo wat … afijn, alles. En dan kijkt hij in zijn boek en vertelt je precies hoe de dief het gedaan heeft, of het een man of een vrouw is, welken kant zij uit zijn gegaan en waar je ze vinden kunt. Weet u wat ik geloof? Dat hij eerst de dieven inlicht hoe ze stelen moeten en dan later op een haar na weet hoe hij ze vangen moet.”
„Dat kon wel,” lachte Korman. „Nu, als je wat hebt, dan stuur je maar een boodschap. Goeden middag.”
Korman was dien avond te moe om nog naar Marialand te gaan. Op een luierstoel in de voorgaanderij lag hij behagelijk uitgestrekt, toen Li, die de kinderen in bed bezorgd had, bij hem kwam zitten, op haar geliefd plekje, de leuning van zijn stoel.
„Ben je moe, pa?” vroeg zij zijn voorhoofd streelende.
„Ja,” zeide hij, de oogen half sluitende. „Hoor eens Li, ik heb in de stad een familie van Soerabaja ontmoet, die over twee maanden naar Holland vertrekt. [111]Zoo met hen pratende kwam mij de gedachte in het hoofd, dat onze kinderen toch eindelijk eens naar Europa moeten, vooral Non… om te leeren, weet je. En toen hebben wij de zaak besproken, zoodat alles in orde is … als jij het goedvindt.”
Li’s oogen verduisterden zich en twee groote tranen rolden haar over de wangen. Zich naar Korman overbuigende vleide zij haar hoofd aan zijn borst.
„Zij zijn nog zoo klein!” snikte zij. „Laat hen nog een poosje hier.”
„Kom Li, wees niet kinderachtig,” zei Korman. „Het moet immers toch gebeuren, en niet gemakkelijk vinden wij weer zoo’n beste gelegenheid. Grootmama zal goed voor hen zorgen, en over een jaar of wat zijn zij weer terug. Je hebt nog ruim een maand tijd om er aan te wennen …”
„Straks zei je twee maanden!”
„Nu ja, eer zij van Soerabaja vertrekken. Maar je begrijpt dat de kinderen er dan zijn moeten, en dat zij wel een week noodig hebben om kleertjes te koopen. Zie je, ik heb het met die mevrouw zóó afgesproken, dat zij de kinderen al meeneemt als zij naar Soerabaja gaat.”
„Als je het zoo beschikt hebt … dan is het goed,” zeide Li met oostersche gelatenheid. „Ik ga maar naar bed … ik kan toch niet ophouden met huilen.” En zij kuste hem goedennacht. [112]
Toen Li weg was haalde hij een étui uit den zak van zijn kabaja en opende het. Een gouden armband, uit zware platte schakels bestaande, blonk hem tegen. Hoe goed zou die staan op Caroline’s blanken arm! Het had geld gekost; soedah! ’n spiering om een kabeljauw te vangen, dacht Korman, terwijl hij opstond en het kleinood in de brandkast wegsloot. Tot morgen; dan kon hij weer eens naar Marialand rijden en zijn meisje opzoeken. Zij zou natuurlijk blij zijn dat hij al zoover gevorderd was. Eigenlijk was het jammer dat hij nog zoo lang moest wachten. Hoeveel zou zij hebben? Hij durfde er niet naar te vragen. Eén ding stond echter vast, zij moesten buiten gemeenschap van goederen trouwen. Dan hadden zij ten eerste haar fortuin, en vervolgens al wat hij zoo gaandeweg had achtergehouden en overgelegd met meer te boeken dan er was uitgegeven. En Benoit kon nooit aan het geld komen dat op naam van zijn vrouw stond, en wat hij nog meer achter die „schuine deur” zou bergen! Zoodoende zou de koffieonderneming althans aan één persoon voordeel bezorgen. Want of zij ooit rendeeren zou, dat stond te betwijfelen. Nu Brisson de boeken had bijgewerkt, bleek hem meer en meer, dat het ideale „vrijwerken” nog in een heel ver verschiet lag. Het land was te groot; hoogstens zou het goede rente afwerpen van het daarin gestoken kapitaal; doch daarvan profiteerde Benoit in [113]de eerste plaats, en hij mocht zich met het overschotje tevreden stellen. En kreeg hij dat dan nog maar in handen! Maar neen, dat verdween in de boeken, ter aflossing van schuld. Zijn kleinkinderen zouden er misschien een mooi kapitaal door bezitten, maar dat lag niet in zijn bedoeling. Het eenvoudigste was om er uit te halen zooveel als doenbaar was, alles te zetten op naam van Caroline, en er eindelijk uit te scheiden met een grooten beer aan Benoit, waar deze naar „fluiten” kon.
Den volgenden morgen kwam Rencke, dadelijk na afloop van de rol, in de administrateurswoning.
„Ik heb uw briefje van gisteravond ontvangen,” zeide hij. „Maar ik kan den hoofd-mandoer niet naar Sabrang zenden; hij neemt den boel van Lamers waar.”
„Daar had ik in ’t geheel niet meer aan gedacht,” zeide Korman. „Stuur maar een ander; het is enkel om op het ontvangen en malen van koffie te letten. Hoe is het met dien Lamers afgeloopen?”
„Vrij kalm,” antwoordde Rencke. „Hij was erg beteuterd en beloofde beterschap. Maar uw orders waren te stellig, dan dat ik er iets aan durfde veranderen.”
„Neen, op den duur zou ik hem toch niet graag gehouden hebben,” vond Korman. „Maar wat heeft Brisson?” vervolgde hij wijzende op dezen, die blootshoofds, met haastigen stap naderde.
Zenuwachtig reikte hij Korman een papier toe. [114]De administrateur herkende dadelijk het nette regelmatige schrift van den ontslagen Lamers. Lezende, overtoog een toornige trek zijn gelaat.
„Leg het maar in het kantoor,” gelastte hij, Brisson het briefje teruggevende, „’n Dreigbrief van Lamers,” zeide hij daarop tot Rencke. „Het beteekent niets. Ga je gang dus met Sabrang; wien je ook stuurt, het is altijd goed.”
En toen het kantoor binnengaande voer hij hevig uit tegen Brisson.
„Had je je bezinning verloren?” raasde hij. „’t Is Gévédé of je een klein kind bent, om onderteekende briefjes te sturen over den koffieopkoop.”
„Het is er maar één,” bracht de employé in het midden. „Dien morgen, toen u zoo’n haast had …”
„Eén is voldoende,” viel Korman hem in de rede. „Juist dat ééne briefje kan je voorgoed ongelukkig maken. Hij vraagt er tweehonderd vijftig gulden voor, niet waar?”
„Ja meneer.”
„Dan zou ik maar zelf naar de stad rijden en het met hem afmaken. Ik zal je het geld geven—in voorschot natuurlijk, want het is je eigen stommigheid, en dus niet meer dan billijk dat je het zelf draagt.”
„Alsublieft meneer,” zeide Brisson. „Mag ik vandaag nog gaan?” [115]
„Ja zeker. En morgen terug. Kijk meteen op het postkantoor of er brieven zijn.”
Hoewel Korman zich groot hield tegenover zijn ondergeschikte, zat hij niettemin geducht in angst over de zaak. Wel is waar gaf dat briefje van Brisson geen enkel bewijs tegen hem, doch het kon een waarschuwing aan het Binnenlandsch Bestuur voldoende motiveeren; en dan was het uit met den opkoop van koffie—althans in de eerste jaren. Hij hoopte slechts dat Brisson het er goed af mocht brengen en het gevaarlijke papiertje in zijn bezit krijgen.
Intusschen belette hem dat alles om heden naar Marialand te gaan. Het stond niet, om Watoeombo te verlaten, nu er drie employé’s mankeerden en er volop werk was. Tegen den middag uit de tuinen terugkeerende, zond hij een koelie met een brief naar Caroline, haar het treurige en het goede nieuws meldende.
Brisson kwam den volgenden middag thuis.
„Ik heb het, meneer!” riep hij triomfantelijk uit. „En de tweehonderd vijftig pop nog in mijn zak.”
„Dat is een felicitatie waard,” zeide Korman. „Hoe heb je dat klaar gespeeld?”
„Ik heb hem onder tafel gedronken,” antwoordde Brisson.
Korman schoot in een luiden lach. [116]
„Jij hem!” riep hij uit. „Vertel nu toch geen stukjes.”
„Op mijn woord,” verklaarde de employé. „Gisteravond, na den eten, zaten we samen voor mijn kamer te praten, te onderhandelen. Hij had het eigenlijk op u gemunt, zeide hij, en raadde mij aan u de tweehonderd vijftig pop nooit terug te geven. Ik ging maar een beetje met hem mee, dat begrijpt u. Zoo tegen half tien presenteerde ik hem iets. Hij nam jenever met suiker en water. Ik heb de grogjes wat sterk laten maken, terwijl ik zelf een glas wijn bleef drinken. Om half twaalf gaf hij het op. Ik liet hem liggen en doorzocht zijn koffer tot ik mijn briefje vond. Toen heb ik hem met behulp van een der wakers in zijn bed gelaveerd, en ben van morgen vroeg vertrokken. Hier is het geld weerom, op tien gulden na die ik noodig had voor extra uitgaven. En een brief voor u van den dokter. Meneer van Everdingen is er slecht aan toe; ik ben gistermiddag even bij hem geweest.”
Driftig scheurde Korman de enveloppe open. De dokter verzocht hem ten spoedigste in de stad te komen. Van Everdingen’s toestand was van dien aard, dat er weinig kans op herstel overbleef. Hij wenschte eenige beschikkingen te maken en had verlangd dat Korman daarbij tegenwoordig zou zijn.
„Roep meneer Rencke,” gelastte Korman. „Hé, [117]paard zadelen! Li, waar ben je? Van Everdingen gaat dood.”
„Kassian!” zeide Li. „Ga je naar de stad pa?”
„Ja; maak een rolletje kleeren voor me klaar. Het kan natuurlijk een paar dagen aanhouden; stuur dus een koffertje met goed morgen met den plajangan mee. Zoo, Rencke, heb je ’t al gehoord?”
„Ja meneer. Die arme kerel!”
„Ik moet weg; daar is niets aan te doen; je moet het zien te schipperen …”
„Het zal wel lukken,” meende Rencke.
In het logement, in de kamer die het verst van den grooten weg verwijderd was, lag de zieke. Het had hem aan oppassing en gezelschap niet ontbroken. Ieder mocht den stillen, beschaafden jonkman gaarne lijden, en nauwelijks had de dokter op de sociëteit verteld hoe het met hem stond, of hij werd bestormd met aanbiedingen om te waken, ziekenkost te laten koken—wat er maar noodig was. De dokter had daarvan gebruik gemaakt, zoodat van Everdingen geen oogenblik alleen lag. Doch ondanks alle goede zorgen was de patiënt bij den dag achteruit gegaan.
Toen Korman het erf opreed zag hij den resident uit de kamer van den zieke komen en de onstuimigheid waarmee hij den neus snoot en zonder Korman te zien voorbij liep, deed dezen het ergste vreezen. In het galerijtje liep de notaris met nog een heer, [118]beiden met strakke gezichten, en binnen was de dokter, geholpen door den houtvester, bezig voor de zooveelste maal een kunstbewerking toe te passen, die den armen patiënt toch niet hielp.
„Schei maar uit dokter,” zeide van Everdingen mat. „Daar is Korman.”
De geneesheer voldeed onmiddellijk aan het verzoek, als begreep hij zelf dat het een noodelooze kwelling was. Met een spons wiesch hij de bloedstipjes van de borst des lijders en borg zijn instrument op, terwijl hij Korman ruimte liet om het bed te naderen.
„Je gaat ons toch niet verlaten?” vroeg Korman op dien quasi-luchtigen toon van iemand die met één blik gezien heeft dat het einde nabij is.
„Ja,” zeide van Everdingen, de vraag opvattende zooals zij bedoeld was. „Ga zitten, hier bij mij. Ik wil mijn testament maken. Jij moet executeur zijn; wil je?”
Korman knikte bevestigend, zich niet storend aan het tutoyeeren, dat van Everdingen hem voor dezen nooit gedaan had. Zonderling, de naderende dood scheen de rollen om te keeren; de ondergeschikte had op dit oogenblik zijn chef kunnen bevelen wat hij wilde, en deze zou het hebben opgevolgd zonder zich te bedenken.
„Mijn moeder is erfgenaam,” ging van Everdingen voort; „maar zij moet geen last hebben van de zaak. [119]Verkoop mijn aandeel en maak het haar over. Dat is alles wat beschreven moet worden. Maak het met den notaris in orde. Het voorlezen kan ik wel aanhooren, maar geen gepraat er over.”
Het kostte eenige moeite den notaris te overreden de zaak aldus te behandelen. Hij vond het een onregelmatigheid, en zwichtte niet eer de dokter, die er bijgeroepen werd, verklaarde dat de patiënt geenerlei vermoeienis kon verdragen.
Toen alles afgeloopen was wenkte van Everdingen Korman weder tot zich.
„Zorg voor mijn huishoudster,” zeide hij. „Koop een huisje ergens, of wat je goeddunkt. Schrijf aan mijn neef te Utrecht dat hij het aan moeder meedeelt. Deze ring.… neem een stukje papier. Noteer nu: freule E. van Stolwijk, den Haag. Aan haar zenden en schrijven, maar voorzichtig.”
„Ik beloof het je,” zeide Korman. „Maar nu moet je niet meer praten; het pakt je te veel aan.”
Van Everdingen glimlachte. „Wat doet een uur langer of korter er toe!”
Doch de vermoeidheid kreeg de overhand en hij sloot de oogen. Korman wenkte den dokter.
„Zeg eens,” zeide hij toen zij buiten waren, „wat mankeert hij?”
„De lever,” antwoordde de geneesheer. „Maar het is een zeldzaam geval. U is executeur niet waar?” [120]
„Ja,” zeide Korman. „Waarom?”
„Hm.… in ’t belang der wetenschap.… ik kan nu alleen de uiterlijke symptomen beschrijven, maar het zou niet ondienstig zijn ook de inwendige.…”
„Houd maar op, dokter,” zeide Korman beslist. „Daar komt niets van in. Als de familie het ooit vernam.… neen, ik wil het niet hebben, en daarmee uit. Heusch, doe geen moeite. Ik vind het daarenboven weinig verkwikkelijk om over zoo iets te praten als iemand nog leeft.”
De dokter haalde de schouders op over deze leekenkoppigheid.
„Blijft u bij hem tot het is afgeloopen?” vroeg hij.
„Ja,” zeide Korman.
Van Everdingen overleed tegen den morgen.
Zoodra Korman de noodige beschikkingen had gemaakt voor de begrafenis, die ’s middags zou plaats hebben, zette hij zich tot schrijven. Eerst de brieven die de overledene hem had opgedragen en toen aan Benoit. De laatste was de uitvoerigste.
„Meneer Korman!”
De aangesprokene zag op. In de deur van zijn kamer stond een korte gedrongen figuur. Een bijna kale schedel, donkere oogen, eenigszins gebogen neus, zware donkerblonde snor, sprekende trekken.… ziedaar wat men ongeveer mocht opnoemen als men Bedouin Starke wilde beschrijven. Toch, een nauwkeurig [121]signalement van hem te geven behoorde tot de onmogelijkheden. De bijnaam „kameleon”, die een vriend hem had trachten te bezorgen, was door alle anderen die hem kenden, bij acclamatie verworpen als te weinig zeggend. Want had genoemd diertje tien, vijftien minuten noodig om van kleur te verwisselen, Bedouin Starke veranderde zijn geheele voorkomen in minder dan een seconde. Talrijk waren de verhalen die over deze eigenschap van hem de ronde deden. Onverstoorbaar van humeur, geestig en knap, was hij overal een welkome verschijning. Zooals men zeide had hij maar één lastige karakterfout, en wel dat hij niet velen kon dat men hem te veel op de vingers zag. Daardoor had hij in het begin van zijn indische carrière zoowat elk half jaar een andere betrekking, tot hij eindelijk op een koffieonderneming was terechtgekomen aan de van Watoeombo afgewende zijde van ’t gebergte. Hier hield hij het zes jaar uit, een feit dat zijn oplossing vond in het gestadig naar Europa heen en weertrekken van den administrateur-eigenaar. Deze kwam af en toe terug; doch voor dat hij nog goed gelegenheid had om met zijn ondergeschikte standjes te krijgen, was hij al weder vertrokken, waarop dan Bedouin Starke gewoon was in de stad te komen en het weggaan van zijn chef met een „gloeiende fuif” te vieren.
Nu stond hij met een vriendelijk gezicht Korman toe te knikken. [122]
„Zoo, Starke!” riep deze uit. „Is de baas alweer weg? Kom je hem uitluiden?”
„Neen,” was het antwoord. „Ditmaal ben ik weg. Apropos, die arme van Everdingen! Dikwijls ontmoet, dikke vrienden geworden. Ik kwam eens naar hem kijken, maar te laat. En nu moeten we hem begraven.… kan ik wat voor u doen? Niet? Enfin, ik zal een roerende speech op zijn graf houden.”
Bij de laatste woorden had zijn gelaat een zoo wanhopig droevige uitdrukking aangenomen, dat Korman het uitproestte.
„Hoor eens,” zeide Korman zich herstellende, „je haalt geen gekheid uit.”
„Ik zou niet durven,” zeide Bedouin Starke. „Waar de opgesperde kaken des doods ons tegengrijnzen, en dichtsnappend een vriend van onze zijde.…”
„Ben je bedonderd!” viel hem Korman in de rede, bleek wordende, meer van de mimiek, dan van den onzin dien de ander uitsloeg. „Je zoudt iemand van zijn stuk brengen! Vertel liever eens wat je in de stad komt doen.”
„Rentenieren.”
„Watblief?”
„Zooals ik zeide. De baas is van plan voorgoed te blijven. Hij kan de Parijsche lucht niet meer verdragen. En wat nu? Eén is voldoende om aan ’t hoofd te staan van een land. Zijn er twee dan wordt de [123]ander natuurlijk een loop in ’t lijntje, en daar bedankten we allebei voor. Toen zijn we mekaar aan het opdringen gegaan, et me voilà!”
„Dus zoek je een betrekking?”
„Wou u mij er een aanbieden? ’t Is waar, met van Everdingen komt er een vacature.”
„Juist,” zeide Korman. „Ik kom zelfs twee lui te kort. Maar voor de eene plaats heb ik al een zekere de Leeuw.”
„Een sinjo”, merkte Bedouin Starke op.
„Wat doet het er toe; hij moet goed zijn,” meende Korman. „Welnu, wil je?”
„Ik geef daar geen antwoord op zoolang van Everdingen nog onbegraven ligt,” zeide Bedouin Starke. „Weet u wat … ’t is vandaag Dinsdag; als ik Zaterdagavond boven kom dan doe ik het. Ik moet eerst wat uitwaaien.”
„Afgesproken,” zeide Korman.
Bedouin Starke was een man van zijn woord. Op het graf van van Everdingen hield hij een aanspraak, die de meeste aanwezigen—en velen waren opgekomen—tot tranen roerde, en inzonderheid Korman een lijkkleur op het gelaat joeg; zoodat de algemeene opinie, zich uitende dien avond op de sociëteit bij monde van den aspirant-controleur, was, dat Starke bij al zijn grappen toch au fond ’n ernstige kerel, en Korman een patent chef mocht genoemd worden. [124]
De omstandigheden noopten Korman nog denzelfden avond terug te gaan naar Watoeombo. Wel zou de nacht vallen eer hij zijn onderneming bereikte, doch het was lichte maan en wilde dieren waren in die streek zoo goed als onbekend.
In de américaine zat hij te soezen. Het scheen alsof er na de drukte en de spanning van de laatste twee dagen een reactie bij hem was ingetreden, zich oplossende in een hoogst onaangenaam gevoel van zenuwachtigheid, dat hij ten deele toeschreef aan het „geklets van dien vent”, waarmee hij bedoelde de door Bedouin Starke gesproken woorden. Langzamerhand kwam het beeld van den gestorvene hem weer voor oogen, niet zooals hij daar ziek gelegen had, doch in zijn werk, op zijn paard door de tuinen rijdende, evenals op dien dag toen hij hem ontmoette bij den zijweg naar Marialand, nadat hij … Korman bleef eenigen tijd verwijlen bij hetgeen aan die ontmoeting was voorafgegaan, en de conclusie die hij niet durfde trekken, dat het gisteren afgespeelde een gevolg was van het toen gebeurde, bezorgde hem een gevoel als van een knellenden band ter hoogte van zijn maag, die zijn longen opwaarts drukte en hem belette adem te halen.
Gelukkig, daar was Wonosarie, en het rijpaard dat hem wachtte. Hij onderhield zich slechts een oogenblik met den wedhono, en zette zijn paard [125]dadelijk bij het afrijden in een flinken draf, dien hij volhield tot het terrein begon te stijgen en de weg een vluggen gang moeielijk maakte.
Hooger in het gebergte gekomen, bemerkte hij dat zich eenige wolken om den top samentrokken; een onwelkom iets, daar hij zich ten eerste bij het incompleet van europeanen bezorgd maakte voor de op de droogbakken uitgespreide koffie—inlanders zijn zoo nonchalant!—en ten tweede zou op het oogenblik een regenbui minder aangenaam zijn. Reeds nu deed de kou hem rillen in zijn van het transpireeren vochtige kleeren.
De weg slingerde zich om een uitlooper van den berg heen en liep toen steeds klimmend, weer de ravijnholte in. Aan het einde was een vrij scherpe bocht, zoodat Korman, die een tijdlang voortgereden was met zijn rug naar den kant der benedenlanden, bij het omslaan daarvan plotseling weer met het gezicht naar de vlakte gewend kwam. Doch die zag hij niet meer. Behalve dat het donker werd, kwam een laaghangende wolk aandrijven, hem recht te gemoet. Toen het gevaarte van waterdamp het ravijn bereikte scheen het zich saâm te trekken, als om zoolang mogelijk de botsing met de aarde te vermijden, tot de voorkant eindelijk een scherpen steven van een voortzeilend schip geleek.
Wat was het, dat Korman op eens de gedachte [126]ingaf dat die wolk op hem af kwam? Het gevoel dat hem verlaten had bij het uitstappen van de américaine bekroop hem weer, doch nu sterker. Met wijdgeopende oogen zag hij naar het majestueuse monster, dat steeds donkerder, dreigender tint aannam. Een drukkende windstilte ontstond en toen een hel licht … het paard schrok en wierp hem af …
„Heere Jezus, vergeef het mij!” stamelde Korman ter aarde stortend. En het klonk als een vloek.
De laatste wolk schoof voorbij de maan en het bleeke licht deed den gevallene uit zijn bezwijming ontwaken. Langzaam, als op den tast, stond hij op, eerst een riem voelende aan zijn linkerarm, toen bemerkende dat het de teugel was van het paard, daarna het paard zelf ziende dat door een toeval aldus belet was geworden zich te verwijderen. Voorzichtig steeg hij op en reed verder. Het hinderde hem niet dat hij doornat was; niets hinderde hem op het oogenblik; zijn gedachten stonden stil tot hij thuis was, en daar, in het volle licht van de lamp, die Li bij zijn nadering had opgestoken, kwam hij weer tot zich zelven.
„Bah!” mompelde hij, en ging naar de slaapkamer om zich te verkleeden.
Zaterdagavond kwam, en ook Bedouin Starke. Terwijl zijn huishoudster en een dochtertje zich met de bedienden onmiddellijk naar Sabrang begaven, bleef hij op Korman’s verzoek te Watoeombo eten. Den volgenden [127]morgen werd hij geïnstalleerd in de betrekking, die van Everdingen zoolang bekleed had.
Van zijn tegenwoordigheid op Sabrang maakte Korman gebruik om Biezeman te vragen naar Minah, en vernam tot zijn groote vreugde dat deze reeds vertrokken was, naar haar moeder. Hij besloot daarop den last van van Everdingen niet letterlijk uit te voeren, doch zond aan Biezeman tweehonderd gulden, om die als erfdeel van haar gestorven heer aan Minah over te maken.
Een paar dagen na Bedouin Starke arriveerde ook de Leeuw, die de door Lamers verlaten plaats innam.
Het malen was nu geheel afgeloopen en de laatste koffie lag op de bakken, terwijl in de stamploods dagelijks het vroolijk gebabbel der sorteerende vrouwen weerklonk. Stamploods was het eigenlijk slechts bij wijze van spreken, want in de plaats der vroegere primitieve mandjes, werd nu het werk verricht door een pelmolen, die zijn drijfkracht eveneens aan het waterwiel ontleende.
Het was in die dagen dat op een vooravond Rencke de administrateurswoning binnentrad. Dit was op zich zelf niets buitengewoons, maar er was in de uitdrukking van zijn gezicht iets, dat Korman trof, en hem vragen deed of de binnenkomende wat bijzonders had.
„Ja,” zeide Rencke, plaatsnemende. „Ik heb in de [128]laatste tijden veel nagedacht over mijn positie hier, en ik moet erkennen dat die heel mooi is. Een hoog tractement, goede behandeling, aangenaam werk … men zou haast vragen: wat wil je meer? Voor ’t oogenblik niets. Maar in de toekomst … ik kan natuurlijk niet altijd in tractement vooruit blijven gaan … en ook … Ik zou u wel willen vragen wat eigenlijk het vooruitzicht is dat u mij kunt openen, gesteld dat ik nog jarenlang hier bleef.”
„Wel,” antwoordde Korman; „administrateur worden als ik er vandoor ga.”
„Wanneer denkt u dat te doen?”
„Als het land vrij is.”
„Wanneer, meent u, zal dat gebeuren?”
„Wie kan dat zeggen!” riep Korman uit.
„Juist, wie kan dat zeggen,” herhaalde Rencke. „Zoo heb ik er ook over gedacht. En daarbij, dat er misschien wel iets op te vinden was voor mij, om vóór dien tijd in eigen verdiensten te komen. Mag ik vragen: wordt het aandeel van Everdingen verkocht?”
„Ja … dat is te zeggen, hij wilde het zoo,” zeide Korman. „Er is nu naar zijn familie geschreven, of die het goedvindt. We krijgen telegrafisch antwoord.”
„Zoo,” zeide Rencke nadenkend. „Dus zou ik door mijn familie een bod kunnen laten doen aan de zijne.”
„Ben je heelemaal.…?” vroeg Korman. [129]
„Hoe zoo?”
„Wel, laat den boel kalm op vendutie komen. Niemand die er wat voor biedt als hij niet tevens een betrekking er bij kan krijgen.”
„Daar is veel van aan,” vond Rencke.
„Je begrijpt,” zeide Korman, „dat ik zelf ook opbied, al was het alleen voor mijn fatsoen als executeur; maar in geen geval ga ik hooger dan de som die hij er ingestoken heeft.”
„Dank u voor de inlichting,” zeide Rencke. „U houdt mij dus op de hoogte?”
„Zeker,” beloofde Korman, doch hij wierp Rencke, toen deze wegging, een allerzonderlingsten blik achterna.
De tijd verstreek, en eindelijk brak de dag aan waarop Li afscheid moest nemen van haar kinderen.
Korman had haar verzocht geen huilpartij te beginnen met het oog op njotje’s lastig karakter en mogelijk verzet, als hij bemerkte dat het een werkelijke scheiding was van zijn moeder, die hij nog nooit verlaten had. Li hield zich dapper en zette de kinderen zelf in de tandoe, na ieder een kus gegeven te hebben.
„Mama toeroet!”27 riep de kleine Gerard.
„Mama loopt achteraan,” zeide Li, den dragers een wenk gevende. En langzaam rees de tandoe van den grond, terwijl Korman opsteeg. [130]
Zoolang zij kon zag de arme Li haar kinderen na; en toen de stoet aan den overkant van de kalie achter de boomen verdwenen was, ging zij naar achter, om op haar bed stil te gaan liggen uitschreien. In haar leed had zij slechts één troost, namelijk dat zij voor de derde maal moeder zou worden. Aan Korman had zij hiervan nog niets gezegd; het was nog te vroeg, meende zij.
Toen de zijweg naar Marialand bereikt was, scheidde Korman zich van de tandoe af, de koelies toeroepende om vlijtig voort te loopen en dat hij hen wel zou inhalen.
In vluggen draf bereikte hij weldra het woonhuis.
„Ik kom je nog even goedendag kussen,” zeide hij tot Caroline, de daad bij het woord voegende.
„Dus zijn de kinderen op weg?” vroeg Caroline. „Kassian; was de moeder niet erg naar?”
„Och neen,” zeide Korman. „Ik geloof niet dat zulke menschen zooveel gevoel hebben als wij. Heb je al antwoord van je oom?”
„Ja,” antwoordde zij. „Vandaag over acht dagen gaan wij. Ben je vóór dien tijd terug?”
„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Het hangt van Benoit af. Maar anders zie ik je te Soerabaja. Dat zou wèl zoo gezellig zijn.”
Doch Caroline schudde het hoofd. „Neen,” zeide zij; „dat mag niet.” [131]
Toen hij wegreed, de kinderen achterna, vond hij dat Caroline erg koppig was. Wat kwam het er op aan! Te Soerabaja wist immers niemand hoe de verhoudingen op zoo’n koffieland waren, en zou niemand zich de tanden stooten aan hun engagement, al wist men dat Li nog bij hem in huis was. Soedah, als zij eenmaal getrouwd waren zou zij spoedig leeren zich naar zijn wil te schikken. En met deze illusie, die zooveel mannen koesteren vóór hun huwelijk, was hij voorloopig tevreden.
De reis van Korman naar Soerabaja was onverwacht opgekomen. Benoit had verlangd hem te spreken over de regeling van het aandeel van Everdingen, nadat er uit Europa bericht was ontvangen dat diens familie met de beschikking van den overledene genoegen nam. Hij had echter zijn vertrek eenige dagen uitgesteld om gezamenlijk met den ingenieur en zijn kinderen te kunnen reizen.
Nu het hem ontzegd was met Caroline te Soerabaja te mogen vrijen, wilde hij voor haar vertrek terug zijn en haastte zich derhalve zooveel mogelijk. Toen hij weer op den terugweg was vond hij dat de tocht eigenlijk overbodig was geweest. Wat de oude heer met hem besproken had, was evengoed te schrijven geweest. Benoit wilde van Everdingen’s aandeel zelf koopen, doch daar hij de geldschieter was en hij op dat aandeel een aanzienlijk bedrag [132]had ingebracht, wilde hij in deze niet persoonlijk ageeren, en droeg Korman op door een strooman te laten bieden.
„Want, zie je,” zeide hij, „dan kan ik met mijn pretentie fatsoenlijker voor den dag komen.”
In de nieuwsbladen werd geadverteerd dat op dien en dien dag, ten overstaan van den notaris enz. enz. zou worden verkocht de onderneming Sabrang.…
Rencke was zeer teleurgesteld toen hij de tijding vernam.
„Ik wil u niet overhaasten,” zeide hij den dag na Korman’s terugkomst, „maar van nu af zal ik omzien naar een gelegenheid om zelf te beginnen, dan wel mij ergens in te koopen.”
„Dat moet jij weten,” zeide Korman.
„Tenzij,” vervolgde Rencke, „dat ik hooger kan bieden dan meneer Benoit.”
„Dat zou hij je niet goed afnemen,” waarschuwde Korman; „en in allen gevalle zou je van hem geen kapitaal krijgen.”
„Ik zal er niet om vragen,” zeide Rencke. „Hoewel ik niet begrijp hoe hij het zou kunnen nalaten. U laat uw helft in Sabrang toch niet schieten?”
„Natuurlijk niet.”
„Dus moeten we tot een accoord komen, of ik koop heel Sabrang, òf ik jaag het zoo hoog op als het waard is.” [133]
„Ik zal er over nadenken,” zeide Korman. Nog dienzelfden avond schreef hij aan Benoit over Rencke’s voornemen.
Per keerende post kwam een uitvoerig antwoord, waaruit Korman kon opmaken wat hij te doen had. Kon opmaken—want de brief was zoo zorgvuldig gesteld dat er feitelijk niets in stond, en toch weer alles. Het eerste gevolg er van was dat de administrateur meer dan gewoonlijk op het werk kwam en Rencke allerlei aanmerkingen maakte. Hij had er nu trouwens den tijd voor. Het vertrek der dames van Os, dat in alle stilte had plaats gehad, maakte een eind aan de uitstapjes naar Marialand; de administratie was geheel in handen van Brisson, die dat netjes en goed deed, en ten slotte vond Korman dat hij vroeger veel te weinig op het werk kwam als voor een chef stond.
Ook op Sabrang werd hij dikwijls gezien. Toen hij daar voor de eerste maal kwam, reed Bedouin Starke juist uit en het was Korman onmogelijk hem in te halen, daar hij zijn paard niet durfde laten doen wat de ander van zijn rijdier eischte. Het was een trotsch gezicht om Starke te zien rijden. Bergop stapte hij, zijn paard steunende door zich aan de manen vast te klemmen, maar afwaarts ging het steeds in draf. Dan vrijwaarde hij het paard tegen het nadeelig schokken in de borst door het de achterhand sterk [134]onder te laten brengen, bij een fiere elevatie van den nek, en sierlijk bijgebracht hoofd. Dan overwon de manegekunst de grootste moeielijkheden van het terrein, hetzij een steile helling of boomstammen dwars over den weg of een stuk waterleiding, waarover nog geen brug was. Het was zóó mooi, dat Korman, toen hij na herhaaldelijk te zijn afgestegen, eindelijk den tuin bereikte waar de opzichter halt gehouden had, niet kon nalaten hem er over te prijzen.
„Een paard heeft vier beenen,” beweerde Bedouin Starke, „en kan dus naar rato tweemaal zooveel als een mensch.”
Den tweeden keer vond Korman den ander midden in den werktijd thuis, en de derde maal ook, en toen verklaarde Starke zelfs dat hij geen tijd had mee te gaan naar de tuinen.
„Het zal toch dienen,” meende Korman, „als ik het werk kom inspecteeren.”
„Pardon,” zeide Bedouin Starke. „Vergun me hierin met u van opinie te verschillen. De quaestie is enkel of er aanmerkingen te maken zijn: zoo ja, dan behoorde ik er bij te zijn om die te ontvangen, zooneen, dan kunt u best alleen constateeren dat de boel in orde is.”
„Wou je dan beweren,” zeide Korman, „dat er op je werk geen enkele aanmerking is?”
„Zooals u zegt. Natuurlijk op dát werk dat afgeleverd en ingeboekt staat.” [135]
„Goed!” zeide Korman. „Ik ga—maar als ik iets vind, dan zal ik het je dubbel aanrekenen.” En terwijl Starke bedaard met zijn schrijfwerk voortging, inspecteerde zijn chef het werk.
Doch hoe Korman ook rondzag, hij kon geen fout vinden die tot een gegronde opmerking stof leverde.
„Je boft vandaag,” zeide hij terugkomende. „Maar ik twijfel er aan of het op den duur goed zal blijven gaan, als je onder werktijd thuis zit.”
„Laat ik u eerst eens een bittertje inschenken,” zeide Starke; „dat praat pleizieriger. En nu zal ik zoo vrij zijn de zooeven door u gebruikte uitdrukking te wraken. Ik bof namelijk volstrekt niet; het is eenvoudig het resultaat van mijn werkwijze.”
„Dat moet je mij eens uitleggen.”
„Gaarne. Ik ga van het standpunt uit dat een inlander ook een mensch is.…”
„Hm,” bromde Korman er tusschen.
„.… en als zoodanig zich voortdurend ergert als men hem den geheelen dag op de vingers ziet. Daartegenover staat dat hij in zijn werk moet worden nagegaan, of anders knoeit en luiert hij. Sta je er nu den heelen dag bij, dan profiteert hij van elk oogenblik dat je je rug omdraait.”
„Juist,” zeide Korman; „en als je er niet bent, dan profiteert hij dubbel.”
„Behalve,” zeide Bedouin Starke, „als hij elk oogenblik [136]denken kan: daar komt meneer! en altijd onverwacht, nu uit het Noorden, dan uit het Zuiden, steeds zóó dat ik er bij ben als ik verkeerde dingen doe. Me dunkt, als die angst er behoorlijk in zit, dan kan men gerust zijn.”
„Dat is toe te geven,” zeide Korman. „Hoewel, een javaan is slim, en heel gauw weet hij op welke tijden je bijvoorbeeld nooit komt, en dat, als je naar huis gaat, hij je in ’t eerste uur althans niet weer terug ziet.”
„Ja,” antwoordde Bedouin Starke. „’t Is daarom ook een heele studie om te zorgen dat zij nooit den draad van je komen en gaan in handen krijgen. Op het oogenblik bijvoorbeeld, weten zij dat u hier is, en gevoelen zich daardoor vrij veilig, denkende dat ik niet komen zal. Welnu”—en hiermede stond Starke op en wenkte iemand om den hoek van zijn huis—„dat hebben zij mis.”
Een staljongen verscheen, het paard, dat klaarblijkelijk te voren gereed was gehouden, vóór brengende.
„Tot straks,” zeide Starke opstijgende. „Kijkt u intusschen de illustraties eens in—daar op het knaapje—ik ben zóó terug.” En weg was hij, Korman geheel verbluft achterlatende.
„Ik zou hem op staanden voet ontslagen hebben,” verklaarde van Os, toen Korman hem het verhaal van het bovenstaande deed. „Aan den anderen kant [137]zou ik geen aanmerkingen hebben gemaakt op zijn thuiszijn, als zijn werk—zooals je zelf zegt—het beste was van ’t heele land. In zooverre heeft hij gelijk.”
Intusschen verminderde Korman zijn tournées naar Sabrang, om des te meer Rencke lastig te vallen. Deze, in het bewustzijn van altijd naar beste krachten zijn plicht te hebben gedaan, en meer dan dat, werd kregelig, maar zweeg, tot hij op zekeren dag dat Korman het al te bont maakte en hem zelfs aanvloekte, plotseling zijn ontslag vroeg.
Van het oogenblik af dat dit woord uitgesproken was, veranderde Korman’s houding ten eenenmale. Hij werd weer vriendelijk als vroeger, en eindelijk drong hij bij Rencke aan dat deze op zijn aanvraag terug zou komen. Doch Rencke weigerde beslist, verklarende alleen te willen onderhandelen over het aandeel van Everdingen. Dit wilde Korman niet, en het einde was dat Rencke Watoeombo verliet, zijn huishoudster naar haar dessa zendende, tot nader order, en zelf in de stad zijn intrek nemende bij den houtvester, met wien hij zeer bevriend was, om af te wachten tot de dag der vendutie dezen strijd zou beslissen.
Eenige dagen voor dien gewichtigen dag bevatten de nieuwsbladen echter een advertentie, dat de aangekondigde vendutie van Sabrang was uitgesteld tot [138]den 23en December. Het was toen de 10e November, en Rencke, zijn gastheer niet zoolang tot last willende zijn, nam een hem aangeboden betrekking aan op de onderneming waar vroeger Bedouin Starke gewerkt had. Hij had den administrateur vooraf gewaarschuwd dat zijn plan was een bod te doen naar Sabrang, en deze nam daarmee genoegen, niet twijfelende of Korman zou dat stuk zijner onderneming zelf willen behouden, en boven elk bod van Rencke een hooger doen.
Doch geen van beiden hadden zij gerekend op de duivelsche sluwheid van dien man, noch op de macht van Benoit’s geld.
„Rectificatie. In ons nummer van 8 November j.l. kwam een annonce voor over de aangekondigde veiling van het koffieperceel Sabrang, deel uitmakende enz. enz. Daarin is een fout ingeslopen. Er stond nl. 23 December; dit moest zijn 23 November. Onze lezers vinden hierachter de verbeterde annonce.”
Zoo luidde het berichtje dat Rencke’s chef ’s avonds na aankomst van den plajangan, uit zijn luierstoel deed opspringen.
„Ze hebben je te pakken gehad!” was de uitroep waarmee hij bij Rencke kwam binnenstormen.
Het was de 23e November!
Rencke’s spijt en verontwaardiging kenden geen grenzen. Hij vroeg verlof om naar de stad te mogen [139]gaan, teneinde Korman over zijn bedrog te onderhouden, wat de chef hem gaarne toestond, mede walgend van zooveel knoeierij.
Maar Rencke vond niet wien hij zocht. In het logement wist men hem te vertellen, dat Korman dien morgen met een reiswagen naar Soerabaja vertrokken was. Bij den notaris vernam hij dat het perceel gekocht was voor twee en twintig duizend gulden door Menier de Brisson. Waarschijnlijk een strooman, meende de notaris; hij had tegen Korman opgeboden; anders was er niemand geweest.
Met dezen troost kon Rencke naar huis gaan, wat hij deed.
„Zoolang ik nog hier ben,” zeide zijn chef, „wil ik geen compagnon hebben; maar over twee jaar ga ik voorgoed naar Europa. Als je dan de helft van de onderneming van mij wilt overnemen, heb ik er niets op tegen; anders verkoop ik haar geheel.”
„Als u hierover een notarieel contract met mij maakt, neem ik uw aanbod aan,” antwoordde Rencke, en na lang praten werden zij het eens.
Brisson was na zijn heldenstuk verricht te hebben naar Watoeombo teruggereden. Van Korman had hij een boodschap meegekregen aan de andere employés, die hij echter eerst mocht overbrengen zoodra Messner op de onderneming zou geweest zijn en aldaar verricht hebben wat Korman hem opdroeg [140]in een brief, dien Brisson hem moest toezenden.
Zoo luidde zijn instructie.
Messner kwam uit de tuinen thuis in een niet zeer opgewekte stemming. De laatste berichten in de couranten uit Midden-Java vertelden van een ziekte, die daar in den koffie-aanplant heerschte; een bladziekte, die het sterven van verscheiden boomen ten gevolge had. En op zijn rondgang heden had hij ook op Donowarie de oranjekleurige vlekken gezien, die van deze ziekte het kenmerk heetten. Wel meende hij die meer, ja altijd aan zijn boomen te hebben bespeurd, maar toch maakte hij zich ongerust en besloot eens naar Korman en van Os te gaan en met hen de zaak te bespreken.
Op tafel in de voorgaanderij lag de brief van Korman. Hij stak dien in zijn zak; onderweg zou hij hem op zijn gemak lezen. In haast trok hij andere schoenen aan en steeg toen op. Reeds had hij de eerste tuinen van Watoeombo achter zich, toen hij zich den brief herinnerde, die nog ongeopend in zijn borstzak zat. Misschien was het ook wel over de koffiebladziekte!
„Waarde Messner! Het spijt mij dat ik u niet heb kunnen spreken over de zaak die in deze regelen behandeld wordt. Een belofte bond mij. Later, als ik terug ben uit Batavia, waarheen ik afreis als ge dezen ontvangt, zal ik u alles uitleggen. Sedert eenige weken ben ik geëngageerd met mej. C. van Os en [141]straks met haar gehuwd. De omstandigheid dat ik bij Li kinderen heb, deed haar eischen dat ons huwelijk niet hier, maar te Buitenzorg zou worden gesloten, waar haar oom thans woont. En eer Li uit mijn huis was, mocht niemand van ons engagement weten. Ge begrijpt dat het voor mij een lastige zaak was. Wil Li op de hoogte brengen. Ge kunt voor haar een huisje huren in de stad en maandelijks honderd gulden van mij ontvangen voor haar onderhoud, zoolang als zij niet trouwt of bij een ander gaat. Doe mij het genoegen een en ander ten spoedigste te regelen.
Van onze komst, die naar ik verwacht niet later dan vandaag over een maand zal plaats vinden, zal ik je telegrafisch bericht zenden.
Geloof mij
t. à. v.
W. Korman.
„Begrijpen! Of ik hem begrijp!” riep Messner uit. „Hij blijft in zijn rol tegenover dat arme kind. Op ’n smerige wijs is hij aan haar gekomen, even vuil laat hij haar glippen nu hij haar niet meer noodig heeft. Een huisje in de stad! Zeker om haar nu en dan … Neen vriend, daar zal ik voor zorgen. Dáárom moesten de kinderen dus weg! Een beroerde karrewei intusschen … enfin, dan maar dadelijk.”
Bij de administrateurswoning stond het vol meubelen. [142]Van den zonnigen dag en Korman’s afwezigheid had Li gebruik gemaakt om alles eens een flinke beurt te geven. Binnenshuis waren koelies aan het witten, en daarbuiten appliceerden de bedienden op tafels en stoelen dat strijkvernis, dat men in Indië algemeen „politoer” noemt. Li zelf dwaalde van den een naar den ander, druk en gelukkig in het vooruitzicht van het pluimpje dat zij zeker was te zullen verdienen.
Voor den naderenden Messner was deze trouwe zorg een onpleizierig gezicht. Ten eerste om het contrast met Korman’s cynisch handelen, en voorts omdat het in die herrie heel moeilijk was Li te boodschappen dat zij door Korman weggezonden werd.
Blij hem te zien, en tevens verlegen omdat zij hem geen geschikt plekje kon aanbieden, begroette Li haar pleegvader.
„In het kantoor is alles nog in orde, papa,” zeide zij. „Meneer Brisson zit er te werken.”
„Ik heb er op het oogenblik niet noodig,” zeide Messner aarzelend. „Ben je van middag klaar?”
„O ja,” verzekerde Li. „Ik heb niet meer uitgehaald dan in één dag af kan. Morgen komt de slaapkamer aan de beurt en het kantoor, en overmorgen de bijgebouwen; als het ten minste niet regent.”
„Goed. Maak dat je tegen vier uur alles in orde hebt. Ik ga nu naar Marialand en blijf vannacht bij jou logeeren.” [143]
„Heerlijk!” juichte Li. „Ik zal voor vanavond wat lekkers klaarmaken. Maar …” vervolgde zij hem ernstig aanziende, „heeft papa soesah? Is Zus niet wel?”
„Zou ik dan hier zijn?” vroeg hij terug. „Nou kind … misschien vertel ik het je vanavond wel. Dag!”
Met hartelijkheid werd Messner op Marialand ontvangen. Van Os apart nemende, ondervroeg hij hem over het engagement van Korman, en eindigde met hem den pas ontvangen brief te laten zien.
„Hm,” zeide van Os, „voor heel moedig heb ik hem nooit aangezien, doch ik vind dat hij dit zaakje zelf had behooren te doen. En wat de rest aangaat, heb ik hen maar zoo’n beetje laten scharrelen. Ik bemoei mij niet graag met zoo iets; pas mettre le doigt, en zoo voort.”
„Neen, je hebt gelijk,” zeide Messner. „Soedah, ’t is gebeurd, maar mijn gezicht zullen ze op Watoeombo niet gauw meer zien. Dan heb ik nog wat; je hebt zeker al van de koffiebladziekte gelezen.”
„Stapels!” verklaarde van Os. „Ik ben maar weer op mijn gewone manier te werk gegaan en heb aan alle lui op Midden-Java geschreven om inlichtingen. Na den eten zal ik je den rommel laten zien.”
Aan tafel wijdde mevrouw van Os uit over de gezelligheid die de komst van Caroline op Watoeombo voor haar zou aanbrengen; hoe jammer het was dat van Everdingen dood en Rencke weg was; dit waren [144]nu juist twee heeren die het goede voorbeeld dat de chef gaf, konden volgen; het zou toch veel beter zijn als de jongelui minder in concubinaat leefden, iets dat op een in volle exploitatie zijnde onderneming niets tegen had; de hardships van het openen—nu, dat was voor de meeste dames geen doen.
„Als u zóó spreekt,” zeide Messner; „dan durf ik Zus niet meer hier te brengen.”