„Zus is mij altijd welkom,” zeide mevrouw van Os. „Ik doelde ook niet op u; de tijden waren, toen u begon, verschillend met thans, en ik kan mij voorstellen dat u niet meer verandert. Voor mijn gevoel is Zus evengoed aan u verbonden, en misschien met hechter band, dan menige gehuwde vrouw.”
Na tafel gingen de heeren naar het kantoor.
„Hier heb je een en ander,” zeide van Os. „Ik heb ze gesorteerd. Dit dikke pak bestaat uit raadgevingen van lui die verklaren dat het niets geholpen heeft wat zij zelf gedaan hebben, of denken te doen. Diep patjollen, goten tusschen de boomen, proefstations, en zoo voort. Dit dunne bundeltje is van dezulken die vooruitgang meenen te bespeuren; het komt echter vrijwel op dezelfde soep neer. Eindelijk deze ééne, die zegt dat zijn manier geholpen heeft.”
„Daar zou ik het meest vertrouwen in stellen,” vond Messner. [145]
„Ik ook; alleen zijn middel is wat zonderling. Hij beweert dat het kapellen zijn die ’t hem doen, en laat die vangen.”
„Geen kleinigheid!”
„Hij schrijft dat hij in ’t begin vijftig man over zijn tuinen verdeeld had,” zeide van Os, „doch later waren zes man voldoende.”
„Dat valt me mee,” zeide Messner. „Wat denk jij te doen?”
„Afwachten, en als het hier komt, en de geleerden zijn het er nog niet over eens, dán het voorbeeld van onzen kapelvanger volgen. Maar wat leelijker is,” ging van Os voort, „dat de prijzen zoo omlaag gaan. Het scheelt allicht een paar jaar eer je land vrij is.”
„Ja,” stemde Messner toe. „Als ze zoo voortgaan, dan is een koffieland niet langer een rijkworder. Voor mij is dat niets, ik zou in Europa niet meer aarden, maar voor jelui is het naar.”
„Kom, dan laat ik mij als stafofficier aanwerven bij een vreemde mogendheid,” zeide van Os. „Wat hier in Indië gepensioneerd wordt heeft in het buitenland den naam van het beste te zijn; en mij zelven niet in aanmerking nemende, geloof ik waarachtig dat ze gelijk hebben ook.”
Met een bezwaard hart kwam Messner terug op Watoeombo. Als om zoolang mogelijk het verpletterende nieuws aan Li te besparen, hield hij zich tot [146]aan het avondeten bezig met het bezichtigen der installatie—’n dood ding, nu alles stil stond—en met Brisson, die blij was deze aanspraak te hebben.
Al een paar maal had Messner hem scherp in de oogen gezien, en eindelijk zeide hij:
„Je ziet er niet zoo gezond uit als de vorige maal dat ik hier was.”
„De zittende levenswijze.…” meende Brisson.
„Of wat anders,” zeide Messner. „Neem je in acht jongmensch, ik heb er meer op die klip zien vergaan.”
Zooals dat meer gaat als men een lastige zaak uitstelt, werd het voor Messner hoe langer hoe moeielijker met Li te spreken. Reeds was het tafelkleed weggenomen en nog wist Li geen woord van wat haar te wachten stond. Messner dacht er over het tot den volgenden ochtend te verdagen, toen Li hem goênacht kussende nogmaals haar vraag van dien voormiddag herhaalde.
„Neen, ’t is niet om mij, noch om Zus,” begon hij, en eenmaal aan den gang deelde hij het haar mede; met veel omhaal en voorzichtigheid, maar het kwam er toch uit. De wanhopige droefheid van Li en de vreesachtige beweging waarmede zij zich tegen hem aanvleide als om bescherming te zoeken, maakten zijn toorn gaande tegen den man die van zooveel lijden de oorzaak was. En al wat hij dien dag verkropt had gaf zich lucht in een reeks scherpe verwijten [147]aan Korman’s adres, doormengd met troostgronden voor de arme verstootene.
In ’t eerst scheen het aan Li voorbij te gaan, doch eindelijk ving zij de woorden op en luisterde. Niet lang echter, want eensklaps richtte zij zich op en stuitte Messner’s woordenstroom door hem het kleine handje op den mond te leggen.
„Sst, pa,” zeide zij, „niet doen! Dat is nog erger dan het andere. Korman is in zijn recht, hij mocht mij wegzenden. Neen.… zeg niets; het is zoo. En hij is altijd goed voor mij geweest, al die jaren.…”
Stom van verbazing zag Messner haar aan. Hij had een hoog gevoel van recht en zou niemand kwetsen als hij het kon vermijden, maar verlangde daartegenover een gelijke behandeling van anderen. Aan christelijk dulden sloeg hij geen geloof; wie hem op de linkerwang sloeg kon rekenen op gereede terugbetaling; de christenen die hij in het openbare leven ontmoet had deden evenzoo, en het bestaan van de toedraaiers der rechterwang hield hij voor een sprookje, verzonnen om navolgers te winnen ten bate der klappenuitdeelers. En daar tegenover hem stond dat kleine vrouwtje, klein in verhouding tot zijn hooge gestalte, maar groot in zielenadel, die haar uit de oogen straalde, oogen die hem aan een oude vrome tante herinnerden, kort voor haar dood.
„Eén ding bedroeft mij het meest,” ging Li voort. [148]„Had Korman het mij maar gezegd! Maar zijn nieuwe vrouw zal van het kindje niet willen weten.…”
„Wat?” riep Messner uit. „Je bedoelt toch niet dat je in positie bent? Ja? Maar dat kan niet, dat gaat niet; ik zal hem telegrafeeren. Hij moet dat verwenschte huwelijk uitstellen.”
Tot laat in den nacht praatten zij er over, Messner ongenegen Korman iets toe te geven en zijn plannen om dezen te kwellen hardnekkig vasthoudende, Li besloten haar heer in alles ter wille te zijn en van haar kant niets te doen dat maar eenigszins op wraak geleek. Zij won het pleit, op één punt na. Terwijl zij nog een paar dagen had willen blijven om het huis geheel schoon en in orde achter te laten, eischte Messner dat zij den volgenden morgen hem vergezelde naar Donowarie.
Toen Brisson, na de rol te hebben gehouden, op het kantoor kwam, vond hij daar een kort briefje van Messner die hem opdroeg een oog te houden op de administrateurswoning tot tijd en wijle de bewoner daarin zou teruggekeerd zijn.
„Korman’s naam komt er in ’t geheel niet in voor,” merkte Brisson op. „De oude heer schijnt goed nijdig te zijn.” Daarna maakte hij zich op om naar de tuinen te gaan, want nu Rencke weg was en de drukte van den oogst voorbij, moest Brisson tijdelijk de afdeeling waarnemen. [149]
Wat Messner den vorigen avond had opgemerkt over zijn uiterlijk was niet zonder grond. Zijn oogen, vooral in den vroegen morgen, stonden dof en de oogleden vertoonden ontstoken roode randen, terwijl zijn wangen onophoudelijk trilden en trokken. Het had lang geduurd, veel moeite gekost, doch gedurig door Korman aangezet „om toch als ’n fatsoenlijk mensch een bittertje te drinken op zijn tijd”, was Brisson daartoe overgegaan; en eenmaal den smaak er van beet hebbende ging hij, als ieder renegaat, verder dan een ander.
In vergelijking van wat andere menschen gebruikten kon men niet zeggen dat Brisson veel dronk, doch zijn gestel verdroeg zelfs geen geringe quantiteit en daarom was voor hem ieder glas te veel. Korman had voor zich reeds lang gezien wat door Messner was uitgesproken. In geen der andere employé’s zou hij het dan ook toegelaten hebben. Maar Brisson, die nagenoeg in geen aanraking kwam met het vrije dessa-volk, dat hoogst gevoelig is voor de behandeling die het van de europeanen ondervindt, kon wat dat betrof geen kwaad; en daar hij zich wel wachtte ooit onbekwaam te zijn voor het administratie-werk, liet Korman hem stil begaan, inziende dat Brisson binnen korten tijd voor ieder ander ondernemer een onbruikbaar sujet zou worden, en daardoor meer en meer zich als geheel van hem, Korman, afhankelijk [150]beschouwen. Dan kon hij met hem doen wat hij wilde zonder de vrees, die hem nu af en toe bekroop, dat Brisson hem te eeniger tijd mocht compromitteeren door ongewenschte openbaringen aan derden.
En indien ooit, zoo was deze tijd, terwijl de chef afwezig was, gunstig om het begeerde kwaad te laten ontwikkelen. Gewend den geheelen dag gelegenheid te hebben een praatje te maken, al liep dit dan meestal slechts over koffie en geld, geld en koffie, verveelde Brisson zich gruwelijk in zijn tijdelijke eenzaamheid. De Leeuw was tegenover europeanen harkerig en zwijgzaam, hij kon een uur lang op een luierstoel liggen staren zonder een woord te uiten, ja zelfs zonder te denken! Aan hem had Brisson niets; boeken bezat hij slechts een paar.… Boeken! Had niet Bedouin Starke eens gesproken over zijn „bibliotheek” en over de tijdschriften waarvan hij heele jaargangen had?
Nauwelijks kreeg Brisson dien inval of reeds maakte hij zich op om naar Sabrang te rijden. Het was wel donker, maar de lucht stond niet naar regen, ’n mooie avond voor een toertje. Onderweg bedacht hij dat dit tevens een goede afleiding voor hem was; als hij een boek had, of het ging terugbrengen en een nieuw halen, was er zooveel te minder aanleiding tot snoepen van alcohol bevattend vocht. Want als hij er zich goed rekenschap van gaf, zag hij zelf [151]het ellendige in van den weg dien hij was opgegaan, doch hij verbeeldde zich tevens een steun noodig te hebben om dien weer te kunnen verlaten … hm! er op te blijven stilstaan dan.
Of hij die hulp zou vinden bij Bedouin Starke? Boeken had hij, en een collectie die voor zijn smaak en ontwikkeling pleitte, maar ook een assortiment dranken …
„Zeg maar iets heel geks,” zeide hij tot Brisson, „en ik wed dat het er is.”
„Kirschwasser,” zeide Brisson, meenende dat de ander dit zeker niet in zijn goedang zou hebben.
„Papan nommer limablas28, links, witte capsule,” gebood Bedouin Starke den wachtenden bediende.
En het kwam, tot groote verbazing van Brisson, die het echter niet lekker vond, en zich spoedig vereenigde met het voorstel van Starke om tot iets anders over te gaan.
Helaas, waar blijven toch alle goede voornemens!
„Nu een zetje, zoo!” zeide Bedouin Starke toen hij Brisson op zijn paard hielp. „Pas op, er is geen leuning aan den anderen kant. Ik zal de boeken morgen wel met het rapport meegeven. Denk om je equiliber!” [152]
„Equi … liber!” lachte Brisson onnoozel. „De vent heeft toch altijd ’n ui.”
Het uitstapje was Brisson wel bevallen, en om het te kunnen herhalen noodigde hij Bedouin Starke den volgenden avond ten zijnent. Dit was het begin van een rumoerigen tijd op Watoeombo, die aanhield tot Korman’s terugkeer. Nu hier dan daar, doch elken avond, weer of geen weer, kwamen Bedouin Starke, Brisson en Biezeman bijeen; een paar maal werd ook de Leeuw er bij gehaald, meer om zich van zijn stilzwijgen te verzekeren, door hem medeplichtig te maken, dan om zijn aangenaam gezelschap. Hoewel dit laatste nu juist geen vereischte was bij de nachtelijke samenkomsten, die hoe langer hoe meer van vroolijke drinkpartijen ontaardden in vuile orgieën. Vooral in de kampong van het hoofdkwartier zag men geen enkele fatsoenlijke inlandsche vrouw meer, want het was gebeurd dat de opgewonden europeanen de javaansche woningen waren binnengedrongen om te zoeken wat van hun gading was.
Dat het werk er onder leed was niet te verwonderen. Op Sabrang niet, want Bedouin Starke scheen het niet te hinderen of hij geregeld de helft van zijn slaap miste, en hij stelde Biezeman voor de keus om zijn werk goed te doen, of ’s avonds thuis te blijven; doch bij Brisson zag het er allertreurigst uit. Toen hij dan ook eindelijk een telegram kreeg, vijf dagen [153]voor de terugkomst van Korman, stelde hij voor een eind te maken aan de pret. Zoo geschiedde, en de kalmte keerde terug op de koffieonderneming, terwijl Brisson zich beijverde het slechte werk zooveel doenlijk onzichtbaar te maken. Met een tiental koelies ging hij de tuinen langs die schoongemaakt waren, en liet aan den kant van de wegen alles netjes maken, hopende dat de chef niet van zijn paard zou stijgen om het inwendige te inspecteeren.
Ook had hij eens rondgekeken in de administrateurswoning, doch toen hij een begin liet maken met het opruimen van de stof en wat de bedienden er in die dagen meer hadden laten liggen of ingebracht, kwam plotseling mevrouw van Os hem vervangen. Hij besefte dadelijk dat dit maar goed was ook, want wat hij voor brandschoon hield moest volgens die dame een extra-beurt hebben, en wie zou nu ooit op de gedachte gekomen zijn om boven op de kasten en ledikanten te kijken? En dat er tafels bijeen geschoven moesten worden om een feestdisch aan te richten! Brisson verklaarde later dat hij „gewoon perplex” was van het groote verstand, door zulk een europeesche dame aan den dag gelegd.
Toch hadden de employés er een flauwe notie van, dat men den chef en zijn vrouw feestelijk behoorde te ontvangen en in te halen. Onder aanvoering van Bedouin Starke lieten zij een pendoppo opslaan [154]bij den zijweg naar Marialand; en daar was het dat zij op den morgen van Korman’s komst zich verzameld hadden, en van daaruit stonden de koelies en mandoers ten getale van ongeveer achthonderd aan weerszijden van den weg opgesteld, met zooveel tusschenruimte dat zij tot aan de brug van Watoeombo reikten. Ieder hunner hield een geimproviseerd vlaggetje in de hand en droeg een sjerp van groen om het lichaam, met ingestoken roode papiertjes die men verzocht werd voor bloemen aan te zien. Van de brug tot aan Korman’s woning stonden de vrouwen en meisjes, elk met een jong klapperblad in de hand, wat geen onaardig effect maakte.
Even voor den middag naderde de stoet de plaats waar de pendoppo stond. Want een stoet was het! In de stad had de resident het noodig geoordeeld den administrateur van Watoeombo, den pionier in deze streek, te complimenteeren; en daar dit den vorigen avond door de late aankomst van het jonge paar mislukt was, deed hij het dien morgen eer zij de reis naar het gebergte aanvaardden. Bij die ceremonie was ook de Regent aanwezig, en dientengevolge de mindere inlandsche hoofden. De faam hiervan was Korman vooruitgevlogen, en had bewerkt dat de wedhono van Wonosarie met gevolg, en hoogerop de assistent-wedhono, zich bij Korman en Caroline hadden aangesloten, zoodat het een heele optocht werd [155]van netgekleede inlanders op tandakkende paardjes.
Nadat Korman en zijn vrouw waren afgestapt nam Bedouin Starke het woord:
„Meneer Korman! Te midden van de koffie, sprekende tot u, wat wonder dat mij het beeld van den koffieboom voor oogen staat; zooals deze ontkiemt, een zwak en teer plantje, dat gekoesterd en gekweekt moet worden in de schaduw, doch weldra krachtig en frisch, in de open lucht gebracht, opwast tot een boom heerlijk bloeiende en nuttige vruchten afwerpende! Zoo was het, zoo zij het ook, met de liefde die u trok tot haar, die wij thans als uw echtgenoote hier welkom mogen heeten.
„En u, mevrouw! behoeven wij het u nog te zeggen hoezeer wij naar uw komst verlangd hebben? Zie, opdat u in den roes van een nieuw geluk niet uit ouder gewoonte dezen zijweg naar Marialand zoudt inslaan, hebben wij ons hier opgesteld om u te waarschuwen; opdat op de steilten en naast de diepe ravijnen uw verdere weg gevaarloos zij, schaarden wij onze troepen als een levende heg langs uw pad; en dat de geestdrift die ons bezielt zich ook aan het werkvolk heeft medegedeeld, zult u ontwaren als u het laatste eind van dezen weg bereikt, waar de vrouwen-mandoer als een tweede Kenau Hasselaar haar vriendinnen heeft opgeroepen om in te springen waar de mannen tekort schoten. [156]
„Heil u beiden! Welkom op Watoeombo!”
„Dankje wèl,” antwoordde Korman met hem klinkende en dit herhalende bij alle anderen. Caroline daarentegen wist ieder een aangenaam woord te geven.
Men brak op. In de met groen en vlaggen versierde administrateurswoning wachtten Van Os en zijn vrouw de komenden af, doch verder niemand.
„Waarom is meneer Messner er niet?” vroeg Caroline aan haar man toen zij aan tafel zaten.
„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Misschien heeft hij het druk en komt van avond.”
’s Middags vertelde hij haar waarom Messner niet gekomen was en ook niet zou verschijnen. Messner was met het huwelijk niet ingenomen, maakte hij haar wijs; hij had geen sympathie voor Caroline, en achtte haar niet zoo hoog, dat hij het billijkte dat Korman om harentwille zijn huishoudster verwijderd had.
„Hij had haar opgevoed,” zeide Caroline als in gedachten. „Zoo iets vertelde tante mij. Het spijt mij erg; hij is zoo’n vriendelijk mensch.”
’s Avonds, toen het feest uit was en de gasten naar huis, deelde Caroline Korman mede wat zij van haar tante gehoord had omtrent het leven der jongelui gedurende zijn afwezigheid. Korman was woedend, en reeds vroeg liet hij den volgenden morgen zijn paard zadelen. Toen brak de bom los! Bedouin Starke [157]durfde hij niet aan, en deze liep dus vrij, maar Brisson en Biezeman werden een voor een op het kantoor geroepen, om daar aan te hooren hoe schandelijk hun gedrag was geweest, en dat zij het alleen aan het feit dat hun werk in orde was, te danken hadden dat zij niet onmiddellijk ontslagen werden. De Leeuw was er het ongelukkigst aan toe, daar hij niet dezelfde voorzorgen had genomen als Brisson om den buitenrand van zijn tuinen bij te werken. Hij werd ontslagen.
Later scheen Korman in te zien dat de arme stakker eigenlijk niets meer misdreven had dan de anderen. Hij liet hem toen door Brisson aanraden om excuus te vragen; doch toen deze er met de Leeuw over begon, liet de sinjo hem grijnslachend een briefje zien van Messner, een aanstelling als opzichter te Donowarie bevattende.
„Vijf en twintig gulden minder dan hier,” merkte Brisson op.
„Dat is niets,” zeide de Leeuw. „Meneer Messner verkoopt geen tjandoe.”
„Begrepen. Dus wou jij dat daar doen? Pas maar op.”
„En ik laat mijn meid een warong29 houden.”
„Je lijkt den baas wel,” zeide Brisson, „die laat ook alles door een ander doen.”
Toen hij aan Korman verslag deed van zijn vergeefsche [158]poging, was hij zeer verbaasd den chef niet te zien opvliegen over het schenden der usance door Messner, die voorschreef elkaars ontslagen employé’s, niet dan na onderling beraad en met goedkeuring van hem die het ontslag verleend had, aan te nemen. Integendeel, Korman nam het goed op en liet zelfs zoozeer blijken dat het hem verheugde, dat hij een nadere verklaring hiervan aan Brisson meende te moeten geven met de woorden: „Hij kan er plezier van hebben; onder toezicht van een europeesch employé gaat het, maar alléén.….!”
Daags voor het vertrek van de Leeuw ging Korman naar diens afdeeling, naar het heette om bij de overgave aan een nieuw exemplaar van hetzelfde ras, dat Bedouin Starke „waarlooze Europeanen” doopte, tegenwoordig te zijn. Hij had met den vertrekkende een lang gesprek, waarvan de gevolgen nader zullen blijken.
Weer verlieten de regenwolken het gebergte, en sluierde zich de droge warmte over de koffielanden. Maar ditmaal bracht zij den vijand mee, waartegen op andere gedeelten van Java reeds zoolang vruchteloos werd gestreden: de koffiebladziekte. Vuilgeel en mager stonden de aangetaste tuinen op Watoeombo, het produkt verschrompelde aan de boomen, maar aan die „gekheid van kapellen vangen” deed Korman niet mee. Dat Marialand er veel minder last van had, [159]kwam door .… nu ja, door iets anders. Op Donowarie, hoorde hij, was het ook, en Messner ving toch vlinders. En wat kon het hem eigenlijk schelen. Het vermogen dat zijn vrouw had aangebracht was meegevallen; nog een paar jaar wilde hij het volhouden om er met alle mogelijke huismiddeltjes iets aan toe te voegen, maar dan mocht Benoit zien wat hij met Watoeombo deed. In den steek laten kon hij het moeielijk, daarvoor zat er te veel geld in, en zette hij het voort, dan bleef Korman er zijn deel in behouden, dat naderhand de kinderen van Li ten goede kon komen.
Zoo troostte hij zich, en schreef zijn rapporten aan Benoit als ware er aan de ziekte niets te doen. De toestand van Donowarie verergerde hij, meer dan de schriftelijke mededelingen van die onderneming hem aan de hand gaven. Want sedert zijn huwelijk was hij er persoonlijk niet meer geweest, noch had hij met Messner een anderen dan officieelen omgang.
Hoewel Donowarie en Marialand niet geheel van de ziekte verschoond bleven, was het laatste land toch niet noemenswaardig aangetast, en het eerste telde slechts een paar tuinen die wezenlijk slecht stonden. Beide administrateurs hadden goede hoop dat zij het te boven zouden komen.
De Leeuw werkte sedert eenige maanden op Donowarie. Zijn plannen wat betreft de warong door [160]zijn huishoudster te houden, had hij moeten opgeven, daar hij dadelijk bij zijn aankomst bemerkte dat hiervan Li het monopolie had, haar door Messner verzekerd. In een net bamboe-huisje, in het midden van de kampong, woonde zij en handelde, voor zich en haar jongste kind,—een meisje,—boven de maandelijksche toelage van Korman een ruim bestaan vindende. Messner had haar de rijstverstrekking afgestaan en voorts alle warongs of tokótjes op het land gesupprimeerd. Het kindje had hij onder den naam van Frieda als het zijne laten inschrijven.
Als de Leeuw naar zijn werk ging of thuiskwam moest hij altijd Li’s huisje voorbij, en zelden deed hij dat zonder even stil te staan en een praatje te maken. Met de haar eigen vriendelijkheid stond Li hem steeds te woord; doch toen dat eenigen tijd geduurd had werd de sinjo vrijmoediger, en Li zijn bedoelingen radende, trok zich meer en meer terug. De Leeuw schreef dit toe aan ongeduld van haar kant, en op zekeren dag vroeg hij haar of zij genegen was met hem samen te wonen. Zij kon haar warong aanhouden, wat het hare was zou het hare blijven, hèm was het enkel om haar zelf te doen.
Maar Li weigerde zóó abrupt, dat de Leeuw reeds bij het eerste woord inzag dat hij zijn doel gemist had en de hem door Korman opgedragen last onuitvoerbaar was. Maar toen Li in haar verontwaardiging [161]verder ging, hem vragende wat hem de vermetelheid gegeven had die vraag tot haar te richten, zij de pleegdochter van Messner, de voormalige nonja besaar van Watoeombo, hij de peranakan30 die onder den titel van opzichter het werk van een mandoer verrichtte, toen werd hij kwaad en glimlachte onderdanig. Bij zichzelven zwerende dat hij het haar betaald zou zetten, vroeg hij verschooning; de nonja moest hem niet kwalijk nemen, zij had het zelf gezegd, hij was maar een domme sinjo; hij hoopte dat de nonja het vergeten zou wat hij in zijn dwaasheid gezegd had, en weer vriendelijk zijn tegen hem als vroeger.
Nu, daar had Li niets tegen te zeggen en anders dan vriendelijk kon zij niet zijn, tenzij men haar beleedigde. Twee maanden verliepen en de Leeuw scheen zijn verlangen geheel te hebben opgegeven. Het eenige wat er hem nog aan herinnerde was de bijna dagelijksche kijfpartij van zijn eigen huishoudster, die op onverklaarbare wijze er achter was gekomen dat hij haar tegen Li had willen verwisselen, en geen gelegenheid onbenut liet om hem daarover het leven zuur te maken. Doch ook aan het geduld van een man als de Leeuw komt een eind, zoodat hij op zekeren middag zijn javaansche wederhelft de deur uitschopte met verzoek er nooit weer in te komen. [162]
Toen Li hiervan hoorde vreesde zij voor herhalingen van het vroeger gebeurde, doch zij was weldra gerustgesteld. Met kalme openhartigheid vertelde de Leeuw haar hoe het gegaan was, en dat hij eigenlijk blij was dat deze vrouw zijn huis verlaten had, want hij had een nichtje in de stad, die al lang bij hem had willen komen. Zij was baboe bij een europeesche familie, maar dat beviel haar niet; zoodra hij eens permissie kon krijgen van meneer Messner zou hij haar gaan halen. Of Li niet een goed woordje voor hem doen wilde; hij durfde het zoo in eens niet vragen.
’s Avonds was er betaling. Voor Li bracht die een groote drukte mee; want als het volk geld ontving, kwam het de schulden afdoen, die in den loop der vijf dagen gemaakt waren voor rijst en andere levensmiddelen. Zij stond dan een uur en soms langer voor de opening, in den bamboe-wand van haar toko, die met een neerslaande plank, tevens toonbank, gesloten kon worden. En aardig was het te zien hoe zij zonder iets te hebben opgeschreven, precies wist hoeveel elk der twee à driehonderd koelies schuldig was. Niet alleen de eindsom, maar was er een enkele maal geschil, dan herinnerde zij den man wat hij gister en eergister en zoo tot vijf dagen geleden gehaald had, soms voor de waarde van een of twee duiten, en altijd kwam het uit.
De Leeuw had de betaling tot het eind toe bijgewoond, [163]Messner helpende met het oplezen der namen en het bedrag der verdiende loonen. Daarna ging hij naar huis, om een oogenblik later weer te voorschijn te komen met een zwart jasje over zijn kabaja. Even bleef hij staan kijken naar de verlichte opening, waarachter Li stond, en toen sloop hij om de opeengepakte massa der koelies heen en ongezien de deur van Li’s woning binnen.
In het midden van het vertrek, grenzende aan de warong, stond een tafel en daarop een blaadje met een theeservies. De hanglamp, laag neergedraaid, verspreidde een onzeker licht. Vlug en zonder gedruisch, daar hij op zijn bloote voeten liep, begaf zich de Leeuw naar het midden der kamer, lichtte het deksel van den trekpot op, stortte er den inhoud van een klein zakje in en wilde zich even ongemerkt verwijderen, toen hij plotseling in den hoek een oude javaansche vrouw zag zitten. Het was Li’s eenige bediende, die daar op een matje de kleine Frieda in slaap schommelde.
„Het is een liefdedrank”, fluisterde hij haar toe: „als je ’t zegt maak ik je dood.”
De oude vrouw knipte even met de oogen ten teeken dat zij gerustgesteld was, en de Leeuw haastte zich naar buiten.
Een groot uur later lag de geheele kampong in diepe rust. De wachtman vóór Messner’s huis gaf op [164]een kleine kenthong het uur aan. Elf slagen. Toen opende zich de deur van de Leeuw’s woning, en voor de tweede maal dien nacht sloeg de opzichter den weg in naar de warong. Daar gekomen haalde hij een scherp mesje uit zijn zak en sneed de bamboe touwen door, die in de plaats van scharnieren, dienst deden aan de voordeur. Binnengekomen verving hij de doorgesnedene door nieuwe, en opende daarna de houten schuif.
Op den tast ging hij de kamer door en het volgend vertrek binnen. Op de waschtafel brandde een nachtlampje. Links een klein bedje, rechts een groot, en daarin lag Li, blijkbaar ingeslapen eer zij gewild had, want zij was nog geheel gekleed zooals zij ’s avonds in de warong gestaan had.
De Leeuw nam de slapende op en droeg haar weg. Bij het uitgaan liet hij de deur op een kier. Het was een heel werk; driemaal moest hij rusten eer hij thuis was, maar toen Li eindelijk op zijn bed lag beschouwde hij haar met glinsterende oogen. Zijn wraak was gelukt.
De wachtman deed zijn ronde, de laatste vóór den morgen. In de nabijheid van Li’s huis gekomen, hoorde hij het kindje schreien. Dat was niets bijzonders, de kleine Frieda koos dikwijls de stilte van den nacht uit om haar longen te oefenen, doch deze inlander, zoo door zijn geheele natuur als door zijn betrekking gewoon meer dienst van zijn zintuigen te hebben [165]dan elk europeaan, hoorde in het schreien ditmaal iets buitengewoons. Want een kind drukt daarmee meer uit dan de meesten weten. De wachtman hoorde dat de moeder het niet in de armen had, en meenende dat Li wellicht doorsliep, klopte hij even tegen den wand. Doch er kwam geen antwoord. Dat vond hij nog vreemder, en omloopende bemerkte hij de geopende deur. Onder het waarschuwend geroep van „Nja, Nja!”31 naar binnen gaande, bereikte hij de slaapkamer waar het kind alleen was. Op den grond lag een vuil notitieboekje. De wachtman kende het; elken morgen zag hij daarin den opzichter schrijven, als de toewan besaar hem iets gelastte. Hij ging Messner wekken.
„Verdoemde gladakker!” Deze woorden, gevolgd door een greep in zijn haar, een ruk die hem uit het bed haalde en een hevigen slag in het gezicht, deden de Leeuw ontwaken uit zijn zoete droomen.
„Is-t-er van wegens de liefde,” stotterde hij opkrabbelende.
„Liefde, ploert?” brulde Messner buiten zich zelf van woede, en hij liet zijn hand voor de tweede maal neerkomen in het gelaat van de Leeuw; en nog eens, tot deze neerstortte. Toen trapte hij hem in een hoek, en begaf zich naar het bed.
„Li, Li!” riep hij haar schuddende. „Dacht ik het [166]niet!” liet hij er op volgen; „zij zou het nooit gedaan hebben.” Toen nam hij Li in zijn armen en op dezelfde wijze als zij in dit huis gekomen was, werd zij er weer uitgedragen.
„Zorg dat je binnen vijf minuten de onderneming af bent,” zeide Messner in ’t voorbijgaan tot de Leeuw, die nog steeds lag waar hij gevallen was.
Drie dagen later kwam een brief van Korman. Hij verweet daarin Messner diens eigenwijsheid om Li op Donowarie te houden. Ten eerste was het voor hem ondoenlijk zijn plichten waar te nemen als superintendent; doch dat daargelaten, was er het treurig gevolg van geweest dat Li zich gegeven had aan dien de Leeuw—want daarvan was hem bericht geworden. Natuurlijk verviel thans de maandelijksche toelage, die hij alleen zoo hoog gesteld had om Li in staat te stellen haar goeden naam aldus te bewaren, dat zij later haar kinderen zonder schaamte te gemoet kon treden.…
Messner was in het molenhuis toen hem deze brief gebracht werd. Verontwaardigd liep hij naar huis om hem aan Zus te toonen. Halverwege bemerkte hij dat verscheiden inlanders hem volgden, waaronder zijn wachtman.
„Waar gaan jelui heen?” vroeg hij.
„Wij volgen meneer,” klonk het terug.
„Zoo; heb jelui iets?” [167]
„Neen, meneer,” zeide de wachtman naar voren tredende, „maar die toewan ziender, dien meneer heeft weggejaagd, heeft gezegd dat hij meneer zou vermoorden. En nu passen wij op.”
„Weest maar niet bang,” zeide Messner lachend. „Is hij dan hier op het land?”
„Neen meneer; hij is in de dessa.”
Zus ontving het bericht van Korman’s handelwijze met een uitdrukking van de grootste verachting.
„Soedah,” zeide zij, „laat maar. Het zal ons kind aan niets ontbreken.” Doch Messner, hoewel in hoofdzaak het met haar eens zijnde, vond toch dat hij er eens over spreken moest met van Os. De drukte belette hem echter daarheen te gaan voor den volgenden avond zes uur, het einde van den werktijd.
Op Marialand keurde men Korman’s daad evenzeer af, en van Os nam op zich er zijn aangetrouwden neef over te onderhouden. Hielp dat niet, dan zou mevrouw er Caroline over spreken.
Blij met deze toezeggingen reed Messner, na het avondeten te hebben gebruikt, terug naar Donowarie. Voor zijn huis steeg hij van het paard, omziende naar den wachtman die het anders gewoonlijk van hem overnam. Zus die hem had hooren aankomen, opende de deur der binnengalerij.
Op dat oogenblik zag hij een vlam; een scherp [168]gesis vlak langs zijn hoofd deed hem onwillekeurig bukken, toen een knal … eindelijk een gehuil als van een wild dier, een twintigtal passen van hem af. Hij wilde er heen gaan, toen een slag als van een vallend lichaam in de voorgalerij zijn aandacht daarheen trok.
In de deuropening lag Zus, voorover, dood.
De bedienden schoten toe, en te midden van het gejammer dat zij aanhieven, droeg Messner het lijk zijner huishoudster naar binnen.
Toen hij weer op den drempel verscheen waar zooeven Zus gevallen was, zag hij doodelijk bleek; zijn gelaat droeg een uitdrukking als van iemand die een wanhopig maar onverzettelijk besluit genomen heeft. Op het voorpleintje stond het vol menschen, maar niemand sprak. Verder op den weg verwijderde zich een groepje, dat Messner, in het licht staande van het wachtvuur, echter niet zag.
„Waar is hij?” vroeg Messner zacht, en toch zóó dat het zelfs de flegmatieke inlanders deed huiveren. „Welnu, antwoordt niemand?”
„Meneer,” zeide eindelijk de kapala-kampong, voor hem neerhurkende, „de wachtman had schuld …”
„De wachtman heeft hem gevangen; ik heb het duidelijk gehoord; die schreeuw was van hem,” zeide Messner. „Maar waar is hij?”
„Wij dachten: het is beter dat de politie …” [169]
„Geen politie,” viel Messner haastig in. „Breng hem hier; ik zal hem richten.” En weer ging een rilling door de omstanders.
„Het is beter dat meneer niet naar hem vraagt,” zeide toen de kapala-kampong. „Zooals ik reeds aan meneer gezegd heb, de wachtman had schuld dat hij ons niet opriep. Hij zal niet voor meneer verschijnen eer die schuld is afgelost.”
„Hm,” deed Messner. „’t Is misschien beter zoo.” En hij ging weer naar binnen.
„Wil meneer dat ik kennis ga geven aan den assistent-wedhono?” riep hem het kampong-hoofd achterna.
„’t Is goed.”
In de slaapkamer stond Li, over het doode lichaam heengebogen, en Zus oproepende om tot haar weer te keeren; helaas, tevergeefs!
Messner knielde neer voor het bed en schreide.
De assistent-wedhono had het druk, den volgenden morgen. Een boodschap van Donowarie, dat er een moord gepleegd was op de huishoudster van den administrateur, een tweede bericht uit de naburige dessa dat daar een indo-europeaan was doodgeslagen door een beleedigd echtgenoot die hem in flagranti gesnapt had! Hij zond een paar beambten naar het koffieland en wachtte zelf de komst af van den gearresteerde uit de dessa. [170]
Het was de wachtman van Donowarie. Uit het voorloopig verhoor bleek dat hij ’s nachts was thuisgekomen in de dessa, waar de oudste zijner twee vrouwen, die zijn belangen daar waarnam, een huis bewoonde, en gevonden had den verslagene, juist op het oogenblik dat de tegenweer die zijn vrouw bood, begon te verslappen. Hij had toen een aloe opgenomen en er op los geslagen.
„Heeft die man zich zelf overgegeven?” vroeg de assistent-wedhono. En op bevestigend antwoord gelastte hij den wachtman vrij te laten, op voorwaarde dat hij ter beschikking zou zijn als men hem mocht noodig hebben.
Daarop liet de politie-man zijn paard voorkomen en reed naar Donowarie. Wat hij daar vernam bracht hem in niet geringe verlegenheid. De verdachte van den moord en de doodgeslagene in de dessa één en dezelfde persoon! Zijn javaansch rechtsgevoel zeide hem dat hier een vonnis voltrokken was, dat rechtvaardig aan alle kanten, behoorde te blijven rusten; maar hoe dat te vereenigen met zijn plicht als ambtenaar? Soedah, de wedhono moest het maar weten, en aan dezen werd het rapport opgezonden. De wedhono stuurde het naar den djaksa; doch of het onderweg verongelukt is, dan wel door laatstgenoemden ambtenaar vergeten, kon niemand zeggen. [171]
Eenige jaren zijn verloopen. Marialand, sedert lang vrijgewerkt, is door van Os verkocht, en deze vertrok met vrouw en kinderen naar Europa.
De oude heer Messner, hoewel met bijna even groot succes zijn onderneming drijvende, wil die niet overdoen. Het graf van Zus houdt hem daar. Frieda zal mettertijd een rijke erfgename worden, als zij het noodlot ontkomt dat de meeste indische fortuinen boven het hoofd schijnt te hangen.
Watoeombo steekt nog diep in de schuld, die wel ieder jaar minder wordt, maar ach zoo weinig. Korman heeft aan zijn voornemen om het land te verlaten geen gevolg gegeven. Wel heeft zijn vrouw nu het dubbele van haar vroeger vermogen en slechts twee kinderen, maar hij kan niet scheiden van de bron die zulke zoete inkomsten geeft. Bij zijn knoeierijen, waarvan Caroline echter niet weet, helpt hem Brisson, een treurig vervallen sujet. Behalve deze zijn er geen volbloed-europeanen op Watoeombo. Bedouin Starke en Biezeman vonden elders betrekkingen.
Aan de andere zijde van het gebergte zetelt Rencke als administrateur. Hij nam de helft van het land over en hoopt daarmee fortuin te maken. En wie weet, er is een trek naar gronden in zijn buurt, [172]misschien verkoopt hij de vijfhonderd bouws, die hij op speculatie aanvroeg, wel voor een goede som.
Li steunt Messner bij zijn pogen om Frieda op te voeden, en wordt door allen die met haar in aanraking komen hoog geacht.
En Benoit, die eenmaal zeide: „Ik werk liever met een pinteren gladakker dan met een eerlijken stommerik,”—zou hij bij die opinie gebleven zijn?
EINDE.