De strafoefening had Korman gekalmeerd. Messner kon naar de maan loopen; hij zou minstens even goede koffie krijgen, al stond ze wat minder mooi geplant; straks zou hij order geven voor meer werkvolk en dan in quantiteit vergoeden wat hij in qualiteit bij zijn vriend ten achter stond. En zoo moest het ook! Men kon duizend bouws niet ontginnen alsof het er driehonderd waren!

Vóór hem lag het stukje bosch dat was blijven staan en waaronder de woningen stonden. Dit deed zijn gedachten afdwalen naar zijn huis en naar Li, een vrij wat aangenamer onderwerp dan het werk op Donowarie! Was Li niet een allerbest vrouwtje voor hem, in alle opzichten? Zij mocht nog wat jong zijn, [51]doch daartegenover stond haar dartelheid en vroolijkheid, die gaandeweg weer was teruggekomen; en dat had iemand wel noodig hier in de eenzaamheid, in een omgeving die toch al tot somberheid stemde. Haar opvoeding onder Europeanen had haar een zekere losheid van manieren gegeven, meer uitdrukking in het gelaat en minder placiditeit dan andere inlandsche of chineesche meisjes en vrouwen. Zie, kwam zij daar niet aan? Ja werkelijk! Nu vraag ik, zeide Korman halfluid, welke inlandsche njai zou zoo aan komen huppelen, haar toewan te gemoet? Hij moest zelf lachen om het idee.

„Dag Papa, dag Papa!” riep Li, en hij steeg af en zoende haar hartelijk, blij weer bij haar te zijn, zich niet storend zelfs aan den naam dien zij hem bleef geven, ondanks zijn bevel, omdat hij dien in deze omstandigheden niet langer passend vond.

Korman liet het paard los, dat in een drafje naar stal liep; en zijn arm om Li’s schouders leggende, wandelde hij met haar verder, vertellende van Zus en haar mooie huis, er verhalen bij fantaseerende over de honden en de kippen en wat Li verder kon interesseeren.

Toen hij zich had uitgekleed en in slaapbroek en kabaja op den luierstoel lag, kwam Li op de leuning zitten en vroeg weer van voren afaan. Had Zus dan werkelijk zoo’n mooi huis? Maar dat ginds op de uitkapping, [52]boven de kampong38, gebouwd werd zou toch zeker nog mooier worden dan dat van Zus?

„Zie je wel,” zei Korman; „ik heb al tegen Zus gezegd dat ik je niet liet overkomen eer het huis hier klaar is, want dat je anders eens niet weer terug mocht willen komen.”

„Heeft Papa dan niet gezegd, dat ik nu de nonja besaar ben geworden?” vroeg Li, met een koddige uitdrukking van deftigheid.

„Neen, nog niet,” antwoordde hij. „Ik wist niet wat ze er van zeggen zouden; en, weetje, ze mochten je eens weghalen.”

„Is Papa dan niet brani39 om mij vast te houden?”

„Zeker!” lachte Korman. „Als jij zelf wilt.…”

„O!” viel zij hem in de rede. „Dan is het goed. Weet u Papa, ik was bang voor Zus, maar nu niet meer; als Papa brani is, ben ik het ook. Gister.…” Hier zweeg zij plotseling als vreesde zij zich te verpraten.

„Wat was er gister?” vroeg Korman.

„Niets, maar overmorgen, dat is tjemoea-legie,40 dan moet er een slamatan zijn.”

„Doe toch niet aan die flauwiteiten,” gromde Korman. „Je weet dat we je geleerd hebben dat het onzin is en niets geeft.” [53]

„Eén keertje maar,” vleide zij. „’t Is ook niet voor mij.”

„Nu, voor mijn part,” gaf hij toe, denkende dat de kampong-bewoners het verlangden, en wetende dat in dit geval een weigering hem een reeks vexaties zou bezorgen.

Li stond op en liep naar het hokje achter het huis dat dienst deed voor keuken, alwaar de oude kokki bezig was met de bereiding van het avondeten. Nauwelijks was zij weg of een stem buiten kondigde aan dat de „plajangan41 er was.

Korman ging zelf naar de deur om de trommel in ontvangst te nemen, die de dus aangediende man medebracht, en die openende vond hij er de couranten in en brieven, die voor hem, sedert de vorige maal dat de brievenlooper naar de stad gegaan was, waren aangekomen. De onderneming had nog weinig relaties met de buitenwereld en Korman zelf ook niet veel, dus had hij het niet noodig geacht de post meer dan éénmaal in de week te doen afhalen. Toch, als de trommel kwam, was hij steeds in zijn schik; al ware het enkel maar om de couranten, die hem zoo’n beetje op de hoogte hielden van wat er buitenaf voorviel.

Ditmaal was er meer. Toen hij de boel gesorteerd had, lagen er naast het stapeltje couranten drie, zegge [54]drie! brieven. Hij bekeek ze van alle kanten; de eerste was van Benoit, dat zag hij dadelijk, doch de andere intrigueerden hem sterk. Eén er van kwam uit Holland en toch was het niet de hand van zijn moeder.… wie drommel kon het dán zijn? En de tweede.… uit Semarang.… hand geheel onbekend.…

Hij eindigde met den brief van Benoit open te breken, die niets bijzonders bevatte, en draaide toen de beide andere in zijn handen heen en weer, besluiteloos en toch nieuwsgierig. Het was een kwaal van Korman, die velen echter met hem gemeen hebben, dat hij graag eerst wilde weten vanwaar en van wien een brief kwam eer hij hem opende. Doch ditmaal lukte het hem niet. Toen nam hij die uit Holland, als zijnde de oudste, en scheurde er den omslag af.

Waarde Korman!

Van uwe moeder vernamen wij het heuchelijke nieuws, dat het God den Heer behaagd heeft u in den stand der plantage-directeuren te plaatsen. Wij hebben ons gehaast haar per keerende post onze gelukwenschen aan te bieden, gelijk wij dit bij dezen insmede aan uzelf doen. [55]

Over de u ten deel gevallen bevordering sprekende met een onzer kennissen, die juist op de thee kwam, nadat de brief van uwe moeder door ons was ontvangen, deelde ZE., die als Oost-Indisch ambtenaar vele jaren in gindsche landen vertoefde, ons een en ander mede omtrent het leven op de plantages. Mijn zoon Henri, die zooals gij zult weten in den zeedienst is, was daarbij tegenwoordig.

Nu wilde het geval dat hem, die een werkzaam jongmensch is, het luie leven aan boord en vooral aan den wal zeer tegen de borst stuit. Vernemende dat op een plantage steeds vraag is naar fatsoenlijke jongelieden, opperde hij een denkbeeld dat, ik moet het bekennen, uwe tante en mij het eerst met ontsteltenis vervulde. Het was om Z. M. dienst te verlaten en zich bij u aan te melden.

Na gehouden ruggespraak met uwe moeder echter, zijn wij over vele bezwaren heengestapt, en hebben onzen jongen in Gods hoede aanbevolen en op de stoomboot gebracht, die hem naar u toe zal voeren. Ik kan niet nalaten u dit met een enkel woord te melden, daarbij de gelegenheid waarnemende u op het hart te drukken hem niet alleen voor te gaan in het goede, want daarvan zijn wij zeker, doch ook onzen jongen zooveel in uwe macht ligt af te houden van het kwade. Wij allen zijn zwakke vaten en Henri is de vrouwen zeer genegen, welke bijzonderheid ons [56]mede deed besluiten hem uit de verleiding die zijn betrekking hem aanbood, weg te nemen.

U ’s Heeren zegen op uw werk toebiddende, verblijve ik

Uw Oom
H. C. Rencke Sr.

P.S. Tante laat u hartelijk groeten.

„Wat duivel is dat?” vroeg Korman zich af. „Denken ze daar in Holland dat het hier een asyl is voor zoontjes die niet deugen? Zwakke vaten, jawel, we kennen dat! Wel Gévédé!”

Maar vloeken hielp niet; hij zou het neefje krijgen en daarmee uit. En ’t was niet eens een neefje! De heer Rencke was gehuwd met een halve zuster zijner moeder en had zich, dat herinnerde Korman zich zeer wel, heel weinig aan de verwantschap laten gelegen liggen. En nu die vriendelijkheid en dat gescharrel met ’s Heeren zegen … Hij vloekte nog eens en greep toen naar den tweeden brief.

Het was een fatsoenlijk epistel van den jongen Rencke, zijn aankomst te Semarang meldende. Hij deelde voorts mede hoe hij op raad van iemand aldaar de reis zou nemen, eerst per spoor tot Solo en verder per karretje. Eindelijk vroeg hij Korman’s instructies voor het laatste gedeelte van de reis, dewelke hij in het logement hoopte te vinden. [57]

De toon van dit briefje verloste Korman van zijn driftige bui. Hij ging zitten nadenken hoe hij den jongen Rencke moest „stallen.” Zijn huis was nog niet klaar en in deze hut kon hij hem niet bergen. Enfin, er moest maar een kamer aangezet worden, want zoo’n kersversch uit Holland gearriveerd heertje zou men toch moeielijk direct in een eigen huishouding kunnen zetten. En de oude heer die zoo bang was voor Henri’s zedelijkheid!

„Verroest! dan had hij hem maar niet naar de binnenlanden van Java moeten sturen,” besloot Korman zijn gedachten.

Hij riep Li, die nog altijd met de kokki aan ’t bepraten was van de maatregelen voor de slamatan, en vertelde haar het nieuws. Zij nam het tamelijk onverschillig op, maar haar gezichtje betrok toen Korman er bijvoegde, dat hij over drie dagen zelf naar de stad ging om den nieuweling te halen.

Eerder kon hij niet, vanwege de betaling van het werkvolk; en, vond hij, die jonge snoeshaan zou van een paar dagen wachten niet bederven. Intusschen schreef hij een kort briefje, dat hij den volgenden morgen met den plajangan naar de stad zond, dezen tevens een paard medegevende om dat te stationeeren bij den wedhono van Wonosarie, waar ook de américaine stond met het span Kadoeërs, die hem en Messner toebehoorden. [58]

Het was Zaterdag. Den avond te voren had Korman zijn volk betaald en ’s morgens, toen hij dacht te vertrekken, was er eensklaps een ploeg nieuw werkvolk op komen zetten dat ingedeeld moest worden. Dit hield hem tot aan den middag bezig. Zoodoende in zijn voornemen, om in de morgenkoelte den tocht te doen, verhinderd, achtte hij het beter tot den namiddag te wachten eer hij afreed.

Moe van de reis en blazende van de hitte niettegenstaande de duisternis reeds gevallen was, kwam Korman in het logement aan. Een door het gouvernement gesubsidieerd hôtel natuurlijk, men zag het al van verre. Want hoewel in den tegenwoordigen tijd alle hôtels op Java toonbeelden zijn van keurige inrichting en goede bediening, toen Korman zijn onderneming begon, was dat anders. Toen waren de meeste hôtels slecht, en de door ’t gouvernement gesubsidieerde nòg slechter.

Sluit uwe oogen en stel u voor: een groot erf, met onkruid begroeid; aan den grooten weg afgesloten door een bouwvallig gemuurte, waarin een breed gat dat vroeger een hek rijk geweest was; voorts omgeven door een greppel en een levende pagger42 die den hardvochtigsten criminalist geen aanleiding had kunnen geven iemand, die er doorheen wandelde, van braak te beschuldigen; op den achtergrond een steenen [59]gebouw met alang-alang gedekt, de deuren en vensters geel geverfd met een rood randje, en afgebrokkeld witsel op de muren, van onderen behoorlijk groen uitgeslagen; links een rij van acht kamers met een galerijtje er voor, welk galerijtje vóór de drie kamers, die het dichtst aan den weg lagen, breed was uitgebouwd, in den vorm van een pendoppo43; rechts een ordelooze hoop loodsen en gedogans.44

In twee der laatsten werden de Kadoeërs gestald, terwijl Korman de pendoppo betrad, waar een petroleumlamp—neergedraaid, want er was toevallig niemand—hem behoedde voor struikelen over de stoelen of de nog met het tafellaken van ’s middags gedekte eettafel.

Op zijn geroep, dat weldra in een soort gebrul ontaardde, verscheen ten leste een inlander, die zich mandoer noemde, en in wiens hand feitelijk het bestuur over het logement berustte. Door hem liet Korman zich een kamer aanwijzen, of liever hij koos er zelf een uit de leegstaanden, na er een paar te hebben opgenomen met zijn neus, die hierin de beste leidsman was. Toen vroeg hij of er niet een jonge meneer was aangekomen, die Rencke heette.

De mandoer zou het vreemdelingenboek gaan halen en Korman kleedde zich intusschen uit, om te baden [60]eer hij tot iets anders overging. Reeds was hij daarmee gereed en voor de helft met zijn avondtoilet op orde, toen eindelijk de mandoer terugkwam met de mededeeling, dat het boek naar alle waarschijnlijkheid nog bij den controleur-kotta was, maar dat er twee heeren waren gekomen sinds eergister, waarvan één ’n toewan baroe45, en dat die naar de sociëteit was.

Korman bedacht zich nog een oogenblik of hij zich niet vernederde door óók naar de Soos te gaan, en zoo als ’t ware zijn employé na te loopen; maar och, wat deed het er toe; op de onderneming, te midden van een arbeid waarvan het jongemensch niets verstond, zou straks zijn superioriteit voldoende uitkomen, en daarmee het vereischte prestige.

Hij wandelde dus op, en ging de sociëteit binnen. In de voorgaanderij, aan de kletstafel, zat een uitgelezen clubje, de resident, de secretaris en eenige der voornaamste ingezetenen, en ook een vreemdeling. Diep buigend—hoeden droeg men toenmaals ’s avonds nooit—wilde Korman voorbijgaan, het lokaal binnen, waar hij dacht onder het groepje levenmakers bij het biljart zijn aanstaande ondergeschikte te zullen aantreffen en op dezen door zijn verschijnen een geweldigen indruk te maken, toen hem op eens iemand achterop kwam, die zijn naam op vragenden toon uitsprak. [61]

Zich omwendende zag hij tegenover hem den vreemdeling. Een slanke welgevormde figuur ongeveer van zijn eigen grootte; een fijnbesneden aristokratisch gelaat, versierd door heldere donkerblauwe oogen en een zwaren knevel; gekleed in een zwarte jas met weggesneden panden en grijzen pantalon waarvan de coupe den besten kleermaker verraadde.… Korman stond een oogenblik versuft, toen de ander met een klankrijke stem zich bekend maakte: „Ik ben Henri Rencke.”

„O zoo … aangenaam kennis te maken. Ik hoorde in ’t logement dat … u hierheen was gegaan …”

„U is wel beleefd,” zeide Rencke. „Had ik geweten dat u zelf komen zoudt, dan had ik u opgewacht, te meer daar ik op een eenigszins zonderlinge wijze aan u ben opgedrongen. Toen ik vertrok wist ik dat niet—men dacht in Holland dat men u een dienst bewees, doch op reis hoorde ik daarover anders spreken.

„’t Is niets.… we zullen het samen wel vinden, hoop ik,” antwoordde Korman, die tegenover de vrijmoedige explicatie van dien jongen man geen andere woorden ter beschikking had. Intusschen werd hem daar op eenmaal een wapen uit de hand geslagen, dat hij zich voorgenomen had ter gelegener tijd te gebruiken. Bij het minste vergrijp van Rencke, had hij hem voor de voeten willen werpen dat hij een presentkaasje was; maar dat ging nu niet meer, daargelaten [62]al of hij een zoodanige uitdrukking ooit zou durven gebruiken tegen den man die daar voor hem stond.

„Meneer Korman!” riep de resident, en de geroepene ging, gevolgd door zijn employé, naar de kletstafel.

„Komt u niet wat bij ons zitten?” noodigde het Hoofd van Bestuur. „Straks, op uw koffieland, moogt u meneer Rencke geheel in beslag nemen, maar hier hebben wij ook rechten. Ombert u?”

„Een beetje, resident.”

„Wel, dan moesten we vanavond eens een partijtje maken,” zeide de resident. „Meneer Rencke is ons hier komen leeren wat omberen was; prepareer u dus op een zwaren strijd.”

„Je bent in den pas bij den ouwe,” zeide Korman, toen hij met Rencke naar het logement wandelde om te gaan eten. „Hoe heb je zoo de kennis gemaakt?”

„Wel, ik heb dien logementsfrik uitgevraagd hoe men zich hier presenteerde … Apropos, wat kost het een moeite dat heer te spreken te krijgen! Zijn dat oostersche manieren, dat een logé naar den hotelhouder moet gaan in plaats van hem te ontbieden?”

„Ja, hij heeft het monopolie, zie je, en ’t kan hem weinig schelen. Hij is binnen.”

„Dat heb ik gemerkt! En hij is moeielijk naar buiten te lokken,” zeide Rencke, die de spreekwijze [63]niet begreep, waarop Korman expliceerde dat „binnen” beteekende: zijn fortuin gemaakt te hebben; hetgeen de logementhouder bewerkstelligd had met de aanneming van zout- en koffietransporten.

In den naävond kreeg Korman, bij gelegenheid van het omberpartijtje, van zijn employé een lesje in dat edele spel, waaruit hij het voornemen putte, om wat hij ook mocht doen te Watoeombo tot korting der avonduren, nimmer met Rencke een partijtje te maken.

Vroeg in den morgen vertrokken zij naar het gebergte; Rencke nu ook in een wit pakje, nieuw en ongestreken, waarvan het model Korman deed opmerken dat het goed genoeg was om „boven” te worden opgedragen, doch niet geschikt om er „beneden” mee voor den dag te komen. Waarop Rencke, die trouwens op reis al had gemerkt dat zijn zoogenaamde indische uitrusting in ’t geheel niet indisch was, doch een product van hollandsche kleermakersfantasie en verkeerde voorstelling van oud-indiërs, verklaarde, als hij ooit in Europa terugkwam, de menschen te zullen inlichten omtrent hun vergissing.

„Ik vond het al vreemd,” voegde hij er bij, „dat ze mij voor alles zoo’n wijde zakkerige geschiedenis maakten. Men had mij gezegd: neem voor de witte pakjes het dikste russisch linnen; de jas gemaakt naar het gewone Colbert-model, en de pantalon zooals [64]een gewone fatsoenlijke broek. Maar de „specialiteit in uitrustingen” lachte er om, en zeide dat het veel te warm was; dus nam hij van dit dunne goed en maakte het zoo wijd als u ziet. Thuis riepen ze: echt indisch! maar ik kon wel zien dat ze ’t niet mooi vonden, zoomin als ik.”

„Wat wèl goed is,” zeide Korman, „zijn die kappen die je daar aan hebt.”

„Het zijn oude jachtkappen,” antwoordde Rencke, „die ik bij toeval in mijn koffer heb gesmeten, en nu van morgen aangetrokken, omdat ik er u ook zag dragen.”

Naarmate zij verder reden kreeg Korman meer schik in zijn nieuwen employé. Hij vond in hem iemand waarmee te praten was, en die, begaafd met een groote mate van practisch verstand, den eenzamen weg recht gezellig wist te maken, zoowel door zijn gesprekken als zijn goed ingerichte vragen om opheldering van hetgeen zijn oog als vreemd opmerkte.

Te Wonosarie stapten zij uit de américaine, en terwijl de paarden gezadeld werden, stelde Korman zijn employé aan den wedhono voor. Daar Rencke echter nog geen maleisch verstond, moest Korman voor hem het woord doen. Misschien was dat de reden dat hij vergat, wat hij zich in het rijtuig had voorgenomen. Hij had namelijk den vorigen dag last gegeven het meest lastige zijner twee paarden voor Rencke te zadelen, [65]doch toen deze hem zoo was meegevallen had hij gedacht: kassian!46 ’t is zoo’n goede jongen, en contra-order willen geven. Doch hij bemerkte zijn verzuim pas toen de paarden voorgebracht werden, en Rencke hem vroeg welk dier voor hem bestemd was.

„Hm,” deed hij, „eigenlijk de zwarte, maar ze hebben er mijn zadel op gelegd. Kan je rijden? De plongko47 is nogal nukkig onder een vreemden ruiter.”

„’t Is mij hetzelfde, als hij maar loopt,” zeide Rencke, en aan de manier waarop hij de stijgbeugels pas maakte, door die te meten van de vingertoppen tot onder den oksel, zag Korman dat hij althans geen onervaren ruiter was.

Rencke steeg op; de plongko trippelde even, trachtte toen vooruit te schieten, doch door zijn rijder onmiddellijk bedwongen en met het rechterbeen zijwaarts gedrukt, kwam hij, netjes overschenkelend, naast den zwarte.

Toewan bisa sekali,”48 zeide de wedhono, den afscheidsgroet van de beide Europeanen met een minzaam lachje beantwoordend.

Toen zij het land naderden, en op meer geaccidenteerd terrein kwamen, fronste Rencke een paar [66]maal de wenkbrauwen bij het opzien tegen de steilten die zij op moesten, en meer nog als de weg een sterke helling naar beneden nam. Hellingen, die naar zijn schatting den voetganger moeite zouden hebben veroorzaakt! Ziende hoe Korman’s paard, dat voor hem uitliep, het er afbracht, overwon hij echter spoedig den angst die een ieder bevangt die voor ’t eerst op bergwegen rijdt, en bewonderde hij de kracht dier kleine dieren, die hij vóór dezen met eenige minachting had aangezien.

„Daar staan hutten!” riep Rencke op eens uit. Zij waren de kalie overgetrokken en reden op de kampong aan.

„Juist,” zeide Korman, voor de eerste „hut” zijn paard inhoudende en afstijgende. „Welkom op Watoeombo!”

Rencke begreep niet hoe hij ’t had. Was dat het „landhuis” dat zijns vaders vriend hem beschreven had met de aan indisch-gasten eigen overdrijving? Hield Korman hem voor den gek? ’t Kon wel, want hij stond hem feitelijk in zijn gezicht uit te lachen. Doch neen, want daar kwam een dier wezens te voorschijn waarvoor Rencke altijd de grootste vereering gekoesterd had, een meisje, in wat hij noemde de schilderachtig romaneske flodderdracht, welk meisje Korman met „Papa” aansprak en hem kuste. Een dochter? Hij meende toch.… hm, zeker.… jawel, ze had een gelen teint.… enfin, ’t was een meisje, [67]dus naderde Rencke met gepaste hoffelijkheid en maakte een diepe buiging.

„Een aangename verrassing, freule; uw Papa had mij nog niet verteld dat.…”

Hier bleef hij steken, want Li keek hem met haar groote oogen verbaasd aan, terwijl Korman bijna stikte in een lachbui.

„Die is goed! Ha ha,” bracht Korman er eindelijk uit. „Ga naar binnen Li.—Ahem! Ze verstaat je niet, Rencke—’t is mijn huishoudster weet je—en … je zoudt maleisch moeten spreken als je haar een compliment wilde maken, want van het hollandsch begrijpt zij niet meer dan doodgewone dagelijksche uitdrukkingen.”

„Ik zal maleisch leeren,” zeide Rencke vol vuur. „Het is een aangename verschijning, parole d’honneur!”

Korman zag hem uit de hoeken zijner oogen even aan, en ging toen voor, het huis binnen. Links, tegenover zijn slaapkamer, was een appartement aangebouwd terwijl hij weg was. Na er even in rondgezien te hebben, wenkte hij Rencke, die in het middenvertrek was blijven staan.

„Dit is je kamer,” zeide hij. „Ik heb een ledikant voor je besteld, maar dat moet uit Soerabaja komen, en dus moet je het voorloopig maar zóó stellen.”

Hiermede wees Korman op een bamboe baleh-baleh49, [68]door de zorgen van Li heel aardig in een bed getransformeerd. Rencke verklaarde dat hij het zeer interessant vond aldus de ontberingen mee te maken op een pasbeginnende plantage.

Onder de rijsttafel vertelde Li dat er menschen met bibit50 gekomen waren, die in de loods wachtten.

„Dan heb ik een mooi werkje voor je,” zeide Korman tot Rencke.

Toen om één uur de kenthong51 het sein gaf om het werk te hervatten, bracht Korman den employé naar de loods. Daar zat het vol met mannen en vrouwen, die draagkorven bij zich hadden met jonge plantjes.

Korman nam uit een der korven een boschje, en begon Rencke te onderrichten hoe hij die sorteeren moest; de dunne zwakke stengels of gehavende wortels er uit, en de gave gezonde bibit ter telling overgeven aan den kapala kampong52; daarna de door dezen op hoopjes van tien gelegde plantjes optellen en achter den naam van den brenger schrijven; eindelijk de gesorteerden bijeen laten binden en met water besproeien.

„Ik ga intusschen even naar de tuinen,” zeide [69]Korman. „Tegen dat je klaar bent, zie je mij weer terug.”

Daar zat Rencke, te midden van een volkje dat hij niet verstond, met het hem aangewezen werk zich de blanke handen bedervende en met een blik van wanhoop de massa korven overziende. Het ging hem niet vlug af; door gebrek aan oefening bekeek hij de plantjes veel te lang eer hij goed- of afkeurde, met het gevolg dat hij weldra nauwelijks meer zag wat dik of dun was, en er telkens de door Korman gegeven modellen tegenaan moest houden ter vergelijking.

De oogen deden hem pijn van de inspanning nadat hij nauwelijks een half uur aan den gang was, en reeds driemaal had hij zich gesneden aan een bamboe-touwtje dat hij open wilde trekken in plaats van draaien.

„Ik wist niet dat groen zoo vervelend kon zijn,” mopperde hij, even de oogen sluitende. Toen hij ze weer open deed schitterde er iets wits, en opziende bemerkte hij Li, die een bankje neerzettende, tegenover hem plaats nam, en met groote vlugheid de plantjes door de vingers liet glijden.

Dankbaar knikte hij haar toe en gevoelde weer nieuwen moed, toen hij de gemakkelijkheid zag, waarmee zij het werk verrichtte. Van haar afziende, leerde hij het zelf; en de eene korf na den andere verdween van het tooneel, tot de laatste toe. [70]

Met een zucht van verlichting stond Rencke op, en trachtte een praatje aan te knoopen met zijn helpster. Maar dat mislukte; want hoewel Li hem best verstond, zij zelve kon niet anders dan in ’t maleisch antwoorden, en dát begreep hij weer niet. Toen, terwijl hij enkele voorwerpen aanwees, gaf zij hem de maleische benamingen, die hij zorgvuldig noteerde. Hiermee waren zij nog bezig toen Korman terugkwam.

„Ben je er al doorheen?” zeide hij. „Dat is vlug. Wat doe je daar?” vervolgde hij een blik werpende in Rencke’s notitieboekje. „Hm, ik zou je raden liever maar dadelijk javaansch te leeren, dan krijg je geen verwarring, en dat heb je toch het meest noodig.”

„Dat kan ook,” antwoordde Rencke. „Maar, me dunkt de klanken van het maleisch hooren gemakkelijker aan.”

„Nu, doe wat je wil, als je maar één taal tegelijk aanpakt. Trouwens, de mandoers spreken allen maleisch, dus kan je daar voorloopig wel mee terecht. Laat ons nu naar huis gaan en die lui afbetalen, dan zullen we het vandaag maar voor gezien houden.”

Dit voorstel was zeer naar den zin van Rencke, die duchtig vermoeid was van den langen rit van dien morgen, en hard verlangde naar het oogenblik waarop hij zich in een dier gemakkelijke indische stoelen zou mogen uitstrekken. En het kwam, toen de bibit betaald was en de daglijst ingeschreven. [71]

Het werd dien avond later dan gewoonlijk. Rencke kon gezellig praten, en Korman had zooveel te vragen over alles wat er op zeker dierbaar plekje grond in de laatste jaren was voorgevallen, dat het hem gelukte na den eten zijn oogen nog lang open te houden.

„Er is niets bijzonders voor je te doen,” zeide Korman den anderen morgen. „Ga maar eens op je eigen gelegenheid naar de tuinen, en kijk rond. Het werk moet gedaan worden … zooals ze het doen; dat leer je, door het te zien, vanzelf. En eer je de taal verstaat, kan je toch niet veel uitvoeren. Als je iets onbehoorlijks ziet, rapporteer het mij dan als je thuiskomt—zoo tegen twaalven.”

Rencke ging het pad op dat hij gister Korman had zien inslaan, daarbij de voorzorg nemende van nu en dan op een zakkompasje te kijken, teneinde te weten in welke richting hij straks het huis weerom moest vinden. De wijze waarop hij in de geheimen der cultuur werd ingewijd, beviel hem niet. In zijn vroegere betrekking gewoon al zijn plichten van a tot z als ’t ware op een briefje te hebben, en haast niets te doen of het was speciaal gekommandeerd, bracht hem deze manier van doen in niet geringe verlegenheid. De opdracht die Korman hem gegeven had was hem vrij duister. Na een klim van een half uur was hij terecht gekomen bij het terrassenmaken, en daar moest hij niet zijn, dacht hij, want Korman had over „tuinen” [72]gesproken, die hij nochtans nergens ontdekte. Enfin, er werd gewerkt, dus kon hij wel een poos toekijken.

Met dit voornemen liep hij over een der terrassen, met attentie toeziende hoe de koelies met den patjol de aarde uithakten en gelijk streken. Bij een der werklieden bleef hij even staan, wat onmiddellijk uitwerkte dat de mandoer op den man toesprong, hem den patjol uit de handen rukte, en onder veel woorden voordeed hoe hij werken moest; in welk model Rencke geen onderscheid zag met het reeds geleverde werk.

„Er schijnt toch iets onbehoorlijks geweest te zijn,” dacht hij, en kuierde verder. Doch toen hij bij een anderen koelie bleef staan kijken, herhaalde de mandoer hetzelfde spelletje, wat Rencke in twijfel bracht of er nu wezenlijk in dit schijnbaar eenvoudige werk iets verborgen was dat hij niet zag, of dat er slechts overdreven dienstijver van den mandoer achter gezocht moest worden.

Dit personage hield ten slotte een aanspraak tegen Rencke, waarvan deze geen syllabe begreep, zelfs niet toen de mandoer uit het javaansch in ’t maleisch overging. Intusschen verrijkte Rencke zijn woordenlijst met enkele nieuwe namen van dingen die hij aanwees.

Plotseling kreeg hij een inval. Op een schoon [73]blaadje van zijn zakboekje begon hij te schetsen, en weldra ontstond een vrij aardige potloodteekening van een tuin, met perken en gazons, hoog en laag hout … men moest erkennen dat Rencke talent van teekenen bezat. Toen het gereed was liet hij het den mandoer zien, die het bagoes sekali53 vond en vroeg of het meneers familie in Holland voorstelde; wat Rencke gelukkig niet verstond.

Met zijn wijsvinger wees hij eerst op de schets en toen, de hand uitspreidende, maakte hij een vragende beweging in het rond. Dit deed den mandoer een licht opgaan.

Oah, beddingan!” riep hij uit met een tweeden blik op de teekening, en toen, voorgaande, wees hij Rencke den weg aan, die naar de pépinières leidde, terwijl deze, verheugd over het gelukken van zijn middel, in de aangegeven richting verder stapte.

„Men moet zich maar weten te redden,” zeide hij bij zich zelf.

Het einde van den weg was de plaats waar de beddingen stonden. Dat was een teleurstelling! Maar van onder het alang-alang dak klonken stemmen; dus ook hier werd gewerkt, en Rencke ging er binnen. Vrouwen plantten de jonge bibit; dezelfde die hij gister zoo bloedig uitgezocht had! Hij voelde solidariteit; daar was een stuk van zijn ziel in die [74]plantjes. Zich neerzettende op een boomstronk te midden der plantsters, nam hij den zwaren helmhoed, dien hij te Portsaid gekocht had, af en genoot èn van de schaduw èn van het toezien op het werk dat hij volkomen begreep.

Ook was er een groot onderscheid tusschen de babbelende en lachende vrouwen, en de ginds als in doffe zelfberusting werkende mannen; hier een beeld der onafhankelijke vrijheid, dáár der drukkende slavernij. Want ontegenzeggelijk draagt de Javaan der binnenlanden nog het kenmerk op zijn gelaat, dat zijn vaderen slaven waren, zoo dan niet altijd in den zin die gewoonlijk aan dat woord gehecht wordt.

Een meisje dat in Rencke’s onmiddellijke nabijheid werkte, vroeg hem iets, en hij antwoordde door haar in de wangen te knijpen, wat uitroepingen van alle kanten deed opgaan, doch de toon daarvan was niet onwelwillend of afkeurend. Rencke voelde zich volkomen thuis. Hij ging de lange rij der reeds afgeplante bedden na, en ontdekte geheel aan het eind daarvan een paar scheefstaande plantjes. Men kon van die plaats uit, de plantende vrouwen niet zien, daar er een rijzing van het terrein tusschen lag. Rencke ging een eind terug en riep „Hei, zeg eens!” waarop het meisje dat hij in de wangen geknepen had, naar hem toe kwam.

De plantjes werden behoorlijk recht gezet, al duurde [75]het wat lang. Rencke nam toen den terugweg aan, daar het tegen twaalven liep, doch besloot aan dit gedeelte van het werk zijn bijzondere aandacht te wijden; want als het jonge plantje niet onberispelijk gezet werd, hoe kon er dan ooit een flinke koffieboom uit groeien?

Thuis gaf hij aan Korman bericht van zijn wedervaren. Bij de scène met den geschetsten bloementuin moest deze hartelijk lachen.

„Wij noemen hier een tuin,” verklaarde hij, „een stuk grond dat met koffie beplant is of worden moet, en dat tusschen vier wegen in ligt. Al naar gelang der hoogte van de hellingen, worden er twee of drie horizontaal loopende wegen in getrokken, de een boven den ander, en deze verbonden door schuin tegen de hoogte oploopende wegen. Waar de helling sterk is, en dus de weg te lang zou worden, maakt men hem met een paar slagen, de zoogenaamde zigzagweg.”

„Begrepen,” zeide Rencke. „Dank u wel. En.… die tuinen zijn zeker genommerd?”

„Ja, met dien verstande dat een groep tuinen, bij voorbeeld al de tuinen van één helling of om één ravijn heen, een naam heeft, meestal naar de een of andere eigenaardigheid van den vorm der bergruggen of zoo. De inlanders verzinnen die namen.”

„Hoe heet de tuin waar nu gewerkt wordt?”

„Die heeft nog geen naam,” zeide Korman. „Maar [76]wacht maar, eer ze over den loengoer heen zijn is die ook gedoopt.”

En zoo geschiedde; doch op een wijze die geen van beiden vermoed had, en Rencke althans nimmer uit het geheugen zou gaan.

Vreezende dat er schoon terrein tekort zou komen voor het aanleggen van terrassen, had Korman een paar dagen na bovenvermeld gesprek, den mandoer Podrono last gegeven om met vijftig man te gaan „opstapelen en branden”. Dat beteekende: de overgebleven stukken hout bijeen halen, die leggen rondom de door het vuur gespaarde groote stammen en stronken, en daarna in brand steken.

Dit werk vereischt eenig overleg, daar men aan een zekere limite van lichtere brandstof gebonden is, en die zóó moet aanwenden dat het grootst mogelijk resultaat bereikt wordt; want na deze opruiming is er geen meer mogelijk, en moet blijven liggen wat ligt, tot het in den loop der jaren verrot. Podrono nu was een dier weinige inlanders, die overleg bezaten—misschien moet men zeggen: die hun overleg in dienst van een Europeaan willen aanwenden—en daarom had Korman hem aangewezen.

Natuurlijk was Rencke, die thans reeds beter dan eenige dagen geleden begreep „wat hij eigenlijk op zoo’n koffieland moest uitvoeren,” naar het werk van Podrono gaan kijken. Op den weg staande, overzag hij het [77]geheel. De mandoer had zich een plekje uitgekozen, uitnemend geschikt voor zijn post als dirigent. Een dikke boom lag bijna geheel boven aan de helling. In den loop der tijden had die boom eens den top verloren, en hij had gedaan wat iedere fatsoenlijke boom doet, namelijk twee loten, straks stammen, uitgeschoten. Die stammen stonden zeer dicht bij elkaar. Zooals hij thans lag, leek hij een reuzen vork met twee tanden; de een op den grond, de ander vrij. Daarop stond Podrono, orders gevende nu aan deze, dan aan die groep van zijn volk.

Het was een levendig ventje, dat steeds zijn woorden deed vergezeld gaan van gebaren, die toen hij Rencke zag aankomen nog wilder werden dan gewoonlijk, tot groot amusement van de koelies die lachten.… en daardoor meer kracht zetten dan anders.

Ajo! angkat!54 gilde Podrono, in zijn knieën veerende als iemand die straks een hoogen sprong zal doen. „Allah!

Dat was zijn laatste kreet.

Er was beweging in den boom gekomen. Podrono had het bemerkt en wilde er achteruit afspringen. Maar de stam waarop hij stond zakte onder hem weg, de ander van den tweeling sloeg hem in den rug, zoodat hij tusschen de tanden van den vork inraakte en voorover viel. In steeds wilder vaart [78]rolde de boom naar beneden, en met ontzetting zagen Rencke en de koelies het lichaam, ach, het lijk! van den ongelukkigen Podrono meedraaien, breken, en toen de boom den voet der helling bereikt had met een dreunenden slag, prevelden de koelies Allah ill’ Allah en sloot Rencke de oogen, flauw en misselijk van het verschrikkelijke gezicht.

Het weinige dat er nog van den mandoer te vinden was, werd door het volk naar de kampong gebracht. Van Rencke die vooruitgeijld was, vernam Korman het gebeurde.

„Jammer van den vent,” zeide Korman. „Komen ze met hem hier? Waarachtig, daar heb je het heele zoodje! Zijn ze bedonderd?” En hij ging den stoet te gemoet. De voorsten, die het lijk droegen, liet hij passeeren, en joeg toen de rest terug met barsche verwijten. Den knapsten koelie riep hij aan, en droeg hem op tijdelijk den arbeid te surveilleeren. Toen kwam hij terug bij Rencke, die huiverend het kleine troepje, dat hem gepasseerd was, nazag.

„Kom mee in huis,” zeide hij. „Je bent geschrokken, denk ik. Neem een paitje;55 ’t is toch bijna tijd. Weet je wat een bof is? Dat jij niet ook op dien boom stond.”

Rencke gaf geen antwoord, zijn tanden klapperden tegen het glas. [79]

„Kom, je moet je zoo beroerd niet maken,” raadde hem Korman. „Er gebeurt wel eens meer een ongeluk. Als je niet nog zoo kort hier was, zou ik je een standje maken dat je al dat volk uit de tuinen hebt laten gaan, maar nu.… soedah! En wat wed je nu—we hadden het er laatst over—dat die tuin, eer de zon ondergaat, zijn naam heeft?”

Podrono!” zeide Rencke plechtig.

De weduwe van Podrono.…

Zij had een braven man verloren, die goed voor haar was, haar nooit sloeg, om wiens grappen zij altijd moest lachen, en met wien zij een heel jaar lang getrouwd was geweest.

.… weende eenige dagen en nachten. De medebewoners van het huis dachten dat zij gek zou worden van smart. Reeds tweemaal had zij een zenuwtoeval gekregen en gevraagd om ketjoebong.56 In plaats daarvan gingen de buren medicijn vragen bij Korman.

„Ga maar eens naar de meid kijken,” zeide deze tot Rencke. „Neem de flesch met castorolie mee, en geef haar om te beginnen een flinke dosis. Hier is ze. Neen heusch,” ging hij voort toen Rencke hem gek aankeek; „ik meen het; als die lui wat van dien aard door ’t hoofd spookt, vergeten zij hun heiligste plichten.”

Rencke ging en paste de voorgeschreven geneeswijze [80]toe, die wonderen deed. Den volgenden dag was het vrouwtje veel bedaarder, en een week later weer geheel hersteld.

In die week was veel gebeurd.

Het huis van Korman, de definitieve administrateurswoning, was gereed gekomen. Hoog gelegen op een daarvoor gemaakte uitkapping van de bergglooiing, verhief het zich boven de kampong. Van uit de voorgalerij had men het gezicht, tusschen twee uitloopers van den berg, tot in de vlakte, ja tot zelfs op den naburigen berg, die als een groote molshoop uit het groen der laaglanden verrees. Waar het oog toch ook wat wil, was de plek goed gekozen.

Eén ding was jammer, en wel dat alle boomen waren weggekapt en het huis op een kale plek stond, en wel altijd zou blijven staan, daar de onmiddellijke omgeving niet beplant werd, doch gereserveerd bleef voor later aan te leggen établissement en droogbakken. Maar wie denkt daar van te voren aan! Wie denkt er aan, dat het ook zaak ware op de loengoers de boomen te laten staan, als zij er zijn, om zoodoende windbrekers te hebben, die men er later, als de wind eenmaal vrij over de naakte ruggen strijkt, met geen mogelijkheid meer op krijgt, tot men na veel geld en moeite vermorst te hebben de loengoer-tuinen in godsnaam maar afschrijft.

Daarvoor moet men minstens eerst een koffieonderneming [81]hebben ontgonnen; en die dat gedaan heeft is òf rijk, òf heeft geen succes gehad en krijgt derhalve geen administratie meer.

In het nieuwe huis was oorspronkelijk een kamer voor Rencke bestemd geweest, toen Korman plotseling van plan veranderde. De aanleiding daartoe was een mededeeling, die Li hem gedaan had van een praatje dat in de kampong had gecirculeerd.

„Je weet waarschijnlijk,” was Korman begonnen, op een avond, terwijl hij met Rencke aan de bittertafel zat, „dat ik indertijd een brief van je vader heb gehad.”

Rencke knikte toestemmend.

„Daarin stonden een paar uitdrukkingen … hm! ik wil niet zeggen dat ze mij een ongunstig denkbeeld van je gaven, maar … enfin, hij zeide dat je nogal veel van de meisjes hield.”

„Dat had Papa wel kunnen laten,” mopperde Rencke. „Hij is wat ouderwetsch ziet u, en meent dat een jongmensch de oogen moet neerslaan of stotteren als een dame voor hem staat. Ten minste hij scheen het altijd af te keuren dat ik me wat vrij bewoog. Maar aan u had hij waarachtig niet behoeven te schrijven … hier zou ik mij, al wilde ik, moeielijk kunnen bezondigen. Er zijn geen dames!”

„Behalve in de pépinières, hé?” zeide Korman, terwijl Rencke bloedrood werd. „Ja, ja, vriendje, [82]we zijn hier in Indië, te midden van een bevolking die in dergelijke zaken weinig of geen geheimhouding betracht. Maar,” vervolgde hij, „waar ik eigenlijk op komen wou is dit. Ik heb wel het verzoek van je oude heer gekregen om zoo’n beetje voor Mentor te spelen, doch ik ben geen oogenblik van plan dat te doen. In mijn positie als administrateur echter, moet ik je instantelijk verzoeken hier op het land van de vrouwen af te blijven; je krijgt er zelf te avond of morgen moeite mee, en ik door jou. Weet je wat, neem een huishoudster.”

„Daar heb ik wel ooren naar,” zeide Rencke; „maar als de oude heer het hoort.…”

„Onzin! Ik zal ’t hem niet aan zijn neus hangen, en jij natuurlijk nog minder. Hoort hij het van de buitenwacht … welnu, dan zeg je òf dat het niet waar is, òf dat je in de binnenlanden niet anders kan.”

„De groote moeielijkheid zit hem in de manier er een te krijgen,” meende Rencke.

„O, dat is niets. Kijk maar eens rond; hier, of in de stad … er is wel wat te vinden. Wie hebben we daar?”

De laatste vraag gold eene donkere gestalte die in de deur was komen zitten. Het was de weduwe van Podrono, die kwam vertellen dat zij voornemens was den volgenden morgen te vertrekken, en thans vroeg [83]om het door haar overleden man verdiende salaris, teneinde reisgeld te hebben.

Terwijl zij sprak met den gebruikelijken omhaal van woorden, die een welopgevoede javaansche ter harer beschikking heeft, had Korman haar nauwlettend opgenomen, meer bezig met een gedachte die hem beving, dan luisterend naar het verzoek van het jonge vrouwtje.

„Kijk deze eens aan,” zeide hij tot Rencke. „Hoe denk je er over? Ze is zindelijk en handig, spreekt een beetje maleisch naar ik meen, en wat haar voorkomen aangaat zou je het moeielijk beter kunnen treffen.”

„Watblief?” vroeg Rencke verbaasd. „U meent toch niet … haar man is immers nauwelijks begraven, en het verdriet.…”

„Och wat,” viel Korman hem in de rede.… „De vraag is of je wilt of niet.”

Ik wel, maar.…”

„Dan is het goed.—Ga maar naar achter,” gelastte Korman de bezoekster. „We zullen de rekening van dat salaris dadelijk opmaken.—Li!” en toen deze gekomen was: „Praat eens met de vrouw van Podrono. Ze moest maar huishoudster worden bij meneer Rencke.”

Met een knikje van instemming vertrok Li om aan de gegeven opdracht te voldoen. [84]

„Ziezoo,” zeide Korman; „schenk jij nu nog eens in, en pikir57 er niet langer over; Li zal dat zaakje wel klaarspelen.”

„Het zou me zeer verwonderen,” zeide Rencke, „na al wat ik van dat vrouwtje in de laatste dagen gezien heb. Ze was daarvoor te diep getroffen door haar verlies.”

„Ik heb nogal vertrouwen in de werking van de castorolie,” antwoordde Korman. „Wat wed je.… hier, ’n ringgit!58 Zet je er een tegen?”

„Mij wel,” zeide Rencke, die waar het een weddingschap gold, niet onder wou doen.

Het duurde heel lang eer Li terugkwam. Doch toen zij om het hoekje van de deur verscheen, streek Korman doodbedaard de twee rijksdaalders op, die op de tafel lagen, en stak ze in den zak van zijn kabaja.

„Zij zegt dat zij erg dom is,” rapporteerde Li, „en bang dat zij aan meneer Rencke niet zal voldoen; maar als meneer daar niet tegen opziet, dan wil zij zich wel bedenken, tot morgen. Intusschen zou zij gaarne het geld hebben dat Podrono heeft verdiend, want er is een soedara59 van haar hier, dien zij nu maar vooruit wil zenden naar de dessa.” [85]

„Ik ben mijn ringgit kwijt,” zeide Rencke, toen Korman hem Li’s woorden had uitgelegd. „Maar ’t is sterk!”

Den dag daarna verhuisde Korman naar zijn nieuwe woning, welk feit behoorlijk bezegeld werd met een slamatan en een tandak-partij, waartoe expresselijk een anklong60 met bijbehooren was ontboden uit de dessa, waar de assistent-wedhono zetelde.

In dien tijd had ook de weduwe van Podrono zich bedacht, met dien gevolge dat zij, met een paar van Li geleende muiltjes en een gebreide shawl, haar toewan vergezelde, toen deze naar het tandakken ging kijken, iets wat Rencke voor ’t eerst van zijn leven aanschouwde.

De indruk dien hij er van kreeg was niet precies een gunstige. Natuurlijk had hij de „Duizend en één nacht” gelezen, en de oostersche bajadères die hij zich daarbij gedacht had, kwamen in ’t geheel niet overeen met de krijschende vrouwspersonen die hij hier zag dansen. Dansen! godbetert, hoe durven ze dat dansen noemen. In de rookerige koelie-loods was in ’t midden een groote mat gespreid over den aarden vloer. Waarvoor eigenlijk? Tegen het vuil-worden der voeten? Daar was het waarachtig niet voor noodig, want die … bah! Het speet Rencke [86]dat hij niet schilderen kon, om in kleuren weer te geven waarnaar hij liever niet lang keek, en met het opschrift: „het voetje van een bajadère” ter ontgoocheling aan zijn hollandsche vrienden te zenden.

De zoogenaamde gracieuse bewegingen van het lenige lichaam vond Rencke eenvoudig ongracieus en leelijk, en het eenige wat hem een minder streng oordeel deed vellen over de arme tandak-meid, dan misschien anders het geval ware geweest, was dat zij den goeden smaak toonde van de punt van de slendang61 voor den mond te houden als zij dien opendeed om te.… zingen.

Neen, nu niet en later niet, toen hij gezien had wat voor het beste doorging op dit gebied, kon Rencke behagen vinden in javaansche danskunst, en hij vond al wat daaromtrent geschreven of verteld werd, gewoon opsnijderij.

„Je moet maar eens goed toezien,” zeide hem Korman, die mede acte de présence maakte, „want bij grootere gelegenheden, als de Regent eens komt of zoo, moeten we er zelf aan meedoen; en dan staat het altijd beter als je het kunt.”

Toen ging Rencke een huivering door de leden. Nooit zou hij dat met genoegen doen, nooit zou hij zich moeite geven om op te sporen wat er voor [87]schoons in gelegen was, naar de opvatting van het volk, dat met gespannen aandacht elke beweging volgde en de tandakkende mannen goedkeurend toemompelde als zij het er goed hadden afgebracht.

„Als overmorgen de controleur komt, gebeurt het dan ook?” vroeg Rencke.

„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Korman wien de herinnering aan dit aanstaande bezoek de wenkbrauwen deed samentrekken.

Een koelie van Donowarie had dien middag het briefje gebracht, waarin Messner schreef dat de controleur bij hem was gekomen, en, zijn terugtocht over Watoeombo doende, aldaar tegen de rijsttafel zou aankomen.

Daar kwam het weer, het gevaar van ontdekking! Zou Messner meekomen? Natuurlijk. En blijven, met Li spreken, hooren hoe deze of gene haar als nonja aansprak, vermoedens krijgen.…? Wat al vragen en even zooveel angsten! Want Korman zat er leelijk in.

Het liep beter af dan hij gedacht of gehoopt had. Eerstens kwamen zij laat en had de controleur haast; ten tweede ging Messner mee door. Zoodoende had hij niet meer dan een oogenblik tijd om Li te begroeten.

Rencke ziende, nam hij Korman even ter zijde, en informeerde of er van dien kant geen gevaar bestond, doch was spoedig gerust gesteld toen hij vernam dat de opzichter reeds „voorzien” was. [88]

Met een zucht van verlossing zag Korman de beide heeren vertrekken.

„Een bijzonder aangenaam mensch, die meneer Messner,” merkte Rencke op.

„Vind je niet?” zeide Korman. „We hebben samen heel wat doorgemaakt.”

„Dat hoor ik. Nu, zoodra u mij eens verlof wilt geven zal ik voldoen aan de uitnoodiging die meneer Messner mij deed, om een dag ten zijnent te komen doorbrengen.”

„Na het planten,” zeide Korman. „Dan kun je zoolang verlof krijgen als je wilt.”

De employé boog. Wanneer die tijd kwam wist hij niet, doch hij wilde het nu niet vragen, om den schijn te vermijden van onbescheidenheid.

„Jawel!” dacht Korman. „Hij er heen, en in zijn onnoozelheid alles uitflappen!”

De heele zaak hinderde hem intusschen geweldig. Nu Messner vertrokken was, bedacht hij dat hij eigenlijk een groote stommerik geweest was, door zijn verhouding tot Li niet juist heden aan het licht te hebben gebracht. In tegenwoordigheid van den controleur, omstraald door de heerlijkheid van het B. B. zou Messner toch niets hebben durven zeggen; en als hij er later op terugkwam, och, dan was het al weer zooveel tijd geleden!

Het had Li’s gedachten ook beziggehouden. [89]

„Toen papa Messner naar achter kwam,” zeide zij ’s avonds, „dacht ik: nu komt het, en nu zal hij zeker probeeren mij weg te halen. Maar Papa zei alleen: „Dag Li, ada baik?”62 en gaf mij een kus. Toen ging hij naar voren. Gelukkig dat Zus er niet bij was, want die had het zeker gezien.”

„Gezien?” herhaalde Korman.…

Li stond aan den uitersten rand der voorgalerij, draaide op de hakken harer slofjes, zich vasthoudend aan het touw van een der zeilen. Zij had het hoofd afgewend, starende naar de wazige grenslijnen der donkere boommassa’s aan den overkant van de kalie. De vraag van Korman had zij voorzien, ja uitgelokt; en haar geheele houding, rechtop, in het volle lamplicht, plastisch geteekend op den donkeren achtergrond, gaf het antwoord.

Alsof een muskiet hem door de zitting van zijn stoel heen gestoken had, sprong Korman op. Li wendde zich om, en hem te gemoet tredende, sloeg zij haar armen om zijn hals, opziende met een mengeling van geluk en vrees.

Li was een mooi meisje, maar zóó mooi had hij haar nog nooit gezien. De vloek die hem op de lippen zweefde, werd ingehouden, en zacht verwijtend klonk zijn stem: „Waarom dat niet eer gezegd?” [90]

Kokki zei dat heeren blanda’s63 dit niet graag hebben, want dat ze dan ongeduldig zijn.… en ik wou heelemaal een vrouwtje zijn naar Papa’s zin.”

„De kokki is gek,” verklaarde Korman.

Messner had niets gezien en niets gemerkt. En toch, toen hij thuis zat, en de inspanning, om den controleur bezig te houden, zich opgelost had in een gevoel van rust en voldaanheid, trad het korte bezoek op Watoeombo weer in zijn herinnering naar voren. Zus ondervroeg hem, en hij had zoo weinig te vertellen dat hij er zelf eigenlijk niet mee tevreden was, en zijn geheugen pijnigde om nog wat te vinden. De stoelen hadden zóó gestaan … de kleur van de hanglamp … het gezicht van den bediende …

„Ze lieten den staljongen aan tafel dienen, Zus,” deelde hij mee.

Zus had daar een aanmerking op, die hij echter niet hoorde, daar hij voortging met denken. Hij had dien staljongen gevraagd waar de „nonna64 was … de vent had geantwoord … hé ja, hoe herinnerde hij zich dat antwoord!… dat de „’doro65 nonja” in de keuken was.

Nonja! Dat is de titel van een getrouwde chineesche vrouw … wat een stomme vent, die staljongen! [91]Hij deelde het Zus mee, bijwijze van aardigheid. Maar Zus vond het blijkbaar geen aardigheid; zij had geen inlandsch bloed in de aderen moeten hebben om niet dadelijk een verdenking op te vatten.…

„Messner,” zeide zij voor hem gaande staan. „Messner, je bent dom; nog dommer dan die staljongen. Allah,” vervolgde zij zenuwachtig; „die staljongen praat maar na wat hij hoort; en als iedereen haar „nonja” noemt.… Messner, dat is niet goed. Je moet vragen, onderzoeken, iemand sturen.”

„Dat is niet noodig,” zeide hij, wijzende op het pad dat zijwaarts voorbij hun huis liep. „Kijk, daar komt een transport bibit.—Hei! Waarheen?”

„Naar Watoeombo, mijnheer,” antwoordde een oude vrouw die in de voorhoede liep. Gewenkt door Messner kwam zij nader.

„Wie zoekt de bibit uit?” vroeg hij.

„De nonja en de toewan ziender,”66 antwoordde het mensch, terwijl Messner een stomp in den schouder voelde van Zus.

„Is de nonja de vrouw van den toewan besaar?”

Ja juist, die bedoelde zij; een andere nonja was er niet. Messner moest haar nader uitleggen wat hij meende, en toen verklaarde de oude vrouw dat zij niet beter wist of het was zoo, maar zij wilde, als [92]meneer het gelastte, wel eens nader informeeren.

„Dat is goed,” zeide Messner. „Kom vanavond hier even aan. En.… je bent al een vrouw op leeftijd, niet waar; die praat niet meer dan noodig is, en vertelt haar geheimen niet rond als een jonge deern.”

„Ziezoo,” ging hij voort toen de vrouw vertrokken was; „nu ben je tevreden Zus, hoop ik. Maar ik ben zeker dat je je vergist; ik kan het van Korman niet denken.”

’s Avonds dacht hij het echter wel. Zus huilde van woede en zong een schimp-litanie aan ’t adres van Korman, waar Messner, hoewel bedaarder, volkomen mee instemde. Zij spraken af, er den volgenden morgen samen heen te gaan en Li terug te halen.

Bij nadere overdenking begreep Messner dat zij dit laatste, nu de zaak toch eenmaal zoo stond, misschien beter niet deden; maar er was met Zus geen praten, dus hield hij het voor zich.

Korman zat te werken in zijn kantoortje. Nu hij Rencke had, en deze met den dag vooruitging in het vak, achtte hij het onnoodig zoo dikwijls naar het werk te gaan. Hij deed nu ’s middags zijn dutje, en ’s morgens knoeide hij zoo’n beetje aan zijn administratie. Volgens zijn eigen opvatting deed hij die keurig netjes, maar op Soerabaja werd er, telkens als de post een stuk ervan aanbracht, door den ouden [93]Benoit en diens boekhouder hartelijk om gelachen.

Na een langdurige studie in een dik boek over het boekhouden, was hem een flauw licht opgegaan over wat men verstaat onder „boek-hoofden.” Doch hoe hij die moest vormen was hem niet duidelijk. In het model stonden: Emil Herz te Hamburg, Joseph Meier te Kopenhagen, en zoo voort; dus: iedere naam in zaken vertegenwoordigde een grootboekhoofd. Dientengevolge gaf hij er een aan Benoit, aan zich zelf, aan Rencke, ja zelfs aan den chinees die zijn boodschappen in de stad deed en zich agent noemde. Dan had hij: huizen bouwen, terrassen maken, bibitkoopen, beddingen en nog veel meer, alles grootboekhoofden! een ingewikkelde geschiedenis, die hem vrij wat moeite bezorgde eer alles „klopte.”

Te midden eener lange recapitulatie over de laatste betaling, werd hij gestoord door naderende hoefslagen. Buiten komende zag hij tot zijn schrik: voorop Zus, à la duchesse de Berry op een inlandsch paard, en daarachter Messner. Zus sprong er af, liep de drie treden van de voorgaanderij op, duwde hem opzij en liep met een strak gezicht naar achter.

Messner was minder vlug. Afgestegen, wachtte hij tot er een staljongen was toegeschoten om de paarden vast te houden. Toen ging hij langzaam naar binnen en stelde zich op tegenover Korman, wiens blik in de ledige ruimte dwaalde. [94]

Juist wilde hij beginnen te spreken, want hij zag wel dat hij niets meer behoefde te vragen, toen een geweldig rumoer beider aandacht afleidde. Het was Zus, die Li aan een arm had genomen en haar voorttrok onder een bandjir67 van woorden in de hoogste faussettonen.

Bangsat!68 siste zij Korman naderende; en Li loslatende, riep zij Messner toe: „Die rakkersche meid is al zwanger!”

Toen kreeg Korman wat te hooren! Zus had een langen adem, en zij deed haar best; doch juist dit was haar noodlottig, want Korman had tijd van de verrassing te bekomen. Li had hem met haar groote zwarte oogen als om hulp smeekend aangezien, en hij voelde dat hier een daad van moed van hem verwacht werd. Geen moed bezittende, en zich ten sterkste bewust van zijn schuld en zijn minderheid, brak hij door dat alles heen tot dollen overmoed.

Zus was perplex. Zóó was haar nog nooit de les gelezen, zóó’n katje had zij nog nimmer gehad; en dat van Korman, in presentie van haar … man!

Li daarentegen was opgefleurd. In één bewondering was zij naast Korman gaan staan en had zijn hand gegrepen. Met fonkelende oogen zag zij haar [95]zuster aan, gereed om, als Korman ophield, er het hare bij te voegen.

Doch dat was niet noodig. Messner maakte een eind aan het standje door beide vrouwen naar achter te zenden. Toen wendde hij zich tot Korman. Hij bracht dezen zijn onwaardig gedrag onder het oog, naar welk gedeelte zijner redevoering door Korman nagenoeg niet geluisterd werd. Voorts deelde hij Korman mede dat hij van zijn plan om Li mede te nemen was teruggekomen, en wel vanwege de positie waarin het meisje verkeerde, doch dat hij hierbij één voorwaarde stelde, namelijk dat Korman dit en eventueel volgende kinderen zou doen wettigen.

„Want anders,” eindigde hij, „kom ik weer hier en haal haar weg; bij God, dat zou ik. En je moogt daareven Zus gebluft hebben, mij zou je dat niet kunnen.”

Dat wist Korman ook, en dus gaf hij zijn woord dat hij aan de door Messner gestelde voorwaarde zou voldoen.

Gemakkelijker dan hij gedacht had, gelukte het Messner om Zus te overreden zich bij het feit, zooals dat was, neer te leggen, waartoe de vrees voor een tweede standje waarschijnlijk sterk meewerkte.

De vriendschap scheen geheel hersteld toen Messner en Zus afscheid namen na de rijsttafel. Blijven overnachten en het werk rondgaan, zooals Korman voorstelde, wilde Messner echter niet. [96]

„Een andere keer,” zeide hij. „Vandaag ben ik niet in een stemming om lang bij je te kunnen zijn.”

Op zekeren dag gingen Korman en Rencke naar de tuinen. Reeds sedert een week hadden zich rondom den hoogsten top van het gebergte wolkjes genesteld; een teeken dat er regen in aantocht was, doch er was nog geen enkele bui gevallen.

Plotseling ontstond er een mist; het was alsof een der wolken van boven naar omlaag gegleden was. De beide europeanen konden het werkvolk niet meer zien, dat op de helling tegenover hen bezig was.

Djawoeh!” klonk het klagend en langgerekt, en van een anderen kant, als ware het de echo: „Bawoeh!

„Wat een lugubre geluid is dat,” zeide Rencke. „Mijn jongste zusje zou zeggen: ik vind het eng. Wat beteekent het?”

Djawoeh is regen,” antwoordde Korman. „En het andere is een soort van weerslag. Verder beteekent het, dat we ’t best doen om maar onmiddellijk naar huis te gaan, als we niet kletsnat willen worden.”