Nauwelijks waren zij in Korman’s woning of het begon, eerst in groote droppels die als hagelsteenen klonken op het gegalvaniseerd ijzeren dak, en toen de volle regen, die een oningewijde op het denkbeeld moest brengen dat de heele rommel straks naar beneden zou komen. [97]
„Een practische dakbedekking,” schreeuwde Rencke, luider dan hij aan boord ooit een commando had gegeven, terwijl Korman zich vergenoegde met glimlachend te knikken.
„Morgen de bedekking van de beddingen wat dunnen,” zeide hij, zoodra er kans bestond het geweld van den regen te overstemmen. „Denk er aan daarvoor een stuk of twintig koelies te geven. En ga zelf mee, want anders laten ze te veel alang-alang naar beneden vallen op de plantjes.”
De bui werd weldra door meerdere gevolgd; en na een afwisseling van regen en onweer, kwam het eerste zachte morgenregentje, den definitieven inval van den Westmoesson aankondigende.
„Heerlijk plantweer vandaag!” zeide Korman even vóór het begin van de rol bij Rencke binnenstappende.
„Weer een nieuwtje voor mij,” antwoordde deze. „Hoe moet het gebeuren?”
„Poeterans maken, een gat slaan met den patjol en planten,” expliceerde de chef.
Rencke trok de schouders op. Hij zag in dat hij dit werk weer zou moeten leeren als al het vorige: toezien en volgens zijn beste weten handelen; van Korman kreeg hij niet anders dan antwoorden die hem al even wijs lieten als te voren. Deze bepaalde er zich toe alleen dan in te grijpen, als hij vreesde [98]dat zonder dit de boel misliep, zooals nu, daar Rencke, niet wetende wat er gedaan moest worden, het volk niet kon indeelen.
Heksenwerk was het niet; zelfs het poeterans maken was al zoo eenvoudig als iets. De grond tusschen de plantjes op de pépinières werd eerst vastgetrapt; dan werden er de koffieplanten uitgestoken met een kluit aarde er aan, die vervolgens met de arit werd gefatsoeneerd tot een cilinder; eindelijk werd het geheel op een pisang-blad gezet en ingewikkeld. Aan het touwtje waarmee het blad werd toegebonden—een bamboe-touwtje—werden lange einden gelaten, om het straks op den pikoelan69 te kunnen bevestigen.
Teneinde zich op de hoogte te stellen van de dikte of lengte die voor den poeteran vereischt werd, offerde Rencke een plantje op, dat hij uittrok om te zien hoever de wortels reikten. Hij zag de koelies den penwortel, waar deze onder den poeteran uitstak, afbreken; dit was het eenige waarover hij straks om inlichting vragen moest.
Het planten … men wist in dien tijd nog niet van de moderne plantkuilen, hetgeen de koffie zeer ten goede kwam. In den plantkuil toch, die liefst een jaar te voren wordt gemaakt, om den grond te laten „verzuren” naar het heet, doch waardoor de binnenwanden [99]als steen verharden, staat het plantje als in een bloempot; en tenzij later de koelies behoorlijk dicht onder den boom patjollen, en de wortels vrijheid verschaffen, stuiten deze overal, en krommen zich, tot de plant, na al het voedsel in den kuil te hebben verteerd, van gebrek doodgaat. Dikwerf ook rotten de wortels, daar het water in den kuil niet weg kan.
Rencke vond maar één ding vervelend, en dat was de regen, die nu zachter dan harder viel, en waartegen een pajong70 geen voldoende beschutting aanbood zoodra men over de terrassen liep. Hij was derhalve erg blij toen het tegen den middag opklaarde.
Bij de tuinen waar geplant werd, had Korman zoogenaamde gardoe’s laten bouwen. Het waren alang-alang daken op zes stijlen, met een wand aan de windzijde. Zij dienden om de bibit te beveiligen tegen plotselinge stortregens, die anders van de poeterans al heel gauw een modderpapje zouden gemaakt hebben. Met de aan dit soort van werk eigen vlugheid stonden de gardoe’s reeds, toen de eerste bezending poeterans aankwam.
Op het middaguur thuiskomende vond Rencke zijn chef bezig met iets wat hij in de verte aanzag voor gooien met stokken, doch nabijgekomen vernam „uitzoeken van dadap-stekken” te zijn. Deze stekken waren door javanen uit de dichtstbijliggende dessa’s [100]aangebracht; stuk voor stuk werden zij nagezien, en al wat te dun of te droog was zoover mogelijk weggeslingerd. Dit laatste, zoo legde Korman uit, om te voorkomen dat zij ten tweeden male werden aangeboden. Na den middag werden de stekken aangepunt en naar de tuinen gebracht, om daar, één bij elke twee koffieplantjes, in den grond te worden gestoken. De dadap, die snel opgroeit, wordt nog steeds beschouwd als de beste schaduwboom te zijn.
De afwisseling in het werk deed Rencke genoegen, hoewel het meer van hem vergde. Het was hoognoodig dat hij den geheelen dag bij het planten stond, om op te passen dat dit behoorlijk geschiedde; en toen men verder en verder van huis werkte, moest hij ’s middags zijn eten in de tuinen laten brengen, teneinde zoo min mogelijk tijd te verzuimen. Kwam hij dan ’s avonds thuis, doodmoe en meestal met natte kleeren, dan had hij weinig lust nog naar de administrateurswoning te gaan, doch vond het gezellig als Korman bij hem zijn bittertje kwam drinken.
En de administrateur deed dat gaarne. Hij had in den laatsten tijd een onderwerp, waarop hij telkens terugkwam als hij alleen was met Rencke: de aanstaande bevalling van Li. Waar zij bij was, durfde hij het niet uiten, doch haar jeugdige leeftijd boezemde hem groote ongerustheid in. Hij had er over nagedacht haar naar de stad te brengen en door den dokter te laten bijstaan, [101]maar hij was daarvan teruggekomen. Er warde iets door zijn hoofd van wetsbepalingen omtrent te jonge jaren, verkrachting, en nog veel meer, en hij vreesde dat er misschien lieden zouden zijn die zich ongeroepen met het geval bemoeiden. Aan den anderen kant wantrouwde hij de oude vrouw, die zich doekoen noemde en sedert een week in de bijgebouwen was gelogeerd. Wel vond hij bij Rencke weinig troost, doch het was hem een behoefte er over te praten.
„Is men gehouden,” vroeg Rencke eens, „de kinderen die men bij een huishoudster krijgt, te adopteeren?”
„Zeker niet,” antwoordde Korman. „Ik doe het, zieje. Ten eerste is Li van kind af bij ons geweest, en.… och, er zijn verscheiden redenen. Maar anders, neen; de meesten sturen hun ménagère weg als zij in positie komt.”
„Zooals in Holland ’n maîtresse.”
„Ongeveer; hoewel er daar niets vóór te zeggen valt.”
„Hier dan wel?” vroeg Rencke. „Hoe rekent u dat uit?”
„Dat zal ik je vertellen,” zeide Korman, zijn ledig glaasje naar het blad toeschuivend. „Een hollandsch kind, door zijn vader erkend, komt ginds op de hem toekomende plaats in de maatschappij, en behoeft voor niemand achter te staan. Alles wat aan hem in opvoeding wordt ten koste gelegd is positieve winst, en als hij een en ander derven moet, kan men [102]gerust zeggen, dat het hem op een gemeene manier onthouden is.”
„Logisch en waar,” merkte Rencke op; „doch dat geldt mijns inziens hier even goed.”
„Neen. Dat geldt hier alleen dàn wanneer de vader in staat is het kind een supérieure opvoeding te geven, òf een fortuin na te laten. Kan hij dat niet, dan is het voor het kind tienmaal gelukkiger niet erkend te worden en inlander te blijven, dan zoo’n stakker van een arme sinjo te zijn, die overal moet achterstaan; met te weinig geld en opvoeding om ’n heer te zijn, en te veel verbeelding van zijn stand om met handenwerk zijn brood te verdienen. Geloof me, ik heb families ontmoet waarvan, door een toeval of verzuim, een deel der kinderen niet erkend was. En dan waren de inlanders altijd gelukkiger dan hun zoogenaamde europeesche broers; ja, ik heb het zelfs gezien dat de laatsten door de eersten werden onderhouden!”
„Ja, als dat zoo is, dan heeft u gelijk,” zeide Rencke. „Beter een tevreden inlander dan een ontevreden europeaan. En … niet ieder kan zijn wilde kinderen bij zijn familie introduceeren.”
„Dat hangt er van af of je geld hebt,” zeide Korman. „Ik weet niet of er landen bestaan waar men rijke menschen veel durft zeggen, doch in Holland is dit niet het geval.” [103]
„U schijnt geen hoog denkbeeld te hebben van de maatschappij in ons vaderland.”
„Een heel laag! Herinner je je dien ouden jonkheer van Crooswijk?”
„Zeker,” zeide Rencke. „Als kinderen gingen we hem altijd feliciteeren, op nieuwjaar en op zijn verjaardag. We kregen dan geregeld iets voor onzen spaarpot. En des zomers kwam er zonder mankeeren een boodschap: of de jongejuffrouwen en de jongeheer lust hadden met den jonker naar de Grebbe te toeren.”
„Dezelfde. Nu, ik moest indertijd, bij het afscheidnemen, beloven de correspondentie met hem aan te houden. Ik heb het trouw volgehouden; en waarom? Hij antwoordde geregeld en vulde zijn brieven aan met chronique scandaleuse, die ik, toen althans, gretig las. Ik heb zijn brieven nog liggen, ze maken een curieuze verzameling uit! En als ik soms hier eens gewetenskneepjes voel over het zoogenaamde immoreele leven in de Oost, dan sla ik dien bundel nog eens op, om bij den derden of vierden brief al uit te roepen: Ik dank u Heer, en zoo voort.”
„Leest u in den laatsten tijd veel in die brieven?” vroeg Rencke ondeugend.
„Loop naar de pomp!” zeide Korman, zijns ondanks lachend. „Jij hebt goed spotten; ik wou dat je er zelf eens zoo voor zat.” [104]
„Dat zal niet licht gebeuren,” antwoordde Rencke. „Ik zal bij voorkomende gelegenheid van uw wijze lessen gebruik maken.”
Wie zich het minst ongerust maakte was Li. Zij was blij met wat haar de bevestiging toescheen van den band die haar met Korman vereenigde, en trotsch op het geval zelf. Meer dan vroeger wandelde zij ’s avonds den breeden weg op en neer, waarlangs het steeds toenemend getal „opgezetenen” zich huisjes had gebouwd; en het gelukkigst was zij wanneer Saminah, de huishoudster van Rencke, ex-weduwe Podrono, haar onverholen meedeelde dat zij haar benijdde.
Zij liet zich de zorg waarmee Korman haar behandelde welgevallen, die beschouwende als een haar rechtmatig toekomende hulde. Alleen speet het haar dat Zus niet eens kwam kijken. Zij had haar een boodschap gezonden, maar Zus had terug laten zeggen dat zij geen tijd had.
„Kassian,” zeide Li; „zij heeft altijd verlangd naar een kindje, en Papa Messner ook. En nu krijg ik het nog vóór haar!”
„Ik wou dat het er al was,” bromde Korman.
„Alles moet zijn tijd hebben,” zeide Li, zijn ongeduld aan heel andere oorzaken toeschrijvende.
Onder de minst aangename werkzaamheden op een koffieland behoort ongetwijfeld het geldtellen. [105]Als ’s avonds de plajangan aankomt met twee witte zakken op zijn picol-paard71 en begeleid door een gewapenden mandoer, dan weet iedereen dat de volgende morgen dat werkje meebrengt, en hoopt maar dat het „plezierig” geld zal zijn. Want de remise uit Soerabaja wordt eer zij naar de onderneming gaat, in de stad gewisseld door den opiumpachter, die natuurlijk geeft zooals hij het heeft liggen; soms met veel rijksdaalders en guldens—en dat is plezierig geld—maar ook dikwijls met voor ’t grootste deel kwartjes en dubbeltjes òf … en dat is het algemeenste!.… duiten.
Dan kan men zich aan ’n duizend gulden of vijf, zes de vingers moe tellen, om niet te spreken van het feit dat het nooit wil uitkomen, en men zich blind staart om te ontdekken waar er maar vier geldstukken op een worp liggen, of zes, in plaats van de vereischte vijf.
Op zulk een morgen moet alles wat tellen kan meehelpen.
Korman vergat ditmaal zijn bezorgdheid voor Li, en deze telde ouder gewoonte dapper mee, lachend om Rencke die den slag nog maar niet kon beetkrijgen, niettegenstaande hij al zoo dikwijls had meegedaan.
Het liep tegen tien uur eer men klaar was. Rencke [106]ging dadelijk na afloop naar het werk, en Korman bracht de geldzakken, elk van vijftig gulden—voor het gemakkelijk uitgeven—in zijn kantoor en in de brandkast. Daarna ging hij op zijn gewone omslachtige manier aan het inboeken.
Li was naar de slaapkamer gegaan om haar handen te wasschen. Zij had haar kabaja uitgedaan, en plaste met genot in de waschkom. Geld heeft namelijk de eigenschap om iemand een gevoel van vuil-zijn te bezorgen, dat zich veel verder uitstrekt dan de werkelijk bevuilde gedeelten, doch daarentegen weer verdwijnt als men zich die gedeelten reinigt.
Plotseling werd het haar wee om het hart. Ze had nauwelijks kracht om haar handen af te drogen en naar het bed te wankelen.
„Nèk!”72 riep ze, zich steunend tegen den rand van de matras, machteloos zich op te hijschen.
Er was gedurende eenige oogenblikken wat opschudding in het achterhuis, doch toen werd alles stil. Met de kalme zekerheid van iemand die dat werk al dikwijls verricht heeft, en betrekkelijk onverschillig is omtrent den afloop, althans niet vatbaar voor eenige zenuwaandoening, hielp de oude doekoen.
Korman was gereed met zijn inboeking. Hij ging naar het venster en bekeek de strakke grauwe lucht. Het zag er niet uit alsof er vóór den middag nog [107]regen zou komen, dus kon hij wel eens naar de tuinen gaan. Drie, viermaal moest hij roepen eer hij antwoord kreeg, en toen was het de staljongen die om den hoek van het achterhuis naar het venster kwam.
„Laat een glas water brengen, en zadel den zwarte,” gebood Korman.
De staljongen scheen te aarzelen.…
„Ajo, Gévédé!”
Ook al goed, dacht de staljongen, en naar achter schreeuwende dat meneer water wilde hebben, ging hij naar de gedogans om den zwarte op te tuigen.
Met een glas water op een blaadje kwam de huisjongen het kantoor binnen.
„Sampoen,”73 zeide hij doodbedaard.
„Wat?” vroeg Korman, het glas opnemende.
„Het kind van mijnheer,” was het antwoord.
Glas en inhoud kwamen den jongen in ’t gelaat … Wat is dat nu? vroeg hij zich af, de scherven oprapende. Rare lui, die europeanen … eerst zijn ze er niet bij als hun vrouw bevalt en dan, als het kind er is, doen ze alsof zij dronken zijn.…
Met vaart was Korman de kamer binnengevlogen, en vond daar alles in de beste orde afgeloopen. Li lag, licht gedekt en stevig ingespeld, op het groote ledikant met een uitdrukking van voldoening toe te zien op hetgeen er met de jonggeborene geschiedde, [108]die met vereende krachten van doekoen en kokki tot een toonbaar menschenkind werd gemaakt.
Zich voorzichtig over haar heenbuigende gaf Korman Li een kus, en zich daarop tot de andere vrouwen wendende, verweet hij haar dat zij hem niet geroepen hadden.
De doekoen deed hem opmerken dat zij de nonja niet alleen had kunnen laten; kokki had de doekoen moeten helpen, de huisjongen had kokki moeten helpen, en de staljongen had water gehaald.
Het kind was klaar en werd aan den vader getoond.
„Gévédé, kleine deugniet, heb ik om jou zoo lang in de penarie gezeten,” zeide Korman, de kleine op het dikke wangetje streelend.
Dat was het welkom in het leven, Hendrika Korman door haar vader toegeroepen!
Want het was een meisje. Maar meisje of jongen, zijn eerstgeborene zou naar zijn overleden vader gedoopt worden, had Korman bepaald, in de stille hoop daarmee een groot gedeelte van het pleit te winnen dat hij bij zijn moeder te bezorgen had, die, dat begreep hij, zijn „oostersch huwelijk” ten zeerste zou afkeuren.
De eerste dien Korman ontmoette toen hij de slaapkamer verliet, was de huisjongen, die hem met een uitgestreken gezicht vertelde dat de zwarte gezadeld [109]was, en vóór stond. Een draai om de ooren was zijn loon.
„Uitspannen,” beval Korman, in de voorgaanderij komende; doch toen de staljongen met het paard halverwege den stal was, riep hij hem terug.
Na een kort briefje te hebben geschreven gaf hij dit aan den staljongen, hem gelastende te paard naar Donowarie te rijden en het den heer Messner te overhandigen.
Toen Rencke ’s avonds thuis kwam vernam hij het groote nieuws. Hij verkleedde zich en ging naar de administrateurswoning om Korman te feliciteeren. Tegelijk met hem arriveerde Zus. Zij had geen kracht gehad zich langer boos te houden, en nu was zij gekomen om op Li te passen en niet eer weg te gaan voor deze weer op de been was.
Het planten was afgeloopen. Ruim honderdvijftig bouws stonden in den grond, en niet zonder voldoening zond Korman dit bericht aan zijn geldschieter. Deze was op zijn beurt ook tevreden, en schreef terug dat hij Korman in overweging gaf het volgende jaar meer europeesch personeel aan te stellen en zoo mogelijk de geheele duizend bouws aan te planten.
In de oudste tuinen was het onkruid al weder hoog opgeschoten. Hierin werd nu begonnen de aarde met den patjol om te werken, welke bezigheid men [110]dangir noemt, en waarbij tevens de wortels van het onkruid uit den grond verwijderd worden. De order luidde, dat de omwerking een voet diep geschieden moest.
De boschkappers gingen intusschen steeds voort met bouw na bouw tegen den grond te leggen. Van een paar dikke stammen in de nabijheid van den breeden steen aan de kalie, had Korman, door ze met den wadoeng74 ruw te laten bekappen, een stel brugliggers gemaakt. Na aan weerszijden een met steenen aangevuld bruggehoofd te hebben opgeworpen, werden deze leggers over de kalie gebracht. Dwars er over heen werden bamboe-petong, de een naast de ander bevestigd en gedekt door een sassak—vlechtwerk van bamboe—, terwijl een dubbele leuning het geheel voltooide. Later, als men eens zagers kon krijgen, zou de sassak door planken worden vervangen.
„Als je soms trek hebt eens naar Donowarie te gaan, moet je het nu doen,” zeide Korman op zekeren dag tot zijn employé. „Over een paar weken moet er begonnen worden met soelammen; en daar moet je den geheelen dag bij zijn.”
„Heel graag,” antwoordde Rencke. „Moet ik belet laten vragen?”
„Er gaat straks een koelie. Ik zal meneer Messner laten weten dat je komt. Morgen dan?” [111]
„Ja, alsublieft. En … u noemde daareven de aanstaande werkzaamheid, soe…”
„Soelam? O, dat is de niet geslaagde bibit en dadap door nieuwe vervangen.”
„Dank u,” zeide Rencke, en naar huis gaande repeteerde hij het nieuw geleerde woord, teneinde het voorgoed in zijn geheugen te prenten.
Toch, hij had in de taal goede vorderingen gemaakt. Eenmaal het maleisch machtig, behoefde hij niet meer te vreezen dat zijne orders onbegrepen zouden blijven, want alle mandoers spraken deze lingua franca van den N. I. archipel. Daarop was hij begonnen aan het javaansch, hetwelk hij methodisch leerde.
Ten eerste nam hij geen enkel woord op of hij liet het eerst voor zich opschrijven, èn in het laag- èn in het hoog-javaansch. Hiermee bereikte hij een dubbele uitkomst, te weten dat hij de woorden zuiver uitsprak, en behoorlijke schifting hield tusschen de beide talen waaruit het javaansch bestaat. Toen hij wat verder was, bemerkte hij heel goed dat Korman dikwijls hoog-javaansche woorden gebruikte en weer andere woorden zóó slecht uitsprak, dat enkel inlanders die aan hem gewoon waren ze verstonden.
Ten tweede oefende hij zich met zijn huishoudster in het spreken van het hoog-javaansch, iets wat slechts weinige europeanen kunnen, omdat er voor hen bijna geen gelegenheid bestaat het te doen. [112]
Eindelijk leerde hij ook schrijven, te beginnen met de mandoers-boekjes, die hij in javaansche karakters bijhield.
In den vroegen morgen reed Rencke de kampong uit. De levendige beweging van den plongko, en het vooruitzicht van een paar aangename dagen te zullen doorbrengen, gaven hem een hooggestemd gevoel. De beplante tuinen doorrijdende—zijn werk!—zag hij met welgevallen neer op de frissche bibit met haar teeder groen en lichtbruine topblaadjes; en hij liet zijn verbeelding werken, het slechte pad herscheppende in een gemakkelijken breeden weg, een gezelschap rondom zich tooverende, bestaande uit geliefde figuren in Holland, aan wie hij alles uitlegde, hij zelf chef van de onderneming, door allen bewonderd; tot hij hardop iets zeide en schrikte van het geluid van zijn stem.
Met een schok stond de plongko stil, en Rencke, nu geheel ontwaakt uit zijn droomerij, hoorde een sterk geblaas en zag tegenover zich een twintigtal honden. Het waren mooie beesten; geel, langharig, met pluimstaarten en spitse koppen. Zonder zich rekenschap te geven van wat hij deed, drukte Rencke zijn paard met de hakken. Trillend van angst nam de plongko een geweldigen sprong vooruit. Op de honden had dit een merkwaardigen invloed; zij lieten hun dreigende houding varen en slopen naar links [113]en rechts de tuinen in, om, toen Rencke gepasseerd was en in vliegenden ren verder holde, hem een geblaas achterna te zenden als waarmee zij hem daareven begroet hadden.
Het is mogelijk dat er menschen zijn die van niets schrikken, die aan geenerlei aandoening van zenuwen onderhevig zijn; doch in den regel zal hij, die voor het eerst van zijn leven alleen staat tegenover een wild dier, zich niet op zijn gemak gevoelen. Het hart klopt sneller; een vreemd samentrekken der spieren doet het lichaam als ’t ware verstijven; men wil wegloopen, maar kan niet: de beenen weigeren eenvoudig den dienst. En niet zelden zal de jager die voor ’t eerst is uitgegaan zijn anders wisse prooi laten voorbijgaan, zonder te schieten; omdat hij niet durft.
Bij europeanen is dat wellicht sterker dan bij inlanders. Maar is het wonder? Reeds de kindermeid begint den hollandschen jongen met weergalooze brutaliteit beschrijvingen te geven van wolven, tijgers, leeuwen en wat al niet, die zij nooit van haar leven in hun werkelijken staat zag. Later leest hij romans, verre landen teekenende die de schrijver nooit bezocht, met minstens één gevaarlijke ontmoeting „in het woud,” of het reisverhaal van een engelschman, die eens een olifant gezien heeft, waarop een andere engelschman bijna eens een tijger … door een troep met pieken gewapende inlanders heeft zien afmaken. Als hij wat [114]veel van die dingen gelezen heeft, kan hij ze zelf maken, voor een opstel op school, waarvoor de onderwijzer niet missen zal hem een extra cijfer te geven. Voorts ziet hij in Artis de slaperige, zindelijke exemplaren, die daar achter nette tralies te kijk staan; lieve zachte dieren; die hoogstens eens grommen als men ze met steentjes gooit, doch waarvoor hij, opgevoed als hij is, behoorlijk bang is.
Stuur nu zoo’n jongen in het bosch.…
Rencke was geschrokken, en hij erkende het toen de heer Messner hem vroeg of hij een plezierig ritje gemaakt had.
„Wolven?” vroeg Messner, nadat Rencke zijn verhaal gedaan had. „Die hebben we hier niet. Maar geel, en langharig … dat moeten zoogenaamde asoeh wawar zijn. Ik dacht niet dat die in deze streken voorkwamen; zij hooren meer op het Zuidergebergte thuis. Maar laat een val zetten, als je thuiskomt.”
Rencke beloofde dat hij het doen zou, en vroeg of die dieren gevaarlijk waren.
„Neen,” zeide Messner. „Een paard alleen zouden ze wel aanvallen, maar een mensch … enfin, je hebt het zelf ondervonden. Trouwens, mijn ondervinding is dat alle dieren den mensch ontloopen als zij kunnen, en althans den europeaan.”
De drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, verschaften hem veel genot. Het nette huis, het vrije [115]leven, de aangename omgang met Messner, ziedaar drie zaken die hem als ’t ware opfrischten, na al de dufheid van het geheele zijn en werken te Watoeombo. Daarbij kwam nog iets. Hem was al heel gauw het verschil opgevallen tusschen het werk op deze onderneming en die welke hij verlaten had, en in tegenstelling van de onduidelijke antwoorden die Korman hem steeds gaf als hij om inlichting vroeg, verklaarde Messner hem alles wat hij weten wilde, op een duidelijke heldere wijze, redegevend tot in de minste kleinigheden.
Met verbazing aanschouwde Rencke de mooie horizontale terrassen.
„Zie,” zeide Messner; „dat doe ik zóó. Ik neem op een der golvingen van het terrein, op de helling, een punt—ongeveer in het midden van den afstand tusschen het ravijn en den loengoer—en daar steek ik een andjir in den grond. Thuis heb ik een lat van een voet of twaalf lang, mooi recht geschaafd, en daaraan heb ik een soort vizier gemaakt van twee spijkers, aan de uiteinden ingeslagen. Op die lat zet ik een gewone bel—je zoudt het ook met een timmermanswaterpas kunnen doen—en ik richt haar op de volgende golving van mijn terrein en ook in de holte. Dezelfde bewerking doe ik, na van uit het eerste punt naar boven en beneden andjirs te hebben gezet op den vereischten afstand, nog eens zoo [116]hoog mogelijk, èn aan den voet van het ravijn. Daarna kan de meet-mandoer de rest afzetten. Hij heeft nu genoeg vaste lijnen om zich naar te richten. Zouden door te groote steilte van de terreinholten, de terrassen iets te smal worden, dan laat hij er hier en daar een uitvallen en de anderen doodloopen; men noemt dat anakans.”75
„Hoe doodeenvoudig!” riep Rencke, die met de grootste aandacht had toegeluisterd, uit; „en toch zoo afdoende. Mag ik u nog wat vragen?”
„Ga gerust je gang,” zeide Messner.
„Het is dit: ik zie bij u roode aarde op den kant en zwarte op het terras. Op Watoeombo is dat in verscheiden tuinen juist omgekeerd, òf er ligt op allebei zwarte aarde.”
„Dat begrijp ik best,” antwoordde Messner. „Als jelui terrassen maakt, ga je dan niet aan ’t uitkappen, zóó dat de andjir op het midden van het terras komt te staan, terwijl je de aarde naar beneden werkt?”
„Juist,” zeide Rencke.
„Nu, hier geschiedt dat anders. Mijn andjirs geven den rand van het terras aan. Van uit de plaats waar ze staan begint de koelie te kappen; hij spreidt de zwarte aarde naar links uit en hakt dan in den rooden grond, dien hij naar beneden, op den [117]rand van het terras werkt; zoodoende ondergraaft hij de zwarte aarde, die straks met een plof op het terras valt. Dit laatste bespaart den koelie eenig werk, en ik houd zwarte, vruchtbare aarde op het terras, terwijl de onvruchtbare roode op den kant ligt; en, daar deze harder is, tevens den bodem versterkt en eenigermate aard-afschuivingen voorkomt.”
Het was na verscheiden dergelijke inlichtingen, dat Rencke Messner vroeg of er handleidingen bestonden over de koffiecultuur.
„Voor zoover ik weet niet,” was het antwoord. „Feitelijk is onze cultuur nog in de lange kleeren. De meeste administrateurs werken, zooals zij dat als opzichter hebben geleerd; enkelen vinden een verbetering uit en probeeren die, waarna zij langzamerhand bekend wordt en meer algemeen toegepast. Het meest wordt er geknoeid bij de gouvernementscultuur. Ik noem het knoeien, al die nieuwe probeersels van jonge ambtenaren, die nog geen voldoende ondervinding hebben om te voren eenigszins de gevolgen van hun nieuwigheden te kunnen voorzien. Maar.… ik zal me wel wachten het hardop te zeggen; het is zoo gemakkelijk voor ons om toe te zien, en te leeren hoe men het niet moet doen, en een enkel maal hoe het wèl kan gedaan worden.”
„Laat het gouvernement dergelijke beunhazerij maar toe?” vroeg Rencke. [118]
„Och ja,” zeide Messner. „Wie is het gouvernement?”
„Wel,” meende Rencke, „in de eerste plaats de Gouverneur-Generaal.”
„Geraden!” riep Messner uit. „Je spreekt als een oud-zeeman. De commandant!—dat is „de man die het weet”, de verantwoordelijke persoon. Best! Maar, aangenomen dat een commandant van een oorlogsschip van alles aan boord verstand heeft, en het desnoods zelf zou kunnen vóórdoen—denk je dat er iemand bestaat die in bestuurszaken dezelfde positie zou kunnen innemen?”
„In zekeren zin, ja!” zeide Rencke. „Zoomin als de commandant van een schip zelf een touwtje kan splitsen, maar drommels goed weet hoe een behoorlijk gesplitst touw er uitziet, zoo goed kan een Gouverneur-Generaal weten hoe alles moet zijn wat onder zijn beheer staat, zonder het persoonlijk te kunnen aangeven. En evenals de commandant, kan ook hij een standje of straf uitdeelen als er iets verkeerd gedaan is, zonder in verdere explicatie te treden omtrent het hoe; dàt moeten de betrokkenen zelf maar weten.”
„Je vergeet één ding,” merkte Messner aan; „dat een commandant van jongsaf is opgeleid tot zijn baantje, en een Gouverneur-Generaal niet. Ja ik vraag, als er eens iemand was, die door ondervinding, [119]van alle details in de kolonie voldoende op de hoogte was om er over te kunnen oordeelen en beslissen, hoe zou zoo iemand, die dan natuurlijk gedurende tal van jaren een zeer warrig leven moest hebben geleid, in ondergeschikte betrekkingen van allerlei aard,—hoe zou zoo iemand ooit in aanmerking kunnen komen, als men uitziet naar een Gouverneur-Generaal?”
„Maar als men het is …?”
„Dan heeft men geen tijd en geen gelegenheid. De Gouverneur kan niet vandaag op een paard gaan zitten en de binnenlanden inrijden, morgen de handelskantoren afloopen en overal inlichtingen vragen—zijn positie verbiedt hem dergelijke vrije beweging. Hij moet op adviezen regeeren en kan niet, al wilde hij nog zoo graag, door eigen oogen zien. Ook zij die hem adviseeren gaan weer af op adviezen van lagere ambtenaren; en dit daalt steeds meer, totdat … wie is nu het gouvernement?”
„Ja, als men het zoo beschouwt, juist zij die uit gebrek aan routine knoeiers zijn,” gaf Rencke toe.
Het waren slechts drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, doch hij had in dien korten tijd meer geleerd dan in al de maanden die hij te Watoeombo had gesleten. De gave bezittende van te kunnen zwijgen waar het pas gaf, pronkte hij thuiskomende niet met de opgegaarde wetenschap, doch [120]paste die toe waar hij kon, en nam zich voor die eveneens te gebruiken als hij later geroepen werd tot ontginning van nieuwe gedeelten.
Op de plaats waar hij de wilde honden had ontmoet, liet Rencke een val zetten. De vindingrijkheid der inlanders had kans gezien daarbij gebruik te maken van een levend aas, doch zóó dat dit—het was een geitje—niet het minste gevaar liep van te worden verslonden. De val was gemaakt van bamboe, en had den vorm van een doos zooals de apothekers gebruiken om poeiers in te doen. Achterin stond de geit, vastgebonden aan een der stijlen van den achterwand. De voorzijde was open, doch daarboven hing een valdeur, aan een der armen van een evenaar. Viel die deur, en ging daarmee de eene arm naar omlaag, dan trok de andere arm van den evenaar een bamboe beschotje, dat in den grond gelaten was, door een sleuf in den bodem naar omhoog, en scheidde zoodoende de val in twee compartimenten: in het kleine de geit, in het grootere het gevangen dier.
Met deze vernuftige inrichting ving Rencke twee exemplaren, waarvan tot zijn groote blijdschap één teef die, naar het uiterlijk te oordeelen, binnen weinige dagen het hare zou doen ter voorkoming van het uitsterven van het wilde hondenras. Hij doodde het andere dier. Ook de teef moest dat lot ondergaan, [121]doch eerst nadat zij een tweetal jongen zoover had grootgebracht, dat deze het zonder haar konden stellen.
Hij bood er een aan Korman aan, doch deze was bang voor ongelukken, met het oog op de kleine meid; dus werd de versmade op zekeren dag met de pooten aaneengebonden over een pikoelan76 gehangen, en naar Donowarie gebracht, waar hij ten huize van Messner een vriendelijk onthaal vond.
Nog eenmaal in dien westmousson moesten de tuinen schoongemaakt worden. De grond op de terrassen echter nog los genoeg zijnde, werd er nu niet gedangird, doch alleen het onkruid, waaronder zich reeds de zoo gehate alang-alang vertoonde, met den arit weggesneden; een werkzaamheid door de Javanen babad genoemd, en waartoe zoowel mannen als vrouwen werden gebruikt.
Korman had intusschen een drukke correspondentie gevoerd met den heer Benoit. Op diens voorstel over de ontginning der geheele duizend bouws had hij instemmend geantwoord, en hem verzocht in de Soerabajasche bladen een advertentie te laten zetten, waarbij sollicitanten naar een opzichtersbetrekking werden opgeroepen. Het aantal jongelieden buiten betrekking kon in dien tijd nog geteld worden; doch Benoit had zijn eigen naam onder de advertentie [122]gezet; en de reputatie die van hem uitging, dat hij ijverige jongelui wel eens voorthielp tot eigen zaken, maakte dat er meer aanbiedingen kwamen dan anders het geval zou geweest zijn.
Uit de ontvangen brieven zond Benoit er drie aan Korman, met den raad de schrijvers er van alle drie te nemen, en inzonderheid Jhr. van Everdingen tot Aardam, met wien Benoit, naar hij schreef, reeds in nadere onderhandeling was getreden over het voorstel, dat Korman in den brief zelf zou lezen.
Op de beide andere brieven beschikte Korman onmiddellijk gunstig, zoodat Gerlings en Biezeman aanschrijving kregen om met den eersten der volgende maand in dienst te komen, doch de brief van van Everdingen, met de speciale aanbeveling van Benoit, woog hem zwaar op het hart.
Wat toch was het geval. Van Everdingen was pas in Indië gekomen, op een in dien tijd zeldzame wijze, namelijk met eenig fortuin. Hiervan bood hij aan dertig duizend gulden in Kormans onderneming te steken, mits hij er een betrekking kreeg en een aan zijn inbreng geëvenredigd aandeel.
Korman vloekte zich stijf, maar hij begreep dat er niets aan te doen zou zijn. Hij schreef aan Benoit dat hij de voorloopige regeling geheel aan hem overliet, en verzocht alleen vóór de definitieve sluiting der overeenkomst daarvan inzage te mogen hebben. [123]
Toen zocht hij Rencke op, om bij dezen zijn gemoed uit te storten. De employé vond ook dat een dwang, als die welke de geldschieter aldus uitoefende, voor Korman onaangenaam was. Daarbij vreesde hij, en hij zeide het aan Korman, dat de komst van een compagnon hem in zijn bevordering zou achteruit zetten.
„Om den dood niet!” riep Korman uit. „Die lamme 30 mille mogen hem al een aandeel in de zaak verschaffen, maar in geen geval een hoogere betrekking, dan hij door zijn werk verdient. Maak je niet ongerust. Ik begrijp trouwens niet, dat Benoit het doet. Wat beteekent die som voor hem—in een onderneming waar minstens een half millioen in gaat? Het is om een dwarskijker te hebben, anders niet!”
„Als ik het had geweten,” zeide Rencke, „dan had ik van mijn familie ook wel een dergelijk bedrag kunnen krijgen.”
„Zwijg er over, alsjeblieft,” verzocht Korman. „Benoit is in staat en maakt van al mijn employé’s nog compagnons!”
„Het idée was misschien nog zoo kwaad niet,” vond Rencke. „U zoudt op groote ambitie staat kunnen maken; ieder zou ook voor zijn eigen belang werken.”
„Behalve als het een luilak was, die dacht: ze kunnen mij er toch niet uitzetten,” zeide Korman.
Toen hij het geconcipieerde contract las, glimlachte Korman echter. In hoofdtrekken luidde het aldus: [124]De onderneming zou in tweeën gesplitst worden, elk deel groot 500 bouws. Tot het eerste deel behoorde al wat tot nu toe ontgonnen was, met nog tweehonderd bouws; het tweede deel was geheel onontgonnen grond. Hiervan zou van Everdingen een half aandeel bekomen voor dertigduizend gulden, waarvoor Korman’s rekening werd gecrediteerd. Benoit zou voorts werkkapitaal blijven verstrekken; ten eerste voor Korman’s aandeel, en ten tweede voor van Everdingen, tenzij deze het zelf wilde bijpassen.
„Begrepen!” zeide Korman bij zich zelf. „We drukken hem dood met de rente.” Nu hij wist waaraan hij zich te houden had, vond hij het minder erg dan in het begin.
De beide employé’s, Gerlings en Biezeman, arriveerden tegelijk. De eerstgenoemde was een jong man van korte gestalte, zwart haar, bruine oogen en een klein, mager kneveltje. Hij praatte veel en lachte steeds. Overigens toonde hij een beschaafd en welopgevoed man te zijn.
Biezeman was een gewezen matroos. Reeds lang in de koffie en in de suiker werkzaam geweest, had hij van zijn verschillende chefs de manieren overgenomen, die hem van ieder afzonderlijk het meest beschaafd voorkwamen, daardoor een potsierlijk ensemble vormende. Als hij zijn hand uitstak, dan herkende men daarin dadelijk de wijze waarop meneer [125]A., administrateur van die of die fabriek, dat ook deed; doch waar deze met een welgevormde kleine hand een gracieuse voorwaartsche beweging maakte, daar was de imitatie dier beweging, met een groven klauw vol blauwe ankers en hartjes van Biezeman, eenvoudig koddig. Meneer B., van een koffieland in Midden-Java, droeg zijn zachten, langen baard, netjes gescheiden, in twee punten uitloopend. Wacht, zeide Biezeman, en kamde en borstelde net zoo lang, tot zijn als van rood koperdraad vervaardigde gelaatsversiering eveneens met twee harde punten pronkte. Meneer C., een derde chef, was gewoon „Amice!” boven aan de briefjes te zetten, die hij zijn employé’s stuurde, en sedert schreef Biezeman „Amize!” onverschillig aan wien.
Zoo kon men nog veel verder gaan, maar dat alles nam niet weg dat Biezeman een flink en trouw werkman was, die èn daarom èn om de komische stof die hij leverde, overal gemakkelijk een betrekking kon krijgen.
Hij bracht een huishoudster mee en twee jongetjes: aanstaande Gombonggers77, zooals hij hen voorstelde.
Korman zette beiden onmiddellijk aan het werk. Er moest een grensweg gemaakt worden, die de scheiding [126]aangaf tusschen de twee perceelen waarin Watoeombo verdeeld werd. Van het midden uitgaande, werkte Biezeman de eene helft af en Gerlings de andere.
Voorloopig waren de beide nieuwe opzichters onder dak gebracht in een oud kampong-huis, terwijl Biezeman’s huishoudster ook voor Gerlings kookte. Dit huis was, met dat van Rencke, het laatste dat nog stond onder de boomen; de oude koelie-loods en andere gebouwen waren allen verdwenen; en straks, als het huis dat voor Rencke opgetrokken werd, gereed was, en deze nieuwe opzichters naar hun standplaatsen zouden vertrokken zijn, dan moesten ook de groote boomen vallen en zou daarmee het eenige schilderachtige plekje dat op Watoeombo te vinden was, weggevaagd worden.
Ongeveer veertien dagen na de aankomst van de beide opzichters, ontving Korman bericht dat van Everdingen op reis was naar hem toe. Hij gaf Rencke daarop den welkomen last om naar de stad te rijden en den nieuweling af te halen; een opdracht die Rencke daarom dubbel aangenaam vond, omdat Korman, sedert Biezeman er was, zich bijna uitsluitend met dezen occupeerde, waarbij zich het eigenaardige verschijnsel voordeed, dat hij, die in en door den omgang met Rencke zich even beschaafd als deze wist te gedragen, thans hoe langer hoe meer tot een soort van ruwe ongegeneerdheid verviel, die men [127]Biezeman vergaf, doch in Korman stuitend was.
Rencke vond van Everdingen in het logement, in druk gesprek met een heer van buitengewoon groote lichaamsgestalte. Hij stelde zich voor en vernam dat de vreemdeling van Os heette en gepensionneerd kapitein was.
„Meneer van Os denkt overmorgen met ons mee te gaan naar boven,” zeide van Everdingen.
„Eens kijken of er nog woeste gronden zijn, geschikt voor koffie,” vulde van Os aan.
„Ik zou denken van wel,” zeide Rencke. „Is u ook van het vak?”
„Neen, ik ben pas uit den dienst. Daarom zoek ik wat in de buurt van een ander land, zieje; dan kan ik afkijken,” antwoordde van Os, terwijl Rencke moeite had zich goed te houden.
„Is die meneer wel recht bij het hoofd?” vroeg hij later, toen hij met van Everdingen naar de sociëteit liep.
„Ik geloof dat hij zich dommer voordoet, dan hij is,” antwoordde deze. „Hij heeft, naar hij zegt, verscheiden ondernemingen bezocht en bevonden dat koffieplanten geen heksenwerk is. Enfin, hij moet zelf weten wat hij doet; in alle gevallen is hij een gezellig prater, en mag ik lijden dat hij in onze buurt komt.”
Rencke en van Everdingen konden het samen al dadelijk goed vinden. Als bij intuïtie gevoelden zij dat [128]zij in denzelfden stand thuis behoorden; en mag het al zijn dat in het moederland de edelman en de patriciër niet altijd harmonieeren, in de kolonie sluit zich een verdwaald solitair uit de upper ten thousand gaarne bij zijns gelijke aan, als hij dien bij toeval ergens tegenkomt te midden der lower millions.
Rencke had belet laten vragen bij den resident. Thuiskomende in het hôtel, vond hij een uitnoodiging om zijn bezoek uit te stellen tot den volgenden dag, en wel in den naävond, daar er dan dansreceptie was. Van Everdingen had dezelfde invitatie den vorigen dag reeds ontvangen.
Hoewel Rencke reeds na die weinige maanden den invloed gevoelde van de afzondering in de binnenlanden, was hij echter spoedig weer op dreef; en hij zoowel als van Everdingen, waren schitterende figuren op het bal. De resident, die daar bij de schaarschte aan cavaliers sterk op lette, vloeide over van vriendelijkheid jegens hen, en hield een lofrede op Korman, die zulke nette jongelui aan zich wist te verbinden.
Ook de heer van Os was op de partij aanwezig, en had zich verdienstelijk gemaakt door de residentsvrouw voor de quadrilles te engageeren, waarvoor de jongelui hem in stilte eeuwigen dank zwoeren, en niet minder door met zijn krachtvol orgaan deze dansen te commandeeren, zóó goed, dat de resident [129]hem ten volle vergiffenis schonk voor het niet deelnemen aan de rondedansen, en hem later op den avond zijn steun toezegde als de heer van Os mocht besluiten in dit gewest gronden aan te vragen.
Een behoorlijke partij in de binnenlanden eindigt niet voor zonsopgang, zoo ook deze niet. Rencke en van Everdingen stapten dien morgen als het ware zoo uit het residentiehuis de badkamer in. Toen zij daar weer uitkwamen, en de kamer van van Os passeerden, riep deze hen aan, en ging hen voor naar binnen. Achter de deur stond een knaapje, en daarop een veldflesch, waarvan de stop tevens als kroes dienst deed.
„Ga je gang,” zeide van Os op deze artikelen wijzende.
Doch de beide jongelui trokken een vies gezicht; zij rooken de jeneverlucht, die vooral Rencke zoo vroeg in den morgen onaangenaam aandeed. Van Os was ten zeerste verbaasd.
„Niet?” vroeg hij. „’t Is anders zeer recommendabel, vooral na een nacht wakens. Als de heeren eens op expeditie waren geweest zouden ze het meer apprecieeren.”
„Dat is mogelijk,” zeide Rencke, „gewoonte doet veel, maar ik zou het nu niet kunnen verdragen.”
„Wel, vrijheid blijheid,” zeide van Os. „Als de heeren zich nog bedenken mochten, dan weten ze [130]waar het staat.” En zijn handdoek opnemende, slofte hij op zijn beurt naar de badkamer.
Gaarne had van Os van Rencke’s aanbod gebruik gemaakt om met de américaine tot Wonosarie mede te rijden, en daarom zijn paard—een zware Makassaar—vooruitgezonden.
Zonder ander ongeval dan een losse onweersbui, zooals de kentering die gewoonlijk meebrengt, bereikte het drietal Korman’s woning.
De onverwachte gast werd met hartelijkheid ontvangen, en onmiddellijk een logeergelegenheid voor hem in orde gebracht. Het was nog in de gulden dagen der zoo geroemde Indische gastvrijheid, een deugd die overal gevonden wordt waar geld verdiend wordt, of waar men althans geen zorgen kent. Want komen er tijden, die de menschen noodzaken ieder dubbeltje driemaal om te keeren eer men het uitgeeft, dan verdwijnt ook de gastvrijheid en de behulpzaamheid, en ontvangt men den vreemdeling staande in de voorgalerij, om hem hoogstens den kortst mogelijken weg naar het logement te wijzen. En helaas, al brengt de fortuin weer blijdere dagen, de vervlogen deugden keeren nooit weerom.
Met eenige verbazing had Korman van Everdingen aangezien, en zich afgevraagd of deze bestand zou zijn tegen het zware werk op een onderneming. Want het werken in de open lucht, het loopen bergop [131]bergaf, natworden en weer opdrogen, vereischt een sterk gestel, en daar zag van Everdingen nu juist niet naar uit. Vooral waar hij stond te midden der breede gestalten van de anderen, viel zijn smalle borst, bleek gelaat en eenigszins gebogen rug sterk in het oog.
„En u komt zoo gronden zoeken, meneer van Os?” vroeg Korman, toen allen gezeten waren. „Dan zal ik morgen wel wat koelies voor u mogen reserveeren?”
„Zeer verplicht,” was het antwoord. „Maar morgen heb ik alleen iemand noodig die hier in de buurt wat bekend is. Ik geloof namelijk al gevonden te hebben wat ik zoek. Juist beneden dit land liggen gronden, die, als ze even goede aarde bevatten als ik hier heb gezien, voor mij als geknipt zijn.”
Korman zag even naar Rencke, die bijna onmerkbaar de schouders optrok.
„Maar het is allemaal alang-alang en glagah,” merkte Korman op.
„Mag ik vragen,” zeide van Os, die de bedoeling van den ander volkomen begreep, „hoe u het onkruid betitelt, dat ik in de verte in uw tuinen zag wegsnijden?”
„Wel, alang-alang,” antwoordde Korman min of meer beteuterd. „Maar,” vervolgde hij, zich herstellend, „waar een ander alle mogelijke moeite doet [132]het te verdrijven, zoudt u het daar gaan opzoeken?”
„Ik zou de zaak anders willen voorstellen,” zeide van Os. „U heeft zwaar bosch omgekapt, met het resultaat dat er thans alang-alang in uw tuinen staat; ik heb straks alang-alang zonder boschkappen, dat wil zeggen: zonder de groote onkosten daaraan besteed.”
„Zoo oppervlakkig zou men u gelijk geven,” zeide Korman. „Maar het is tegen alles in.”
„Tegen alle traditie,” gaf van Os toe; „maar dat bewijst niet veel. Het is mogelijk dat er in mijn redeneering en gevolgtrekkingen een haakje los is, maar naar dat haakje zoek ik; en als ik het niet vind, dan waag ik het. Zooveel heb ik op mijn rondzwerven wel gezien, dat alle koffieplanters probeeren en nog eens probeeren, en dat niemand precies zou kunnen voorschrijven wat zeker goed is en wat niet deugt. Intusschen groeit de koffie, hoe men haar ook maltraiteert.”
Van Everdingen en Rencke hadden dit gesprek met belangstelling aangehoord. De eerste zooals ieder nieuweling in een vak, in de hoop wat te leeren; de ander als iemand die reeds zelfstandig weet te oordeelen.
Rencke dacht aan de lessen die hij op Donowarie gekregen had, en zijn opinie formuleerend, mengde hij zich in het discours. [133]
„Als het geoorloofd is,” zeide hij, „zou ik wel een stelling willen opwerpen. Namelijk deze: Koffie groeit altijd wanneer de grond goed is en schoongehouden wordt. Daarvan uitgaande, staat de methode van meneer van Os vrijwel gelijk met de onze. Wat wij in den beginne meer hebben uitgegeven aan kaploon, betaalt hij straks voor de meerdere moeite bij het dangirren, en blijft alleen de vraag open, wie nu het meeste betaalt.”
Van Os knikte goedkeurend en maakte een beweging alsof hij nog wat had willen zeggen, doch zich plotseling bedacht; Korman daarentegen schudde het hoofd over de ketterijen door zijn employé uitgesproken.
Den volgenden morgen, toen van Os vertrokken was, begeleid door een der vaste opgezetenen, installeerde Korman van Everdingen. Om aan zijn gebrek aan kennis te gemoet te komen, werd hem Biezeman toegevoegd. Met hun beiden gingen zij dagelijks uit, het boschkappen dat nu met kracht begonnen en voortgezet werd surveilleerende, en een weg slaande naar de uiterste grens van het perceel, waar zij een kalie vonden en een stuk vlak terrein geschikt voor kampong en établissement. Daar werd toen eenig volk heengebracht, en ongeveer op dezelfde wijze als vroeger Korman, vestigde er zich Biezeman, terwijl van Everdingen voorloopig bij den administrateur in huis bleef. [134]
Gerlings, belast met het opzicht over het boschkappen op Rencke’s afdeeling, betrok een huisje dat voor hem in de kampong was neergezet, natuurlijk na zich op de bekende wijze te hebben voorzien van het noodige huisraad, waaronder een ménagère.
Een maand later achtte Biezeman, hoewel van Everdingen iederen dag naar hem toe ging, het noodig een briefje aan Korman te zenden van den volgenden inhoud:
„Amize, het huis is klaar. Laat de hoogedelen Heer nou maar komme.
verblijv met den achting
Gerrit Biezeman.”
En hiermee bluschte hij zonder het te weten, een vuurtje dat in Korman’s woning leelijk aan het smeulen was.
De dagelijksche omgang had tusschen van Everdingen en Li een zekere mate van intimiteit doen ontstaan. De vroolijke losheid van manieren die de eerste bezat, zoo geheel in tegenstelling met Korman’s zwijgende geaffaireerdheid, hadden het jonge vrouwtje zeer aangetrokken; en zij hield er van met van Everdingen te stoeien en te schertsen, zonder dat zij bemerkte hoe deze gaandeweg meer werk van haar maakte dan met hun wederzijdsche positie wel in overeenstemming was te brengen. [135]
Als Korman thuis was, nam hij van Everdingen altijd geheel in beslag, en bepaalde deze er zich toe Li met de oogen te volgen als zij in de galerij kwam, of als toevallig haar aan te raken wanneer hij haar passeerde; doch als de administrateur nog niet thuis was bij van Everdingen’s terugkomst van het werk, dan begon het spelletje, tot groot vermaak van de bedienden die reikhalzend zaten uit te kijken naar den ernst, die er volgens hen het natuurlijke gevolg van zou zijn.
Eens—Korman was naar de stad gereden en werd dien dag terug verwacht—waren zij samen aan het krijgertje spelen in de binnengalerij, die vanwege den sterken wind juist gesloten was. Na vele vergeefsche pogingen had van Everdingen de vlugge Li ingehaald en hield haar vast, terwijl zij zich lachende trachtte los te maken, toen haar slof uitschoot, hakende aan de rottan-mat, en zij achterover viel op de rustbank. Van Everdingen bleef haar vasthouden, terwijl zijn onderlip zenuwachtig trok …
Met fonkelende oogen …
O neen, toch niet. Li was geen romanheldin en gedroeg zich dus ook niet als zoodanig. Zij zeide eenvoudig: „Djangan toewan78”, en ontsnapte met een vlugge beweging, eerst van de bank en daarop uit de binnengalerij. [136]
Li was geschrokken; dàt had zij niet verwacht en niet gewild ook; zij was nog te veel kind om het gevaar te voorzien, dat gelegen was in het dagelijks stoeien van een jonge vrouw met een jongen man; zij vond het ten slotte jammer en vervelend.
Vervelend vooral omdat zij nu niet meer zooveel gekheid durfde maken, bang zijnde voor de gevolgen. Aan Korman zeide zij echter niets; ook niet toen van Everdingen haar een paar dagen later onder tafel herhaaldelijk aanstootte; iets wat haar echter in groote verlegenheid bracht, daar zij het hem niet kon beletten zonder dat Korman het bemerkte.
Gelukkig maakte Biezeman’s epistel er een eind aan; dat vond ook van Everdingen, die zich, toen hij naar zijn eigen woning verhuisd was, onttrokken aan de charme dier groote zwarte oogen, eigenlijk schaamde voor zichzelf.
Uit de stad bracht Korman het nieuwtje mee, dat de heer van Os werkelijk de gronden had aangevraagd aan den onderkant van Watoeombo, en spoedig aan den gang zou gaan op de alang-alang velden, die Korman spottenderwijze de „prairiën” noemde.
„Ga je mee, eens kijken wat die dolleman uitvoert?” vroeg hij aan Rencke, nadat van Os een poos aan ’t werk was geweest.
„Heel graag,” zeide deze; „men kan overal wat leeren.” [137]
„Hm,” bromde Korman; „vooral hoe je het niet moet doen.”
Een goed half uur beneden Watoeombo vonden zij een versch in het hooge gras gekapt pad, en een voorbijgaand inlander lichtte hen in dat dit de weg was naar Soemberpetong, de oude naam voor het perceel van van Os, dat officieel echter Marialand gedoopt was, naar van Os’ oudste dochtertje.
Maar hoe stonden zij te kijken, toen zij den eenzamen weg door de alang-alang ten einde waren, en stuitten op een stukje bosch! Bosch mocht men het eigenlijk niet meer noemen. Het dunne hout was weggehakt; zorgvuldig was alle vuilnis weggeruimd onder de groote boomen; nette breede wegen liepen, schijnbaar achteloos tusschen de woudreuzen door kronkelend, naar het midden; de wegen aan den kant afgezet met een roode grassoort; aan den uitersten rand zagen zij de kampong, de erven omsloten door bamboe paggers; een inlander was bezig, nog eenigszins onhandig, met een hark, een echte hollandsche hark!, den weg te reinigen, aan welks einde, na een korten draai, een pleintje lag, reeds half getransformeerd in een bloemtuin; daarachter het huis.
„Wat bl …,” begon Korman, doch het woord stolde op zijn tong. Uit de voorgaanderij kwam een dame, den koelie die in het tuintje werkte iets toeroepend. Twee meisjes, van ongeveer zes en acht [138]jaar, trokken de dame aan de sarong als om haar aandacht op te wekken.
„Daar komen heeren, Ma,” hoorden de twee ruiters het oudste meisje zeggen.
De dame wendde zich om, en beantwoordde den groet der bezoekers, die inmiddels waren afgestegen. Korman stond verlegen en wist niet wat hij zeggen moest, terwijl Rencke wachtte tot zijn chef het eerste woord zou gesproken hebben. Er ontstond een pijnlijke stilte, die echter maar even duurde.
„U is zeker meneer Korman,” zeide de dame.
„Ja mevrouw,” antwoordde de aangesprokene, doch verder bracht hij het niet.
„Mijn naam is Rencke,” viel toen deze in, zich vermakende met de verlegenheid van zijn chef. „Maar welk een verrassing, mevrouw. We dachten hier meneer van Os te vinden in een dier fameuse plantershutten, en zie, we treffen een feeënpaleis aan.…!”
„Nu meneer, geen overdrijving,” zeide mevrouw van Os. „Maar.… willen de heeren alsjeblieft binnen komen? Marietje, roep Sidin even, om de paarden vast te houden.”
De komst van Sidin, in een helderwit baadje met blauw afgezet, acheveerde Korman, die, blij dat hij Rencke meegenomen had, achter dezen de voorgaanderij instapte.
„Gaat zitten heeren,” verzocht de gastvrouw. „Van [139]Os is uit, maar zal wel zóó thuis komen. Kijk, daar komt hij al aan.”
Van den tegengestelden kant als vanwaar de bezoekers gekomen waren, verscheen de groote gestalte van den oud-kapitein, evenals de anderen in het wit, met een breeden zonnehoed op het hoofd.
„Daar doe jelui wèl aan!” riep hij binnenkomende. „Dag Korman, dag Rencke! Ik zag jelui toppies79 in de verte boven het gras uitsteken, en heb me gehaast naar huis te komen. Ga zitten; wat gebruiken jelui? Vrouwtje, laat de minoeman80 eens aanrukken. En een potje bier.”
De komst van den heer des huizes had Korman weer op zijn gemak gezet; en toen mevrouw van Os naar binnen was gegaan om voor het gevraagde te zorgen, durfde hij weer te spreken.
„Wat is het hier mooi!” begon hij.
„Aardig prutswerk,” zeide van Os. „Och, mijn vrouw heeft er plezier in om die dingen te doen, en ik om er naar te kijken. Maar jelui wilt zeker ook eens het meer essentieele zien? Na de rijsttafel dan; ’t is nu te laat.”
Intusschen had Korman een aanknoopingspunt gevonden; hij redeneerde alleen over koffie en nog eens koffie; andere onderwerpen lieten hem koud, omdat [140]hij ze niet machtig was. Toen mevrouw van Os weer terug was gekomen, hield hij met hardnekkigheid vast aan een quaestie over den aanleg van pépinières, zoodat Rencke zich geroepen achtte een afzonderlijk gesprek te beginnen met de vrouw des huizes.
Zij was ook uit den Haag, en kende verscheiden menschen die ook Rencke kende, totdat deze haar vroeg naar haar meisjesnaam, en toen verwonderd was over het feit dat zij, die uit een gefortuneerde familie stamde, als onderwijzeres naar Indië was gekomen.
„Al leerende kreeg ik zin in het onderwijs,” verklaarde zij. „Na de hulpacte te hebben gehaald, assisteerde ik op dezelfde kostschool waar ik vroeger onderwezen was. Toen de verplichte twee jaar om waren, ging ik terug naar den Haag, om voor de hoofdacte examen te doen. Daarin geslaagd, wachtte ik den afloop der onderhandelingen af, die Papa voor mij voerde met de juffrouw van de kostschool om die inrichting voor mij over te nemen. Maar wat gebeurt er. Eens, op visite bij een oude freule van onze kennis, ontmoet ik daar den advokaat Daatselaar.”
„Die half blinde, met zijn krukje?” vroeg Rencke.
„Ja, juist! Leeft hij nog?”
„Neen mevrouw, dat zou wat al te bar zijn. Hij is een jaar of vijf geleden gestorven.”
„Zoo. Nu, deze ondervroeg mij naar mijn plannen, [141]en ik vertelde hem een en ander. Op eens zegt hij: „Ja ja, daar doen tegenwoordig veel meisjes aan; de dochter van mijn koetsier heeft onlangs ook haar examen afgelegd.” Ik was woedend, en—hoe het kwam weet ik niet—ik had plotseling allen lust verloren om onderwijzeres in Holland te worden. Later hoorden wij van de schitterende vooruitzichten die Indië aanbood, en … ik ging. Geplaatst te Passoeroean maakte ik kennis met mijn collega’s. En wie denkt u dat de eerste was?”
„De koetsiersdochter!”
„Dezelfde,” zeide mevrouw van Os. „Het was om wanhopig te worden. Gelukkig kwam spoedig daarna van Os. En nog gelukkiger,” vervolgde zij, eenigszins kleurende op het glimlachje dat Rencke niet geheel had kunnen onderdrukken, „konden wij het samen zoo goed vinden, dat ik zijn voorslag met een gerust hart mocht aannemen.”
Sidin kwam vertellen dat het eten opgedragen was.
Het trof Rencke zoo netjes als de twee meisjes aan tafel zaten. Op zijn reis toch had hij in de logementen geen grooten dunk van indische kinderen opgedaan. Het voeren door de baboes81, het smijten met tafelgereedschap en eten, ondanks vermaningen van ouders, de kreten van: „nonni wil niet,” „njotje lust niet, njotje is zoo misselijk” en andere [142]hebbelijkheden, als het hangen op- en afglijden van hun stoel, wegloopen en terugkomen zonder verlof.… dat alles, overal herhaald in onderscheiden variaties op hetzelfde thema, had hem doen denken dat dit zoo ’s lands wijs was. Hier bespeurde hij echter dat er op dien regel ook uitzonderingen waren.
Na de rijsttafel gingen de drie heeren op marsch, doch even te voren woonden Korman en Rencke een tooneeltje bij dat beiden amuseerde. Nadat de kenthong het sein gegeven had, kwamen de koelies op het middagappel, dat ter zijde van de administrateurswoning gehouden werd. Daar lagen twee lange bamboe riggels, met pennen in den grond vastgezet. De koelies hurkten neder, de hielen op de bamboe, zoodat zij dadelijk in een welgeordende dubbele rij kwamen te zitten. De mandoers bleven staan, elk bij zijn ploeg volk.
Het beviel de beide bezoekers wel, aangezien het te Watoeombo lang placht te duren eer het volk voldoende geordend was om het te kunnen tellen. Maar wat er volgde vonden zij grappig, en Korman daarenboven aanstellerig.
Nadat van Os het getal der koelies had opgenomen, dat vergeleken met de lijst van het morgen-appel en de mandoers orders had gegeven voor het werk, kommandeerde hij:
„Geeft acht!” [143]
Als één man stonden de Javanen op.
„Ovèrrrr.… huup!”
Vrij gelijkmatig gingen de patjols of wadoengs of arits omhoog en over den schouder; bij enkelen links, en bij anderen rechts; doch zóó nauw moest men niet zien.
„Rechtsom,” en „voorwaarts marsch!” hadden ten gevolge dat de troepjes, twee aan twee, met den mandoer aan ’t hoofd, wegmarcheerden, elk naar het hun aangewezen werk.
„Ik maak u mijn compliment, meneer van Os,” zeide Rencke. „Ik heb, den korten tijd in aanmerking genomen, onzen luitenant van de mariniers met minder succes de janmaats zien drillen.”
„Het wint tijd uit,” zeide van Os. „In de eerste dagen had altijd ieder nog wat te bescharrelen eer ze aftrokken; dat verveelde mij, en heb ik het toen zóó ingepikt. De kerels hebben er zelf schik in.—Nu konden wij langzamerhand óók wel opwandelen.”
Zij bezochten een paar stukjes boschgrond, waar men bezig was de dunne boomen uit te kappen en den grond schoon te maken—trontong, zooals dit werk heet—, en op hun terugweg zagen zij een groote open plek waar beddingen werden aangelegd. Dat was alles.