De uitgestrektheid van de beddingen deed Korman verwonderd vragen, waar al die bibit zou moeten [144]geplaatst worden. Het zetten van boschkoffie in de trontongans had hij begrepen, doch verder scheen de heer van Os geen aanleg te ondernemen.
„Wel, overal,” was het antwoord.
„Dan zal er wel spoed gemaakt mogen worden met babadden en terrassenmaken,” meende Korman, „of je komt niet klaar.”
„Terrassen?” riep van Os uit, met een uitdrukking van de hoogste minachting. „Daar doe ik niet aan. Als de eerste regenbui dreigt, steek ik een lucifer aan, en houd die tegen de alang-alang; in een ommezien is dan het heele perceel schoon en gereed om te worden beplant. Alleen in de gedeelten boschgrond laat ik doen wat jelui gezien hebt; en daarmee uit. Ik heb wel een contract met de Handelsbank, zie je, maar zij willen dat ik eerst mijn duiten, of liever die van mijn vrouw, opwerk; daarna zouden zij kapitaal fourneeren. Dat wil zeggen: ik de risico, en zij, als alles goed gaat, het voordeel. Dank je hartelijk! We zullen eens zien of we er zonder hen niet kunnen komen. Maar daarom moet ik zuinig zijn, en mij geen overbodige luxe permitteeren van terrassen als anderszins.”
Korman was het niet met hem eens en bestreed zijn theorieën, zelfs toen zij weer in huis waren en mevrouw van Os met blijkbaren angst naar Korman’s uitspraken luisterde. Rencke bemerkte het, en om een [145]afleiding te geven, zeide hij iets over een hond, dien hij opzij van de voorgalerij zag liggen.
„Een trouw beest,” zeide van Os. „Twee jaar geleden heeft hij onze Nonni uit de kalie te Batavia gered. Bello, kom hier!”
Het was een groot dier, bastaard patrijs, met dik bruin kroeshaar en groenachtige oogen.
„Valsche oogen,” vond Korman.
„Toch een lobbes,” zeide van Os den hond streelende. „Alleen op sommige menschen heeft hij het voorzien; maar het moet gezegd worden, dat het zonder uitzondering gladakkers82 zijn. Bello schijnt er slag van te hebben die te onderscheiden. Nu is ’t genoeg, vort!”
Bij de laatste woorden gaf hij den hond een duwtje van zich af, in de richting van Korman’s plaats. Deze stak de hand uit om Bello aan te halen, maar eensklaps sprong de hond op, tegen Korman, de voorpooten op diens borst zettende en hem met een geweldig gebrom de tanden toonende.
Korman werd zoo bleek als de muur, en van Os, toeloopende, greep zijn hond, dien hij met een smak de galerij uit wierp.
„Wel verduiveld Bello, wat mankeer je?” riep de huisheer, en bracht, tevens om van zijn verlegenheid [146]te bekomen, den hond naar achter, waar hij hem aan den ketting legde.
„Ik vraag wel excuus,” zeide hij terugkomende. „Ben je erg geschrokken? Ik begrijp er niets van; als het niet was om den dienst dien hij ons bewezen heeft, schoot ik hem dood.”
„’t Is niets,” verklaarde Korman, die van den schrik bekomen was. „Alleen houd ik mij gerecommandeerd dat je hem vastlegt als ik eens weer kom.”
Tegen den avond keerden Korman en Rencke huiswaarts.
„Wat een knoeier,” was het oordeel van den eerstgenoemde. „Ik heb medelijden met die vrouw en kindertjes; want hij ruïneert zich vast en zeker.”
Rencke gaf hier geen weerklank op. Hij zag niet in waarom van Os niet zou slagen, en vond dat de tijd moest leeren wie het bij ’t rechte eind had.
De eene helft der onderneming Watoeombo was spoedig geheel van bosch ontdaan, en Gerlings werd verplaatst naar een geschikt terrein op het nieuw gekapt gedeelte, waar hij een kampong liet bouwen en beddingen aanleggen.
„Die is goddank wat uit de buurt,” zeide Korman. „De vent werkt goed, maar dat eeuwige lachen bij al wat hij zegt, is onuitstaanbaar.”
Ook van Everdingen, die nu slechts zelden op het hoofdkwartier kwam, begon lucht te krijgen op zijn [147]gedeelte. Sabrang was het gedoopt, hetgeen letterlijk: „de overzijde” beteekent, naar de gewoonte der inlanders om te spreken van de overzijde van den grooten bergrug, als zij doelden op de afdeeling van van Everdingen.
Het huis waar deze in woonde, was als een copie op verkleinde schaal van dat van Messner op Donowarie, geheel van bamboe en gedekt met alang-alang doch overigens comfortabel ingericht. Maar er ontbrak iets aan en dat „iets” wilde van Everdingen er toch niet in hebben, niettegenstaande het aanbod van Biezeman’s huishoudster, die een jonger zusje wilde gaan halen uit de streek vanwaar zij zelve afkomstig was. Hij had zijn hart achtergelaten bij een hollandsche jonkvrouw, wier ouders echter hun veto hadden doen hooren. Want het huwelijk bestaat uit twee zaken. De eerste is van geestelijken aard en wordt door de jongelui zelf met veel gevoel bezorgd; de tweede is een zuiver financieele transactie, waarvan de ouders het beleid aan zich gehouden hebben. Dikwijls nu, en in casu bij van Everdingen, weerhoudt de laatste het geheel. Toen was hij naar Indië getrokken in de hoop zijn dertigduizend gulden daar in korten tijd te zien groeien, tot de ouders zijner aangebedene er zich aan vergaapten. En hij had zijn liefde zoo geheel gegeven, dat er zelfs niet wat afval overschoot voor dat „iets” dat zijn huis in orde moest houden. [148]
De oude kokki, die voor het eten moest zorgen, ondernam tweemaal in de maand een tocht naar den passar te Wonosarie, waar de wedhono woonde. De eerste keer had de meegebrachte voorraad, berekend voor veertien dagen, nauwelijks een week gestrekt. Toen sloot van Everdingen de goedang en het kippenhok af, en gaf elken morgen het ration voor den loopenden dag. Daarop was het opgedischte eten in quantiteit gaan afnemen, en de kippenpootjes natellende, bespeurde hij dat de kokki zich aan verduistering daarvan schuldig maakte. Dit ook ontdekt ziende, werd kokki om de zooveel dagen erg ziek, om op haar baleh-baleh te kunnen liggen nadenken over nieuwe akals83.
Zoo ging het ook in alle andere zaken. De huisjongen stal sigaren en tabak, de stalknecht de gabah84; suum cuique dachten zij niet, maar brachten het op hun manier in toepassing.
Eindelijk werd het den armen van Everdingen te kras, en was er intusschen door een halfjarig verblijf in de binnenlanden van Java ook een verandering gekomen in zijn zienswijze omtrent verschillende zaken. Wat hem vroeger van uit Holland immoreel en stuitend zou hebben toegeschenen, leek hem thans, nu het door den drang der omstandigheden werd [149]geboden, maatschappelijk bestaanbaar en ook niet zoo heel onaangenaam meer.
„Een sigaar, Biezeman?” offreerde van Everdingen op zekeren avond na afloop van de rol.
„Alsjeblieft, jonker,” antwoordde Biezeman, wien deze titulatuur zeer voornaam leek. „O, neem me niet kwalijk!”
De aanleiding tot deze uitroep was een lucifer, die in van Everdingen’s gezicht terecht kwam. Biezeman had namelijk van hem afgezien het met een vlugge beweging wegknippen van zulk een stokje, nadat het had dienst gedaan; doch in zijn pogingen om het te imiteeren kon hij er alsnog niet de gewenschte richting aan geven, zoodat de houtjes nu eens achterwaarts, dan weer zijwaarts vlogen, maar nooit rechtuit.
„Wil je een kop thee? Of misschien liever een glas bier?” noodde van Everdingen.
„Als ik het zoo voor het zeggen heb, dan zou ik wel een glaasje bier willen; ten minste wanneer de jonker meedrinkt,” zeide Biezeman.
De ander stond op en kwam weldra met een flesch terug, terwijl de jongen glazen bracht.
„Ik moest het zelf halen,” zeide van Everdingen, „want het zit achter slot. De bedienden weten er anders te goed weg mee.”
„Dat zal waar zijn. Nu, santjes jonker,” salueerde Biezeman. „Ja, moeder de vrouw zei nog gister … [150]of was het van morgen … nee toch gister, dat het zonde was zooals ze bij u huishouden en den boel verrinneweeren.”
„Zooveel moois is hier anders niet,” zeide van Everdingen glimlachend rondziende over de eenvoudige meubelen.
„Neen, dàt is het ook niet. Maar … o ja, nou weet ik temet waarom ze dat zei, van morgen. Uw jongen stond goed te wasschen, aan de kalie; en daar had-ie z’n eigen lorrige broek bij uitgetrokken, en een slaapbroek van den jonker bij aangedaan. ’t Was wel geen batik, zei ze, maar van dat gedrukte goedje dat de baren altijd meebrengen, en toch nog te mooi als dat zoo’n slampamper het over z’n vuile body heentrekt. Ik zei dat het jammer was dat ik het niet gezien had, want dan had ik er die dikke rottan van me eens over laten gaan. Ik dacht, de jonker zou het me niet verakkeseerd hebben als ik eens op z’n slaapbroek ranselde wanneer hij hem zelf niet aan had; wel?”
„Zeker niet,” lachte van Everdingen. „Maar je hebt gelijk, ’t is niet in den haak. Wil je wel gelooven dat ik er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht heb, nog maar gebruik te maken van het aanbod dat je huishoudster me indertijd heeft laten doen?”
„Waarlijk? Nou daar doe je goed aan,” zei Biezeman. [151]„Ik ga het dadelijk aan moeder de vrouw vertellen, dan moet ze morgen den marsch in.”
„Zoo’n haast heeft het niet,” begon van Everdingen, doch de ander vond dat het wel haast had, en was blij dat hij den goeden royalen jonker een dienst kon bewijzen.
Zoo ging „moeder de vrouw” er op uit, om na een week terug te keeren met het „iets” dat totnogtoe in van Everdingen’s woning ontbroken had, en Minah heette.
Minah was een stadskind. Zij had altijd gewoond bij haar moeder, die als kokki, bij een europeesche familie haar verblijf hield in de bijgebouwen; zoodoende wist Minah precies hoe het in een huishouden behoorde te gaan. Haar komst bracht een groote ommekeer teweeg; kokki was nooit meer ziek, de jongen bleef van alles af, het paard kreeg wat hem toekwam, en van Everdingen had rust en comfort in huis.
Tegen het einde van den Oostmousson verhuisde ook Biezeman naar het andere einde van Sabrang, en had nu elk der employé’s zijn eigen afdeeling van omstreeks 250 bouws.
Tik, tik, deed het op het gegalvaniseerd ijzeren dak der administrateurswoning, een geluid zoo lang niet gehoord, dat Korman, die in zijn kantoor zat te werken, zijn boeken en papieren in den steek liet [152]om zich naar buiten te spoeden en te zien of het werkelijk ging regenen.
Een klein wolkje zweefde boven het emplacement, langzaam voortschuivende in de richting van den hoogsten bergtop, als aangetrokken door het gezelschap natuurgenooten dat daar reeds vergaderd was. Het was als een bode van den westmousson, die met eenige droppels kwam waarschuwen: hier zijn we.
Li was met haar kindje op den arm ook in de voorgalerij gekomen. Haar blik richtende naar de vlakte, zag zij op eens, een weinig linksaf, een groote rookpluim, zich statig verheffend in de blauwe lucht.
„Wat is dat pa?” vroeg zij.
Korman wendde zich om en keek in de door Li aangewezen richting. Toen haalde hij de schouders op.
„Het is die malle kerel met zijn alang-alang,” zeide hij onverschillig.
„Kan het geen kwaad voor onze tuinen?” vroeg Li.
„Te drommel ja, daar zeg je zoo wat,” riep Korman schrikkende.
Zonder de vraag van Li zou hij er niet aan gedacht hebben; doch nu drong het tot hem door, dat de brand gemakkelijk kon overslaan op de hoopen droog vuil die tusschen de koffieboompjes lagen; vooral in de grenstuinen. Onmiddellijk moesten er maatregelen worden genomen. Hij zond een boodschap naar Gerlings, en ging zelf Rencke aanzeggen om onverwijld [153]met al het volk naar de grens te trekken. Daar gekomen liet hij kappen, tot een breede strook voor den grond lag. Het afgesneden gras werd toen naar den uitersten rand gebracht en in brand gestoken, terwijl de koelies zich in de tuinen posteerden, alle vonken en brandende stukjes die de wind daarheen voerde, dadelijk blusschend.
„Ziezoo, dat gevaar is geweken,” zeide Korman toen het vuur zich langzaam verwijderde. „Gerlings, blijf jij met vijftig man hier, zoolang als je denkt dat het noodig is.”
„Jawel meneer,” antwoordde de employé. „En, zoudt u niet denken dat het goed was vannacht een man of tien op wacht te zetten? De brand mocht eens door het bosch ginds terugkomen, hi hi hi.”
„Daar zou anders geen aardigheid aan zijn,” merkte de chef op. „’t Is goed, doe dat maar.”
„Me dunkt ik hoor schieten,” zeide Rencke.
„Dat is bamboe,” meende Korman. „Zonde van ’t mooie goed.”
„Neen,” zeide Rencke luisterende, „het was een geweerschot. Daar hoor ik er weer een … nog een.”
„Ik geloof dat je gelijk hebt,” stemde Korman toe. „Die beroerde kerel is zeker op jacht gegaan.”
„Kijk daar, een hert, hi hi hi!” riep Gerlings.
Zij zagen allen tegelijk op. Een prachtig hert was met een hoogen sprong uit de vlammen te voorschijn [154]gekomen, en bleef toen staan, angstig snuivend, wankelend, nog eenmaal het zware gewei trotsch in den nek werpend, om tegelijk op de knieën te zinken en zieltogend neer te storten.
Eenige koelies vlogen er op af en hielpen het edele dier door een paar arit-slagen uit zijn lijden. Ook de drie europeanen liepen er heen.
„Zie, een schotwond,” zeide Rencke, wijzende op een bloedige plek nabij den schouder. „Dat is zijn dood geweest, en niet de vlammen, hoewel die hem ook flink toegetakeld hebben.”
„We zullen hem naar huis laten brengen,” zeide Korman, een mandoer wenkende. „Er zal nog wel een lekker boutje uit te snijden zijn. En om het gewei zullen we loten … of neen, ik weet beter; het is voor hem die ’t langst zijn lachen kan houden. Wat zeg jij daarvan, Gerlings?”
„Hi hi hi,” grinnikte Gerlings, terwijl Rencke zich op dat gezicht ook niet kon inhouden, maar in een luiden lach uitbarstte.
„Dan is het voor mij,” zeide Korman. „En laat nu het volk inrukken. Hier, Setrodimedjo, laat dit hert naar de lodjie85 brengen.”
Acht man hadden er een zware vracht aan. Nauwelijks waren zij er mee heen, of de europeanen zagen [155]langs den boschrand den heer van Os aankomen, in zwart bestoven kleeren, het geweer aan den draagriem over zijn schouder hangend.
„Bonjour heeren!” riep hij. „Jelui hebt er ook den brand ingestoken, zie ik. Een mooie jacht gehad daardoor. Vijf herten! Allen bij den ingang van het ravijntje ginds, aan den boschkant. Maar één, ’n mannetje, is mij ontsnapt. Als ik het niet zelf gezien had zou ik het niet gelooven; hij is na het ontvangen van het schot terug gerend, dwars tegen het vuur in!”
„Ik was hier om mijn tuinen te beschermen,” antwoordde Korman.
„Jongens ja,” zeide van Os. „Dat zie ik. Ik had je wel mogen waarschuwen. Neem me niet kwalijk …”
„Soedah!” zeide Korman. „Als je mee wil gaan, dan krijg je vanavond een stukje hertebout. Wij hebben namelijk den vluchteling opgevangen. Kijk, daar gaat hij.”
„Waarachtig,” zeide van Os, den stoet ziende op de hoogste slingering van den zigzagweg in de verte. „Hij komt je wel toe voor de moeite. Ik wil graag meegaan, want ik erken dat ik bekaf ben; en als je ook nog een koelie wilt sturen naar Marialand, dan zal ik je dubbel verplicht zijn.”
De zware rookwolken van den brand hadden de beide europeanen van Sabrang naar het hoofdkwartier [156]gelokt, waar zij aankwamen toen de anderen juist terugkeerden. Korman noodigde hen uit tot ’s avonds te blijven; men kon dan een partijtje maken, waartoe toch wel weinig gelegenheid meer zou zijn, zoodra de op komst zijnde regens de drukte van het planten meebrachten.
Men zat aan tafel. Korman diende de soep, toen op eens allen opkeken. De hoefslag van een dravend paard deed zich hooren, hetgeen de komst van een europeaan meldde, aangezien inlanders hun paarden liefst in den telgang of een drieslag, die daar veel op gelijkt, rijden en bovendien geen inlander Rencke’s woning zou passeeren zonder af te stijgen.
Het was de heer Messner, voor wien, nadat allen die hem vreemd waren zich hadden voorgesteld, een plaats aan tafel werd ingeruimd.
„Ik dacht zoo waar,” helderde hij zijn laat bezoek op, „dat jelui allen waart afgebrand. Het volk wist verschrikkelijke verhalen te doen. Hier in de buurt vernam ik eindelijk de ware toedracht der zaak, en ik schold mij zelven voor een ezel dat ik dat niet eer begrepen had.”
„Nu,” zeide Korman, „als onze vriend van Os me niet reeds vroeger had meegedeeld dat het zijn plan was, zou ik ook eer aan een ongeluk gedacht hebben dan aan ernst.”
„Toch had ik het moeten inzien,” zeide Messner; [157]en zich tot van Os wendende ging hij voort: „uw werkwijze heeft me groote belangstelling ingeboezemd, en ik ben zeer nieuwsgierig naar de resultaten, die ik voor u hoop dat goed zullen zijn.”
En hij gaf als zijn meening te kennen dat zij goed moesten zijn, tevens verklarende waarom hij zoo dacht, daarbij een wetenschap van détails tentoonspreidende, die van Os met steeds klimmende verbazing aanhoorde.
„Als ik niet beter wist,” zeide de administrateur van Marialand eindelijk, „zou ik denken dat u dagelijks bij mij geweest was om toe te zien, ja tot in mijn boeken toe uw oog had geslagen. Hoe in ’s heerennaam weet u al die dingen?”
„Och, het volk praat onder elkaar over alles en nog wat,” zeide Messner; „en dan hoort men allicht iets; temeer daar ik, zooals gezegd, veel belang stelde in wat u deed.”
Om niet onbeleefd te zijn leidde van Os het discours van zijn eigen zaken af. Hij had intusschen voor Messner een groot respect opgevat, hetgeen reeds gebleken was uit de wijze waarop hij met hem gesproken had, zoo geheel afwijkende van zijn half-ironisch antwoorden op alle vragen en beweringen van Korman. Ook was het hem aangenaam iemand ontmoet te hebben van zoo groote practische kennis, aan wien hij bij het voorkomen van moeielijke vraagstukken [158]raad zou kunnen vragen, vooruit wetende dien ook te zullen ontvangen.
Toen het tafellaken was weggenomen, en Li zich naar achter begeven had, haalde Korman kaarten en fiches, terwijl de bediende glazen bracht en in een hoek van de binnengaanderij een voorraad flesschen neerzette, die iemand licht op het idée had kunnen brengen dat hier een nieuwe toko in dranken stond geopend te worden.
Gaandeweg werd de voorraad minoeman in den hoek kleiner, en de gezichten naar evenredigheid rooder, misschien ook door de animo van het sliekoer, zooals het getal 21 in het javaansch uitgedrukt wordt.
Na middernacht bleekten de gelaatstrekken meer en meer op, vooral als er een naar buiten geweest was, zonder dat de anderen daar veel notitie van namen, daar zij toch vroeger of later denzelfden tocht moesten doen, soms met niet geringen spoed, om zich op het voorerf „van de stomachale en cerebrale patentialiteit te libereeren,” volgens de zegswijze van zeker apothekersbediende.
Er werd met afwisselend geluk gespeeld; behalve door Korman, die steeds verloor, en door Rencke, die aldoor won. Toen de zon opging had de eerstgenoemde omstreeks driehonderd gulden aan den tweeden af te dragen, terwijl winst en verlies van de andere spelers onbeduidend waren. [159]
Zij hielden op, en gingen zitten in de voorgalerij, op luierstoelen, zich vermakend met de grillige vormen der wolkjes in de morgenlucht, die voor hun vermoeide oogen allerlei gestalten van wilde dieren aannamen. Li was vroeger opgestaan dan gewoonlijk, op last van Korman, die wist hoe lekker een kop koffie smaakt na zulk een nacht, en liet dezen drank door de bedienden presenteeren. Daarna werd er ontbeten met een glas bier, „om op te frisschen”, en na afloop kwamen de paarden voor, om een ieder naar zijn huis terug te voeren, hetgeen deze verstandige dieren met veel tact deden.
De regens vielen dit jaar vroeg in en verrasten eigenlijk van Everdingen, die nog een kleine honderd bouws overhield, waarvan het bosch nog niet gekapt was, dan wel nog te versch om te willen branden. Toch was er goed gewerkt, hetgeen vooral te danken was aan den overvloed van werkvolk in die streek; in dit seizoen nog vermeerderd met vluchtelingen uit een naburige residentie, waar hongersnood had geheerscht.
Ware dit laatste het geval niet geweest, dan zou het Korman nooit gelukt zijn zooveel bosch in één jaar te kappen; en hij zegende de ramp, die de onvoorzienigheid van hen die tot voorzien geroepen waren, over het ongelukkige gewest gebracht had.
Toch had de aanwezigheid van dat vreemde volk [160]voor de onderneming Watoeombo een blijvend nadeel medegebracht, hoewel de administrateur dat niet inzag; integendeel, hij noemde het een voordeel.…
De javaan die de landstreek verlaat waar hij geboren is, waar zijn ouders, zijn grootouders geleefd hebben en begraven liggen, behoort niet tot het beste deel der natie. Over het algemeen ziet dat volk in emigratie een schande; er zijn er die liever doodhongeren, en, eer dat geschiedt, de afschuwelijkste daden plegen, dan hun dessa te verlaten; kinderen zijn in zulke dagen lastposten, in wier altijd hongerige magen de schaarsche voorraad voedsel veel te snel verdwijnt, en dus gaarne worden omgezet in wat rijst.… Dat zijn echter gewone zaken, waartoe nu misschien met een bloedend hart, maar toch gemakkelijker wordt overgegaan dan tot het verlaten van den grond waaruit men als het ware gesproten is.
Was het dan te verwonderen, dat de meeste dier uitgewekenen opiumschuivers waren, die zonder dien stimulans niet werken konden? In de dessa van den assistent-wedhono stond wel een kit, doch de voorraad was daar in de eerste dagen niet voldoende; en ook ging het niet aan dat telkens een deel der koelies afwezig was, op weg om zich de zoo noodige tjandoe te verschaffen. Er één te sturen om voor allen te halen was ondoenlijk, daar de bepalingen het vervoeren van een eenigszins groote hoeveelheid verbieden. [161]
Op zekeren dag reed Korman naar de stad en besprak de zaak met den opiumpachter. Het gevolg was, dat deze van toen af geregeld een aantal dier bekende ronde blikken doosjes zond, die één thail opium bevatten. Zij gingen wel vergezeld van stukjes papier met roode chineesche karakters beschreven, teneinde hun wettige afkomst te staven, maar toch was het tegen de wet om er meer dan één in huis te hebben. Dus zond Korman ze altijd dadelijk na ontvangst weg, naar de employé’s. Deze moesten hem voor elk doosje twaalf gulden verantwoorden, waartoe zij er honderd en twintig pessans uit lieten maken, in stukjes blad gewikkeld, die de koelies voor tien cent kochten.
Aan den pachter betaalde Korman negen gulden per thail. Het voordeel dat deze handel opleverde paraisseerde echter niet in de boeken.
Later, toen de vreemde koelies reeds lang vertrokken waren, bestond deze opiumverkoop nog. Het gebruik der tjandoe had zich geworteld; het was niet meer uit te roeien. Het gaat daarmee als met de papaverplant zelf, die eenmaal gezaaid en opgekomen, niet meer te vernietigen is; en wilde iemand voorgoed een einde maken aan alle reglementeering van de opium, en daarmee tevens aan het door moreelen en immoreelen dwang veroorzaakte opiummisbruik, hij had met een zakje papaverzaad slechts [162]een toer te maken over Java, en overal, liefst op plaatsen die weinig bezocht worden, een weinigje te laten vallen. Eer men het bemerkte zou de plant inheemsch zijn geworden, onder het bereik van iedereen.
Het jaar naderde zijn einde. Zware regens hadden de nietige berg-kalies in stroomen herschapen, die groote steenen in hun vaart meesleepend, een geweld maakten als van een onafgebroken onweer. Schurende langs het gevelde bosch had het water ook verscheiden boomstammen meegevoerd, die aan den kant waren blijven liggen, of na het branden in het ravijntje waren gestort waardoor de kalie liep, zijnde dat de gemakkelijkste manier om ze uit den weg te krijgen. Doch thans leverden die stammen een niet gering gevaar op voor de brug aan den ingang van het perceel, onderstrooms van den breeden steen. Want hiertegen stootende, bestond er kans dat zij dwars kwamen te liggen, en een opstopping veroorzaakten, die doorbrekende, noodlottig had kunnen worden voor de brug.
Om dit te voorkomen had Korman aan weerszijden van de kalie een afdeeling koelies geposteerd, die met lange bamboes de boomen zooveel mogelijk in den stroom hielden, links of rechts van den breeden steen. Om twaalf uur wandelde hij er met Rencke heen.
De regen had opgehouden en er was een wind opgestoken [163]sterker dan men op Java gewoon is. Zwaar kruiden de grauwe wolken in het zwerk daarboven, en beneden raasde de bandjir, het gejoel der koelies overstemmende.
Korman schreeuwde hun een bevel toe, dat niet verstaan werd en ook overbodig was. Want sneller dan een order kon uitgesproken en begrepen worden dreven de boomstammen voorbij, en bij het werk der Javanen op den oever kwam alles neer op oogenblikkelijk zien en handelen. En zij deden het goed. Als er een zware stam aankwam stonden zij gereed, met gevelde bamboe, het bovenlijf heen en weer wiegelend op de maat van een klagend recitatief, dat sneller en sneller ging naarmate de stam dichter bij kwam, en eindigde in een algemeen gehuil bij het stooten op het juiste oogenblik dat de boom voorbij schoot.
„Het mindert al,” merkte Rencke op, nadat zij er ongeveer tien minuten gestaan hadden.
„Zooveel te beter,” zeide Korman, „want als dat vannacht moest voortduren gaf ik niet veel voor het leven van onze brug.”
„Hé, dat is sterk!” riep Rencke uit, die zijn aandacht op het stroomende water bleef vestigen. En hij ging eenige passen vooruit, in de richting van de brug.
De aanleiding tot dien uitroep was het minderen [164]der hoeveelheid water, die als plotseling tot op een derde van zooeven slonk, terwijl het geraas nu ook in vergelijking met eenige oogenblikken geleden in een stilte overging … neen, zich scheen te verwijderen. Want in de verte …
„Gévédé, Rencke! Terug!” gilde Korman. De koelies aan deze zijde weken van den oever; die van de overzijde wierpen de staken neer en holden over de brug alsof zij om hun leven liepen, Rencke meetrekkende in hun vaart.
Korman tierde en vloekte, trachtend hen tegen te houden; maar het ging niet; zij kenden het naderend gevaar, dat hen alle vrees voor den europeaan deed vergeten.
Donderend kwam het nader, een verwarde massa vluchtende boomen, vallende en weer opstaande, springende tientallen van meters ver, ledematen verliezende door de wrijving tegen elkaar, maar rennende in ijdel pogen om te ontkomen aan den vervolger: het van woede ziedende water.
Kalm wachtte de breede steen in het midden der kalie den schok af, rustig in zijn onwrikbare kracht, wetend dat voor hem alles moest wijken of tegen hem verpletterd worden.
Daar kwam het, met een slag die de aarde deed dreunen; een golf vloog over den steen weg, de luchtdruk deed de brug reeds buigen en zwiepen nog eer de massa haar bereikte … [165]
Weer dreven enkele stammen in den bandjir, als even te voren; maar nu stonden er geen koelies meer ter bescherming van de brug, want die was weg.
Korman mopperde verschrikkelijk. Het was alsof het verlies van de brug hem half ruïneerde. Midden in die bui kwam een koelie met een briefje van Gerlings.
„Meer uitroepteekens dan woorden,” zeide Korman. „’t Is alsof hij zelfs in zijn schrijven dat lamme gegrinnik niet laten kan. Heb jij rijst over.”
De laatste vraag was aan Rencke gericht, die hoofdschuddend antwoordde.
Het was in de laatste dagen van het jaar. Korman had met Benoit een contract, waarbij bepaald was dat hij voor de gelden die hij in den loop van een jaar ontving, vijf procent rente moest betalen, onverschillig of hij die op 1 Januari dan wel op 31 December kreeg; daarna kostte het kapitaal hem negen procent ’s jaars. Om nu in het laatst van December nog een remise aan te vragen, vond hij jammer, om de vijf procent; dus stelde hij het uit tot 1 Januari, en intusschen werd het volk niet betaald. Dat kon; men kan met javanen veel doen, doch voor één ding moest gezorgd worden: rijst.
Het volk nam van huis, als zij op de onderneming gingen werken, rijst mee voor vijf dagen; bleef het langer, dan werd er rijst gekocht van den voorraad [166]dien ieder opzichter daarvoor had liggen. De verstrekking geschiedde nagenoeg tegen inkoopsprijs, doch men woog het niet … het werd gemeten met een takkeran van vijf of tien katties, waarvan er honderd veertig in een picol gingen! De winst paraisseerde alweer niet in de boeken …
Nu had Gerlings den bodem van zijn rijsthok gezien, en vroeg om instructies. Geld om rijst te koopen was er niet, en de koelies vroegen natuurlijk om rijst. Hij had nog slechts een beetje; hoe moest hij doen?
In gewone gevallen zou Korman beter nagedacht hebben en getracht er in te voorzien, doch nu hij zijn brug kwijt was, en daardoor ontstemd, krabbelde hij met potlood een kort antwoord op het ontvangen briefje, daarop neerkomende dat hij ’t zelf niet had en het ook niet kon … hier volgde een minder kiesche uitdrukking. Gerlings moest nu zelf maar zien hoe hij het bolwerkte.
Gerlings had echter niet gevraagd om geen antwoord te bekomen. Enfin, hij zou morgen wat minder geven dan de aanvragen, en overmorgen nòg minder of niets, een weinig op zij leggen voor zijn eigen gebruik, en dan … dan moest Korman het weten. Hij had het vooruit niet geweten, en thans zijn plicht gedaan door te waarschuwen. Ultra posse nemo obligatur! [167]
Den volgenden dag trokken de koelies lange gezichten; wat niet misstond, meende Gerlings, daar de javaan van nature een veel te kort gezicht heeft. Den dag daarna, nòg langer; en met nieuwjaarsmorgen.…
Rencke had juist rol gehouden en stond in zijn voorgalerij, gereed om naar de administrateurswoning te gaan en te feliciteeren. Korman was eerst van plan geweest de employé’s op oudejaarsavond uit te noodigen; maar die brug.…!
Een galoppeerend paard kwam door de kampong, bereden door een inlander, die Rencke’s huis voorbij zou zijn gerend, als hij niet op het laatste oogenblik gezien had dat de toewan ziender in zijn voorgalerij stond.
„Waarheen? Wat is er?” riep Rencke.
De inlander scheen zich een oogenblik te beraden of hij toch maar door zou gaan, doch dàt was te bar; hij liet het paard staan en kwam naar Rencke toe, dezen een stukje papier toestoppende, confuus, zonder één der door de hormat86 voorgeschreven beleefdheidsvormen.
„Gévédé!”
Rencke vloekte anders nooit, maar nu flikkerden zijn oogen; met één greep had hij zijn karwarts van [168]het rek aan den muur, en voortsnellende vatte hij de manen van het wachtende paard, sprong er op, en holde weg, in de richting vanwaar de koelie gekomen was.
Hellingen op, af, ’t deed er niet toe, vooruit maar. In verkeerden galop om een hoek, ’t zou wat, ’n indisch paard springt vanzelf over! De laatste bocht, en vóór hem lag een pleintje en Gerlings huis.
Het paard zette de ooren in den nek, Rencke’s lippen scheidden zich, de witte tanden blootleggende; maar zonder vaart te minderen, integendeel, harder nog, vloog hij de opeengepakte massa inlanders op het lijf, eer zij hem zagen.
Een paniek ontstond, en het gedrang van de in geen bepaalde richting vluchtende javanen zou Rencke hebben ingemetseld, als niet zijn paard trappend en bijtend ruimte had gehouden, terwijl hij zelf ieder dien hij bereiken kon met de karwarts bewerkte.
Eindelijk was het pleintje leeg; alle koelies waren de kampong in, waar zij zich in de huizen verscholen. Eén lag vlak vóór Gerlings huis, kermende van de pijn. Het was een der belhamels geweest, die het dak beklommen had, om dat openbrekende, een toegang tot de woning te maken. Want de aanval kon noch aan den voorkant, noch van achter geschieden, aangezien telkens als zij het probeerden een geweerloop den koelies door een of andere opening tegenblonk. [169]
Rencke klopte aan de deur, luid roepende: „Hé, Gerlings! Waar zit je?”
„Zijn ze weg?” klonk het van binnen.
„Ja.”
„Wacht dan even, ik moet den boel opruimen.”
Rencke ondervroeg intusschen den koelie die op den grond lag. Hij was gevallen, en had pijn aan zijn been.
Rencke hurkte neer en bezag het. Den voet opbeurende gaf deze op zonderlinge wijze mee in het enkelgewricht, terwijl de koelie een luid adoeh87 uitstootte.
„Die is er uit,” dacht Rencke hardop. Hij had aan boord wel eens meer gevallen van dien aard zien behandelen; en, vertrouwende op zijn goed geluk, stond hij op, nam het been mee de hoogte in, zette zijn rechtervoet tot steun op de heup van den inlander en trok met een krachtigen ruk aan den voet, dien dadelijk daarop naar binnen buigende. De patiënt was flauwgevallen, maar het ontwrichtte lichaamsdeel was weer op zijn plaats gebracht.
Rondziende als om hulp, bespeurde Rencke den huisjongen van Gerlings, loerende langs den hoek van het huis. Hij riep hem.
„Die man is van het dak gevallen, meneer,” lichtte hem de jongen in. [170]
„Ook al goed,” zeide Rencke. „Hier, houd den voet vast zooals ik hem nu heb. Ziezoo.”
Toen ging hij weer naar de deur terug, die na nog eenig gestommel door Gerlings werd geopend, maar voorzichtig, met de linkerhand, terwijl hij in de rechter een revolver hield.
„Kom, wees nu niet gek,” zeide Rencke met een trap tegen de deur. „Wat moeten ze wel van je denken!”
„Gelukkig dat je er bent,” zeide Gerlings, die erg bleek zag. „Ze wilden me vermoorden!” En hij maakte een beweging om, toen Rencke er in was, de deur weer te sluiten.
„Open!” beval deze. „Open, zeg ik je. En laat nu je meid een stuk goed geven om dien kerel daarbuiten te verbinden.”
Gerlings moest het zelf halen, want zijn huishoudster lag voorover op het bed, kreunende den dood af te wachten dien zij meende dat haar beschoren was, en tot niets in staat.
De javaan, die intusschen weer bijgekomen was, werd door Rencke verbonden en toen op een mat gelegd in het smalle voorgalerijtje.
„Vertel me nu eens wat er gebeurd is,” zeide Rencke.
„Van morgen, op de rol, vroeg mij een uit het volk wanneer er betaling was,” zeide Gerlings. „Ik antwoordde: zoodra als ik van den toewan besaar [171]geld krijg. Toen zegt de vent brutaal: We willen het nu hebben; en tegelijk beginnen de anderen op te staan en te schreeuwen. Ik weg, het huis in, hi hi hi! Wat er verder buiten gebeurd is heb je zelf gezien; maar ze schreeuwden en scholden om er beroerd van te worden.…”
„Hoe heb je dien staljongen weg kunnen sturen?” vroeg Rencke.
„O, die kwam de achterdeur in juist toen ik die wou sluiten, en zei: Meneer geef mij een briefje voor den toewan besaar. Ik heb wat op het rapportpapiertje gekrabbeld, en toen is hij de achterdeur weer uitgegaan. Verder weet ik niet.”
„Hm,” deed Rencke. „Laat dan nu de kenthong slaan; we zullen die rol nog eens overhouden.”
„En als ze dan weer beginnen? Zou ik er niet eerst vandoor gaan?”
„Je blijft! Hoor eens Gerlings, als je wilt dat ik je help en je sauveer bij den oude, dan doe je nu precies wat ik zeg.”
Gerlings gaf zijn jongen last om de kenthong te slaan. Een tiental inlanders kwamen op dat sein langzaam aanzetten. Het waren de mandoers.
Voor Rencke neerhurkende, deed een hunner het woord, betuigende dat zij niet aan het geval schuld hadden; dat de koelies nu ook berouw hadden over hun daad; dat zij zoo bang waren, dat zij niet durfden [172]komen voor meneer’s aangezicht; dat eindelijk, wat meneer wilde bevelen door hen zou worden uitgevoerd, al was het om te sterven!
Rencke glimlachte even en zag Gerlings aan. Daarop gelastte hij de mandoers om in alle kampong-huizen aan te zeggen dat er straks nog eenmaal op de kenthong zou worden geslagen. Wie dan niet verscheen zou door hem, Rencke, uit zijn huis worden gehaald, en met den zoodanige zou het slecht afloopen.
Zij kwamen als geranselde honden op de stem van den meester; zwijgend hurkten zij neer, dicht opeen, als zocht een ieder steun bij zijn buurman. Rencke telde hen af en deelde hen in, volgens de opgave van Gerlings. Voor dat hij het sein gaf tot oprukken, sprak hij hen aan.
„Mannen, gij allen, hoort! En antwoordt als ik u vraag: Was de duivel van morgen in u gevaren, dat ge opstond tegen uw heer? Hebt ge grieven, welnu waarom daarover niet gesproken, niet beraadslaagd? Dat zou mannen-adat88 geweest zijn. Wat ge nu hebt gedaan was het werk van honden, die slechts blaffen en bijten, omdat toewan Allah hun niet gegeven heeft te spreken. Ziet, Hij zelf heeft u geoordeeld, de handen losmakende van uw makker die op [173]het dak zat, tot hij viel, en nu met een gebroken been daar ligt. Waar Hij alzoo strafte, zal ik het niet meer doen. Is er onder u een die verstandig spreken kan, en mij zeggen wat ge wilt, dat hij voorkome.”
Er heerschte groote stilte terwijl aller blikken zich vestigden op een javaan, die ongeveer in het midden zat. Deze aarzelde, maar eindelijk, gedrongen door de stomme uitnoodiging van al zijn makkers, stond hij op en ging naar Rencke toe. Zonder te hurken, terwijl een donkerder waas het bruine gezicht overtoog, wees hij met gestrekten duim op Gerlings.
„Die daar.…”
Een welgemikte oorveeg maakte een eind aan den volzin, en deed den spreker onderste boven tuimelen, midden in een plas water. Een gesmoord lachen doorliep de rijen der koelies.
„Ik heb genoeg gehoord,” sprak Rencke. „De kapala kampong zal mij straks verder inlichten, en met hem zal ik beraadslagen. Gaat nu allen heen, aan het werk.”
Zij gingen, behalve de voorvechter, die op een wenk van Rencke door het kampong-hoofd werd aangehouden.
„Dat is afgeloopen,” zeide Rencke tot Gerlings. „Maak even de rekening op van dit heer, dan zullen we hem opzenden naar den assistent-wedhono. Maar wat mankeer je, man; je staat te beven op je voeten!” [174]
„Toen je daareven dien man sloeg, dacht ik: we zijn er bij! Het is dezelfde die van morgen begon.”
„Je hebt gezien hoe je zoo’n zaakje aan moet pakken. Drink wat.… en geef mij ook maar een brandy-soda,” zeide Rencke, die, nu alles voorbij was toch ook eenige werking van zijn zenuwen bespeurde.
Nog waren zij daarmee bezig, terwijl Gerlings op een stukje papier het bedrag had opgeteekend van het loon dat de gevangen belhamel verdiend had, toen voor de deur de staljongen van Gerlings verscheen, het paard van Rencke, den plongko, aan den teugel houdende.
„Kijk, dat is een goed idée!” zeide Rencke. „Nu moesten we samen naar Watoeombo rijden om den oude te feliciteeren.… ’t is waar ook.… gezegend nieuwjaar!”
„Slamat89!” antwoordde Gerlings. „Hi hi hi!”
Na den koelie onder geleide van het kampong-hoofd te hebben afgezonden, vertrokken ook de beide opzichters.
Te Watoeombo zat Korman in niet geringe spanning de terugkomst van Rencke af te wachten. Hij had van den staljongen alles vernomen, en vreesde dat de moedige jonge man het offer zou zijn geworden van zijn voortvarendheid, en meer nog, dat het oproerige [175]volk hierheen zou komen. Hij gaf last om zijn paard te zadelen en bleef in de voorgaanderij op en neer loopen, steeds den weg die naar Gerlings’ afdeeling leidde, in het oog houdende. Plotseling bevangt hem de gedachte aan Li en zijn kind, en hij vervloekte zichzelf dat hij den plongko had weggezonden. Hoe moesten die twee nu wegkomen als het gevaar dreigde? De kleine kon hij zelf op het paard nemen.…
Gelukkig! Daar kwamen van Everdingen en Biezeman.
Toen deze twee hoorden wat er gaande was, wilden zij er onmiddellijk heen rijden. Doch Korman hield hen terug.
„Rencke is gegaan zonder mij eerst te raadplegen,” zeide hij. „Als een dolleman is hij weggehold. En nu moet de zaak in orde zijn, of je zoudt door er heen te gaan nog meer bederven. Laat ons bedaard afwachten tot er bericht komt.”
Zij behoefden niet lang meer te wachten. Korman loosde een zucht van verlichting toen hij de twee opzichters ongedeerd aan zag komen, en betuigde Rencke zijn groote tevredenheid, toen deze met weinig woorden rapport had gedaan.
„Alleen,” zeide hij, „had je niet mogen gaan zonder mij. Ik heb er genoeg over in gezeten. Maar enfin, ’t is goed afgeloopen; dus zullen we er maar [176]over zwijgen. Ja, zooals je zegt, er moet rijst heen. Wie heeft over?”
„Op Sabrang ligt meer dan we noodig hebben,” zeide van Everdingen.
„Dan zal ik om één uur volk sturen,” zeide Korman, en zoo geschiedde.
Na de rijsttafel, toen de anderen vertrokken waren, werd er tusschen Korman en Gerlings een heftig gesprek gevoerd. De laatste weigerde eenvoudig naar zijn afdeeling terug te gaan, tenzij hij geld had om het volk af te betalen; en of Korman hem al beduidde dat er geen geld was, dat hij, nu er rijst was niets te vreezen had, dat hij de heele afdeeling op de flesch hielp door zijn lafheid, en eindelijk dat hij te kiezen had, tusschen zijn onmiddellijk ontslag of het doen van zijn plicht, Gerlings antwoordde onveranderlijk: „Ik doe het niet; ik durf niet.”
Woedend was Korman in zijn kantoor gegaan, en zat daar het ontslag van den employé te schrijven.
Door de open binnengalerij had Li het geheele gesprek aangehoord, en toen Korman zich verwijderde, kwam zij naar voren. Zij vermaande Gerlings toch te doen wat zijn plicht was.
„Geloof mij,” zeide zij; „er is geen gevaar meer. Daar! wil ik uw njai een bezoek gaan brengen en vannacht overblijven?”
„Laat meneer Korman zelf komen,” zeide Gerlings. [177]„Me dunkt dat het hem als administrateur in de eerste plaats past zijn ondergeschikten bij te staan waar zij niet verder alleen kunnen.”
„Meneer Korman,” vond Li, „moet als administrateur op het hoofdkwartier zijn. Dáár is de plaats die den toewan besaar past.”
„Een mooie toewan besaar!” riep Gerlings uit. „Wil ik u eens wat zeggen, nonja? Hij is zelf te bang! Hi hi hi!”
Met een blik vol minachting nam Li hem op, en zonder een woord te zeggen draaide zij zich om. Juist kwam Korman weer uit zijn kantoor, een beschreven stuk postpapier in de hand.
„Nu, gaan of niet?”
„Neen.”
„Hier dan; je hebt je ontslag.”
„Liever dan vermoord te worden,” zeide Gerlings, het papier aannemende. „Ik groet u; hi hi hi!”
Een ontslag was zoo erg niet in die dagen. Men ging ergens in een logement zitten, wachtte tot er een administrateur kwam die iemand noodig had, of informeerde bij den logementhouder waar er in den omstreek een vacature was. Gerlings nam het dan ook niet erg zwaar op, doch maakte haast met zijn vertrek; want één ding wist hij: als namelijk Korman in de gelegenheid was de redenen van het ontslag op zijn manier ruchtbaar te maken, eer Gerlings [178]een betrekking had, dan kreeg hij er geen. Men mocht in dien tijd zijn wat men wilde, mits men geen last had met het volk. Wat zijn achterstallig tractement betrof, plus de zes weken die hij daarboven te vorderen had, dat zou hij trachten te innen zoodra hij een nieuwe plaatsing bekomen had.
Rencke ging tijdelijk naar de verlaten afdeeling, doch den derden dag kon hij reeds weer op Watoeombo terugkeeren. Er was een nieuwe employé uit de lucht komen vallen!
Gerlings had dezen in het logement ontmoet. Ze hadden elkaar hun lotgevallen verteld, en het gevolg was, dat Gerlings naar de suikerfabriek ging die de andere verlaten had, en deze zijn lang mager lichaam op een picolpaard zette en zich naar Watoeombo liet dragen, waar hij omstreeks den middag aankwam.
Korman wist niet wat hij zag, toen de optocht voor zijn huis stil hield, en de aankomende zijn voeten uit de touwtjes die voor stijgbeugels dienden nam, om vervolgens het nietige paardje gewoon van onder zijn lange beenen uit, weg te laten loopen.
„Mijn naam is Menier de Brisson,” stelde hij zich voor.
„De boekhouder van Sonokling?” vroeg Korman.
„Geweest, meneer. Misschien wist u dat meneer van Sloten naar Holland gaat?”
„Ja, en Parser wordt administrateur.” [179]
„Juist meneer. En met dezen heb ik eens standjes gehad over de indeeling van de wachten, ’s nachts, in den maaltijd,” zeide Brisson. „Toen heeft hij ongelijk gekregen. Maar hij heeft het mij nooit vergeven; en nu hij baas wordt begrijpt u.…”
„Jawel, dat spreekt. Dus kom je om een betrekking. Wel, je treft het, Gerlings is een paar dagen geleden weggegaan.… Ben je moe?”
„O neen meneer, alleen wat gevoelig van het lange zitten op het tjekattahan,90 dat voor zadel dienst deed.”
„Dat is minder,” lachte Korman. „Ik zal je iemand meegeven naar de afdeeling van Gerlings. Je zult daar meneer Rencke vinden, die je wel van alles op de hoogte zal brengen. Er is op ’t oogenblik weinig te doen, daar gisteren, na de betaling, veel volk is weggegaan.”
Brisson was weldra op weg, en Korman wenschte zich geluk met de aanwinst, daar hij van dien jongen man veel goeds gehoord had.
Ook Rencke was blij dat hij zoo spoedig werd afgelost, en nog meer toen Korman hem mededeelde dat zijn tractement met vijftig gulden ’s maand verhoogd werd, waardoor hij nu driehonderd vijftig gulden kreeg. Hem werd echter opgedragen van nu aan het werk op de andere afdeeling te surveilleeren. [180]
„Dit is een zeer geringe vermeerdering van werk,” zeide Korman; „en het voordeel er van is dat je een gelijke positie hebt als van Everdingen. Ik had er bij de aanstelling van Gerlings niet zoo gauw aan gedacht; maar nu ging het gemakkelijk.”
Voor de onderneming maakte de tractementsverhooging van Rencke geen verschil, daar Brisson vijftig gulden minder kreeg dan Gerlings, te weten tweehonderd gulden.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
[181]
[183]
[5]