[Inhoud]

X.

De aankomst van de brievenpost op een landhuis.

Toen de drie jonge dames de voorgalerij van het landhuis Wilatoong binnentraden, zat daar de heer Groenewald op een wipstoel te wiegelen naast eene tafel, waarop een menigte pakketten en brieven uitgespreid lagen. Vlak voor die tafel, evenwel eenigszins ter zijde, zat de postbeambte, een Javaan in zijn gewone dessakleeding, met een grooten „toedoeng93 naast hem op den grond, en een bandelier met koperen plaat op de borst, waaraan een lederen tasch bengelde, welker belangrijke inhoud thans op het tafelvlak was overgegaan. De man zat op geen stoel, maar eenvoudig gehurkt, of neen, met het zitvlak op den grond, terwijl hij de beide beenen kruiselings gevouwen voor zijn abdomen gerangschikt had, en licht voorovergebogen met de ellebogen op de beide knieën rustte. Hij keek den blanken, die in zijne papieren verdiept zat, aandachtig aan, gereed om iedere vraag terstond te beantwoorden. Deze had hem reeds gevraagd: om hoe laat hij Magettan verlaten had, waarop hij ten antwoord ontvangen had, terwijl de Javaan de beide handen te samen gevoegd boven zijn voorhoofd bracht en daarbij boog:

Djam limô droh!94 (om vijf uur, heer). [175]

„Zijn de Raden Maas Adipati95 en de heer Controleur welvarend?”

Engèh, droh!” (ja, heer).

„Is er geen nieuws in de negorij?”

Bottèn, droh!” (neen, heer).

„Hebt gij geen tijgers onderweg ontmoet, of hunne sporen opgemerkt?”

Bottèn, droh! Kiahi96 bottèn onten, droh!” (neen, heer; er zijn geen tijgers, heer).

In dat oogenblik stoven de drie jonge dames de trappen op en de voorgalerij binnen.

„Zijn er brieven, pa?” vroeg Adelien eenigszins onstuimig.

„En couranten, en mode-journalen, en illustraties, en andere lectuur?” vroeg Emma.

„Is er een brief van mijn bibi?” vroeg mevrouw Ridderhoff. „Van mijn man?” verbeterde zij, toen zij een ondeugend lachje op de lippen van den heer Groenewald zag ontluiken.

„Hier is er een, mevrouw; en.… hier nog een, en.… hier nog een. Maar de adressen zijn van verschillend handschrift; zoodat die niet alle drie van bibi kunnen zijn. Een komt van Ceilon, de twee anderen van Cheribon.”

Gertrude greep de drie epistels.

„O! deze is van Louis!…” kreet zij.

„Van Josef!” fluisterde Emma.

„Wilt ge wel eens zwijgen!” zei het jonge vrouwtje met komieke verontwaardiging.

„Wilt ge wel eens met de handen uit mijne korrespondentie blijven, neuswijs nest!” bekeef papa Groenewald zijne jongste dochter, terwijl hij haar met een courant een paar tikjes op de handen gaf.

Die vaderlijke tikjes kwamen wel wat laat. Het lieve kind had reeds een brief gegrepen, en bekeek dien aandachtig. [176]Zoo als zij daar een ondeelbaar oogenblik stond met die enveloppe in de hand, met het hoofdje licht voorovergebogen, terwijl de zachte ruigte van haren prachtvollen lichtblonden haardosch haar hagelwit maar toch heerlijk gecarneerd voorhoofd als in een nimbus omgaf, welke zich in de morgenzonnestralen als eene matzilveren omlijsting vertoonde, die met fijn gouddraad doorweven was; met hare donzige perzikwangen, waarop de bergwind een allerliefst blosje getooverd had; maar vooral met hare smachtende azuurblauwe oogen, die zich met iets weemoedigs maar met eene kracht van uitdrukking in den blik op het papier vestigden, alsof zij den inhoud bekend of onbekend wilden verslinden,—was zij een etherisch wezen gelijk, een van die wezens, zoo als de Fornarina, die een Raphaël van geestdrift deed blaken en hem de type zijner schoonste scheppingen ingaf.

Zooals de bekoorlijke maagd daar stond met de zoo fraai gevormde lipjes, half ontsloten als eene pas ontluikende roos; met de rosé neusvleugels trillend en wijd geopend, alsof zij den geur, door dien brief waarschijnlijk uitgestraald, met kracht wilde inademen; met de zoo heerlijk gemodelleerde borst, die, door het fijne batist van de kabaai zedig bedekt, zich toch deed gelden, waarneembaar op en neer zwoegende den blik beving maar geenszins uittartte,—straalde als een akkoord, of beter nog als een rythmus van kiesche en kuische bekoorlijkheden van haar uit, dat noch door het penseel des schilders, noch door den steekbeitel des beeldhouwers weer te geven was, en dat slechts trillend van levensgenot en bevallig en aanbiddenswaardig door den machtigen adem des Almachtigen geschapen kon worden.

„Voor u pa, niet voor mij,” zei het jonge meisje met een zucht. [177]

De heer Groenewald sloeg zijn arm om den hals zijner Adelien, gaf haar een zoen, en fluisterde haar in het oor:

„Wij zullen hem straks samen lezen!”

Adelien bloosde en beloonde haren vader met een dankbaren blik. Het was een uiterst lieftallig wezen. Opgevoed door eene liefdevolle moeder, aanvaardde zij nu reeds in haar karakter ongemerkt het zelfopofferende en het zachtzinnige van de degelijke gade. Zij ontlook tot vrouw, zooals zij zich in hare volle bevalligheid en in hare volle reinheid tot maagd ontwikkeld had. Haar geest bezat eene gedweeë bevattelijkheid, gepaard aan eene buigzame wilskracht. Toch bemantelde hare goedhartigheid eene zekere mate van zelfstandigheid, hoewel haar hart in den regel hare geestvermogens beheerschte, en zij dientengevolge eerder tot gelatenheid en onderwerping dan tot tegenstand en strijd geneigd scheen.

„Voor u pa, niet voor mij!” herhaalde zij, terwijl zij den brief overgaf.

„Wel, Gertrude, hebt ge goede tijdingen,” vroeg Emma aan hare vriendin. „Gij zet een gezicht bij uwe lectuur als zeven dagen westmoessonsweer.”

„Van Ceilon zijn de tijdingen uitmuntend, maar van papa.… Het is akelig,” antwoordde de jonge vrouw, terwijl zij de ontvangen brieven samen vouwde. „Maar van welken datum is dat schrijven? Laat zien.… Van 10 Mei en wij hebben thans reeds 9 Juni.…”

„Ja, mevrouwtje, de post gaat niet vlug op ons gezegend Java! Maar gij zeidet: het is akelig! Wat is akelig? Toch geen onaangename tijdingen, hoop ik?”

„Jawel, zeer onaangename tijdingen. Ik moet weg.… dadelijk vertrekken! Mijn vader schrijft mij, dat er ketjoe’s97 in de buurt zijn.”

„Juist eene reden om hier te blijven, volgens mij,” lachte Emma. [178]

„Juist een reden om naar huis te gaan,” antwoordde mevrouw Ridderhoff. „Als er gevaren te trotseeren zijn, dan meen ik, dat, nu mijn man ver is, de dochter naast haren vader moet staan!”

Adelien knikte goedkeurend met het hoofd.

„Maar.… waar heb ik mijn derden brief gelaten?.… O hier!.…”

Mevrouw Ridderhoff opende de enveloppe, keek er een oogenblik in, slaakte daarop een kreet, en viel in zwijm. De beide zusters vlogen haar te hulp, en droegen haar, geholpen door een paar vrouwelijke bedienden, naar hare kamer. Het duurde een poos alvorens de jonge vrouw bijkwam. Het eerste woord, wat ze sprak, was: „ik moet naar mijn vader!…” Daarop vroeg zij, terwijl zij in tranen uitbarstte:

„Waar is die noodlottige brief?… Ik heb hem zeker laten vallen?”

Emma spoedde naar de voorgalerij en vond daar haren vader, die haar het epistel aanreikte.

„Hoe is het?” vroeg hij deelnemend.

„Zij is bijgekomen; maar weent nu hartverscheurend. Wat zou er toch gaande zijn?”

„Laat haar maar weenen!.… Die brief is van een der ondergeschikte beambten van den heer de Vos, en deelt mede, dat het landhuis op den 23sten Mei door de ketjoe’s overvallen is, en dat Gertrude’s vader daarbij door twee klewanghouwen zwaar verwond is.”

„Schrikkelijk! Maar.… wat moet nu met die arme vrouw?”

„Zij wil weg naar haren vader.”

„Wanneer haar gestel niet te zeer geschokt is, is dat nog het beste, wat zij kan doen.”

„Maar papa, zij kan toch niet alleen die reis afleggen?”

„Daar zat ik al over te denken. Als ze.…” [179]

Daar kwam mevrouw Ridderhoff, gesteund door mevrouw Groenewald en door Adelien, naar buiten.

„Waar is toch die brief?” vroeg zij.

Emma reikte haar dien over.

„Hebt gij hem gelezen?” vroeg ze aan den heer Groenewald. „Ja?.… Wat blijft mij anders over te doen dan te vertrekken? Zeg.… raad mij toch!”

„Tracht in de eerste plaats uwe bedaardheid te herwinnen, lieve mevrouw. Mijne meisjes zullen met uwe baboe uw goed inpakken. Inmiddels ga ik mij klaar maken. Ik ga met u mede.”

„Gij gaat met mij mede? O, ik dank u!”

„Ja, althans tot Semarang. Ik hoop, dat gij met de boot, die morgen van Soerabaja vertrekt, mee zult kunnen gaan. Ik zal u aan boord brengen, en het van de omstandigheden afhankelijk stellen, of ik u naar Cheribon en verder naar het landhuis zal begeleiden.”

„O! ik dank u! Maar.… hebt gij den brief gelezen?.… Zou er nog hoop zijn? Hoe heeft zich dat toch toegedragen? Mijn vader, die bij de dessabewoners zoo bemind, zoo geëerd was!”

„Ja, ik heb den brief gelezen; hoe het zich heeft toegedragen? Dat zullen wij later nog wel eens bepraten. Nu zullen we ons voor de reis gereed maken. Wij moeten heden avond te Soerakarta aankomen om morgen ochtend van daar naar Semarang te vertrekken. Denk, dat het reeds de 9de is. Morgen in den nacht komt de boot reeds te Semarang aan.”

Helaas, de jammerende vrouw was in ’t geheel niet in staat zich met haar goed bezig te houden. Zij zat maar te weenen bij mevrouw Groenewald, die haar zoo goed mogelijk zocht te troosten en op te beuren. Emma en Adelien beijverden zich alles in te pakken, terwijl de heer Groenewald ook alle maatregelen nam om dadelijk te [180]kunnen vertrekken. Hij schreef nog gauw een briefje aan den beambte met de postpaarden belast te Madioen, en verzond dat met den postbeambte, die flegmatisch als ieder Javaan nog altijd op den grond neergehurkt zat, maar nu vlug in het zadel sprong en op zijn klein Javaansch paard spoorslags wegreed.

Twee uren later stapten mevrouw Ridderhoff en hare bediende, vergezeld van den heer Groenewald, in een lichten tentwagen, die door een vurig vierspan getrokken, de berghelling afrende, waarlangs de weg van Wilatoong naar Magettan voerde.

„Arme vrouw!” klaagden de dames Groenewald nadat het rijtuig verdwenen was, terwijl zij de tranen trachtten af te drogen, die haar over de wangen biggelden. „Arme vrouw! God geve, dat zij haren vader nog moge weerzien!”


„Maar waar is nu de brief van Frank?” vroeg Adelien, toen zij met hare zuster en hare moeder in de voorgalerij van het landhuis had plaats genomen. „Zou pa hem medegenomen hebben?”

„Neen,” sprak mevrouw Groenewald. „Hier is hij. Kom, lees hem ons voor.”

Het jonge meisje greep den brief met hartstocht, brak hem open, keek eens naar de naamteekening, en toen daar werkelijk die twee woorden stonden: Frank Brinkman, met eene ontzettende krul er onder, kon zij niet nalaten het papier aan hare lippen te brengen, en een kus daar ter plaatse op te drukken.

„Malle meid!” prevelde Emma met een glimlach.

„Ik zie je ook nog eens zoo mal worden, zusje-lief!” antwoordde Adelien. „Ik begin nu, luistert. Ngawi.… wat! is hij te Ngawi? Dus vlak bij om zoo te zeggen!”

En het lieve kind wendde den blik naar het noorden, [181]waar van uit de galerij van het landhuis de blauwe gekartelde band van den Goenoeng Segoro Woeroeng, aan welks voet Ngawi als het ware gelegen was, ontwaard kon worden en zuchtte eens.

„Kom, ga voort,” zei Emma. „Zuchten helpt niet veel.”

„Ngawi, den 4 Juni 185.…”

„Dus is de brief reeds vijf dagen oud,” viel hare moeder haar in de rede. „Ga voort.”

„Geachte heer Groenewald! Sedert uw vertrek van Batavia is daar niets voorgevallen, wat bijzondere vermelding verdiende. Ik vreesde dan ook onbescheiden te zijn, wanneer ik u met nietsbeduidende voorvallen lastig viel.…”

„Domme lummel,” lachte Emma, „alsof niet een zeker iemand met spanning en ongeduld zat te wachten naar die nietsbeduidende voorvallen.”

„Neen, Frank had gelijk,” zei de moeder. „In zijne omstandigheden is bedeesdheid een schooner sieraad van den jongeling, dan te groote vrijpostigheid. Maar ga voort, Adelien.”

„… Lastig viel. Nu ik evenwel verplaatst, en niet al te ver van Wilatoong verwijderd ben, moet ik iets van mij laten hooren.

„Zoodra mijne verdere getuigenis in die noodlottige zaak van het oproer aan boord van de Fernandina Maria Emma ontbeerd kon worden, vertrok ik naar Semarang. Hoe die reis mij bevallen is? zult gij mij vragen. Waardste heer Groenewald, ik meende al heel veel akeligs ondervonden te hebben, gedurende den tijd, dien ik bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk doorbracht. Och, dat moet nog een paradijs genoemd worden, vergeleken bij het verblijf aan boord van de boot, die mij naar de hoofdplaats van midden-Java overbracht. Gij kijkt verwonderd op. Gij hebt die reis ook gemaakt met uwe [182]familie; maar, gelukkige menschen! gij waart passagiers eerste klasse, en kondt dus onmogelijk in uw ruim salon met ruime hutten waarnemen, wat in het vooruit van zoo’n boot omgaat. Laat mij u vertellen, dat wij met ongeveer 250 militairen aan boord waren, die naar Semarang, Soerabaja, Makassar en de Molukken bestemd waren. Velen dezer soldaten hadden hunne vrouwen en kinderen bij zich. Verder waren nog een tachtig dwangarbeiders, Javanen, Chineezen en Maleiers aan boord. Eindelijk nog een honderdtal dekpassagiers; ook weer vertegenwoordigers van bijna alle rassen en bewoners van den Indischen archipel, waaronder de Arabieren met hunne vieze bokkenlucht niet te vergeten. Voeg ik er nu nog bij, dat er voor al die menschelijke wezens nog niet eens de helft der ruimte, als die aan boord van de Fernandina Maria Emma voor het detachement benoodigd gerekend werd, aanwezig was, om bij slecht weer, zooals wij troffen, onder dak te komen, dan zal ik niet behoeven te beproeven een schets te geven van het vieze, het zedelooze, het walgelijke, wat uit zoo’n opeengepaktheid van menschen van verschillende geslachten en rassen, van onbesprokenen met misdadigers, in een vunzig hol moest geboren worden. Waarlijk, als ik vroeger voor mijn vertrek van Batavia, in de dagbladen onder de aangekomen of vertrokken personen vermeld zag: Z. M. troepen en bannelingen, dan dacht ik steeds, dat het eene geestelooze aardigheid was der heeren redakteurs of dagblad-uitgevers om hun publiek te believen; maar toen bij die reis ondervond ik, dat de couranten de waarheid slechts aangaven, de waarheid naakt en zonder kommentaar, en dat de landsverdedigers gedwongen waren in eene walgelijke promiscuïteit met dwangarbeiders, soms verscheidene dagen en nachten te verwijlen.

„Van de voeding aan boord zal ik niet veel vertellen. [183]Het walgt mij nog, als ik aan de vuilvieze rijst denk, die geene bestaande kleur vertoonde, half rauw en half aangebrand was, en waarbij een stukje „dengdeng”98 dat niet eens van de huidharen gereinigd was, of een stuk gedroogden visch, dat week, kleverig, uiterst kort van vezel, en hier en daar sporen van leven van wege de maden vertoonde, of een onnoozel kleine „ikan sapat99 gevoegd was, die niet minder bedorven was, en niet minder walgelijk rook.

„Ik was blij toen ik te Semarang voet aan wal zette, en uit die ontzettend walgelijke omgeving bevrijd was.…”

Adelien staakte hare voorlezing een oogenblik. Zij haalde diep adem. Het was of het lieve kind door de nachtmerrie bezocht werd.

„Arme jongen!…” prevelde zij.

En zich met de hand over het voorhoofd strijkende, vervolgde zij:

„… Bevrijd was. Ik moest een paar dagen in, of beter, buiten die plaats blijven, want het fort Pontjol100, waarin ik logies verkreeg, ligt buiten de stad op de moerassige kust, die het heet te beschermen, ter zijde van den weg naar Bodjong101. Hoewel het verblijf binnen dat bedompte fort, hetwelk zoo vochtig is, dat een geestig genie-officier het dezer dagen zeer juist met den naam van bomvrije dames badinrichting begiftigd heeft, ook niet tot de aangenaamste behoort, zoo was het toch eene verademing na dat anderhalf etmaal lange lijden aan boord van het stoomschip. De voeding was trouwens daar bij het subsistenten-kader geheel verschillend, althans genietbaar, en wat daaraan ontbrak, kon ik gemakkelijk bij een „toekan-auer” aanvullen. Gij lacht, en ik zie in den geest juffrouw Adelien ook de lieve lippen tot een glimlach plooien bij het beeld, dat ik voor zoo eene wandelende gaarkeuken gehurkt of op [184]een bankje gezeten zou zijn, om mij de rondgevente lekkernijen te laten smaken. Ja, lach maar; ik beken gul uit dat de schraalheid der militaire keuken mij te Batavia en te Semarang meermalen genoopt heeft, mijne toevlucht tot den „toekan-auer” te nemen, en dat ik dan bij avond naast de walmende „palita” (lampje) van den gaarkeukenbaas, onder een overgrooten tamarindeboom gezeten, aan zijn „katoepat” met „sajor-peteh102 en een karbouwen-lapje103 er bij, mij voor een gering aantal duiten niet weinig te goed deed.”

De dames lachten van harte bij die beschrijving.

„Wat mag hij toch meenen met zijn karbouwen-lapjes?” vroeg Adelien. „Zijn dat oessi-oessi?”104

„Neen,” sprak mevrouw Groenewald, „dat zijn „babat”. Maar ga voort. Ik vind dien brief interessant.”

„Ik ook,” zei Adelien. „Maar, waar was ik ook weer. O ja.… hier:

„.… te goed deed. Te Semarang heb ik veel rondgewandeld, maar daarvan zal ik u niets schrijven, die plaats kent gij genoegzaam. Gij zoudt mij daarvan eene betere beschrijving kunnen geven. Toch moet ik mijne bewondering uitspreken over de zoo prachtvolle Bodjong-laan, met haar majestueus geboomte, hetwelk eene zoo weelderige schaduw verleent, niet alleen aan den weg, maar ook aan de tuinen, die de villa’s, ter weerszijde van den weg, omgeven; ook over het zoo fraaie Residentie-huis aan het einde dier laan, en over de Generaals-woning daartegenover, twee gebouwen, die kunstgevoel en stijl verraden; over den fraaien wandelweg langs Randoesari en niet het minst over den weg van Djoemblang naar Karang Bidara105. De stad zelve vond ik liever aangelegd dan het eigenlijke Batavia, en heeft meer overeenkomst met een Europeesch stadje, hoewel de riool-geur, dien men er geniet, afschuwelijk is, en iedere [185]vergelijking ten nadeele van Semarang doet uitvallen.

„Waarin Semarang evenwel boven Batavia de kroon spant, is in de talrijkheid van de muskietenzwermen, die den nieuweling iedere hoop op slaap benemen. Herinnert gij u nog wel hoe die bloeddorstige insecten Herman Riethoven en mij den eersten nacht van ons verblijf in Nederlandsch Indië toegetakeld hadden.…”

„Ja, zeker herinner ik mij dat!” gierde Emma het uit.

„Ik ook,” antwoordde Adelien. Zij herinnerde zich zeer goed die oogdeksels en wangen vol builen, maar meer dan dat, ook de kuur die aangewend werd en wat er op volgde. Bij die herinnering sloot het lieve kind een oogenblik de oogen en bloosde allerbekoorlijkst. Die blos ontging mama Groenewald niet. Zij had toch het geheele gebeurde toen van de „neneh” vernomen.

„Kom, ga voort, Adelien,” zei ze goedhartig.

„Och, hadt gij eens kunnen zien, hoe ik na den eersten nacht te Pontjol ontwaakte. Ik had moeite om in het eerste half uur mijne oogleden open te houden, en dat lukte mij eerst, nadat ik die deksels herhaaldelijk met koud water gewasschen had. Ja.…. sirihkalk had ik niet, en.… al had ik haar gehad, er was niemand om mij den liefderijken dienst te bewijzen om die op de pijnlijke plaats te strijken.…”

Het jonge meisje verborg een oogenblik haar gelaat in hare handen. Zij gevoelde hoe Frank bij het terneer schrijven van die herinnering van verlangen gezucht moest hebben; maar zij gevoelde ook, hoe de blikken van mama en Emma thans op haar gevestigd waren. Zij vermande zich en ging dus voort:

„Gelukkig, dat alles is voorbij. Twee dagen later vertrok ik naar Ngawi, mijne bestemming. Dien weg hebt gij met uw huisgezin ook afgelegd, maar in uw ruimen reiswagen, onder geheel andere omstandigheden dan ik [186]dat gedaan heb. Voorgelicht door kameraden, had ik in plaats van een „koeda galaddak”, waarop ik volgens de regeeringstarieven slechts aanspraak had, een „koeda haloes”106 genomen, natuurlijk met bijbetaling van zooveel, en meende nu geborgen te zijn. Er was mij veel verteld van zoo’n „koeda haloes”; maar ik ben nogal goed ruiter, zoodat ik er niet aan twijfelde of ik zou er wel komen. Maar, wat keek ik vreemd op, toen een ongelukkig paardje voorgebracht werd, dat mij kinderspeelgoed toescheen, zoo klein was het, van eene onbeschrijfelijke kleur, die in de kazerne met den naam van melkboerenhondenhaar bestempeld werd, met een bleek-gelen staart, die over den grond sleepte en bijgevolg alles behalve zindelijk was, met zeer lange manen, die nog langer schenen, daar het diertje den kop heel laag liet hangen, even alsof het als een jachthond den grond wilde besnuffelen. Het was daarbij houtmager en de beeldspraak, dat men zijne ribben kon tellen, mocht op dien naneef van Bucephalus zonder overdrijving toegepast worden. Het zadel, als het ding, wat er wel eenigszins den vorm van had, zoo mag genoemd worden, was niet van leder, maar van eene soort gestikt laken, dat, op vele plaatsen gescheurd en versleten, het vulsel nieuwsgierig liet doorgluren. De stijgbeugelriemen waren veel te kort, en de toomriemen waren met stukjes rottanreepen aan de stang verbonden. Mijne kameraden hielpen mij dien rommel met kunst- en vliegwerk in orde brengen. Mijne krijgsmakkers verzekerden mij, dat ik met dat kleppermansspul Oenarang wel zou halen, maar dat ik daar moest zorgen, dat mij een beter paard, maar ook beter tuig geleverd werd.

„Ik zal op die rossinanten en op de Javaansche zadelmakersprodukten niet meer terugkomen. Waar ik ook kwam, en hoeveel ik ook in verband met mijne [187]nederige onderofficiers-beurs bood, ik kreeg geen betere. Dat moet ik evenwel er bij verklaren, dat die katjes beter liepen, dan ik aanvankelijk had durven hopen. Wel gebeurde het een enkele maal, dat zoo’n diertje, alvorens den marsch te beginnen, geen poot van de plaats wilde verroeren, en eene koppigheid aan den dag legde, die niet dan met eene ontzettende vracht zweepslagen gebroken kon worden; maar was het eindelijk in beweging gebracht, dan ging het weer goed en onderhield het een sukkeldrafje, dat wel veel verschilde van den fieren gang van een Arabischen of Perzischen klepper, maar toch uur aan uur zonder te verminderen volgehouden werd.

„Wat van de reis te vertellen, dat harer waardig zal zijn? Ik heb ervaren, dat ik in mijn leven nog niet veel gezien heb, al meende ik het tegendeel, dewijl ik, voor ik naar Indië vertrok, de Ardennen doorreisd en de Rijnstreken bezocht had. Ik voel, dat ik geen vergelijkingen maken kan. Ik heb evenwel juffrouw Adelien, na het verlaten van Rio Janeiro hooren verklaren, dat Java het schoonste land der wereld was; na wat ik gezien heb, ben ik geneigd die uitspraak ten volle te onderschrijven. Reeds bij Djoemblang, toen ik de eerste hoogte bestegen had, die de strandvlakte van Semarang begrenst, en mij daar omkeerde, slaakte ik een kreet bij het fraaie panorama, dat zich voor mijn oog ontrolde met zijne terrasgewijze afdalende rijstvelden, waarin zich de dessa’s als donker groene eilanden te midden van den goudgelen arenoogst voordeden, en waarvan Semarang met zijne heldere witte villa’s en huizen het middenplan en de blauwe zee, waarop tallooze witte zeilen ontwaard werden, die haar bevallig spikkelden, den achtergrond vormden. Daarbij kwamen nog de fraaie kokospalmen, die de huizen van Javanen en Europeanen omgaven, en haar als met een fijn groen [188]kantwerk omsluierden, dat onder de bries wuifde en het geheele vergezicht eene aantrekkelijkheid verleende, die het voor mij betooverend maakte.

„Toen ik Oenarang nabij kwam, kreeg ik den grootschen berg van dien naam107 aan mijn rechterzij in het oog, die mij verheven en afwisselende gezichtspunten opleverde. Bij Merak Mati108, kreeg de bergreeks, die zich bij het Djamboegebergte aansloot, en zoo een vereeniging met den Telemojo109 daarstelde, een meer verbrokkeld aanzien, en vormde, toen ik de Toentang110 overgetrokken was, die laatste bergrug, den overgang naar den Merbaboe,111 die zich weldra voor mijn oog in al zijne statigheid verhief, en aan welker voet het plaatsje Salatiga zich allerliefst uitstrekte. En overal schoone landouwen, uitgestrekte rijstvelden, lief gelegen dessa’s, bewonderenswaardige vergezichten, die bijna altijd door hooge blauwende bergketenen schilderachtig begrensd werden.

„Te Salatiga heb ik in de zoogenoemde galadak112 nachtlogies genoten. Och, ik zal daarover maar zwijgen, ook over dat, hetwelk mij te Soerakarta aangeboden werd. Nederland en Nederlandsch Indië—dat heb ik reeds volop ontwaard—zijn ondankbaar genoeg om hunne verdedigers in hokken te huisvesten, waarin zij bij hare bespottelijke philantropische neigingen er tegen op zouden zien gevangenen op te sluiten, in hokken, die voor varkenstallen wellicht zouden kunnen dienen, wanneer de varkenshoeder niet weerhouden zoude worden door de zekerheid, dat zijn beschermelingen door het wandgedierte weggedragen zouden worden. Te Soerakarta ontwaarde ik daarenboven des morgens bij mijn vertrek tot mijn schrik, dat mijne kist door de witte mieren113 aangetast was. Zij schenen hun aanval wat laat begonnen te hebben, althans zij waren nog niet [189]binnen de kist doorgedrongen, en hadden zich vergenoegd met den bodem gedeeltelijk af te knagen en hare vieze gele mijngangen langs een der zijwanden op te trekken. Ik vernam later dat het Europeesch without voor die beestjes als paté de foie gras moet smaken.

„Van Salatiga vertrekkende, bood de weg tot bij Kaligandoe nog menig verrukkelijk vergezicht aan; maar van daar slingerde hij te dicht bij den Merbaboe over de hellingen en voortzettingen van dien berg. Het uitzicht werd zeer beperkt, en de bergmassa van dien uitgebranden vulkaan was te nabij, om daarvan een bevredigenden aanblik te verkrijgen. Wat mij op dat trajekt het meeste trof, was de diepte en woestheid der ravijnen, waardoor de weg leidde, soms over zeer wrakke bruggen, die over bruischende bergvloeden voerden.

„Toen ik Bojolali voorbij was, kreeg ik eerst een goed overzicht van den Merapie,114 den eersten nog werkenden vulkaan, dien ik te zien kreeg. Hoewel ik niet ontkennen kan, dat het gezicht van dien kegelberg zijne grootsche zijde heeft, zoo was de indruk van dat gezicht toch niet zoo aangrijpend, als ik wel verwacht had. De eruptiekrater, die zich, van mijn standpunt gezien, even boven den verheffingskrater vertoonde, kwam mij onnoozel klein voor, en deed mij aan een knaap denken, die over den schouder van zijn vader kwam uitkijken, terwijl de magere stoompluim, die zonder kracht en heerlijkheid ontsnapte en onmiddellijk naar het westen omboog, er veel van had, of die knaap zich met eene hanenveer getooid had. Vergeleken bij hetgeen ik mij van een vulkaan voorgesteld had, was, hetgeen ik zag, kinderachtig te noemen.

„Ik kwam in Soerakarta doodvermoeid aan. Vergeet niet, dat ik in twee dagen 64 palen te paard had afgelegd, hetgeen voor iemand, die aan het rijden niet gewoon [190]is, een flinken toer genoemd mag worden. Ik ging dan ook zoo spoedig mogelijk rusten om des anderdaags vroeg mijne reis voort te zetten. Ik zou dien dag tot Gendingan, en den daaropvolgenden tot Ngawi rijden.

„De weg van Soerakarta tot Ngawi is vrij eentonig. Alleen het gezicht op den Lawoe, dien ik aan mijne rechterhand behield, vroolijkte mij op. Het bewustzijn, dat daar ginds ergens op die hellingen de lieve familie woonde, die zich op de zeereis mijner aantrok, mij en mijn’ vriend Herman zoo veel vriendschap bewees, en waar ik nu veel dichter bij kwam te wonen, ziet dat gaf mijn gedachtenloop, die door het eentonige van het mij omringende landschap, wel tot droefgeestigheid neigde, eene meer prettige richting. Van Gendingan uit ontwaarde ik op de berghelling eenige witte stippen, die hoogstwaarschijnlijk Europeesche woningen aanduidden. Ik vroeg of dat Wilatoong was. „Neen,” was het antwoord, „dat is Djati-rogo. Wilatoong ligt aan de andere zijde van den berg.” Ik zuchtte eens. Ik had zoo gaarne een blik willen werpen op het verblijf, dat zooveel goeds, zooveel edels, zooveel.…..”

„Nu ga voort, zusje!” maande Emma aan. „Ge blijft steken? Kom hier.… zooveel goeds, zooveel edels, zooveel liefs bevat. O, zoo … was dat het woordje wat haperen bleef? Nu, bloos maar niet; hij mag wel, nietwaar mama?

„Wat zal ik van Ngawi vertellen?” ging Emma voort. „Ik ben er nog te kort om daarvan iets mede te deelen. Dat dus voor een volgenden keer. Mijn vriend Herman is te Batavia bij het 11e bataillon ingedeeld geworden. Ik vond hier een brief van hem. Hij schrijft mij, dat hij eenigermate aan het sukkelen was; maar dat hij goeden moed behield, en het zich wel schikken zou. [191]

„En nu, geachte heer Groenewald, ga ik mijn zeer lang epistel afbreken. Ik hoop, dat gij en uwe lieve familie deze regelen in den besten welstand moogt ontvangen. Groet mevrouw Groenewald en juffrouw Emma recht hartelijk van mij. Voor juffrouw Adelien draag ik u evenwel op, haar een.…. Waarom deins ik voor mijne opdracht terug? Gij kent toch ons beider gevoelens. Welnu, ik hervat moed. Het zal daarenboven uwe straf zijn, dat gij niet toestaan wildet, dat wij met elkander briefwisseling hielden. Ik draag u dan op mijne Adelien een hartelijken kus op de wang te drukken van wege haren

FRANK.”


Bij dat luisterrijke slot van dien brief was het jonge meisje opgevlogen en had haar vuurrood gezichtje aan den boezem harer moeder verborgen.


Een paar maanden waren sedert de gebeurtenissen, die wij hierboven verhaald hebben, verloopen. De heer Groenewald was eerst sedert weinige dagen van Cheribon op Wilatoong teruggekeerd. Hij had daar ginds droeve uren doorgebracht. Toen hij daar toch met mevrouw Ridderhoff aankwam, was haar vader stervende, en scheen de lijder slechts op de aankomst zijner dochter gewacht te hebben om te verscheiden. Hartverscheurend was de droefheid der jonge vrouw. Zij was letterlijk niet in staat om hare gedachten ook maar voor weinige oogenblikken tot de onvermijdelijke regelingen en beschikkingen bij zoo’n gebeurtenis te bepalen. Gelukkig, dat de heer Groenewald in de goedheid zijns harten haar naar het landhuis, dat bij Madja115 gelegen was, vergezeld had. Deze kon de eerste regelingen omtrent de begrafenis treffen. Daarna had hij reeds plan gemaakt om, in afwachting van de terugkomst van den heer [192]Ridderhoff, wien de verwonding en later het overlijden van den heer De Vos zoo spoedig mogelijk medegedeeld waren, het bestuur der onderneming op zich te nemen; toen zich op een vroegen morgen de heer Piet Van Diepbrugge, de reisgenoot van den heer Groenewald op de Fernandina Maria Emma, op het landhuis aanmeldde. Hij was kort geleden te Cheribon geplaatst, en door den Resident van dat gewest ter beschikking van den controleur der Afdeeling Madjalengka gesteld. Hij had de aanwezigheid van zijn reisgenoot vernomen als ook het ongeluk, dat mevrouw Ridderhoff getroffen had, en kwam nu zijne goede diensten aanbieden. Het speet den jongen man, dat hij niet vroeger daar geplaatst was geworden; maar hij was eerst sedert een paar dagen in deze streken aangekomen. Toen de heer Groenewald alles met betrekking tot den boedel geregeld had, die mevrouw Ridderhoff als eenig kind van den overledenen, onverdeeld toeviel, toen hij den bereidwilligen ambtenaar ter beschikking zoo ver op de hoogte gesteld had, dat deze in de afwezigheid van den heer Ridderhoff, de koffie-onderneming gaande kon houden, en de jonge vrouw met raad en daad kon bijstaan, toen vertrok de brave oudgast, die geen oogenblik geaarzeld had, onderneming, zaken en huisgezin achter te laten, om de dochter van een vriend in den nood behulpzaam te zijn. Toen alles geregeld was, dacht hij eerst aan zijne eigen belangen.

En zoo was hij weer te Wilatoong terug. Op de doorreis te Ngawi had hij Frank opgezocht, dien een riem onder het hart gestoken; maar ook van den chef van den jeugdigen onderofficier vernomen, dat deze uitnemend zijn plicht deed, en daardoor alsook door gedrag, ontwikkeling en beschaving zich aller achting verworven had.

„Dat jonge mensch zal zijn weg wel maken,” had de [193]majoor militaire Kommandant van Ngawi met een glimlach van welbehagen gezegd. „Ik voeg bij die profetie de verzekering, dat hij een degelijk jongeling is.”

Uiterst tevreden was de brave vader met die goede berichten bij zijn gezin teruggekeerd. [194]