Frank Brinkman had waarheid medegedeeld, toen hij aan den heer Groenewald schreef, dat zijn vriend Herman Riethoven ongesteld was. Dat het evenwel weinig te beteekenen zou gehad hebben, was minder juist. De zieke zelf had zoo bericht, en Frank had geen enkele reden gehad die mededeeling te wantrouwen. Op een namiddag was Herman van het exerceeren te huis gekomen, had zijne schoenen uitgeworpen en toen ontwaard, dat zijne voeten door die onhebbelijke lompe dingen zeer geschaafd waren, en ontvellingen vertoonden. Hij bette de pijnlijke plekken zorgvuldig; maar … hij had de week, en moest dus den kwartierdienst in zijnen geheelen omvang volbrengen. Hij wilde geen zijner graadgenooten verzoeken voor hem in te vallen; niet uit trots, maar omdat bij het gebrek aan kader de dienst voor hen loodzwaar was, en hij niemand hunner een zijner vrije uren wenschte te ontfutselen. Het was dien avond recht druk in de kazerne. De onderadjudant der week was jarig, had derhalve wel wat diep in het glaasje gekeken, en meende nu ongeëvenaard jolig te zijn, door den hoornblazer der politiewacht bijna voortdurend signalen te laten toeteren. [195]De hoorn zweeg geen oogenblik stil. Tusschen het inrukken van het exerceeren en het „eten onderofficieren” had de jarige zeker vier of vijfmaal „sergeant van de week met geconsigneerd appel” laten blazen; maar daarbij steeds de geplaagde onderofficieren een bittertje aangeboden, dat door Herman’s collega’s dankbaar aangenomen, maar door hem beleefd van de hand gewezen was. Het gevolg van dat heen en weer geloop bleef niet uit. De gekwetste deelen aan zijne voeten werden zoo pijnlijk, dat de patiënt zijn schoenen niet meer aan de voeten kon houden. Hij verscheen dan ook met de sokken boven op het schoeisel aan tafel.
„Sergeant Riethoven, waarom zijt ge niet behoorlijk gekleed?” was de vraag van den onder-adjudant der week.
Herman beleed zijne ongesteldheid.
„Hebt ge permissie van den dokter?”
„Neen, adjudant; maar ik zal morgen op het ziekenrapport verschijnen,” was het antwoord.
„De schoenen behoorlijk aan de voeten, anders stop ik je in de kast!” was het barre bevel.
„Maar adjudant, ik kan ze niet verdragen.”
„Kan me geen donder schelen! Dan moet ge u maar ziek melden.”
Dat wilde Riethoven juist vermijden; want dat was zijn dienst op zijne kameraden doen overgaan.
Zuchtend en met pijnlijk verwrongen gelaat voldeed hij aan het bevel.
Maar was het toeval of plagerij? Dien avond weerklonk die fatale hoorn voortdurend, en steeds was het de sergeant van de week, die geroepen werd. Hinkend kwam de arme gekwetste dan aangestrompeld, en werd bij slot van rekening nog bespot.
„Sergeant Riethoven!” klonk het dan uit des adjudants [196]mond, „als ge in dienst niet beter hinken kunt, zal ik je voordragen voor het baantje van sergeant-ziekenvader, of van tweede luitenant-vroedvrouw!”
Alle aanwezigen lachten. Als een adjudant-onderofficier zich tegenover zijne ondergeschikten eene ui veroorlooft, dan is hij de geestrijkste man ter wereld, en kan het niet anders of een goedkeurend gelach moet hem beloonen.
Eindelijk toen ten half tien het signaal „licht uit,” weerklonken had, wierp Herman zich doodmoe op zijne legerstede om rust te genieten, en om zijne voeten verlichting te bezorgen. Toen hij zich ontkleedde, zag hij met schrik, dat de beleedigde plaatsen er zeer ontstoken en gezwollen uitzagen. De pijn nam hand over hand toe, en het duurde niet lang of wondkoorts trad in, zoodat de lijder nog dienzelfden nacht naar het hospitaal gedragen moest worden.
Daar lag nu Herman. De koorts week dadelijk voor de zware chininegiften, die dokter Eiwit, een verbazend knap geneesheer, hem te gelijk met een streng dieet voorschreef. ’s Morgens: een weinig arrowroot, des middags: een weinig arrowroot, en des avonds: een weinig arrowroot, dat was de voeding, welke den jongen man gedurende volle een en twintig dagen verstrekt werd. Bij het einde dier periode rammelde hij dan ook van den honger, en verstoutte hij zich om bij de morgenvisite den dokter meer eten te vragen. Deze, een lang schraal man met doodsbleek gelaat, vestigde een doordringend oog op den vrager.
„Hoe is het met de voeten?” vroeg hij zonder er naar te kijken.
„Bijna genezen, majoor.”116
„Laat je tong eens zien!”…
En zich tot den ziekenvader wendende, die hem als [197]een trouwe poedelhond op de hielen volgde, met de dieetlijst in de hand:
„Laat dien man een’ boeboer (pap) op den buik leggen!” beval hij.
En terwijl de daarnaast liggende zieken het uitschaterden van het lachen over die geestelooze aardigheid, schreed de Esculaap met strak gelaat, aan een beeld gelijk verder, om wellicht bij de volgende lijdenssponde even luimig zijne spotziekte bot te vieren. Of Herman ook al pruttelde, het hielp hem weinig. Toen de visite afgeloopen was, kwam de ziekenvader met een helper, en werd den armen hongerlijder eene heete pap op de maagstreek gelegd. Hij had veel liever een stevig beefsteak er in gehad.
Die teleurstelling schrikte hem evenwel niet af, om daags daarna nogmaals op vermeerdering van voedsel aan te dringen. Hij beleed ronduit, dat hij zich onpasselijk ten gevolge van gebrek gevoelde. Het onmensch trad daarop langs Herman’s krib naar het hoofdeneind toe, betastte het hoofdkussen, en antwoordde op ijskouden toon:
„O! zoo lang als daar nog stroo in is, heb jij geen honger, sergeant.”
En voort stapte hij.
„Drommels, ik had dus eerst dat stroo moeten opgepeuzeld hebben?” dacht Riethoven. En met een snik in de keel prevelde hij: „Zou het dan toch waar zijn, wat mijne brave moeder beweerde, dat hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost? Je wordt hier nog erger behandeld dan een beest. Ik ben overtuigd, dat die kerel bij zijne zieke kat nog een schoteltje melk zou neerzetten, of zijne zieke koe een bos gras zou laten voorwerpen. Voor zijn evenmensch heeft hij slechts eene naargeestige aardigheid over.……”
En toen het ontbijt binnengebracht werd: [198]
„Daar heb je ze weer met hun lamgeslagen arrowroot! Het is net of je een lepel koude stijfsel in je keel laat glijden. Wat ’n kost! En, werd hij nog maar in genoegzame hoeveelheid verstrekt!”
Tegen het vallen van den avond wandelde Herman het hospitaal rond, dat—het moest in weerwil van zijn mopperbui erkend worden—uiterst doelmatig op eene landtong, die door een der veelvuldige kronkelingen der Tjiliwong gevormd werd, aangelegd was. De verschillende ziekenzalen—er waren er zeven—verhieven zich regelmatig op een tamelijken afstand van elkander, terwijl de daartusschen gelegen ruimten ingenomen werden door een goed aangelegden botanischen tuin, waarin de heerlijkste tropische gewassen van de grootsten tot de kleinsten prijkten, en die niet alleen den weetgierigen bevrediging bood, maar ook bij frischheid en voldoende schaduw den lijders eene prettige omgeving, zoo belangrijk in hun toestand, verschafte.
Op dat gebied had Riethoven nog weinig gezien, maar hij moest erkennen, dat van de ziekenhuizen, die hij in Frankrijk, België, Nederland, de Rijnstreek had kunnen waarnemen, dit nog wel het doelmatigste, het zindelijkste was, ook dat de verstrekkingen, door het Gouvernement toegestaan, zoo onbekrompen mogelijk moesten genoemd worden. Had hij geen dokter Eiwit, een echte menschenhater, op zijn pad ontmoet, dan ware hij geneigd geweest het Groot Militair Hospitaal te Batavia de meest volmaakte bestaande inrichting van dien aard te noemen. Nu hij echter van den honger rammelde, en zich wee aan het hart gevoelde, bleef die lofspraak ver van zijne lippen; integendeel hij drentelde ontevreden voort.
Bij zijne omzwerving kwam hij terzijde van zaal 2 langs de Tjiliwong te recht, ontmoette daar een zijner kennissen, een onderofficier, die op zaal 7117 verpleegd [199]werd en knoopte met dien een gesprek aan. Het was een fraaie avondstond. De zon was reeds ondergegaan, en hoewel het avondpurper de lucht in het westen nog kleurde, en zich in de zacht kabbelende rivier spiegelde, zoo zag de hemel in het oosten toch donker blauw, en vertoonden zich daar reeds talrijke sterren aan het uitspansel. De avond- en morgenschemering duren tusschen de keerkringen niet lang. Men kan dan het licht waarneembaar zien af- of toenemen. Zoo ging het ook hier. De beide onderofficieren hadden plaats op eene bank genomen, om van het lieve gezicht te genieten, hetwelk de rivier, die daar voor hen een bocht maakte en bij gevolg eene tamelijk breede oppervlakte vertoonde, aanbood. Zij vlood daar schilderachtig tusschen twee kampongs met name Pedjambon en Katapang, welke op twee op elkander volgende landtongen en bijgevolg op beide rivieroevers gelegen waren. In laatstgenoemden kampong weerklonk de gamelang118—wellicht ter gelegenheid van een huwelijksfeest—zacht en aangenaam, en zette aan dat avonduur een eigenaardige bekoorlijkheid bij. De avond was intusschen al meer en meer gevallen. De sterren schitterden in het zenith en weerkaatsten liefelijk in de stil daar heen vlietende rivier. De beide kampongs teekenden zich met hunne vruchtboomen en struiken, waartusschen hier en daar een lichtje glinsterde, fantastisch tegen de donker blauwe lucht af, terwijl een zacht windje door de loofkruinen voer, en een zacht lispelen teweegbracht, hetwelk als het gefluister van een dankgebed kon vernomen worden. Had Herman’s maag zijne rechten niet zoo onbedwingbaar doen gelden, dan waarachtig zou hij in dien fraaien avondstond genoten hebben. Nu leed hij zichtbaar.
„Wat heb ik een honger,” herhaalde hij misschien voor [200]den tienden keer tegen zijn makker, wien hij zijn wedervaren met den dokter verteld had.
„Hebt ge dan geen geld bij u?” vroeg deze.
„Neen, ik dacht hier niets noodig te hebben als wat sigaren, die ik meebracht. Mijn beetje geld sloot ik, toen ik naar het hospitaal ging in mijne kist, en leverde die in de kompagnie’s rustkamer in. Maar, wat zou ik met geld uitvoeren?”
De ander keek hem eens aan. Zoo veel onnoozelheid verraste hem.
„Met geld is alles te doen. Geef eens een „stali” (kwartje) aan een der oppassers; binnen vijf minuten hebt ge een flinke kom aardappelen met groenten en een stuk kip er bij. Hier in zaal 2 hebt ge een „Jan den dief,”119 die u aan brood, kaas, ham en God weet wat kan helpen.”
Het speeksel liep den hongerigen den mond uit alleen bij het hooren dier lekkernijen.
„Helaas, ik heb geen geld bij mij,” zuchtte hij geeuwend.
Een oogenblik zaten zij bij elkander als in gedachte verzonken. Plotseling vertoonde zich in de rivierbocht bij kampong-Ketapang iets schitterends op de oppervlakte des waters, dat met den stroom meegevoerd werd. Onze vrienden keken scherp uit. Toen de verschijning wat naderbij gekomen was, zagen zij vier lichtjes, die een zuiver vierkant vormden.
„Wat kan dat zijn?” vroeg Riethoven zijnen makker.
Deze antwoordde niet dadelijk, maar keek nog scherper toe. De vier lichtjes waren nu de kaap van kampong Pedjambon genaderd, en op het punt deze om te stevenen. Plotseling vroeg hij Herman:
„Kunt ge zwemmen?”
„Als een eend!” [201]
„Ge hebt honger?… Ja?… Daar is eten!”
„Maar wat is dat dan toch?”
„Dat is een offervlotje, waarop gewoonlijk levensmiddelen te vinden zijn. Maar.… wilt ge het bereiken, haast je dan.”
Het was intusschen geheel nacht geworden. Niemand was in de buurt. Herman smeet zijne ziekenjas en broek uit en was spoedig te water. Het verlichte voorwerp was in den stroom geraakt, die op de gemelde kaap brak en zette thans naar de overzijde. Toen het evenwel het midden der rivier bereikt had, dreef het, even ver van beide oevers verwijderd, voor den stroom af. Herman had niet te veel beweerd, toen hij zeide als eene eend te kunnen zwemmen. In weinige slagen was hij bij het begeerde, en had er de hand op gelegd. Hij stootte het voorwerp nu voor zich uit en bracht het zoo aan wal. Op het drooge gebracht, bleek het een vlotje te zijn, bestaande uit draagbalkjes van een pisangstam gesneden, die het een groot drijfvermogen verleenden, en waarop een klein rasterwerk van bamboe aangebracht was. Op de vier hoeken brandden roode waskaarsjes, en daartusschen lagen op een groot bord gerangschikt vier stuivers-broodjes, acht gekookte eendeneieren, vier kippeneieren, een paar katoepats, eenige stukjes dengdeng, een groote tros „pisang radja,”120 een paar pompelmoezen en een zakje waarin een paar gulden en eenig kopergeld. Naast het bord stond een aarden pot, waarin.…
„O, ik zie het al,” zei Herman’s makker, „het is het offer eener kraamvrouw aan den kaaiman, uit dankbaarheid voor de spoedige verlossing. Kom hier, ik zal dien pot maar in de rivier gooien.”
En nog voor dat Herman er zich tegen had kunnen verzetten, als hij zulks gewild had, was de pot met zijn inhoud in de diepte verdwenen. De hongerige stond daar met een broodje in de eene, en een ei, dat hij in de haast gepeld [202]had, in de andere hand, en deed zich in den volsten zin des woords te goed.
„Overeet je nu maar niet,” sprak zijn makker, „bewaar wat tot morgen. Denk er om, niet dagelijks drijven zulke vlotjes op de rivier.”
Neen, zich overeten, dat deed Herman niet; maar de aangeraden spaarzaamheid zou noodeloos blijken. Den volgenden dag kwam kapitein Van Dam, die piket had, zijn tournée in het hospitaal maken. Riethoven klaagde hem zijn nood, en verhaalde hem het avontuur van den vorigen avond. Lachend gaf de kapitein hem de verzekering dat hij zou zorgen, dat daarin verandering zou komen. En werkelijk, bij de volgende visite deed dokter Eiwit met een zuurzoet gezicht „portie” verstrekken aan den sergeant Riethoven, en schreef hem vier dagen later het hospitaal uit.
Het garnizoensleven ging thans zijn rustigen gang. Maanden, en nog eens maanden vloden heen, waarbij zoowel Frank Brinkman te Ngawi als Herman Riethoven te Weltevreden de ervaring opdeden, dat de militaire dienst in Nederlandsch Indië geen sinécure genoemd kon worden.
„Drommels,” schreef laatstgenoemde aan zijn vriend, „als ik in gedachte zoo wat naga wat ik op militair gebied te Maastricht, een der grootste garnizoensplaatsen van ons Nederland, zag uitvoeren, en dat ook toets aan hetgeen ik deswege van officieren en onderofficieren vernam, dan moet erkend worden, dat het „dienen” hier iets anders is dan ginds. Daar hebben zij het alleen in den rekrutentijd een weinig druk, d.w.z. gedurende vier maanden van het jaar; hier heerscht die drukte het geheele jaar door. Hier zijn steeds rekruten; wij hebben er thans ongeveer driehonderd bij het bataillon. [203]Als die afgeëxerceerd zijn, dan worden ze naar de buitenbezittingen gezonden en krijgen wij weer andere nieuwe lummels in de plaats. En heeft het in Europa voeten in de aarde, om bij het opkomen der miliciens van een boer een mensch te maken, dan laat ik je gissen, welke moeite het kost om een aap zoover te brengen. Want de Javanen, Madureezen en Boegineezen, die ons uit de binnenlanden hunner respectieve eilanden aangebracht worden, zijn niet veel meer dan apen, en bevestigen Darwin’s stelling volkomen. Voeg daarbij dat die luidjes een hollandsch kommando moeten leeren gehoorzamen, waarvan zij geen jota verstaan niet alleen, maar waarvan zij zelfs de strekking niet begrijpen, omdat het geheele samenstel der militaire maatschappij, dat samenstel van orde en regelmaat, van beredeneerde ondergeschiktheid en van … zelfverloochening in hunne maatschappelijke omgeving geheel ontbreekt, en zij voor laatstgenoemde deugden of hoedanigheden, zoo als ge het noemen wilt, in hunne taal geen woorden bezitten; dat de instructeurs hun dialekt niet spreken en verstaan, maar een soort brabbelmaleisch uitstooten, hetwelk op de strandplaatsen van den geheelen Indischen archipel volkomen verstaanbaar is, maar door die pas aangeworven lummels niet begrepen wordt. Als gij zoo’n troep rekruten voor het eerst bij elkander ziet, dan komt u ten gevolge hunner onbeholpenheid, en ten gevolge van hun rampzalig uiterlijk het beeld van eene kudde geschoren schapen voor den geest, die door een noordwester hagelbui overvallen worden, bibberend met de koppen naar elkaar toe te samen schuilen, en zoo het einde hunner ellende afwachten.
„Toch worden van die apen flinke soldaten gemaakt, dank zij het korps onderofficieren, dat zich met het beste meten kan; maar.… hoeveel geduld, hoeveel toewijding, hoeveel geestkracht daartoe benoodigd is, zal wel [204]nimmer een burger en nog wel een Nederlandsch burger aan het verstand te brengen zijn.
„Voeg nu bij die diensten de transporten, dan kunt gij u eenigszins een denkbeeld maken, van wat er zoo wat omgaat hier in het hoofdgarnizoen van Nederlandsch Indië. Ik ben sedert ik bij het 11de bataillon ingedeeld werd, reeds tweemaal naar Anjer en eens naar Cheribon geweest, om manschappen, die bij de garnizoenskompagnie in de Lampongs121, of bij die in laatstgenoemde plaats ingedeeld waren, over te brengen, en eens naar het eiland Onrust om arrestanten af te halen. Bij die soort diensten kan een onderofficier zijn genoegen wel op; want behalve de afmattende en vermoeiende marschen in dit warme klimaat, heet het oppassen meer dan ooit, of hij staat steeds met één been in de provoost. Streng is men hier uitermate, echter voor zooveel ik reeds heb kunnen nagaan, is dat ook hoogst noodig. Maar om je een voorbeeld te geven, hoe licht bij zoo’n gelegenheid een koopje te snappen is, laat ik hier een klein verhaal volgen.
„Ge herinnert u toch nog den sergeant Kleermakers aan boord der Fernandina Maria Emma, nietwaar? Aan boord paste hij vrij wel op; maar ge weet ook, dat hij een gesjeesd kadet was, en gij kunt onmogelijk vergeten hebben, hoe hij te Harderwijk aan zijn zucht voor sterken drank bot vierde. Hij werd ook bij het 11de bataillon ingedeeld; maar, was zijn gedrag aan boord bij gebrek aan het gevloekte vocht onberispelijk, hier was hem de verleiding èn in de militaire cantine èn op Passar Senin te groot. Dronkenschap, en nog eens dronkenschap en daardoor mankeeren in dienst waren schering en inslag bij hem. De straffen bleven natuurlijk niet uit. Eerst kwartierarrest, daarna politiekamer, vervolgens provoost en nog eens provoost, later cachot en andermaal cachot. Eindelijk volgde degradatie, en werd hij in verband daarmede [205]overgeplaatst naar de Lampongs. Nog voor dat hij derwaarts vertrok, verkocht hij al zijne kleedingstukken, om aan zijn noodlottigen hartstocht bot te vieren. Op een avond kreeg ik bevel om op transport naar Anjer te gaan, en moest mij daartoe met de vier man escorte, die mij toegevoegd werden, den volgenden morgen ten half zeven bij den onder-adjudant van de week vervoegen. Toen ik mij op het bepaalde uur aanmeldde, werd de rampzalige voor het front der 1ste kompagnie gebracht, op den buik op een bank gelegd, terwijl eene saamgevouwen sprei om die bank en om zijne lendenen en armen bevestigd werd, om iedere beweging te verijdelen, waarna hem vijfentwintig rietslagen toegediend werden op dat lichaamsdeel, hetwelk door de natuur tot zitkussen aangewezen is. Kleermakers gaf geen kik, hoewel de korporaals, die den rottan hanteerden, en van weerszijden der bank stonden, er geducht op lossloegen. Toch kon ik opmerken, dat hij in het kussen, hetwelk zijn hoofd ondersteunde, krampachtig beet. Toen hij opstond, was hij bleek als een doode. Hij keerde zich tot den kompagnie’s kommandant en zeide met schorre stem:
„„Kapitein, ik dank je; je hebt me laten uitkloppen, laat me nu ook alsjeblief afborstelen.”
„Hoever een mensch niet zakken kan, niet waar? In de gelederen der kompagnie werd een gegrinnik vernomen. Er zijn steeds menschen, die in zoo’n tarten genoegen vinden. De kapitein antwoordde dood bedaard:
„„Aan je verzoek zal worden voldaan, fuselier Kleermakers. Korporaals, nog vijf en twintig!”
„En andermaal weerklonk het eentonig en afgemeten geluid van de rottanslagen op de strak gespannen pantalon, een geluid dat iemand, met een weinig gevoel bedeeld, door merg en been snijdt. [206]
„Laat mij hier een parenthese openen, waarde Frank, over de rottanstraf. Gij weet, ik heb nog al het zwak om over sommige zaken te pikeeren, zoo als men hier zegt, vooral wanneer die zaken van actueel belang zijn. In de dagbladen en tijdschriften, zoowel in Indië als in Nederland, is een strijd aangebonden om de rottanstraf voor de inlandsche bevolking afgeschaft te krijgen, en het leger die weldaad ook deelachtig te doen zijn. Wat men omtrent het opleggen dier straf b.v. in het Tijdschrift van Nederlandsch Indië te lezen krijgt, is somwijlen hartverscheurend, en, gebeuren er werkelijk feiten zoo als daar beschreven worden, dan valt er mijns inziens niet te aarzelen, om aan die onverlaten, welke zich aan zulke gruwelen schuldig maken, den stok uit de hand te rukken. De gebezigde voorbeelden komen mij evenwel te gekleurd voor, om ze zoo maar grif weg voor onberispelijk waar aan te nemen. Mijn gezond verstand weigert aan te nemen, dat er zoo veel zulke aterlingen aangetroffen zouden worden, zoo als daar te verstaan gegeven wordt. En is mijne meening juist, zoodat de medegedeelde gruwelen slechts als op zich zelf staande feiten kunnen medegedeeld worden, dan valt er mijns inziens in de eerste plaats tegen misbruik te waken, waarmee ik nog geenszins bedoel, dat het gebruik zoude moeten worden afgeschaft. Met de weinige ervaring, die ik nog opdeed omtrent de inlandsche maatschappij, waag ik er mij niet aan, om mij een oordeel aan te matigen of die bevolking rijp is om haar eene meer milde rechtsbedeeling deelachtig te doen zijn, dan tot heden het geval was. Dat zullen meer ervarenen moeten uitmaken, hoewel ik hun toch zou aanraden, met de voorhanden zijnde preventieve en repressieve politie-maatregelen rekening te houden, en na te gaan, of die bij het afschaffen van de rottanstraf voldoende aanwezig zijn, om het doel te [207]bereiken. Vergeef mij die kleine uitspatting; maar, als ik wat te zeggen had, dan zou ik de inlandsche bevolking eene andere weldaad bewijzen, dan schafte ik het opiummonopolie af, dan verbood ik den invoer van dat vergift, en ik zou zelfs zoo barbaarsch wezen om den rottan met klem te baat te nemen om aan dat verbod alle kans van uitvoering te verleenen. Maar, dat zou ’s lands inkomen, derhalve ook de zakken der belastingschuldigen raken; en.… ik geef gewonnen, dat zoo iets voor een Nederlandsch staatsman niet uit het oog te verliezen is. Is het evenwel waar, dat de opium-vergiftiging alleen ter wille van de baten, die zij afwerpt in stand gehouden en aangekweekt wordt, wat dan te zeggen van de huichelarij van hen, die schreien over het gruwelijke van de rottanstraf, maar het opiummonopolie voorzichtig ongedeerd toelaten? Het opiummonopolie dat honderd, ja duizendvoudig meer rampen in een jaar oplevert, dan ooit door de meest willekeurige toepassing van de rottanstraf zoude kunnen worden te weeg gebracht! Maar, wat bovendien te zeggen van hen, die alles aanwenden, om de opium-demoralisatie ter wille van vuile geldzucht hand over hand te doen toenemen, en zich daarbij beijveren de bestuurders van Indië de middelen uit de hand te slaan, om te midden van het stelselmatig gekweekte zedenbederf nog eenigszins een schijn van orde te kunnen bewaren? Ziet, dat zijn vragen, die ons, die gekozen hebben onze loopbaan in deze gewesten te volbrengen, wel mogen bezig houden, en die ons tot nadenken moeten stemmen.
„Zal men evenwel doordrijven, dat ook bij het leger de rottanstraf afgeschaft worde, dan begaat men m. i. eenen misslag, die, wordt hij volkomen beraden en na gezet nadenken volvoerd, aan landverraad gelijk staat. O, ik weet het wel! Er worden zulke fraaie, zulke [208]schetterende volzinnen gebezigd, wanneer men overr het menschonteerrende van het toepassen van rrottanstrraf op de verrdedigerrs des Vaderrlands, op hen, die de eerr geschonken worrdt om onderrr de plooien van het rroemrrijke Orranje-vaandel ten strrijde aangevoerrd te worrden, spreekt! Die volzinnen, een weinig van hunne hoogdravendheid en hunne rrr’s ontdaan, zijn volmaakt van toepassing voor een militie-leger zooals in Nederland, waarbij de loteling, de eenvoudige boerenlummel ingedeeld wordt, en die ten rechte tegen te ruwe behandeling, die zou kunnen plaats hebben, beschermd behoort te worden, maar niet voor een leger, dat zoo als het Nederlandsch Indische uit alle holen der wereld samen geworven wordt, en in welks gelederen soms de meest gedemoraliseerde en gedepraveerde wezens eene plaats innemen. Herinner u nog maar eens de schandelijke uitspattingen en walgelijke tooneelen te Harderwijk. Hier bij de Europeesche kompagnieën is dronkenschap en liederlijkheid aan de orde van den dag. Hoe zal met zulke bestanddeelen huis gehouden kunnen worden, wanneer de vrees voor den rottan verdwenen zal zijn? Het is mij een raadsel! en ik verklaar de poging om de rottanstraf af te schaffen voor eene uiting van philantropische krankzinnigheid. Ja, geeft hier aan het leger eenvoudige boerenlummels, die van achter den ploeg weggehaald zijn, dan kan hier ook zonder stok huis gehouden worden; maar zoolang men elementen uitzendt, die uit de meest verderfelijke holen van Europa te saam gebracht worden, moeten de middelen voorhanden zijn om orde en tucht nadrukkelijk te handhaven. Dat de kerels zelven de nuttigheid van eene lichamelijke kastijding inzien, blijkt daaruit, dat wanneer een hunner zich aan goedverkoopen schuldig maakt, zijne kameraden een oogenblik te baat nemen, wanneer [209]geen onderofficieren of korporaals in de chambrée aanwezig zijn, om den delinquent op de bank uit te strekken, en hem met de zool hunner schoenen eene afborsteling toe te dienen, die bij een duchtige rottankastijding niet behoeft achter te staan.
„En geloof nu niet dat het inlandsche element bij het leger van beter gehalte zou zijn dan het Europeesche. Hier boven sprak ik van de inlandsche recruten als van eene kudde geschoren schapen; maar dat was beeldspraak. Van schapen hebben zij niets; integendeel, het zijn wezens, van welker ondeugden misbruik is gemaakt, en die op de liederlijkste wijze door de wervers met behulp van opium en spel122, die beide kankers der inlandsche maatschappij, in het net gelokt zijn, derhalve alweer niet tot de bovenste lagen dier maatschappij behooren, en bijgevolg de middelen, om binnen de perken eener doelmatige krijgstucht gehouden te worden, niet ontberen kunnen.
„Vergeef mij, beste Frank, dien zijsprong. Ik hoop dat je niet vinden zult, dat ik mijn brief noodeloos verlengd heb. Het zijn kwestiën, die je—al maakt ge ook plannen om op een gegeven oogenblik het leger te verlaten—belang moeten inboezemen; vooreerst: omdat ge met de indische maatschappij nog inniger in aanraking zult komen dan ik wellicht; maar ook: omdat gij uw Vaderland liefhebt, welks belangen en toekomst door die kwestiën niet onaangeroerd gelaten worden. Ik hervat nu mijn verhaal van Kleermakers:
„Na dat tweede vijf en twintigtal ontvangen te hebben, richtte hij zich op; wel was zijn blik nog brutaal, maar de moed ontbrak hem toch om zijne snorkerijen bot te vieren. Het bloed zijpelde toch door zijn pantalon, en daar stond een emmer koud water gereed om de beleedigde deelen af te wasschen en te verfrisschen. [210]Toen hij daarmeê klaar was, moest ik in zijne tegenwoordigheid mijne escorte de geweren laten laden, terwijl ikzelf dat ook deed. Hij trad daarna tusschen de bajonetten, en ving met dat warme zitvlak den marsch aan, die eerst te Anjer moest eindigen.
„In den beginne ging alles goed. Kleermakers hield zich uitstekend en marcheerde flink door. Maar, te Tangerang nachtverblijf moetende houden, scheen hij daar gelegenheid gevonden te hebben om sterken drank machtig te worden. Ik vernam later, dat een Chinees hem een paar pompelmoezen bezorgd had, waarin darmen, met arak gevuld, verborgen waren. Genoeg, toen ik den volgenden morgen van die plaats wilde afmarcheeren, lag Kleermakers bewusteloos dronken op de „baleh baleh”; er was geen beweging in hem te krijgen. Ik liet hem met koud water begieten; het hielp alles niets. Hij was lijk en bleef lijk; het eenige wat ik uit hem kon krijgen was: „sla mij maar dood,” met stotterende en half onmachtige stem uitgestooten; terwijl hij niet in staat was de oogen te openen.
„Daar stond ik. Gij zult mijn toestand gevoegelijk begrijpen. Het was om wanhopig te worden! Veertien dagen provoost, dat stond er op, dat zou mij de Rijn niet afwasschen! En met die veertien dagen provoost ging een groot gedeelte mijner vooruitzichten verloren; want een tweede ongeluk zou mij in het verderf storten. Gij zult mij zeggen, dat ik beter had kunnen oppassen! Frank, bij alles wat heilig is! ik had mijn plicht stipt gedaan; ik had den man geen oogenblik uit het oog verloren, en ongetwijfeld heeft een der manschappen van het escorte hem moeten behulpzaam zijn, om aan dien drank te komen; want hij kent de taal des lands nog minder dan ik, en nog eens; ik was steeds bij hem. Wie gaat ook denken, dat arak binnen pompelmoezen [211]besloten kan zijn. Hij heeft ook alleen de uren kunnen bezigen, terwijl ik vermoeid van den marsch rustig sliep, om zich te bedrinken. Maar, wat nu gedaan? Door bemiddeling van het kamponghoofd kreeg ik eene „tandoe”123 met twee dragers om den bewusteloozen verder te transporteeren. Dat zou evenwel niet geheim kunnen blijven, want dat hoofd moest door bemiddeling van den controleur van het gewest de noodzakelijkheid der verstrekte transportmiddelen door den officier van gezondheid te Serang, hoofdplaats der Residentie Bantam, doen bekrachtigen. En die zou met dien dronkenlap niet om den tuin te leiden zijn. Ik herhaal het, ik was wanhopig.
„Maar in dien nood kwam gelukkig redding! Toen ik Tjikandi, een grenskampong tusschen de Residentiën Bantam en Batavia binnen marcheerde, kwam ik dokter Arendsenraedt tegen,—gij weet wel, die jonge officier van gezondheid, dien wij bij Dr. Hannius eens ontmoet hebben. Hij was sedert naar Bantam overgeplaatst, en deed juist eene tournée door de residentie in het belang der vaccine. Openhartig deelde ik hem mede, wat met dien dronkaard gebeurd was, welke straf mij te wachten stond, en welken invloed dat op mijn toekomst kon hebben. Hij trad op de tandoe toe, waarin Kleermakers, thans ontwaakt, met een hoogrood gelaat en met beloopen oogen lag, voelde hem den pols en sprak:
„„Die man heeft zwaar de koorts. Natte compressen op het hoofd! Zure limonade onder weg. Kom hier bij het kamponghoofd binnen, dan zal ik u wat pillen voor hem geven.”
„Hij deed zoo; hij deed meer. Hij gaf mij een bewijs van de ziekte van den man. Febris synocha schreef hij, geloof ik. Hij verschafte mij daarenboven de noodige transportmiddelen tot Anjer. Ik had hem wel de handen willen kussen van dankbaarheid!” [212]
„„Zorg voor den lijder, laat hem vooral niet alleen,” sprak de menschenvriend beteekenisvol.
„Nu, dien raad kwam ik getrouw na. Ik zorgde wel, dat de dronkaard geen droppel drank meer machtig werd. Maar ik was toch blij, toen ik hem aan boord van de kruisboot afgeleverd had, die hem naar de Lampongs moest overbrengen, en ook dadelijk haar anker lichtte en derwaarts vertrok.
„En nu beste Frank, ga ik eindigen; ik geloof niet, ge u te beklagen zult hebben, dat ik tekort van stof geweest ben. Mijn brief heeft wel wat van een brochure. Kerel, als je daarvoor maar niet te veel port zult moeten betalen. Schrijf dan maar om je te wreken een epistel van den dubbelen omvang van dezen. Ik zal betalen en denken; meâ culpâ. En nu een handdruk van je vriend.
Herman Riethoven.
„P. S. Hoera! driemaal hoera! De staffourier deelt me daar mede, dat het 11de bataillon op voet van oorlog gebracht wordt, en dat wij spoedig zullen uitrukken. Waarheen? Ja, dat wist hij niet, of dat wou hij niet zeggen, de olijkert. Dat er iets aan het handje was, kon in den laatsten tijd wel bemerkt worden. De recruten moesten zoo spoedig mogelijk afgeëxerceerd worden. Ook werden veelvuldig militaire marschen en daarbij velddienstoefeningen uitgevoerd. Volgens de ervaringrijken een onbedriegelijk teeken! Salut, een volgende maal daarover meer.” [213]