„Komt er heden niets van de theetafel?” vroeg de heer Groenewald, in slaapbroek en kabaai uit zijn slaapkamer te voorschijn komende en de pandoppo binnen tredende.
De dames keken verwonderd op, vooral toen ook de heer Slierendrecht voor den dag kwam en eveneens een kopje thee reklameerde.
„Hoe laat is het dan toch?” vroeg mevrouw Groenewald.
„Wel bijna vier uur, vrouwtjelief. Ik heb me wat verslapen.”
„Ik ook,” betuigde de controleur.
„En wij moeten nog mandi! Gelukkig dat wij drie „tampat mandi”144 hebben, anders kwam er geen einde aan.”
„Dan zullen wij ons met de thee haasten,” antwoordde Emma, terwijl ze opstond. „De heeren zouden reeds kunnen beginnen te baden, dan vinden zij daarna hun kopje thee klaar staan.”
In een oogwenk was het gezelschap uit elkander; maar een uur later ook weer geheel vereenigd; thans [249]evenwel in wandelcostuum om van de heerlijke namiddaguren in de vrije buitenlucht te genieten. Het was een zeldzaam schoone dag. De bladeren van het geboomte ritselden, zacht bewogen door de avondbries; de lucht was buitengewoon helder en doorschijnend en het uitspansel, schier donkerblauw, vertoonde zich grenzenloos diep voor het oog.
„Wat zijn de ons omringende bergen scherp begrensd,” merkte Jan Slierendrecht bij de wandeling op.
„Kijk eens, men kan al de lengteribben van den Argo Doemilak daar voor ons en van den Willis daar rechts duidelijk onderscheiden,” vulde mevrouw Groenewald aan.
„En - wat schijnen die bergtoppen ons nabij te zijn,” sprak Emma.
„De reden daarvan is, dat het een paar dagen geleden terdege geregend heeft,” verklaarde de heer Groenewald, „nimmer is de dampkring zuiverder en helderder dan wanneer zij door eene flinke regenbui van de daarin zwevende stofdeeltjes gezuiverd is. Die scherpte van omtrekken der bergen duidt op veel vocht in den dampkring, en is voor den opmerker eene aanwijzing, dat nog veel regen te verwachten is. Nu, die zal welkom wezen, want mijn koffieaanplant heeft tengevolge van de langdurige droogte in den Oostmousson nog al geleden. Hoe meer water er zal vallen, hoe beter.”
„Als het nu in deze dagen maar niet regent,” antwoordde Adelien, „want dan zou menig pleiziertochtje letterlijk in het water vallen.”
De wandelaars waren de lommerrijke lanen der aangrenzende koffietuinen ingeslagen; zij mochten de wandeling niet te ver uitstrekken, om niet door den donker verrast te worden.
„Gij hebt zeker wel een blik aan onzen tuin achter [250]het woonhuis gegund, heeren?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman en aan Jan Slierendrecht.
„Zeer zeker, juffrouw Adelien,” was het antwoord van Frank. „Wij hebben vooral de fraaie collectie rozen bewonderd.”
„En de vele variëteiten van de „kembang sapatoe,”145 vulde Slierendrecht aan, die als ambtenaar verder in de Indische botanie was dan onze sergeant. „Wij zagen daar „fraaie sedap malams”, prachtige „katja pirings” en bekoorlijke „melattie”146 en eene menigte andere bloemen …”
„Die allerliefst en met eene hooge mate van kunstzin gegroepeerd zijn,” viel Frank in.
„O! dat is het werk van Emma,” zei Adelien. „Zusje, hoort ge het compliment?”
„Jawel, ik hoor het. Ik twijfel er evenwel aan of dat compliment wel aan zijn waar adres gekomen is,” antwoordde Emma met een ietwat ondeugenden glimlach. „Maar alles op zijn tijd; wij zijn op weg om het gevoel voor natuurschoon van mijne zuster ook tot zijn volle erkenning te laten komen.”
„Inderdaad?” vroeg Frank. „Hoe dat zoo?”
„Kijk maar!”
De wandelaars waren reeds sedert eenige oogenblikken de koffietuinen uit-, en het dichte oorspronkelijke bosch, dat er onmiddellijk aan grensde, binnengetreden. Een bekoorlijke weg, niet te breed en met heel fijne kiezelsteentjes bedekt, slingerde door het hoogwoud. Het was duidelijk merkbaar, dat dit pad daalde, terwijl in de verte tusschen het dichte groen van onuitwarbare struiken, waartusschen zich rottan- en lianenranken en andere klimplanten slingerden, het geklater eener beek vernomen werd. Het terrein vormde iets verder eene plooi, waardoor een horizontaal vlak gevormd werd, dat geen [251]verval aan de beek opleverde, en derhalve eene moerassige strook vormde. Toen Emma Groenewald Frank aanmaande om te kijken, sloegen de wandelaars juist een hoek om, en slaakten een kreet van bewondering voor het schouwspel, dat zich voor hun’ blik opende. En inderdaad die bewondering was volkomen gewettigd. De bedoelde moerassige strook, die eene oppervlakte had van ongeveer 10.000 vierk. meters en geheel met opgaande heuvels omringd werd, was van alle wildhout en van ruigte gezuiverd, en in den vorm van een Engelsch park aangelegd. Een ware doolhof van paden slingerde door dat park, die met hunne begrinting van uitgezochte witte rolsteentjes er een prettig uiterlijk aan verleenden, en een aantal grillige vakken of perken vormden. In de smalle slooten, die langs die paden gegraven waren om den grond te draineeren, murmelden vlietende beekjes, en vormden, met het gekir en gekoer der woudduiven, die het omringende oorspronkelijke bosch bevolkten, een zacht harmonisch geluid, dat tot dweepen stemde.
Langs den voet der opgaande heuvels, die deze kleine vlakte als in een ring besloten, verhief zich ter hoogte van ongeveer tien voet eene ondoordringbare heg van „kembang mawar”,147 een soort van wilde rozelaar, die met duizende en duizende rozenroode bloemen overdekt was, en een onvergelijkelijk schoonen krans om dat heerlijke plekje vormde. Daar achter prijkten langs de stammen en op de zware takken van het oerwoud, hetwelk zich op de berghellingen verhief, de prachtigste orchideeën,148 welker bewonderenswaardige en veelkleurige bloemen en bladeren onder de bries op hare soms lange stengels heen en weer bewogen, en de toeschouwers soms verlokten, haar bij groepen vreemdsoortige vlinders te vergelijken, terwijl aan den voet der boomstammen vele aardorchideeën149 prijkten. De perken [252]van dien fraaien tuin bevatt’en de fraaiste sierplanten, waaronder een perk, dat zeer vochtig, ja, moerassig bleek te zijn, vooral de aandacht boeide. Daarop verhieven zich een aantal struiken met rechtopgaande stammen, die eene hoogte van zes of acht voet bereikten, zich in vele takken verdeelden. Deze takken schoten luchtwortels uit, die de stammen als met fijne grijze draden omhulden, maar waarvan sommigen zich dermate ontwikkelden, dat zij den bodem bereikten, daarin doordrongen en zoo nevenwortels vormden, en het beeld gaven, alsof de boom op stutten gedragen werd. Drie tot vier voet lange bladeren ontwikkelden zich in spiraal-rijen om de takken, glinsterden met hunne glanzende en gladde bovenoppervlakte in het zonlicht, en eindigden in een driehoekig spits toeloopende punt. De bloemen, liefelijk wit van kleur, groeiden trosgewijze, en verspreidden een uiterst aangenamen geur. Maar wat vooral eene eigenaardige bekoorlijkheid aan die heesters bijzette, waren de vele vruchten, die oranjegeel van kleur waren, en den vorm eener kleine ananas hadden, en uiterst bevallig te midden van het glanzende loof gloorden.
„God, wat is dat fraai!” riep Slierendrecht uit.
En zich tot Emma wendende, die naast hem wandelde, vroeg hij:
„Hoe heet die fraaie plant?”
„Dat moet gij mijne zuster vragen. Deze tuin is hare schepping, en staat geheel onder haar bestuur.”
„Vindt ge het niet eene fraaie plant?” vroeg Adelien. „Dat is de Pandan bebaoe150 van de inlanders. Jammer niet waar, dat de apotheker Behren niet hier is, die zou ons weer zijn potjes-latijn uitkramen. Die plant komt veelvuldig hier in Indië aan de stranden voor, maar is dan lang zoo mooi niet als deze hier. Wegens den heerlijken geur, heb ik mij zaden verschaft en die [253]hier gekweekt. Maar kom, ik zal u daar ginds onder dien Wariengienboom151 nog wat anders laten zien.”
En vooruit stoof het jolige ding, terwijl zij Frank wenkte haar te volgen, maar ontwikkelde daarbij eene vlugheid, die den jongeling moeite veroorzaakte om haar te volgen.
„Ja, dat is prachtig,” kreet Jan Slierendrecht, toen hij met het overige gezelschap onder den fraaien wilden vijgenboom aangekomen was.
Onder het rijke bladerendak van den reus strekte zich om den stam een cirkelvormig perkje uit, waarop zich een bloembed voor het oog vertoonde, dat weergaloos van pracht was. Iedere plant was ongeveer een voet hoog met wortelstandig gesteelde bladeren, die donkergroen, vrij smal en ongeveer een halve voet lang waren. Uit iederen stengel ontplooide zich eene prachtige groote bloem van eene fluweelachtige donkerbruine kleur, op eene buigzame wortelstandige bloemschacht. In den donkeren kelk bestond het vruchtbeginsel uit elf knopjes, die ieder rond als een kleine knikker met kruiselings naar voren gekeerde opening in twee rijen in den vorm van een halven cirkel gerangschikt waren. Daar boven spreidden zich twee helmbladen uit, als twee overwuivende donkerbruine pluimen, die van achteren door een lichtgroen dek of knopblad gesteund werden. Ter weerszijde van de fraai samengestelde bloem hingen elf helmdraden, dus twee en twintig in het geheel, die aan de slippen ingeplant en ruim twee decimeter lang waren, en van boven bij de bloembladen een lichtbruine kleur bezaten, doch aan het benedengedeelte geelachtig wit getint waren. De geheele bloem was van den bovenrand der helmbladen tot het uiteinde der helmdraden bijna drie decimeter lang, en ongeveer een decimeter breed. [254]
Frank Brinkman en Jan Slierendrecht konden geene woorden vinden om hunne bewondering naar eisch te kennen te geven. Zij stonden daar ademloos die pracht aan te staren. Eindelijk vroeg de controleur:
„Hoe heeten die beeldschoone planten, juffrouw Adelien?”
„De Maleiers noemen hen Takka laoet.”152
„Nu moet ik ten volle beamen het gezegde van mijnheer Groenewald,” zeide Frank, „toen hij bij het verlaten van Rio Janeiro aan boord van de Fernandina Maria Emma beweerde, dat Indië’s plantenwereld de fraaiste van de geheele aarde is.”
„Gij zeidet dat de Maleiers die plant Takka laoet noemen, juffrouw Adelien?” vroeg Slierendrecht. „Hoe heeten haar de Javanen?”
„Dat weet ik niet.”
„Die plant hoort niet op Java te huis, maar op Poeloe Penang en op het schiereiland Malakka,” antwoordde de heer Groenewald. „Een mijner vrienden bracht zaad mede van Singapore en aan de goede zorgen van Adelien is het te wijten, dat die bloemen zoo fraai ontwikkeld zijn.”
„Hoerah! voor juffrouw Adelien!” riep de controleur geestdriftvol uit.
„Hoerah! voor juffrouw Adelien!” herhaalde Frank, terwijl hij van de gelegenheid op de terugwandeling gebruik maakte om een lieve kleine poezelige hand met warmte te drukken.
Toen het gezelschap van de wandeling thuis kwam, ondervond Emma Groenewald eene deerlijke teleurstelling. Reeds bij het binnentreden van het voorerf van het landhuis had zij den hals gerekt en den blik verscherpt om te zien, of er geen bezoek gedurende de [255]afwezigheid van de familie gekomen was. De voorgalerij vertoonde zich ledig. Toen zij die binnentrad reikte een der bedienden haar een paar brieven, die zij met een half pruilend gezichtje aannam. Het waren kennisgaven van den Regent en van den Zoutverkoop-pakhuismeester van Magettan, dat zij voor heden avond onmogelijk aan het verzoek der nonna konden voldoen; maar dat zij zich beijveren zouden den volgenden dag aan de uitnoodiging gehoor te geven. Het jonge meisje kneep de beide missives te zamen. Vooral het epistel van den Inlandschen hoofdambtenaar had haar zenuwachtig gemaakt. Deze toch had bij het schrijven van zijn briefje gemeend zijne hooge waardigheid zelfs tegenover eene jonge dame te moeten ophouden, en zoo begon hij nagenoeg met de navolgende inleiding:
„„Brief, komende van mij Raden Maas Adipati Ario Soero Adiningrat, Regent van Magettan met vele groeten en den wensch, dat het den Almachtigen God moge behagen hem te doen komen voor het aangezicht van de nonna van Wilatoong, wie een lang leven wordt toegewenscht, en dat het tot geluk en welzijn strekke van degenen, die onder haar gesteld zijn, en zij al het goede van den Almachtigen God moge erlangen, dat zij wenscht.”
„A-a-a-a-h! wat een lang kompliment,” zei het jonge meisje geeuwende. „Ah, daar komt de quintessenz:
„„Voorts geef ik met alle eerbetoon (hormat) aan de nonna kennis, dat ik heden wegens dienstzaken (pakerdjaän negri) onmogelijk Magettan kan verlaten, maar dat ik morgen zal komen om mijne groeten te leggen onder de schoenzolen van de dochter van den heer van Wilatoong. Het zij zoo!” (Adanja).
En onder dat „adanja” stond het stempel van den Regent, bestaande uit eenige Arabische karakters, in rooden inkt afgedrukt. [256]
„Daar gaat de pret voor van avond heen,” zuchtte het lieve meisje. „Papa zal een partijtje willen maken, en daartoe den heer Slierendrecht annexeeren. Adelien en Frank zullen zitten kirren als een paar verliefde „perkoetoet’s”, (tortelduiven) waarbij ik als facheuse troisième zal fungeeren.”
Hare voorspelling zou evenwel niet geheel uitkomen. Toen het diner omstreeks 8 uur afgeloopen, en het daarop gevolgde kopje koffie, door juffrouw Emma bereid, verorberd was, gelastte de heer Groenewald aan een der bedienden het speeltafeltje in de voorgalerij klaar te zetten. De vrouw des huizes merkte met een oogopslag de mistroostigheid harer oudste dochter op, en kwam tusschenbeiden.
„Met wien wilt gij toch spelen?” vroeg zij haren echtvriend.
„Wel, met u, lieve vrouw. En als mijnheer Slierendrecht pleizier in een partijtje heeft?…”
„Kom, wees nu wijzer, manlief. Dat jongmensch te noodzaken met twee bejaarde lieden, en nog wel met man en vrouw kaart te spelen! Dat zou hem de gastvrijheid op Wilatoong van den eersten dag af, verdacht doen voorkomen.”
Jan Slierendrecht had eerst voor mijnheer, daarna voor mevrouw Groenewald gebogen. Hij zat tusschen twee vuren, en beide partijen wenschte hij te vriend te houden. Het was duidelijk, hij was voor ambtenaar in de wieg gelegd.
„Maar, waarmeê zullen.… de jongelui den tijd doorbrengen?.…” vroeg de heer des huizes aarzelend.
Hij had wel willen vragen: hoe zal ik den tijd doorbrengen? Die vraag had meer overeenkomstig zijnen gedachtengang geklonken.
„O, bekommer u daaromtrent niet. Laat dat maar aan hen over,” zei de moeder. [257]
„Wij zullen wat muziek maken, paatjelief,” fleemde Emma.
„Wij zullen straks dansen,” zei Adelien. „Waar is sienjo Priston? Die kan dan aan de piano plaats nemen.”
„Die akelige sienjo is niet thuis,” klaagde Emma. „Waar zou hij zijn? Laat hem roepen, pa!”
„Neen, dat kan niet,” sprak de vader. „God weet, waar zoo’n lummel gezocht moet worden. Bij de een of andere „toenangan” (verloofde). Maar waar?”
„Nu, als wij niet dansen kunnen, dan heb ik wat anders voor te stellen,” zei Adelien.
„Laat hooren, zusje.”
„Wij zullen eerst wat muziek maken. Ik wil de heeren Slierendrecht en Brinkman een examen afnemen. Daarna zullen wij den brief van Herman Riethoven vervolgen.”
„Den brief van Herman Riethoven?” vroeg de heer Groenewald. „Welke brief?”
„Frank heeft een schrijven van zijn vriend, die in de Lampongs is, ontvangen,” antwoordde Adelien. „Dat was hij juist bezig met voorlezen, toen u heden namiddag uw kopje thee reklameerdet.”
„Is die brief lang?”
„Eene ware brochure, pa,” antwoordde Emma.
„Geef mij dan dat gedeelte, wat gijlieden reeds gelezen hebt. Dan zal ik mij daarmee bezighouden, terwijl gijlieden aan het tokkelen zult zijn, en dan ben ik straks op de hoogte.”
Een oogenblik later zat papa Groenewald in de voorgalerij in zijne lectuur verdiept, en waren de dames en de twee jonge mannen om de piano vereenigd, waarop Emma eene fraaie sonatine ten gehoore bracht.
De proef, die de controleur te doorstaan had, eindigde schitterend. Hij gaf bewijzen een virtuoos van eene [258]zekere kracht te zijn. Ook het examen, hetwelk Adelien van haren Frank afnam, viel zeer mede. Hij gaf onwraakbare bewijzen, dat èn te Rolduc èn te Katwijk het onderwijs in de schoone kunsten niet veronachtzaamd werd. Hij bracht le petit repertoire van de Lucia de Lammermoor ten gehoore, met zoo’n geestdrift en met zoo’n kunstvollen aanslag, dat de dames hem hare bewondering niet weigeren konden.
„Hij kan ook zingen,” sprak Slierendrecht, ondeugend lachend. „Laat hem de romance van: mon pauvre coeur console toi! voordragen. Heb ik het wel, dan is dat zelfs een zijner dichtstukjes—want onze Frank is ook dichter op zijn tijd—en heeft een zijner Katwijksche vrienden de melodie er voor gecomponeerd.”
Ja, na die mededeeling was er geen houden aan! Frank’s bescheidenheid raakte geweldig in de klem. Hij zag zich verplicht aan den aandrang van de dames, maar vooral van Adelien te voldoen. Hij nam na eenig tegenspartelen andermaal plaats aan de piano om zelf het accompagnement te spelen, en zong met zeer veel gevoel:
„Mon Adèle était si jolie,
Qu’en la voyant on l’adorait.
Ce serait même une folie
D’entreprendre son portrait.
D’amour vrai je brulais pour elle,
Sans autre confident que moi.
Trop discret, je perdis mon Adèle; }
Mon pauvre coeur console toi!” } bis.
„Arme stumper,” viel de heer Groenewald in, die binnen getreden was. „Trop discret, il perdit son Adè è è èle! Hij had niet meer dan hij verdiende! Komt, gijlieden hebt nu genoeg getokkeld en genoeg gemauwd. Ik ben tot zoover met Riethoven’s brief gevorderd, als Adelien mij gewezen heeft, en werkelijk dat verhaal boezemt mij [259]belangstelling in. Laten wij voor gaan zitten, dan kan mijnheer Brinkman zijne voorlezing vervolgen.”
Allen stonden op.
„Het is evenwel jammer,” zei de controleur. „Het tweede couplet is veel mooier. Daar klinkt het refrein:
„Hélas! je sens couler mes larmes; }
Mon pauvre coeur console toi!” } bis.
Frank lei den controleur eene hand op den mond, greep hem met de andere bij een arm, en trok hem zoo in een looppas naar de voorgalerij. Toen allen gezeten waren, nam hij den brief van den heer Groenewald en:
„Waar was ik ook weer gebleven?” vroeg hij.
„Toen Riethoven op den grond voortsloop, en plotseling twee glinsterende oogen boven zich zag, die hem begluurden,” antwoordde Adelien.
„O ja.… Hier ben ik er. Ik begin:
„.… uit de kruin van een boom begluurden. Een ongekend gevoel doortintelde kortstondig mijn geheele lichaam. Was dat angst? Ik durf het niet pertinent ontkennen. Een ondeelbaar oogenblik bleef ik naar die oogen, die niet hoog boven mij waren, turen. Behalve het vuur daarvan was te midden van de dichte loofkruin boven mij niets te ontwaren. Zacht verhief ik mij van den grond.… ik durfde geen gedruisch te maken.… Toen ik rechtop stond, hief ik mijn sabel op, en.… bracht in de richting van die twee vurige oogen een houw toe.… Ik raakte ook; maar slechts takken, dat voelde ik wel; maar tegelijkertijd waren de oogen weg.… Ik stond een poos te kijken als een dwaas, en wist waarachtig niet, wat ik er van maken moest, toen eensklaps iets aan mijne voeten glinsterde. Bijna was ik op zij gesprongen. Ik vermande mij evenwel, bukte en zag toen.… een allerliefst vuurvliegje153.… [260]
„Heb ik het niet gedacht?” riep Emma lachend uit. „O! die helden, die hun kruit op vuurvliegen verschieten!”
„Maar van dat oogenblik,” las Frank voort, „was het met het schieten uit. Ik stuurde mijne vangst met een korporaal ter bezichtiging aan de verschillende veldwachten. Dat was voldoende. Er werd sedert des nachts geen geweerschot meer vernomen.
„Een ander alarm, hetwelk zijne komische zijde niet miste, maar bij andere omstandigheden ernstige gevolgen had kunnen hebben, maar nu vrij beschamend voor den betrokken persoon afliep, had een paar dagen later plaats. Ik heb u in der tijd genoeg over den majoor Erwt geschreven, om u hem en zijne inspectiezucht genoegzaam te hebben doen kennen. In garnizoen was die zucht eene ware plaag voor den soldaat te noemen; hier te velde kon zij aanleiding tot een ramp gegeven hebben. Verbeeld je, beste Frank, dat terwijl de inlandsche kompagnie in veldwachten rondom den kampong Kotta Radja opgelost stond, de Europeesche voor den bataillons-kommandant inspectie over de wapening moest maken. De kompagnie stond met het geweer uit elkander, den laadstok met opgeschroefden aftrekker in den loop, en het slot in de hand aangetreden, en juist was de majoor Erwt met een allernauwkeurigst onderzoek omtrent de reinheid der wapens begonnen, toen in de beschermende schildwachten-keten eerst een schot viel, dat weldra door meerdere en eindelijk door een paar salvo’s gevolgd werd. Een troep Lampongers, die de posten-keten bedekt had trachten te naderen, met het doel om een overval van den kampong te beproeven, was onzacht teruggedreven. Maar de verwarring te schetsen, die bij de geïnspecteerd wordende kompagnie middelerwijl heerschte, is mij onmogelijk te beschrijven. In alle haast moesten de manschappen [261]hunne geweren in slagvaardigen toestand brengen, om daarna ter versterking van de bedreigde linie op te rukken. Helaas! er verschenen er, die in die oogenblikken van spanning het geheele slot kwijt geraakt waren, anderen hadden hunne schroeven verloren en zat het slot geheel los in de legering; anderen zochten naar hunnen laadstok, terwijl hij in den loop rinkelde. Er waren er, die met hun schroevendraaier manoeuvreerden, alsof zij tooveren moesten leeren. In een woord, meer dan de helft dier kompagnie kwam in onslagvaardigen toestand op het terrein des gevechts aan en zou, wanneer de vijand zijn aanval had doorgezet, in stede van ondersteuning aan te brengen, slechts oorzaak van veel verwarring geweest zijn. Nu liep alles gelukkig af; alleen de geweermaker pruttelde over het vele werk dat hem ten deel viel.
„Luitenant Denniston, ge weet wel onze reisgenoot van de Fernandina Maria Emma, zit voor den krijgsraad. Niet wegens het plegen van de een of andere berispelijke daad, niet wegens gebrek aan moed voor den vijand; maar omdat hij eenige krijgsgevangenen heeft laten ontvluchten. Hij was kommandant der bivouacswacht, en bij die wacht waren eenige Lampongers, die door patrouilles opgepakt waren, in verzekerde bewaring gesteld. Het gebouwtje, dat tot wachthuis diende, was oud en vervallen en het geheele ondergedeelte der bamboezen omwanding was verrot, en viel bij de geringste aanraking in puin. Middelen om die gevangenen het ontvluchten te beletten bestonden alleen in een paar stellen hand- en voetboeien, die wel voor Europeesche knuisten en turftrappers vervaardigd waren, maar niet voor polsgewrichten en enkeltjes, zoo als de inlanders ze hier hebben, en die de slankste schoonen hen benijden kunnen. Wel had de luitenant de gevangenen nog [262]laten binden met eene vlaggelijn, die over dag moest dienen om onze fraaie driekleur te hijschen; maar.… was dat binden niet zorgvuldig geschied? Of heeft hen iemand geholpen? Wie zal dat ooit vertellen? Genoeg zij het, dat bij een der nachtelijke alarmen over die vuurvliegjes, toen de luitenant zijne aandacht aan andere zaken te wijden had, de wachthebbende manschappen buiten het wachthuis aangetreden stonden, en de schildwacht voor het geweer wellicht ook naar iets anders tuurde, de kerels de gelegenheid te baat namen om de lijn en de boeien van handen en voeten te schuiven, en de plaat te poetsen. Nu zullen èn de luitenant, èn de sergeant van de wacht, èn de schildwacht voor het geweer zich voor den krijgsraad te verantwoorden hebben.
„Ik ben door een gelukkigen zamenloop van omstandigheden dien dans ontsprongen. Ik was reeds gekommandeerd om dien dag die wacht te betrekken, toen een mijner collega’s, die een transport koelis tot afhalen van vivres te Tjantee te begeleiden had, mij verzoeken kwam, met hem te willen ruilen, daar hij eene verwonding aan het been had, en hij zich niet ziek wenschte te melden. De ruil had plaats. Ik volbracht de wandeling naar Tjantee, drie uur heen en drie uur gaans terug, en hij trok op wacht om voor den krijgsraad te recht te komen.
„De kompagnie, waarbij ik sta, trok een paar dagen later op om de benteng154 Bandoeloe te bezetten. Deze vijandelijke sterkte was daags te voren, (16 Augustus) door eene andere kompagnie verkend geworden, en bij die gelegenheid verlaten bevonden. Onze marsch derwaarts liep eerst gedurende drie uren nagenoeg langs het strand. Frank, gij hebt de zeeboorden te Scheveningen of te Katwijk met hare kale duinkoppen gezien; [263]gij hebt het moerassige strand te Batavia met zijne poelen en plassen, met zijne biezen en waterplanten kunnen opmerken. Geen van beiden geven u evenwel een denkbeeld van wat het strand hier te aanschouwen geeft. Het land verrijst hier onmiddellijk uit zee en gaat in de hellingen over van de lengteribben van den Radja Bassa-berg. De bovenste deklaag van die hellingen bestaat uit zeer vruchtbaren grond, waardoor zich langs de zee een muur van groen vertoont, die in het water schijnt af te dalen. Ik weet niet, Frank, of gij reeds prachtige natuurtafereelen in Indië gezien hebt; uwe brieven spreken er althans niet over; maar ik had wel gewild, dat gij dien marsch naar Bandoeloe hadt medegemaakt. Ons pad slingerde te midden van een weelderig struikgewas, en onder de schaduw van zeer hooge boomen met breede en eerbiedwaardige kruinen, die door de Javaansche soldaatjes, „kemiri”155 geheeten werden. Ik heb dien naam onthouden, omdat zij, als er tijd voor was, de afgevallen noten van die boomen vergaarden, die ik rauw zeer lekker vond, maar die zij fijngewreven bij hunne toespijzen voor hun rijstmaal gebruikten. Het is mij onmogelijk om ook maar een heel klein gedeelte op te sommen van den plantenschat, die mij onder het oog kwam, maar ik geloof niet, dat er eene plek op aarde is, waar Flora op rijker en grootscher voortbrengselen kan wijzen. Het is hier de natuur, betrapt in hare volle pracht.
„Ons pad liep, zooals ik zeide, langs den zeeoever. Het was destijds eb, en eene geheele strook van het eigenlijke strand was droog, d.w.z. was toen niet met water overdekt. Het was evenwel duidelijk, dat bij vloed die strook geheel onder water stond, en dat de takken van zeer vele boomen, die aan den kant meestal in overgebogen helling groeiden, door het blauwe water [264]der zee beroerd werden. Somtijds waren wij door de smalheid van het pad, of door doornige gewassen, waartusschen het slingerde, genoodzaakt een toevlucht op dat strand te zoeken, maar zagen ons spoedig verplicht weer den vasten wal te betreden. Dat strand was overdekt met kort en klein gebroken koraaltakken, die verblindend wit niet alleen voor de oogen pijnlijk in de zon lagen te blakeren, maar die door hare scherpe kanten het gaan daarover voor de ongeschoeide voeten der Javaansche soldaten tot eene marteling maakte, maar ook de schoenen der Europeanen op eene dusdanige proef stelden, dat wij bij eenigszins voortduren van zoo’n marsch, spoedig evenzeer tot de Orde der Barrevoeters zouden behooren.
„In de plassen van dat strand, wemelde het te midden der koraaltakken van garnalen, van krabben, van kleine visschen enz. Sommige onzer Javaantjes schepten met hun etensblik in het voorbijgaan van dien buit, en niet altijd zonder goeden uitslag. Maar wij moesten voort, en werd ook al eens een kort oogenblik rust gegund, dan geschiedde dat niet op het barre strand, waar de weerkaatsing der zonnestralen door de verblindend witte koralen, de warmte onuitstaanbaar maakte, en voor de oogen nadeelig was, maar wel op een gunstig plekje onder de schaduw van den een of anderen boom met een vrij uitzicht om ons heen.
„Op dien tocht troffen wij een der lengteribben van den Radja Bassa aan, die hoog en verheven de zee naderde, daarin een voorsprong maakte, maar toen als door eene onmetelijke kracht verbroken en geknot, slechts een loodrechten muur van geelachtig grijs grofkorrelig trachiet naar de oceaan-zijde vertoonde. Onder aan den voet van dien muur lag een chaos van rotsbrokken, die, bij de onverdroten bestorming van de deining, welke [265]hoog en verheven uit den Indischen Oceaan kwam aanrollen, voor en na naar beneden gestort waren, en zoo een beschermende keten voor dat voorgebergte vormden, waarop de baren bij het laagwatertij op een kleinen afstand thans donderend braken. Over die rotsblokken voerde thans ons pad, want de gidsen verzekerden, dat over de hoogte geen pad voerde, dat daar alles wildernis was, en dat de hellingen zoo steil waren, dat aan geen beklimmen te denken viel. Laat ik hier vertellen, dat die gidsen ons misleidden, want niet lang daarna is gebleken, dat er wel een pad bestond, en een zeer bruikbaar ook, waarlangs later een vrij breeden weg in het bosch uitgekapt werd, die wel is waar op sommige gedeelten trapsgewijze opklom en daalde, maar waarvan de oorspronkelijke helling lang die moeielijkheden niet zouden opgeleverd hebben als nu dat pad langs den kokenden afgrond.
„Dat was een klim, Frank, dat verzeker ik je. Die rotsen lagen in de meest denkbare wanorde, en met de grilligheid waarmede ze door de natuur neergeploft waren. Hier stak een scherpe kant van eene rots omhoog, hobbelig en oneffen als de ruggegraat van een skelet; elders waren de hellende vlakken van zoo’n steenmassa glad geschuurd door de wrijving der golven; op andere plaatsen bestonden gapingen tusschen de steenbrokken, die een afgrond van vele meters diepte daarstelden, en toch met een koenen sprong overschreden moesten worden. Bedenkt daarbij, dat wij den gepakten randsel op den rug en het geladen geweer op den schouder droegen, twee omstandigheden, die zoo’n troep niet tot volmaakte gymnasiasten promoveerden. Maar, wat nog het ergste kon heeten, was, dat al die rotsen met een glibberig mos overdekt waren, die het gaan daarop zeer bemoeielijkte. Het was alsof men in een groenachtig slijm gleed. Wat [266]heb ik toen onze Javaansche soldaatjes met hunne bloote voeten bewonderd. Zij klemden zich met hunne teenen aan kleine oneffenheden vast, waar wij Europeanen met onze schoenzolen over heen gleden, en groot gevaar liepen te vallen. Zij konden daardoor sprongen volvoeren, waaraan wij niet denken konden. Zij lachten ons uit, waar wij struikelden en vielen; maar hielpen ons goedsmoeds weer ter been, terwijl zij ons aanrieden die akelige schoenen uit te gooien. Ik waagde er mij eindelijk aan, en ik heb er geen berouw over gehad.
„Eindelijk was die kaap niet omgezeild, maar omgetrokken, en stonden wij weer op vasten bodem. Wij hadden nu weldra kampong Oedjoeng bereikt. Daar verlieten wij het strand. Het pad, dat wij volgden, slingerde zich thans tegen de hellingen van den Radja Bassa op. Aanvankelijk liep het door pepertuinen, die zich langs de berghellingen uitstrekten en eenigermate de wijnbergen, die wij in het Luikerland wel eens te zamen bezochten, in herinnering brengen. De peper156 is eene slingerplant, die langs boomen, welke regelmatig in rijen geplant zijn, opgeleid wordt. Wij troffen het niet bijzonder. Het was de bloeitijd van de peperplanten, en de uitwasemingen der bloesems had eene zoodanige prikkelende uitwerking op onze ademhalingswerktuigen, dat wij als een lange kolonne kuchende borstlijders op het smalle pad den ganzenmarsch uitvoerden. Wij waren allen blij, dat wij de zone dier pepertuinen doorgetrokken waren; maar, toen wij de kleine kampong Kenali achter den rug hadden, traden wij het oorspronkelijke bosch binnen.
„Frank, mijn brief is al zoo lang; ik zou het geoorloofde van eene fatsoenlijke epistellengte overschrijden, wanneer ik poogde eene beschrijving van zoo’n bosch te geven. Laat het je genoeg zijn te weten, dat zoo’n [267]bosch een wereld is, die je de onmetelijkheid der schepping wondervol doet begrijpen. Daarbij, ik twijfel er niet aan, of Java zal ook nog wel van die oerwouden bezitten, en dan zult ge wel in de gelegenheid komen er een onder de oogen te krijgen.
„Het pad slingerde steil opwaarts. Nu eens liep het langs den rand van een diep ravijn, langs de boorden van een schuimenden bergstroom; later voerde het weer langs den nok van eene scherpe bergrib, en vond de voet ternauwernood plaats om neergezet te worden, terwijl aan weerszijden afgronden gaapten, waarvan de bodem niet te bespeuren was, maar die de Europeanen met duizeligheid beving, wanneer zij het waagden den blik in die diepte te werpen.
„Eindelijk vertoonde zich eene opening in het bosch, en daar voor ons vertoonde zich.…”
Juist op dat oogenblik liet zich het geluid eener tongtong hooren, die in de nabijheid van het landhuis het middernachtsuur aangaf.
„De „kedjineman”157 waarschuwt ons, dat het tijd is om te gaan rusten,” sprak de heer Groenewald.
„Dan eerst nog een walsje!” kreet Adelien.
En terwijl papa reeds de lichten in de voorgalerij uitdraaide en de bediende riep om te sluiten, bracht het lieve meisje mama naar de piano, greep daarop den arm van Frank, terwijl Emma dien van den controleur aannam, en weldra zweefden die twee paartjes op de maat van een vroolijken wals door de ruime binnengalerij van Wilatoong, en eindigden zoo op echt Indische wijze dien prettigen dag. [268]