[Inhoud]

XV.

Een nachtelijk bezoek.—Bandoeloe.—Naar den Radja Bassa-top.

Een klein kwartier later waren al de lichten gebluscht op Wilatoong, en lag het landhuis in een dichterlijken lommer, dien de rondom geplante boomen, onder het zachte licht der maanstralen op de witte muren wierpen, als geheimzinnig verscholen. Allen hadden zich in het hoofdgebouw te rusten gelegd, en genoten dien heerlijken slaap, die den bewoners van bergstreken in tropische landen zoo weldadig en verkwikkend deelachtig kan zijn. Frank Brinkman en Jan Slierendrecht hadden nog een oogenblik plaats genomen op de luiaardsstoelen, die de gemeenschappelijke voorgalerij der logeervertrekken meubelden, om van de koele nachtlucht nog een oogenblik te genieten en den zachten bloemengeur, die zich verspreidde, in te ademen. Vlak voor hunne vertrekken stond een groote prachtige „patjar tjina,”158 die den atmospheer als met reseda-geur doortrok.

Het gesprek der jongelieden liep vooral over het heerlijke dien dag genoten, over de gastvrijheid der familie Groenewald, over de lieftalligheid hunner dochters, enz. totdat ook zij begrepen, dat het tijd was om te gaan slapen. [269]

Maar Frank kon den slaap zoo niet vatten. Zijne levendige verbeeldingskracht tooverde hem voortdurend het liefelijke gelaat van Adelien voor oogen. Hij bewonderde die aanminnige trekken, die fraaie oogen; hij herinnerde zich ieder woord door haar gesproken, iederen glimlach van hare lippen opgevangen. Hij voelde den druk nog van hare lieve hand, toen die bij het walsen op zijnen schouder gerust had. O! die bekoorlijke leest van het jonge meisje rustte nog in zijn arm, toen zij met licht achterovergebogen hoofd, en met zacht geopende lippen hare oogen onafgewend in de zijne spiegelde, terwijl haar blik daarbij van grenzenlooze liefde getuigde. Was het wonder, dat met zulke beelden in het hoofd, de slaap den jonkman niet kon naderen? En van Adelien voerden hem zijne gedachten naar de toekomst. Of beter, het lieve meisjeskopje weerde zich met die toekomst tot een ideaal te zamen. O! wat zouden zij vereenigd gelukkig zijn! Dat landleven, ja, daarvan had hij nog niet veel gezien; maar dat zou aan hare zijde verrukkelijk wezen! Zij zouden … ja, maar Emma? Och, dat Herman haar nu zoo in haar huishoudelijk gedoente eens te zien kreeg. Of die ijskorst dan niet smelten zou? Wel zeker zou dat, daar was hij zeker van. Die Maastrichtsche.…

En zoo droomde hij met open oogen voort, terwijl hij zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde wentelde. Neen, zijn verbeelding was nog te opgewekt om hem rust te laten genieten. Hij dweepte steeds voort en.…

Maar wat was dat?.… Een licht geritsel liet zich hooren.… zoo zacht, zoo onbestemd, dat hij geen naam kon geven aan hetgeen hij waarnam. Hij lette er dan ook verder niet meer op.

„Wellicht het geritsel van de avondbries,” had hij in zichzelven gezegd.…. „Juist, die Maastrichtsche hartstocht zou wel op den achtergrond raken.… Wellicht [270]is Lydia reeds getrouwd?.… Wellicht heeft ze reeds een.… Daar hoor ik het weer.… en nu duidelijker.…”

Werkelijk, het geritsel was langzamerhand vervangen geworden door een geluid, dat op een krabben of op een schrapen geleek. Dat geluid begon Frank’s aandacht te boeien. Hij hield zich doodstil. Dat krabben en schrapen kwam nader, hield somtijds op, om na verloop van een tiental minuten, die den jonkman wel een uur toeschenen, andermaal te beginnen. Maar telkens was het alsof het geluid dan weer dichterbij was.… Eindelijk ging Frank zich verbeelden, dat het geluid in zijne kamer geboren werd. Het nachtlampje brandde rustig op zijn nachttafel, verlichtte vrij wel de ruimte voor zijn ledikant, maar liet de stroken aan het hoofden- en voeteneind geheel in het donker. Hij lichtte het hoofd zachtjes op, keek rond; maar zag niets.… Toch beweerde hij, dat het gerucht zijn oorsprong in zijn vertrek had. Hij zette zich langzaam, bijna onmerkbaar overeind, en verliet in alle stilte het bed. Zacht vooruittredende, doorzocht hij het vertrek, maar vond niets verdachts.… Hij ging weer liggen, en keek scherp uit.… Eensklaps meende hij, dat een der roode tegels, waarmede zijn vertrek bevloerd was, die daar buiten de grens der rottanmat, die voor zijn bed gespreid lag, aan het hoofdeneind van zijn ledikant, bewoog.

„Dat is slechts verbeelding,” sprak hij zich toe. „Hoe zou die tegel bewegen kunnen? Het is om te lachen! Wat scheelt mij toch? Het is.….”

Daar verdween plotseling diezelfde tegel, waarop de jongman het oog strak gevestigd hield, niet zonder gedruisch in de diepte. Maar tegelijkertijd sprong hij ook op, greep zijn sabel, dien hij uit de scheede trok, en vatte post bij het hoofdeneind van zijn ledikant, waar hij in het donker stond, maar tevens het volle gezicht had op en [271]in de nabijheid was van het pas ontstane gat. Zijn geduld werd evenwel op eene harde proef gezet; want het eene kwartier verliep voor en het andere na, zonder dat het minste gerucht vernomen werd. Eindelijk begon Frank zich te verbeelden, dat het gat toevallig, ja, op natuurlijke wijze ontstaan was.… Kon het niet zijn, dat de vloer uitgehold was door de mijngangen van witte mieren?.… Ja, zoo was het, en.… reeds wilde hij zijn sabel opbergen, terwijl hij om zijn eigene beangstheid, zooals hij dat noemde, lachte, toen plotseling een verdacht geritsel zich weer hooren liet.…

Frank stond andermaal stil als een beeld in de schaduw van zijne klamboe, en keek scherp in de holte van het ontstane gat. Aanvankelijk zag hij niets dan eene zwarte diepte, die hem als aangluurde. Eindelijk meende hij zich iets in die donkere ruimte te zien bewegen. Hij kon nog niet ontwaren wat het was.… Maar daar steeg in den lichtenden hoek, die door het nachtlampje bij den rand der opening geworpen werd.…

„God in den hemel! een menschenhoofd! Ja waarachtig! Dus een dief! Wacht, kerel!”

Maar het hoofd bleef een wijl met de monding van het gat gelijk. Het was alsof de drager van dat hoofd zich bezon. Frank stond klaar met den sabel in de hand, en wachtte in de grootste spanning.… Daar bewoog het hoofd weer.… o, het lange sluike haar van een inlander was reeds duidelijk te erkennen. Het hoofd was reeds ter halverwege buiten de opening. Frank wachtte nog.… hij zou zijn slag op den nek toebrengen!.… Nog eene sekonde, daar sloeg hij eindelijk toe.… en met zoo’n kracht, dat het hoofd met kletterend geluid over den tegelvloer rolde, terwijl een kreet zich in het hol onder den grond liet hooren.

Brinkman sprong toe, en greep dat hoofd.… Maar[272].… wat was dat? Hij had eene leege klapperdop in de hand, waarop eene soort pruik van „idjoh”159 geplakt was. De inbreker had een der gebruikelijke listen gebezigd, om zich te overtuigen, dat in het vertrek, waarin hij trachtte te komen, geen onraad was.

Half suf stond Frank Brinkman zijn buit een oogenblik aan te staren. Eindelijk begreep hij de list, en barstte nu in een luid gelach uit, dat hem een knorrig:

„Wat drommel, hebt gij zoo midden in den nacht te lachen? Gij belet mij te slapen,” van zijn buurman op den hals haalde.

„Mijnheer Slierendrecht!” riep hij. „Kom eens kijken.…. Neen, toe kom toch! Er is voor u wat aardigs te zien.… Wezenlijk, het is de moeite waard.”

Een oogenblik later verscheen Jan Slierendrecht met slaperige tronie, die evenwel ophelderde, toen hij het gat in den vloer zag.

„Drommels! eene poging tot inbraak!” zei hij. „Eene politiezaak! ik ga dadelijk aan het verbaliseeren! Dat is juist een kolfje naar mijn hand.”

„Eene poging tot inbraak?” vroeg Frank. „Om wat te doen?”

„Wel om u te bestelen!”

„Mij te bestelen?.… Ha, ha, ha, ik had het gezicht van den dief wel eens willen zien, op het oogenblik, dat hij, bij welgelukken van zijne poging zijn buit zoude nageteld hebben. Dat zou werkelijk een wonderschoon beeld weergegeven hebben van: den dief bestolen. Een onderofficier van het Nederl. Indische leger bestolen! Neen, de gedachte alleen is kluchtig! die dief … Maar … ik bedenk mij daar … zou hij zich ook van kamer vergist, en het op uwe portemonnaie gemunt hebben?”

„Inbreken bij een civiel ambtenaar!”… sprak Jan Slierendrecht met waardigheid. Den nieuw benoemden [273]toean controleur bestelen!… dat durft geen inlander. Daartoe wordt hij te zeer door het prestige van den Nederlandschen ambtenaar beheerscht. Ik vind het al schrikkelijk, dat zoo eene poging bij een mijner vrienden, in de kamer naast de mijne aangewend wordt. Maar, ik zal verbaliseeren!… en wee den snoodaard!”

„Jawel! dat’s goed,” zei Frank, ietwat verbluft door den solemneelen toon van den controleur, en niet minder door dat bewijs van de werking van dat prestige, dat een dief er toe bracht bij een onderofficier in te breken, waar zeer weinig of niets te verwachten was, en de kamer te ontzien van den prestige-wekkenden ambtenaar, waarbij meer buit te verwachten was.

„Jawel, dat’s goed. Maar, met die gekheid heb ik nog niets geslapen. Over een paar uren breekt de dageraad aan, en dan is het reveille. De afspraak is immers, dat wij met de dames naar het meer zullen gaan. Als wij nu gedurende die paar uurtjes slapen?…”

„Ook goed,” sprak de controleur. „Ik zal morgen een expresse naar Magettan afzenden, om den Regent op te roepen. Wij zullen die zaak toch wel tot klaarheid brengen en den dief pakken! Dat verzeker ik u!”

De beide vrienden namen eenige voorzorgen, om een tweede bezoek van den dief te verijdelen, hoewel dat niet meer te verwachten was, nu zijn mijngang, dien hij van buiten onder de fundeering van den buitenmuur doorgegraven had, ontdekt was. Zij draaiden de tafel van Frank’s kamer om met de vier pooten in de lucht, en met het blad op het ontstane gat. Daarna plaatsten zij een der pooten van het ledikant op dat tafelblad, waardoor dat gat niet te bezigen was, zonder de slaapstede te bewegen.

Frank sliep dan ook een kwartier later den onbezorgden slaap der jeugd. Hij had evenwel zijn uitgetrokken sabel naast zich in het bed genomen. [274]

De jonge dames lachten Frank des morgens dapper uit met de vreemdsoortige onthoofding, die hij verricht had.

„Als gij op het veld van eer klappers afslaat, in stede van „brandal’s”160 te raken,” spotte Emma, „zullen de vijanden er wel bij varen, maar geen lauwerkroonen zullen dan uw hoofd versieren.”

„Een weinig te driftig geweest,” zeide de heer Groenewald.

„Te driftig? Hoe bedoelt gij, mijnheer?” vroeg Frank.

„Gij hadt nog moeten geduld oefenen. Dan hadt gij die klapperdop, die met geen ander doel uit dat gat omhoog gestoken werd, dan om hem, die waakzaam in dat vertrek mocht zijn, tot een voorbarigen aanval te verlokken, zien verdwijnen, waarna eindelijk het hoofd van den dief met de noodige behoedzaamheid te voorschijn ware gekomen. Dan ware het tijd geweest om toe te slaan.”

„Nu, ik ben maar wat blij, dat de zaak zoo afgeloopen is,” sprak Adelien gevoelig.… „God, wat ijselijke gebeurtenis ware dat geweest, wanneer er bloed vergoten, wanneer die sabelslag op een menschelijk lichaam ware te recht gekomen.”

„Maar een dief, juffrouw Adelien.…” bracht Jan Slierendrecht in het midden, „is die uw mededoogen waard?”

„Een dief, die wellicht uit gebrek steelt, wel zeker. Die wellicht eenige guldens trachtte meester te worden om zijne kinderen te kleeden, om hen wellicht voedsel te geven.”

„Of om wellicht naar de amfioenkit te gaan?” klonk twijfelachtig uit des ambtenaars mond.

„Ja, zeer mogelijk, maar ook dan nog verdient de ongelukkige diep medelijden!” antwoordde het jonge meisje met hartstocht. [275]

„Medelijden, juffrouw Adelien!” riep de ambtenaar met afgrijzen.

„Zeker, medelijden! mijnheer Slierendrecht. Want de ongelukkige gehoorzaamt dan nog maar aan de inspraken van den hartstocht, waartoe hij verlokt en verleid werd, ter wille van de rijke inkomsten, welke die vergiftiging van een geheel volk aan de Nederlandsche schatkist bezorgt!”

Het gelaat van het lieve meisje gloeide van verontwaardiging bij het uitspreken dier woorden. Hare anders zoo lieve zachte blauwe oogen schoten thans vuur. Met de houding eener koningin richtte zij thans hare anders zoo van zachtmoedigheid getuigende gestalte op. Jan Slierendrecht boog het hoofd. Zoo baar was hij niet meer in Nederlandsch Indië om niet te begrijpen, dat hij hier uiterst onhandig een argument aangehaald had om den dief te verzwaren, hetwelk als verlichtende omstandigheid bij ieder weldenkende moest dienen. Zoo’n nieuweling was hij niet meer om niet te weten, dat het opiummonopolie de vloek der Nederlandsche koloniale staatkunde is, en dat iedere beschuldiging deswege, hoe bar ook klinkend, den vaderlandlievenden Nederlander het hoofd moet doen buigen, om den blos van schaamte te verbergen, die onmiskenbaar moet te voorschijn treden, wanneer dat onderwerp aangeraakt wordt.

„Nietwaar, mijnheer Slierendrecht?” smeekte het jonge meisje, toen hare zachtere geaardheid de overhand weer hernomen had, terwijl zij beide handen naar den jongman uitstak, „niet waar, gij zult medelijden met den schuldigen hebben, wanneer hij uit nood tot het plegen zijner euveldaad overging, en gij zult bij den „rappat”161 verzachtende omstandigheden bepleiten, wanneer het amfioenschuiven de grondoorzaak van den diefstal is.”

„Ik voeg mijne smeekbeden bij die mijner zuster!” [276]zei Emma aangedaan, terwijl ook zij den controleur hare hand toestak.

„Dat beloof ik,” sprak Jan Slierendrecht, terwijl hij die twee handjes met warmte drukte. „Maar.… daarom mag ik eed en plicht niet vergeten. Mij is eene poging tot inbraak met ondergraving van een muur ter kennis gekomen. Ik ben verplicht alle moeite aan te wenden om den schuldigen op te sporen. Ik heb dan ook reeds mijn brief gereed om den Regent op te roepen, ten einde een nauwkeurig onderzoek in te stellen. Mag ik u verzoeken, mijnheer Groenewald, dat schrijven door een uwer bedienden naar Magettan te laten brengen?”

Emma klapte in de handen.

„Dat ’s heerlijk! Dan komt de Regent in dienst, dat kan en mag hij niet uitstellen. Ik ga dadelijk een briefje aan den zoutverkooppakhuismeester schrijven, dan komt die mee, en dan heeft papa zijn partijtje van avond.”

„Maar het onderzoek?” vroeg Adelien angstvallig.

„Och, dat zal wel „koerang trang” (niet helder, niet uit te wijzen) blijven, zusje lief, laat mij daar maar voor zorgen. Ik zal den ouden Regent wel bewerken,” antwoordde Emma.

Weinige minuten later was het geheele gezelschap, op papa Groenewald na, die te huis bleef, op weg naar Telogo Passir, om zich met het voorgenomen zeilpartijtje te vermaken. De heeren hadden ieder een jachtgeweer van het wapenrek van den landheer medegenomen; ook gingen ettelijke Javanen ter begeleiding mede, die met „toembakh” (lans) en „parang” (zwaard) gewapend waren. Men kon toch niet weten. In dat gedeelte van het zoo woeste Lawoe-gebergte, zoude eene ontmoeting met een tijger niet tot de onmogelijkheden behooren. Maar niets verdachts werd ontwaard. Het was eene aangename wandeling door de koffietuinen, die alleen door de klimming [277]van het terrein eenigszins bemoeielijkt werd. Maar wij weten het, de wegen slingerden zigzagsgewijze tegen de scherpe hellingen op, waardoor groote vermoeidheid ontgaan werd. De zon was nog niet ter kim, toen de dessa Sarengan bereikt werd, die op de nok van het ringgebergte van het meer gelegen was. De helling van dien binnenwand was snel afgedaald, en een oogenblik later had een sloep den oever verlaten en stevende onder den invloed van een lichte morgenkoelte, die de zeiltjes zacht vulde, naar het midden van het meer.

„Amis! la matinée est belle!”

zong Slierendrecht met heldere stem en wekte de echo’s der omringende bergen wakker. Na hem droeg Frank het

„Auf der Alma (bis) ist’s so herrlich, ist’s so schön!”

voor; en toen hij aan het einde van ieder vers het zoo fraaie joedelrefrein uit volle borst uithaalde, en over de watervlakte liet weergalmen, was het of honderden stemmen die fraaie klanken aan den oever herhaalden. De beide meisjes klapten in de handen van vergenoegen. Maar ook zij lieten zich niet onbetuigd, en weldra lieten hare lieve stemmen, Emma’s diep gevoelvolle alt en Adelien’s zachte maar uiterst zuivere sopraan, zich op hare beurt hooren.

Inmiddels klom de dagvorstin boven den oostelijken nokrand van het omliggend gebergte, verguldde het woud aan den tegenovergestelden kant, terwijl het bosch, dat aan den zonnekant den meerbekkenrand bekleedde, in een donkere schaduw bedekt bleef, totdat de zon eenigszins hoog boven dien rand gestegen was. Frank had het roer gegrepen, en met de zuidelijke bries gelaveerd om het midden van het meer te bereiken. Het water [278]had eene blauwe tint en was zoo helder, dat, hoe diep het meer ook op sommige plaatsen was (120 voeten), overal de zandige bodem, hier en daar afgewisseld met kalk- en trachietrotsen, duidelijk zichtbaar was. Daar er niet geroeid werd, en de boot slechts zacht en kalm door den wind voortgedreven werd, vertoonden de visschen, waaraan het meer zoo rijk was, zich onbeschroomd in de nabijheid. Belangstellend bogen de opvarenden zich over boord om de bewegingen der levendige dieren in het heldere water te volgen.

„Ziet,” riep Adelien, „daar hebt ge eenige goudkarpers.” „Sariman, namanja apa itoe ikan?” (Sariman, hoe heeten die visschen?)

Sariman was een der bedienden van het landhuis. Hij met eenige zijner landgenooten hadden plaats in het schuitje genomen, om bij de behandeling der zeiltjes behulpzaam te zijn, ook om te roeien, wanneer de wind vallen mocht.

Itoe, oelam emas,162 nonna.”

„Kijk, daar schiet eene geheele school tambra’s,”163 riep Adelien. „Hemel, wat zijn die groot!”

„En daar een zestal goerami’s”.164

„Kijk, die goudvisschen eens wegschieten!” riep Frank. „O! nu zie ik waarom; kijk, die roofvisch zit hen achterna. Wat is dat voor een visch, juffrouw Adelien?”

De vraag werd aan Sariman overgebracht.

Itoe, kilaling165 nonna. Tjelakka dia, sebab makan banjak ikan.” (Dat is eene kilaling, juffrouw. Hij is een ramp, want hij verslindt veel visch).

Zoo hield ons gezelschap zich een tijd bezig. Maar eindelijk was ook van dat zeiltochtje het nieuwtje af. De zon was al hooger en hooger geklommen en begon hinderlijk te worden. Op een wenk van mevrouw Groenewald zette Sariman de zonnetent uit. [279]

„En nu,” sprak Adelien, „zou Frank gevoegelijk met de voorlezing van den brief van Riethoven kunnen vervolgen.”

„Ja, dat is goed.… Uitmuntend!” was aller instemming.

„Als ik hem maar bij mij heb,” zei Frank, terwijl hij ijverig in zijne zakken tastte. „Met die malle klapperonthoofding zou het.… O, daar heb ik mijne portefeuille! Luistert, ik loop van stapel!”

„… Eindelijk vertoonde zich eene opening in het bosch—juist, daar was ik gisteren avond gebleven,” viel Frank zich zelven in de rede, „toen de katjesman.…”

„De katjesman?”.… vroeg Adelien verwonderd.

„Ja, die man, die op de tongtong sloeg.”

„De kedjineman, ongelukkige!”

„Nu dan, toen de kedjineman ons naar bed joeg;… in het bosch en daar voor ons vertoonde zich eene borstwering voor ons oog, die de geheele breedte van de bergrib, die wij bestegen, innam en aan weerszijden aan de duizelingwekkende diepte leunde. Keek men in die diepten, dan zag men op de kruinen van uitermate hooge boomen neer, die met de struiken en ruigten daar eene wildernis vormden, die eene omtrekking langs die schier loodrechte hellingen onmogelijk maakte. Had de vijand dat punt verdedigd, Frank, dan had het bloed, zeer veel bloed gekost om het te bemachtigen. Maar zoo als ik reeds verteld heb, daags te voren was het reeds verlaten geworden. Wij trokken die borstwering langs of beter door, die eigenlijk maar een voorwerk vormde; want van af dat punt breidde zich het vlak der bovenbedoelde bergrib uit, en kwamen wij een honderd passen verder aan eene tweede borstwering, die thans een onregelmatig berg vlak aan de voor- en achterzijde omgaf. Aan de westzijde bestond zij uit [280]een aarden wal van een paar meters dik, tusschen bamboezen binnen- en buitenomwandingen loodrecht opgezet. Aan deze zijde was niet veel gevaar te duchten, daar de westzijde door het voorwerk gedekt was, en daarenboven eene berggraat bestreek, waarop een aanvaller zich slechts in een zeer smal front kon ontwikkelen. De noord- en zuidzijden waren door geene omwalling gedekt. Daar verhief de berghelling zich bijna loodrecht boven de vlakte, waarin de grootste boomen als kinderspeelgoed schenen. Ik ben overtuigd, dat zelfs de apen nimmer beproefd hebben Bandoeloe aan die zijden te beklimmen. Maar langs de oostzijde, waar het plateau, waarop de benting lag, in de verdere hellingen van den Radja Bassa-berg overging, en waar dus een aanvallende vijand zijne macht ontwikkelen kon, was eene buitengewone sterke borstwering aangelegd. Deze bestond uit op elkander gestapelde rotsmassa’s waarvan de tusschenruimten met aarde aangestampt waren, die een hoogen wal vormden met naar buiten gerichte zeer scherpe helling, aan welker voet bovendien nog een vrij diepe droge gracht gegraven was. De borstwering had een zeer breeden basis, zeker wel 20 of 25 M., en waren in het binnentalud, dat vrij glooiend verliep, drie banketten gespaard, waarop schutters geplaatst konden worden, die door bamboekokers, dwars door de dikte der borstwering aangelegd, konden vuren. Wel is waar, was door zoo’n inrichting het schootsveld zeer beperkt, maar daartegenover stond, dat de verdedigers volkomen gedekt stonden tegen horizontale vuren; terwijl daar geen zwaar geschut te brengen was, om die borstwering in bres te leggen, altijd rekening houdende met de middelen, waarover wij te beschikken hadden. Nogmaals, wanneer de vijand hier ernstig weerstand geboden had, dan had het nemen van Bandoeloe [281]ons op zeer groote verliezen te staan gekomen, want de aanvalbare zijde van het werk was daarenboven zooveel mogelijk stormvrij gemaakt, door „randjoe’s”166 en „borangs”167 waarmede de omtrek rondom het werk op aanmerkelijken afstand beplant was.

„Van de bewapening van Bandoeloe kan ik niet veel mededeelen. Wij hebben er geen geschut in gevonden. In het voorwerk evenwel waren drie geschutstellingen aanwezig. Van spionnen werd vernomen, dat de vijanden bij het verlaten van de sterkte hunne kanons hadden medegevoerd. Wij vonden nog ettelijke sigarenvormige mandjes van gevlochten bamboe, die met stukgeklopte steenen gevuld waren, en dus als kartetsen dienst moesten doen. Ik heb ook een paar geweerkogels in mijn bezit gehad, die er volmaakt als een onzer projectilen uitzagen, maar uit een van koraalsteen geslepen knikker bestonden, met een dun laagje tin overdekt.

„Bandoeloe is een waar adelaarsnest. Het ligt volgens deskundigen op ongeveer 1800 voet boven de oppervlakte der zee, en daar men de zee om zoo te zeggen aan zijne voeten ziet, en men als het ware er over zweeft, is de vergelijking met een adelaarsnest niet onjuist gekozen. Van het uitzicht over de straat Sunda zal ik zoo dadelijk, want ik ben hooger geklommen en heb den Radja Bassa-piek betreden, spreken.

„Bijna iederen morgen bij ons ontwaken, ontwaarden wij op de hellingen van den berg eene dampopstijging, die het beste te vergelijken was bij eene stoompluim, die uit eene kolossale afvoer-buis van een machtigen stoomketel ontsnapte. Dat verschijnsel duurde zoo omstreeks tot 10 uur in den morgen, waarna het verdween. Allen waren wij nieuwsgierig, wat dat zijn kon, en ik hoorde nu en dan de officieren de meening uiten, dat daar ergens een krater moest bestaan. De afstand van dat punt tot Bandoeloe [282]was niet groot, zoodat ik dan ook herhaaldelijk het verlangen hoorde uiten, die plek te mogen bezoeken. Eindelijk gaf onze kapitein aan dat verlangen toe. Een luitenant zou met dertig vrijwilligers derwaarts gaan, en van zijn bevinding rapport uitbrengen. Hoewel al mijn collega-onderofficieren zich met mij voor dien tocht hadden aangemeld, koos de luitenant mij uit om hem te vergezellen. Met het krieken van den dag waren wij op weg, en het kon zoo omstreeks acht uur zijn, toen wij ons doel genaderd waren. Een gids of zoo iets hadden wij niet bij ons. Wij waren eenvoudig een vrij bruikbaar pad gevolgd, dat ons van tijd tot tijd een uitzicht ruim genoeg verleende, om ons te vergewissen dat wij in de goede richting bleven; terwijl wij overigens op het kompas van den luitenant marcheerden. Het schouwspel was grootsch, hetwelk wij tot belooning van onze inspanning voor oogen kregen. Aan onze voeten gaapte een trechtervormig gat van eene middellijn aan den bovenrand van ongeveer 150 meter. De bodemvlakte, die op ongeveer 50 à 60 meter beneden ons lag, was zeer hobbelig, en droeg, van boven af gezien, wel sporen van eenmaal in gesmolten toestand verkeerd te hebben, terwijl hier en daar rotsblokken met scherpe kanten verspreid lagen, die klaarblijkelijk van de wanden waren afgestort. Die wanden waren, evenals de bodem, geheel naakt; men kon de twee of drie verschillende lagen waaruit zij bestonden, door verschil van kleur van het donkergrijze naar het lichtgrijze, duidelijk onderscheiden; terwijl hier en daar bij uitstekende rotsgedeelten, witte of gele plekken bespeurd werden, die op neerslagen van aluin of van zwavel duidden. Tusschen twee kolossale rotsblokken spoot een machtige stoomstraal, met een geluid alsof wel honderd locomotieven stoom afbliezen, uit den bodem, en deed den ketelrand, waarop [283]wij stonden, trillen van het geweld, waarmede die ontlasting plaats had. Het was niet mogelijk elkander toe te spreken, zoo krachtig was het geluid.

„Ja, daar stonden wij dat bekken en die stoompluim aan te staren, maar beneden komen konden wij niet. Hadden wij eenige vlaggelijnen meegenomen, dan.… maar wij hadden ze niet. Dat was wel jammer! Want al ben ik geen geoloog, toch had ik den bodem van dien kleinen krater wel hebben willen betreden, en die stoomontlastingsbuis van nabij naderen.

„Toen wij onze teleurstelling volop genoten hadden, stelde ik den luitenant voor den Radja Bassa-top te beklimmen. Ziet, die kegelvormige spits lag daar zoo uitlokkend voor ons. De helling scheen niet te steil. Het plantenkleed niet al te dicht, terwijl het pad verleidend zacht omhoog slingerde. Het was daarenboven nog zoo vroeg, dat het wel bespottelijk zoude zijn nu reeds terug te keeren, terwijl wij toch voor den avond te huis zouden zijn. In het kort, de luitenant liet zich bepraten. Aanvankelijk was het klimmen ook niets moeielijk; maar langzamerhand werden de hellingen scherper en wel soms zoodanig, dat wij op handen en voeten moesten klauteren, waarbij wij ons hier van een tak, elders van een wortel, dan weer van een vooruitspringende rots moesten bedienen, om ons naar boven te hijschen. Hijgend en afgemat kwamen wij zoo tegen twee uur op den bedoelden top aan.168 Merkwaardig viel het ons, dat, terwijl de weelderigste plantengroei ons op ons pad vergezeld had, de top en de helling, tot ongeveer 300 meter daar beneden, bijna kaal genoemd kon worden, en slechts met een stekelig kort gras bedekt was, dat niet vertikaal opschoot, maar horizontaal vertakt over den bodem kroop. Die top had eene oppervlakte die onregelmatig was, maar den ovaalvorm naderde, [284]in zijne grootste lengte 120 en in zijn grootste breedte 80 pas mat, en lichtelijk van het oosten naar het westen helde.

„Maar, Frank, wat een gezicht spreidde zich daar onder onze voeten uit! Naar het noorden, het oosten en zuidoosten waarde ons oog over een bergachtig landschap, hetwelk wij van ons standpunt geheel beheerschten, en dat ons een beeld van woestheid voorspiegelde, dat moeielijk te overtreffen zal zijn. De hoogten stapelden zich op, verdwenen weer in peilloos diepe ravijnen, en waren niet ongelijk aan reusachtige golven eener woest aanstormende zee, die plotseling in volle beweging verhard, versteend zouden zijn, en daarna met de schatten van het plantenrijk overtogen waren geworden. In engeren kring was het of die golven, opvolgend hooger wordende, naar den Radja Bassa-top opsteigerden, alsof zij hem, den reus, bestormen wilden. Iets verder af vormden de bergribben afzonderlijke stelsels, die weer uit middenpuntig uitstraalden. Maar aan de west- en aan de zuidzijde flonkerde de zee onder de zonnestralen, en vertoonde van daar boven afgezien een helderen spiegel, die met een blauw doorzichtig waas overtrokken scheen te zijn. Dat spiegelvlak bewoog evenwel lichtelijk als het lichte lijnwaad op de borst van een gerust slapend kind. Duidelijk zag men het vlak in- en opbuigen, terwijl de beweging voortrolde tot daar diep beneden tegen het strand, waar de bolvorm in een sneeuwwitte massa brak, dat strand met een helder glinsterende zilveren franje omzoomde, terwijl een oogenblik later een zware toon, aan den verwijderden rollenden donder gelijk, naar boven steeg, en het zijne er toe bijbracht om onze bewondering ten hoogste te spannen. De geheele Straat Sunda lag daar voor ons open, terwijl ons oog de Lampong-baai in hare geheele uitgestrektheid kon peilen. [285]Op de gladde spiegeloppervlakte van die Straat spreidde zich daar de drie-eilanden-groep Poeloe Tiga aan onze voeten uit, als een mandje met uiterst teer siergroen gevuld. Iets verder zuidwaarts, verhieven zich de eilanden Seboekoe en Sebessi,169 waarvan het eerste een grilligen vorm op het vlak der blauwe zee vertoonde, en het andere zijnen fraaien regelmatigen kegel in de blauwe lucht verhief, en daar nog verder het eiland Krakatoea,170 dat zich met zijne verbrokkelde noordelijke massa en zijn zuidelijker vulkaantop helder tegen de blauwe lucht afteekende.

„In het zuiden, daar ver bij den horizon verscheen de Java-kust als een donker blauwe band, terwijl aan den westkant de eilandengroep van Lagoendi zich helder ontwikkelde, en daar achter het gebergte, dat de oostzijde der Lampongbaai omzoomt, duidelijk in al deszelfs grilligheid te voorschijn trad. Daar achter verhief zich de Keizerspiek statig en vol majesteit.

„Maar.… maar; terwijl wij die natuurpracht stonden, of liever uitgestrekt op het gras lagen te bewonderen, had zich gluipend een kring van wolken om den Radja Bassa getrokken. Terwijl wij in verrukking naar het westen stonden te turen, waren de uitdampingen van zee en bodem onder den invloed der zonnestralen naar omhoog gestegen, en hadden zich nu, in de koudere luchtlagen aangekomen, aan de oostelijke zijde van den berg verdikt, en omgaven den reus nu met een krans van helder witte wolken. Wij waren evenwel nog te vermoeid, om dadelijk reeds aan den terugtocht te denken. Toen wij evenwel eenigszins uitgerust waren, was het tooneel, dat wij straks zoo bewonderd hadden, geheel van natuur veranderd, of beter gezegd, daar was niets meer van te ontwaren.…”

„Dan is het net als wij nu,” viel mevrouw Groenewald [286]den lezer in de rede. „Kijkt, de hemel is betrokken. Het is tijd om naar den wal te zeilen. Het is de vraag, of wij nog wel droog te huis zullen komen.”

Aan dien wenk gehoorzamende, liet Frank de sloep, die scherp bij den wind zeilde, afvallen. De bries was evenwel aangewakkerd, zoodat de terugkeer naar het punt van afvaart spoedig volbracht was. Door de zorgen van den heer Groenewald stond daar het noodige aantal rijpaarden klaar. Allen waren spoedig in het zadel, en nog voor dat de bui losbarstte, was Wilatoong bereikt. [287]