Toen het gezelschap te huis kwam, waren de Regent en de zoutverkooppakhuismeester reeds aangekomen. Zij hadden de brieven van den controleur en van juffrouw Emma onder weg ontvangen; want beide heeren hadden van de morgenkoelte gebruik willen maken om Wilatoong te bereiken, waarheen zij gingen, om hun woord aan de oudste dochter des huizes in te lossen. Juist had papa Groenewald een speeltafeltje laten gereed zetten om een gezellig ombertje te maken.
„Daar heb je die spelbrekers!” riep hij, toen hij zijne vrouw en dochters met de twee heeren zag.
„Ja, nu gaat dienst voor!” riep de controleur. „Nietwaar, Adipati?”
„Saja toean!” (ja, mijnheer), antwoordde de Regent.
„Dan maar aan het verbaliseeren!”
Frank werd ernstig ondervraagd. De plaats van het gebeurde des nachts nauwkeurig bezichtigd, de omtrek scherp onderzocht, en de plek opgespoord, waar de mijningang was aangevangen. Dat gaf geen licht. Dat gat werd buiten bevonden aan den voet van den rechtergevel. Den bedienden werd een ernstig verhoor afgenomen, waaruit ook geen licht te voorschijn trad. [288]
„Wel, Radhen Adipati!” vroeg Emma aan den ouden Regent, „hebt gij wat ontdekt?”
„Tida nonna, koerang trang!” (Neen juffrouw, niet uit te wijzen) antwoordde de inlandsche hoofdambtenaar.
Zijne schoone toespreekster kon een glimlach niet weerhouden. Het was juist het antwoord, hetwelk zij des morgens voorspeld had.
Een oogenblik later regende het dat het goot; maar de jonge dames zaten met haar mama en twee jongelieden heel gezellig in een hoekje van de voorgalerij van het landhuis; terwijl de drie andere heeren hun voorgenomen ombertje begonnen.
„Een uitstekend oogenblik om Riethovens brief ten einde te brengen,” meende Emma.
„Ik hoop het, want daar is nog wat aan te lezen,” antwoordde Frank met een glimlach, en naar Adelien en hare mama kijkende als om toestemming te erlangen.
Toen die volgde, haalde hij zijne brochure, zooals hij Hermans brief noemde, te voorschijn en vervolgde:
„.… was het tooneel, dat wij straks zoo bewonderd hadden, geheel van natuur veranderd, of beter gezegd, daar was niets meer van te ontwaren. Het wolkendak, dat eerst den Radja Bassa top als met een krans omgaf, had zich beneden ons uitgebreid en zich tusschen ons en de aarde geschoven. Boven ons vertoonde zich de lucht helder blauw, en scheen de zon zoo vriendelijk mogelijk, terwijl beneden ons zich eene gordijn uitspreidde, die niet beter vergeleken kon worden dan met eene zoldering van opeengestapelde monsterachtige witte katoenvlokken, ieder wel in omvang van tien of twaalf balen van die vlokkige stof, waarop de zon, schitterend weerkaatsende, de grilligste schaduwen tooverde. De top, waarop wij stonden, stak ongeveer twee honderd meter boven die wolken-massa als een eiland uit. Overigens [289]was van het geheele aardrijk niets meer te ontwaren.
„Het zou gevaarlijk zijn om thans naar beneden te gaan,” sprak de luitenant. „Daar onder ons moet thans een ontzettend dikke nevel hangen.”
„Wij bleven dus boven. Maar terwijl wij dat nieuwe tooneel bewonderden, flikkerde eensklaps onder onze voeten een felle bliksemstraal, die door de dichte wolkenmassa schoot, waarop een grommig dondergeratel weerklonk. Het waren geen slagen, die wij hoorden, het was meer het geluid, alsof men met geweld zeildoek scheurde, toch was er iets dofs in dat geluid, en soms was het of een aantal tamboers een roffel op hunne ongespannen en met rouwfloers overdekte trommen sloegen. Na dien eersten bliksemstraal volgden er meer. Soms zoo schielijk op elkander, alsof een gecompliceerd vuurwerk afgestoken werd, hoewel veel daarvan door het helder schijnen der zon voor ons verloren ging. De donder rolde soms onafgebroken voort, maar steeds dof en zonder scherp afgebakend geluid. Wat zich scherper liet hooren, dat was het geluid van den vallenden regen, die kletterend op de bladeren der onder ons staande maar onzichtbare boomen viel, en daarbij het geluid maakte van erwten die op eene dunne plank tikten.
„Maar Frank, wat eene bijzondere gewaarwording, die ik ondervond, toen ik het daar onder mijne voeten hoorde en zag onweren, terwijl een onbewolkte hemel zich daar boven mij uitstrekte. Ik zie mij niet in staat het gevoel, dat mij beheerschte, te ontleden. Was het bewondering, was het angst, was het trots, was het nieuwsgierigheid? Ik geloof, dat ik dat alles beurtelings, en ook bij wijle als een mengelmoes ondervond. Dat onweêr duurde nagenoeg anderhalf uur, toen begon de wolkenmassa zich in het oosten te verdeelen. Voor en na kwamen [290]scheuren in dat lijkkleed, hetwelk de aarde verborgen had gehouden. Het liefelijke groen kwam er tusschen door prijken als een bode der hoop, die ons uit onze gevangenschap kwam verlossen. Zoo heel spoedig zou dat evenwel niet gaan. Wel was de lucht beneden ons vlug aangezuiverd, en dreven de wolken aan flarden in zuidelijke richting, waar zij zich om de toppen van Sebessi en Krakatoea verzamelden. Wel glinsterde de zon weer heerlijk in de blauwe zee; maar.… toen wij den terugtocht aangenomen hadden, en de strook bereikten, waar de regen den bodem overvloedig gedrenkt had, bleek het ons dat de grond, uit leem bestaande, zoo glibberig was, dat de rotsen, de boomtakken en boomwortels, waar langs wij des morgens opgeklommen waren, en waar langs wij nu afdalen moesten, zoo glad waren, dat weinigen onzer heelhuids beneden zouden komen, wanneer wij die afdaling doorzett’en. Neen, daar viel niet aan te denken. Wij moesten naar den top terug, om daar den nacht door te brengen. Den volgenden ochtend zouden de hellingen genoegzaam opgedroogd zijn, om zonder gevaar naar beneden te komen.
„Aanvankelijk ging alles goed. Er lag zelfs iets dichterlijks in het denkbeeld, om daar zoo hoog op ruim 4500 voeten te bivouackeeren. Maar toen de zon ondergegaan was, begon het frisch te worden. Veel hinderde dat nog niet. Maar die frischheid nam hand over hand toe. Tegen acht uur vonden wij het zelfs meer dan frisch. Om tien uur vonden wij het koud. Tegen middernacht kropen de Javaansche soldaatjes als een troep schapen bij elkander, en trachtten zich zoo te verwarmen, en prevelden al klappertandende: La illaha illa-llahi (Er is geen God als Allah). De luitenant, ik en de twee Europeesche korporaals, die bij het troepje waren, liepen driftig op en neer om ons te verwarmen. Met kracht sloegen wij [291]de handen tegen de schouders, en trappelden op den bodem, omdat de koude aan die uiteinden onlijdelijk werd. Het meeste medelijden had ik evenwel met de Javanen. Hoe ongelukkig die er uitzagen, is niet te beschrijven.
„Zoo moest de dageraad afgewacht worden. Och! hoe lang is mij die nacht gevallen! Met wat zucht van verlichting werd die eerste rozenroode streep begroet, die het oosten, daar laag beneden ons bij den gezichteinder, verfde. Maar hoe stonden wij te kijken, toen de eerste lichtstraal tot ons kwam. Al de grassprieten op het plateau stonden te schitteren, alsof zij met brillanten overtogen waren, die in mat zilver gevat zouden zijn. Alles wat boven de aarde uitstak was met rijp overdekt. Op de enkele kleine poelen, die op het plateau aangetroffen werden, was het water ter dikte van een paar streep bevroren. Ja, nu begrepen wij, dat wij het met onze dunne pantalons en nog dunnere katoenen baatjes koud hadden gehad. Zoodra de zon boven de kim was, lieten wij ons naar hartelust door haar beschijnen om zoodoende te ontdooien. De Javaantjes lieten de geledingen hunner vingeren en hunner armen en beenen knappen, en verklaarden na die manipulatie tot den marsch gereed te zijn. Nu spoedden wij naar beneden. De honger gaf ons vleugels, want behalve de katoepats, die het meerendeel der Javaantjes uit voorzorg medegenomen en broederlijk met allen gedeeld hadden, hadden wij sedert den vorigen morgen niets gehad en waren wij dan ook overblij, toen wij zoo ten tien uur het signaal „etenhalen” in onze nabijheid hoorden weerklinken, en wij dus zeker waren bij tehuiskomst dadelijk te kunnen aanvallen om onzen honger te stillen.
„Dat signaal, „eten halen” waarde Frank, hetwelk ik daar nederschreef, wijzigt voor een oogenblik mijn gedachtengang. Vergun mij, dat ik mij aan eene kleine [292]uitweiding schuldig maak. Wij hebben wel eens in garnizoen geprutteld over het onvoldoende, maar vooral over het eentonige van de voeding, die den landsverdediger van gouvernementswege verstrekt wordt, en toch waren wij onbillijk, althans wanneer wij onze onderofficiers-menage met die der mindere militairen vergeleken. Dat meer voldoende en dat meer afgewisselde daarbij had, wel is waar, plaats ten koste van onze beurzen, evenwel onze magen vroegen niet waar het vandaan kwam, al pruttelend hadden wij het beter dan de soldaat. Maar nu te velde! Bij de versnippering van het bataillon in zoovele betrekkelijk kleine detachementen was van eene onderofficiers-menage geen sprake meer; ook zouden de toespijzen enz. hier in het bosch niet aan te schaffen zijn om eenige toevoeging aan tarief No. zooveel—het hongerlijders-tarief, gij weet wel—te kunnen bewerkstelligen. Wij onderofficieren doen dus aan de soldaten-menage mede, maar o wee! hoe ijverig en kundig onze kok ook is, hij kan van een pond rijst geen twee maken, enz., zoodat schraalhans in onze keuken den ijzeren schepter zwaait.
„Het is schande, dat het Nederlandsch Gouvernement zijne landsdienaren het noodige voedsel in het garnizoen onthoudt, en hen noodzaakt van de reeds zoo karige soldij nog iets af te zonderen om den honger te stillen; maar het is misdadig,171 wanneer die landsdienaren uitgezonden worden om leven en gezondheid te wagen, en hun dan geene vermeerdering van levensmiddelen toe te staan, terwijl de gezaghebbenden meer dan overtuigd zijn, dat oneindig grooter inspanningen en vermoeienissen van die mannen zullen moeten gevergd worden dan in garnizoen, ook dat daar op het terrein des oorlogs geen voedsel om de menage aan te vullen, aangekocht kan worden. [293]
„Denk nu niet, Frank, dat ik tot de pruttelaars behoor; dat ik zou willen, dat ons wildbraad en pasteiwerk bij ons diner zoude voorgediend worden. Ook niet dat een stuk noga onze thee zou vergezellen. Thee!! ha, ha, ha! hoe ziet zoo’n kost er uit?.… Neen, ik vraag alleen, dat ik mijne nooddruft aan gezonde spijs bevredigen kan; ziet, dat is het eenige wat ik verlang. Ik begrijp dat er moeielijkheden bestaan om ons te approviandeeren in een land zooals dit; evenwel onoverkomelijke moeielijkheden niet; want zij zijn en blijven vlak bij de kust; waar het strikt noodige kon en moest verschaft worden, wil men ons gezond en krachtig houden. Het is eene verkeerde zuinigheid door zooveel duizende guldens op de voeding te besparen, terwijl aan de aflossing der uitgeputten en aan hunne verpleegkosten in de hospitalen, en aan de vervanging der gestorvenen oneindig meer uitgegeven moet worden, ongeacht het misdadige van zoovele menschenlevens aan eene hersenschimmige bezuiniging op te offeren. Ik sprak zooeven dat het ration te velde hetzelfde is als in garnizoen. Daarin vergiste ik mij. Boven en behalve het vredesration wordt aan de te velde zijnde Europeesche troepen nog 1⁄10 Bataviasche kan arak of jenever, en aan de inlandsche 1⁄30 kan verstrekt, zeker om den foezel-leverancier niet te kort te doen. Ik had wel zoo gaarne gezien, dat men de manschappen een glas goed bier verstrekt had. Tegen die jeneververstrekking heb ik het evenwel zoo zeer niet gemunt, omdat ik weet, dat er zoovele individuen bij het leger zijn, die hun borrel niet ontberen kunnen. Maar ik heb het voornamelijk tegen de wijze van uitdeeling. Die heeft plaats drie maal daags, te weten des morgens om vijf uur bij de reveille, tegen twaalf uur des middags en te zes uur des avonds. De man wordt dus des morgens bij zijn ontwaken op zijn nuchteren maag een [294]borrel aangereikt. Van die uitdeeling mag hij in het donker naar de keuken strompelen, om een schep slappe koffie te halen, waarmee hij zijn ontbijt mag doen; want heeft hij geen rijst van zijn karig rantsoen van den vorigen dag bewaard, dan krijgt hij niets voor 10 uur.
„Begrijpt gij nu, hoe het mogelijk was, wat wij te Batavia zagen, dat sommige oudgedienden met hun broodje, hetwelk zij doorsneden, ’s morgens bij de reveille naar de cantine strompelden, zich daar in iedere helft een flinken borrel lieten schenken en dat met jenever doorweekte brood met smaak opsmulden. Wij hebben daar vaak naar staan kijken. Mij is zoo’n echt dronkenmansgedrag thans volkomen helder.
„De verstrekking van jenever aan de inlandsche soldaten is ook eene daad, die alleen ten bate van de A. V. H. branders en handelaars komt. Geen Javaan heb ik in garnizoen ooit een droppel jenever zien drinken. Hier wordt die drank hun uitgereikt. Is dat de zucht naar sterken drank niet kweeken?
„Maar ik breek dat onderwerp af. Ik voel, dat ik bitter word.
„Toen wij op Bandoeloe terug kwamen, was daar de tijding aangebracht, dat de vijand een paar dagen te voren—den 27en Augustus—na een min of meer nadrukkelijken tegenstand, door onze troepen uit zijne hechtste versterking verdreven was, waarbij wij, zooals mij verhaald werd, drie gesneuvelden en een tiental gewonden hadden. Volgens die berichten zouden onze tegenstanders nu geene bolwerken meer bezitten, waardoor onze verdere bemoeienissen zich slechts uitstrekken zouden tot het jacht maken op de hoofdopstandelingen, die de chef der expeditie in handen wilde hebben. De kompagnie, die Bandoeloe bezette, kreeg dan ook al heel spoedig bevel om een zeer klein detachement in die sterkte achter te laten [295]en de kust der Lampongbaai met kleine troepenafdeelingen te gaan bezetten, van af de kampong Oedjoeng tot den Varkenshoek toe. De kampong Merak, die zoowat in het midden dier uitgestrekte kustlijn gelegen was, werd als hoofdkwartier van dit troepengedeelte beschouwd. Van afstand tot afstand werden kleine wachten langs het strand uitgezet, die nacht en dag waakzaam moesten zijn, en waartusschen door kleine patrouilles onafgebroken gemeenschap moest onderhouden worden. Frank, Frank, is me dat een dienst geweest! Verbeeld je: om den anderen nacht op wacht. En die vier en twintig uren wachtdienst werden beschouwd als rust te hebben genoten! Ja, overdag hadden de wachthebbenden niet te marcheeren; maar de nachtelijke patrouille-dienst was des te erger. Wij waren op het pad, of wij gingen op het pad om de waakzaamheid der schildwachten en de verbinding met de nevenwachten te onderhouden. Het gerucht wilde namelijk, dat de opstandshoofden zouden trachten naar de nabijgelegen eilanden in Straat Sunda te ontkomen.
„Dat duurde ongeveer veertien dagen, toen ik plotseling gekommandeerd werd om met een detachement sterk drie officieren en veertig man naar Poeloe Bessi over te varen, om dat eiland af te patrouilleeren.
„Ge herinnert u nog wel, Frank, dien fraaien regelmatigen kegelberg, dien wij bij onze aankomst in Indië in Straat Sunda bewonderden, niet waar? Welnu, dien berg heb ik langs alle zijne hellingen omkruist. Ik heb er menigen voetstap staan en menigen zweetdruppel, in de pepertuinen, die op die hellingen aangelegd zijn, laten vallen. Door de weinige bevolking—wij vonden er drie kampongs op het strand—werden wij zeer voorkomend bejegend, en van vijanden hebben wij, in weerwil onzer meest ijverige nasporingen, niets bespeurd. Wij hebben [296]ook een tocht rondom het onbewoonde eiland Krakatoea gemaakt, om op te sporen of ook eenig levend wezen voet aan wal gezet had, hetgeen zoo ja, door ons moest bespeurd worden, omdat dan voetstappen in de weelderige vegetatie op het strand onmiskenbaar moesten ontwaard worden. Wij vonden er evenwel niets.
„Bij deze gelegenheid—ik zat met eenige manschappen in eene prauw „majang”, die door het stoomscheepje Bennett gesleept werd—vertelde mij een kamponghoofd van Poeloe Bessi, die als gids zoo noodig op Krakatoea medeging, onder vele andere bijzonderheden, dat de naam Poeloe Bessi beteekent IJzereiland. Het wordt ook Se Bessi genoemd, dat IJzerland beteekent. In vroegere tijden zou er op dat eiland veel ijzerhout172 zijn aangetroffen geworden, waarvan de naam ontleend zoude zijn. Het eiland Krakatoea173 zou volgens hem bij de inlanders „Karang toea” (de oude klip) heeten, hoewel hij erkende, dat sommigen aan den overwal (hiermede bedoelde hij Java) het eiland Raketa heeten.
„Die tocht naar die eilanden duurde zoo omstreeks acht dagen, waarna wij naar Radja Bassa stoomden, van waar wij den marsch naar Merak terugmaakten, en waar het lieve leventje van strandbewaken hervat werd, en tot 3 October duurde, toen wij naar Tjantee marcheerden om dien kampong bezet te houden, totdat wij naar Java zouden embarkeeren.
„Als eene herinnering aan Merak, kan ik u nog mededeelen, dat ik daar, bij een mijner wandelingen op het strand, door de visscherbevolking een grooten inktvisch174 zag aanbrengen. Zij hadden hem gevangen in een der uithollingen van het koraalrif, dat het strand op eenigen afstand omgeeft. Bij eb was dat rif drooggevallen, zoodat het monster als in zijn hol gevangen zat. Het dier was van het hoofd tot aan het uiteinde [297]van den staart 1½ M. lang. Zijne acht armen, allen van zuignappen voorzien, hadden ongeveer eene lengte van 1 M. Het had een paar akelige glasachtige oogen, zoo groot als een gewoon bord. Het lichaam was zakvormig, maar de staart had den vorm eener lans met weerhaken. Het hoofd zat met een geleding op het lichaam, alsof het in dien zak kon verdwijnen. Onder het lichaam te midden van de vangarmen, was de mond, die van een hoornachtigen bek voorzien was, wel overeenkomende met dien van een papegaai. Als men het dier plaagde, knorde het als een varken, en zweepte met zijn vangarmen woedend om zich heen. Ik ben overtuigd, dat zoo’n zweepslag, wanneer hij trof, een arm of een been zoude kunnen verbrijzelen. De Lampongers hakten het dier voor en na de vangarmen af. Ik ben er een paar machtig geworden, waarvan ik eene heerlijke soep gekookt heb, die voor de lekkerste palingsoep niet behoefde onder te doen. Ook het vleesch dier armen was heerlijk en zeer malsch. De bevolking at van dien inktvisch almede met graagte, en kostte het mij nog al moeite er iets van te bekomen.
„Zooals ik hier boven zei: op den 3den October marcheerden wij naar Tjantee, alwaar wij dienzelfden dag na eenen onmenschelijken marsch aankwamen.
„Van Tjantee is niet veel te vertellen. Onze troepen logeerden in eene ruime, luchtige bamboe-loods, die zeer goed ingericht was, maar het gebrek had, vlak naast de „missigit,” het bedehuis der Tjantee-ers, opgetrokken te zijn. Gij zult wel ervaren hebben, dat de Mohammedanen de Christenen als onreine wezens beschouwen en hen zeer ongaarne, en niet dan wanneer zij niet anders kunnen, in hun Heiligdom toelaten. Die missigit naast onze kazerne-loods, had tot gevolg, dat onze Europeesche korporaals en onderofficieren—Inlanders [298]heb ik het nimmer zien doen—wel eens beschutting tegen de zonnestralen zochten onder de afdaken van hare voor- en achtergalerijen, en daar de frissche zeebries genoten, die in onze dicht omwande loods niet binnen dringen kon. Dat was der bevolking niet aangenaam; maar toen op een morgen de Kaoem,175 terwijl hij de geloovigen tot het morgengebed opriep, ontdekte, dat men zijne „bedoed,”176 waarop hij met alle godsvrucht sloeg, ontheiligd had, en dit instrument een verpestenden stank verspreidde, toen was de verontwaardiging algemeen, en kostte het onzen kapitein veel moeite om die verontwaardiging te doen bedaren. Gelukkig dat de schuldige, een jeugdig onbezonnen korporaal, voorgaf, dat hem dat doffe geroffel, drie maal daags op die ton, verveeld had, en hij daardoor tot zijne ondoordachte heiligschennis verleid was. De kapitein liet hem in de boeien klinken, en, ten aanschouwe van de geheele kampong-bevolking, gedurende het verdere gedeelte van den dag verblijven. Toen evenwel de zon ondergegaan was, liet hij den jeugdigen onbezonnenen aan boord brengen, om iedere verdere botsing te vermijden, of iedere wraakoefening te ontgaan. En dit was dan ook zeer verstandig gehandeld.
„Maar is het geen treurig verschijnsel zoo iets bij onze Europeesche militairen te moeten opmerken? Ge zult mij zeggen, dat die uit de heffe des volks gewoonlijk voortkomen, en dat wij niets anders van hen verwachten kunnen. Met je permissie evenwel. Vraag u eens af, win zelfs inlichtingen in, of een inlander uit de heffe des volks in staat zou zijn tot zulk een grof en vies gedrag, tot het moedwillig bezoedelen van hetgeen bij anderen als eerbiedwaardig gemerkt staat? Gij zult een ontkennen antwoord erlangen. Waarom moet dan zoo iets van onze landgenooten uitgaan? Is dat eene vrucht van onze XIXde eeuwsche beschaving, waarop wij zoo prat zijn? [299]
„O! ik heb nog meer op den kerfstok! Dezer dagen was ik op transport naar Koenjaja, om vivres voor onze troepen derwaarts over te brengen. Een aardige tocht tusschen twee haakjes. Eerst per kruisboot naar Kalianda, en van daar over Waiorang, Kalau en Negri naar de bedoelde plaats. Als ge eene kaart der Lampongs voor oogen hadt,—die niet bestaat, zooals ik hoor—dan zoudt ge zien, dat Kalianda aan de Lampongbaai, waar de westelijke hellingen van den Radja Bassa steil in zee afdalen, en dat Koenjaja op de oostelijke hellingen gelegen is. De berg moest dus over zijne noordelijke uitloopers omgetrokken worden. Stelt ge u nu voor, dat de vulkaan langs die zijde door zijne overlangs loopende ribben gegroefd is als de kraag van een Spaansch edelman van weleer, en dalen en ravijnen vormt om van te duizelen, dan kunt ge u eenigermate voor den geest halen, hoe bijzonder prettig die marsch was. Het was aanhoudend klimmen en dalen. Klimmen langs eindelooze hellingen, alsof de hemel moest bestormd worden, en steil om alle tactici, die verkondigen, dat hellingen boven de 45° voor troepen onbegaanbaar zijn, beschaamde kaken te bezorgen. Dalen, dat de knieën bij de inspanning, die de voet doen moest om den bodem lager te bereiken, knapten; dalen, dat ge meendet nog dieper dan de oppervlakte der zee terecht te komen, om, na de bedding van een wilden bergstroom, van steen tot steen springende, overgetrokken te zijn—want bruggen bestaan hier eenvoudig niet—weer naar boven te klimmen, hooger als te voren, en daarna weer neer te dalen en zoo hetzelfde vermoeiend spel te herhalen, totdat de gids het heugelijke nieuws mededeelde, dat die hutten daar ginds op de tegenoverliggende helling, de eerste huizen waren van het einddoel van den tocht. De geheele weg, of beter het geheele pad slingerde zich door ongerept [300]bosch, en werden wij door geheele troepen zwarte, bruine en grijze apen, grooter dan knapen van veertien jaren, en kleiner dan kaboutermannetjes vergezeld. Het zware basstemmige hoe-hoe-hoe van de eersten, klonk in steeds versnellende tijdmaat, schier eindeloos te midden van de gewelven van takken en loof, die door het oerbosch hoog boven ons gevormd werden, en werd afgewisseld door het schrille gefluit van de kleinere soorten, die nog brutaler dan de overigen soms rakelings boven ons bengelden.
„Gij kunt niet begrijpen hoe neerdrukkend, hoe vreeselijk melancholisch dat apengeschreeuw in dat eenzame woud weerklonk.
„Ik was blij, toen ik Koenjaja bereikt had. Ik was des morgens om half zes van Kalianda op marsch gegaan, en de zon was reeds achter de massa van den Radja Bassa weggescholen, toen ik mijn einddoel in de verte zag, en het was schier nacht, toen ik met mijne twee honderd koelies en mijn detachement van twintig man aankwam.
„Daags daarna gaf ik de aangebrachte levensmiddelen aan de officieren van administratie over; maar werd het daardoor inmiddels veel te laat om dien dag (11 October) den terugtocht nog naar Kalianda te kunnen aannemen. Ik was er aanvankelijk niet rouwig om, maar.… wat heeft mij dat verblijf gespeten! Luister:
„Des namiddags moest er executie-parade gehouden worden. Een Lamponger moest ter dood worden gebracht. Sedert de terechtstelling van den armen Taugwalder vaart mij steeds eene huivering door de ledematen, wanneer ik het woord doodvonnis maar hoor. Ik had dan ook reeds het voornemen gemaakt de voltrekking van dit niet bij te wonen. Maar ik vernam dat deze doodstraf volgens de Lampongsche „adat”177 [301]zou ten uitvoer gelegd worden, en ge weet de ethnologie der volken en stammen, waarmee ik in aanraking kom, te beoefenen, is bij mij een hartstocht. Ik woonde dus de terechtstelling bij. Terwijl ik op het daartoe bestemd pleintje buiten den kampong op de aankomst van den ongelukkige wachtte, vertelde mij een mijner collega’s dat de schuldige jaren geleden178 het kamponghoofd van Koenjaja vermoord had. Op aanwijzing van het kamponghoofd van Waiorang werd hij nu acht dagen geleden door een onzer patrouilles opgepakt als aanhanger van het opstands-hoofd Radhen Intan. Die aanhang kon niet bewezen worden, daarom werd hij wegens den vermelden moord aan de „Bitjara” (inl. rechtbank) overgegeven. Deze zat met de zaak verlegen, daar volgens inlandsche begrippen een klager moest bestaan, alvorens rechtsingang kon verleend worden, en deze niet aanwezig was. Toch veroordeelde die rechtbank den ongelukkige tot 1000 „roepiah’s” (gulden) „oewang banggoeng” (opstandings-geld) met bepaling, dat, wanneer die som binnen de drie dagen niet gestort was in handen van de nabestaanden van den vermoorden, hij „mati toembakh” (met de lans gedood) zou worden. Dat stond met een doodvonnis gelijk. Had men den veroordeelden een redelijken tijd gelaten om bij zijne verwanten, die heinde en ver woonden, aanzoek te kunnen doen tot erlanging van die som, dan zeer waarschijnlijk zou het hem gelukt zijn het vreeselijke lot, dat hem toegedacht was, te ontkomen. Op inblazing van een zekeren Hadji Ismaël werd met voordacht die termijn zoo kort gesteld om iedere hoop bij den veroordeelde den bodem in te slaan. Deze verwaardigde zich dan ook niet, toen hij die kenschetsende tijdruimte vernam, de minste poging aan te wenden, overtuigd als hij was, dat zijne boden de familieleden binnen dien tijd niet eens zouden kunnen bereiken. [302]
„Hoe vindt gij zoo iets? Ik tril nog van verontwaardiging, dat onze bestuurders zich tot zoo’n inlandsche wraakoefening leenden. Toen het hoofd van Koenjaja vermoord werd, was zijn zoon slechts een jaar oud, en derhalve op het oogenblik van voltrekking van het vonnis slechts zes jaren, dus te zwak om als bloedwreker zijns vaders op te treden. In dat handwerk van beul zou die knaap thans vervangen worden door een zijner nabestaanden.
„Terwijl ik dien uitleg aanhoorde, was de veroordeelde, die door de leden der inl. rechtbank begeleid werd, op de strafplaats aangekomen. Hij was geheel naakt, alleen had hij een soort doek om de lendenen geslagen, ten einde de eerbaarheid te redden. Onmiddellijk werd hij met het aangezicht naar, en met de armen om den stam van een hoogen klapperboom gebonden.
„De voltrekker van het vonnis naderde thans den veroordeelde, die hem niet zien kon, langzaam, en stiet het lansijzer in de rechterzijde ter hoogte van den onderbuik, met zooveel kracht, dat het wapen aan de linkerzijde uitkwam. Toen trok hij het wapen langzaam uit de vervaarlijk groote wond terug, en lekte aan het bloed van den rampzalige.
„„Ennakh!” (lekker) zeide hij met de lippen smekkend.
„De veroordeelde liet geen kreet, geen woord, geen zucht hooren. Alleen kneep hij met pijnlijk verwrongen wezenstrekken de lippen bij elkaar. De Lampongers snelden inmiddels dadelijk toe om den zwaar verwonden te begraven, toen de Officier van gezondheid, die bij dat beulsbedrijf tegenwoordig was, hun opmerkte, dat zij een levenden onder den grond gingen stoppen. Zij keken den blanke aan met eenige verbazing, getint met de noodige verstoordheid, dat zoo iemand zich mengde in iets wat hem niet aanging. Zijne waarschuwing vermochten [303]zij evenwel niet in den wind te slaan. Zij verleenden aan den beul den doortocht. Deze naderde zijn slachtoffer andermaal, en bracht den ongelukkige een tweeden lanssteek toe, thans onder de korte ribben, dien deze even heldhaftig doorstond, maar waarop de dood spoedig volgde. Het hoofd viel achterover, nog een zucht, en de rampzalige was aan zijn lijden onttogen. Het was een akelig gezicht, toen dat zielloos lichaam, slechts door de koorden, die het knevelden, opgehouden, daar zoo aan dien klapperstam hing.
„Ik wensch over dat feit niet verder uit te wijden. Het is te akelig. Mijn gezichtskring daarenboven is in den nederigen stand, dien ik in de maatschappij bekleed, te beperkt, te begrensd, om mij een oordeel aan te matigen over de noodzakelijkheid van zulke doodstraf, onder ons opzicht, onder onze vlag als het ware ten uitvoer gebracht. Ik hoop, dat zoo iets te verdedigen zal zijn; maar.… Frank, ik ontveins mij niet, dat er soms weifelingen in mijne ziel opkomen; dat ik mij wel eens de vraag voorleg: of het wel waar is, dat de ware beschaving in deze gewesten door de overheersching der blanken gebaat wordt? En ronduit gesproken, de daarin opgesloten twijfel is gruwelijk. Inderdaad, ik begin dat woord van Alfred de Vigny, ons laatstleden door kapitein Van Dam aangehaald: „l’abnégation du guerrier est un croix plus lourde que celle du martyr” al meer en meer te vatten.… Ik hoop evenwel vurig, dat bij latere verruiming van blik, die weifelingen van mijn hart zullen verdwijnen, en plaats maken voor vertrouwen in, en geestdrift voor het Europeesche bestuur, hetwelk het beheer dezer gewesten aanvaard heeft; want zal dat niet gebeuren, zal de staatkunde, welke ik dien, zich in werkelijkheid voor mij ontwikkelen, zooals ik thans haar soms in hare [304]gevolgen meen te ontwaren, dan Frank, dan zal er moed en geestkracht noodig zijn om op den ingeslagen weg ten einde toe te volharden; want hoe dikwerf zal ik dan eene loopbaan wenschen uit te treden, waarin het zwaard zulke staatkunde schraagt, waar tegenover evenwel de overtuiging zich bij mij opdringt, dat dan juist in dien werkkring het meeste goed te doen, het meeste nut te stichten zal zijn; dat alsdan de gelegenheid ontstaan zal om vele rampen te lenigen, vele onheilen tot een minimum te herleiden, vele tranen te drogen.
„O! die dweeper! hoor ik u reeds uitroepen. Maar Frank! volgens mij is dweepen een ideaal ontwerpen, om dat zelfs tot in het onbereikbare na te jagen.
„Ik moet dezen zeer langen brief sluiten. Zoo aanstonds worden de epistels door den facteur opgehaald. Of ik gelegenheid zal hebben om u van hier nog te schrijven, geloof ik niet, want de dienstverrichtingen zijn zwaar. Mijn volgende brief zal wel van Batavia gedagteekend zijn. Trouwens, met dezen kunt gij het voorloopig doen.
„Ik zie mij genoodzaakt met eene zeer ongewenschte mededeeling te besluiten. De schriele voeding, die de expeditionnaire troepen genieten, begint wrange vruchten te dragen. De zoogenaamde Lampongsche koorts—men moest haar veeleer de uithongerings-koorts noemen—heerscht geducht in onze gelederen. De kompagnie, waarbij ik sta, en die ter sterkte van 150 bajonetten uittrok, kan op heden ter nauwernood 80 man onder de wapens brengen. De anderen zijn òf overleden òf naar het hospitaal-schip, en van daar naar Batavia geëvacueerd. Bijna dagelijks overlijden er soldaten, voor zij verpleegd kunnen worden. Wij zijn nog met twee sergeanten, de fourier en een korporaal om den geheelen kaderdienst waar te nemen. In mijne waarlooze oogenblikken [305]fungeer ik voor sergeant-majoor, maar maak overigens alle andere diensten van sergeant mede.
„En nu, vaarwel! Als gij naar Wilatoong schrijft, presenteer dan mijn respect aan de lieve familie Groenewald, en ontvang gij intusschen den groet van uwen vriend
HERMAN.” [306]