[Inhoud]

XIX.

De Stip gebotteld.

En het werd den Stip betaald gezet. Het is opmerkenswaardig, welken invloed de schoolbanken uitoefenen zelfs op mannen, waarvan het meerendeel de twintig jaren gepasseerd waren, ja, waaronder er telden, die de acht en twintig naderden.195 Zij konden zich vermaken en snakerijen uithalen als knapen van 15 of 16 jaren.

Zoo gauw als verlangd werd, zou evenwel de wraak niet genoten kunnen worden, hoe ongeduldig de meesten ook waren.

„De wraak is Godenspijs!” beweerden sommigen.

„Vooral wanneer zij als koud vleesch, dus op tijd genoten wordt!” verzekerden anderen. „Geduld! betaald zullen wij het hem zetten!”

Maanden en nog eens maanden gingen voorbij, ja de geheele derde klasse had reeds examen gedaan, en was in de vierde overgegaan en studeerde druk voor het eindexamen, dat weldra zoude plaats hebben.

De komst van Bamberg Jr. te Batavia zou eindelijk de gewenschte gelegenheid tot wraakoefening aanbieden. Of de bedoelde Bamberg een zoon van den ouden, van den beroemden Nederlandschen vlug-vingerigen goochelaar was, doet hier niets ter zake. Genoeg zij het, dat die [343]junior als fuselier in Indië was aangekomen, en weldra aangezocht werd om van zijne talenten te doen blijken. Aanvankelijk gaf hij zeer bescheiden voorstellingen bij familiën aan huis, daarna, zich op meer uitgebreid gebied wagende, in de lokalen der sociëteiten de Harmonie en de Concordia, en verdiende daarmede zooveel geld, dat hij een plaatsvervanger stellen en den militairen dienst verlaten kon, waardoor hem de gelegenheid geopend werd zijne goochelaars-talenten eene hoogere vlucht te laten nemen en in ruimeren kring op te treden. Bij familiën—zoo redeneerde hij—diende de kunst alleen tot vermaak van de baboe’s en van de kinderen. In de sociëteiten bleef zijn kring slechts tot de leden bepaald. Neen, de waardige mededinger van zijn vader, van Bosco en van Robert Houdin wenschte een waardiger, een grootscher tooneel te betreden!

Eenmaal zoo ver gevorderd met zijn gedachtengang, kondigde hij voorstellingen aan in het schouwburglokaal te Weltevreden, nabij de brug van Passar Baroe gelegen, en was de toevloed van toeschouwers zoo groot, dat het er veel van weg had, alsof de geheele bevolking door de goochelkoorts was aangestoken. Gansch Batavia, ten minste wat betreft de Chineesche, de Arabische en de Europeesche ingezetenen, stroomden naar het komediegebouw en trachtten een plaatsje machtig te worden. De zaal, die toch nog al ruim genoemd kon worden, was iederen avond propvol, en zoodanig was de toevloed, dat telkenmale de toegang aan ettelijke honderden geweigerd moest worden, omdat met den besten wil van de wereld geen zieltje meer te plaatsen was.

Dat bij die algemeene opgetogenheid de leerlingen van de Militaire School ook verlangden om de wonderwerken van den goochelaar te zien, is licht te begrijpen. De Directeur voldeed dan ook zeer gaarne aan [344]het ingekomen verzoek en bepaalde dat de jongelieden klasgewijs de voorstellingen zouden bijwonen.

De onder-adjudant, met het toezicht belast, was het geluk beschoren de klassen te begeleiden, en had telkenmale door de mildheid der leerlingen toegang tot de voorstellingen bekomen. Hij was een eenvoudig man, wiens begrippen niet ver reikten, en had daarom wel aanleg om bij de toeren, die hij zag volbrengen en die werkelijk opmerkenswaardig waren, aan bovennatuurlijke tusschenkomst te gelooven. Er was voornamelijk een kunststukje, dat een levendigen indruk op den onder-adjudant gemaakt had. Bamberg had namelijk eene jonge lieftallige dame laten plaats nemen op eene tafel, die midden op het tooneel stond, en had haar met een grooten beker van groen merinos overdekt. Hij maakte daarna zijn publiek opmerkzaam, dat de tafel met geen kleed bedekt was en een ieder dus kon zien, wat daaronder omging. Vervolgens bewoog hij zijn tooverstaf, sprak eenige abakadabrische woorden uit, tilde toen den beker op en liet den verbaasden toeschouwers zien, dat de lieve inhoud verdwenen was. De oolijke goochelaar noemde dat: de nieuwerwetsche maagden-roof.

„Drommels!” mompelde de Stip binnensmonds, „het is goed, dat de jonkers dat kunstje niet kennen!” Hij noemde de leerlingen steeds jonkers. „Zij zijn dat even goed als de kadetten der Militaire Akademie,” was daaromtrent zijne meening.

„Ja, het is goed, dat de jonkers dat kunstje niet kennen” vervolgde hij. „Wie zou over zijne vrouw, wie over zijn dochter kunnen waken, als zij zoo maar weg gemoffeld konden worden?”

De Stip had een beeldig mooi vrouwtje, ook eene lieve creoolsche, en was daar niet weinig trotsch op. Hij begreep evenwel, dat hem dat bezit wel benijd werd, [345]en dat menige begeeringsvolle blik op het bevallige wezen geworpen werd.

Bij het terugmarcheeren naar de School, liep natuurlijk—de weg van Weltevreden naar Meester Cornelis is lang196—het gesprek over het geziene. Allen waren opgetogen, niet het minst de Stip, die in zijn leven zoo iets niet gezien had. Onverholen gaf hij zijne bewondering te kennen, niet het minst over de schaking.

„Dat heeft alles niets te beduiden,” sprak een der leerlingen; „ik heb Bosco gezien. Die deed andere toeren. Daar zijn deze slechts kinderwerk bij.”

„Kinderwerk?” vroeg de onder-adjudant ongeloovig.

„Ik heb het te Antwerpen bijgewoond, dat Bosco op de markt een mand met eieren kocht. Toen de koop gesloten was, nam hij een ei uit de mand, tikte het stuk, streek den inhoud over zijn hand en haalde er een Napoleon d’or uit.

„„Dat zijn zonderlinge eieren,” zei hij tot de verbaasde boerin.

„Hij maakte een tweede, een derde, een vierde ei open, en steeds met hetzelfde gevolg.

„„Dat’s een mooie daghuur,” zeide hij. „En nu nog die volle mand …”

„„Die eieren zijn niet meer te koop!” schreeuwde de boerin; terwijl zij hare handen over de mand uitstak. „Die eieren zijn niet meer te koop!”

„„Maar vrouwtje, ik heb ze gekocht.”

„„Maar, nog niet betaald! ze zijn dus nog mijn eigendom! Neen, die eieren zijn niet meer te koop!”

„Bosco, die natuurlijk niet bekend was, mocht praten en pruttelen zooveel hij wilde, hij moest de plek zonder eieren ruimen. Toen hij weg was, tikte de boerin alle hare eieren stuk, om den goud-oogst op te steken; maar gij kunt denken: zij vond geen enkel goudstuk.” [346]

„Ja, maar.…” wilde de onder-adjudant tegenwerpen.

„Een anderen keer kwam hij door eene straat, waar men bezig was eene herstelling aan de gasbuizen te bewerkstelligen. Hoewel een onaangename motregen viel, en het zeer morsig was, stonden toch zooals gewoonlijk een groot aantal straatslijpers naar de werkzaamheden te kijken.

„„Wat is hier te doen?” vroeg Bosco; terwijl hij zich door den kring van nieuwsgierigen drong.

„Een oogenblik keek hij in den kuil, waarin een paar mannen aan de herstelling arbeidden. Plotseling sprong hij er in, greep een handvol modderige aarde, streek die op den palm der hand uit elkander, en haalde er een goudstuk uit.

„„De lui vertrekken met hoopen naar Californië,” zei hij, „om goud te zoeken, terwijl zij het hier maar voor het oprapen hebben.”

„Met een bukte hij weer en bracht thans twee goudstukken te voorschijn.

„Dat zijn zestig francs te saam,” riep hij uit. „Dat’s genoeg voor vandaag.”

„En hij verwijderde zich met een tevreden glimlach op het gelaat.

„Hij was nauwelijks uit het gezicht verdwenen, of al de toeschouwers sprongen in den kuil, stootten en verdrongen elkander, wroetten in den modder, vloekten en raasden tegen elkander, en begrepen eindelijk dat zij beet genomen waren.”

„Ja, maar,” hernam de Stip, „dat waren staaltjes van vlugvingerigheid,—mooie staaltjes dat moet ik bekennen—maar toch niets anders. Die goudstukken had hij reeds in de hand of in zijn mouw.”

„En wat zult gij dan van het volgende zeggen? adjudant? Luister: [347]

„Bij eene voorstelling vertoonde hij aan het publiek twee duiven, de eene vlekkeloos wit, de andere onberispelijk zwart. Twee allerliefste diertjes. Nadat hij ze goed had laten bekijken, beet hij de beide duifjes een voor een den kop af.…”

„De barbaar!” kreet de onder-adjudant.

„Ja, zoetsappig was het niet,” vervolgde de verhaler, „maar vooral was het een wreed gezicht, toen die arme diertjes daar lagen te spartelen en hij de kopjes uitspoog, en aan het publiek vertoonde. Maar toen er een gemor onder het publiek over die noodelooze wreedaardigheid—zooals gemompeld werd—ontstond, haastte hij zich om zijn moordbedrijf te herstellen. Maar, bij zijn haast vergiste hij zich, en ziet daar fladderde eensklaps de witte duif met den zwarten, en de zwarte duif met den witten kop op den romp door de zaal rond.…”

„Is het waar?…” riep de Stip verbouwereerd uit. „Kom, jonker, je neemt een loopje met me.”

„Het is zoo waar, adjudant, dat weinige weken later Bosco, dienzelfden toer te Konstantinopel in het Serail in tegenwoordigheid van den Padischah vertoonende, het te kwaad kreeg.”

„Hoe zoo? De toer was toch bewonderenswaardig!”

„Jawel, dat vond de Emir el Moenemin, dat wil zeggen, de Beheerscher der Geloovigen, ook. Zijne Hoogheid had met alle aandacht zitten kijken, en was werkelijk zijne verbazing niet meester. Den volgenden morgen evenwel liet hij Bosco roepen.”

„„Hier hebt gij twee mijner vrouwen,” sprak Zijne Hoogheid, „eene negerin en eene Circassische. Kom spoedig, verwissel de hoofden dier dames.”

„Bosco, meenende dat het eene grap was, bekeek de beide vrouwen, die ieder in haar soort betooverend schoon was, met een kennersoog, en antwoordde glimlachend: [348]

„„Ik kan die hemelsche wezens het hoofd niet afbijten, zooals ik dat met de duiven deed. Daartoe is mijn mond niet ruim genoeg.”

„De Padischah gaf een teeken.

„Dadelijk verscheen de beul in oud-Turksche kleeding, met den krommen sabel ontbloot in de hand.

„„Die man zal dat werk wel verrichten,” sprak de Sultan met ernst. „Als gij de hoofden maar verwisselt.”

„De twee vrouwen stonden te rillen van angst. Zij kenden hun heer en konden niet gissen, wat dat alles te beteekenen had. Angstig onderzochten zij haar geweten, of hare trouw bij deze of gene gelegenheid wel den toets van het onderzoek kon verdragen.

„„Allerdoorluchtigste Keizer,” bracht Bosco, die begon te merken, dat het meenens was, „het is mij onmogelijk …”

„„Djangan bitjara kossong!” (Geen ijdele praatjes) viel hem de Padischah in de rede.”

„Spreekt de Sultan maleisch?” vroeg de onder-adjudant.

„Wel zeker, daar is hij Sultan voor. Hebt gij een Sultan gezien, die geen Maleisch spreekt?”

„Neen.…”

„„Djangan bitjara kossong!” herhaalde de Gebieder met indrukwekkende stem. „Doe wat ik u zeg.… anders laat ik u onthoofden.”

„Bosco wierp zich op de trappen van den troon op de knieën, smeekte om genade en betuigde, dat hetgeen de Groote Heer van hem verlangde, onmogelijk uit te voeren was. Het was alles te vergeefs. De Sultan bleef op zijn stuk staan, en gaf den goochelaar twee uren den tijd om te gehoorzamen. Gelukkig dat de Fransche gezant de zaak vernam. Deze spoedde zich naar het paleis Seraï Bournoe, en verkreeg eindelijk dat de [349]arme drommel in vrijheid gesteld werd. Deze maakte evenwel, dat hij buiten de grenspalen van het Turksche gebied kwam.”

„Het was een sterk stuk,” sprak de onder-adjudant, „maar ik vind den maagden-roof sterker!”

„Och kom,” sprak een ander van den troep. „Zoo iets zou ik wel kunnen!”

„U jonker?”

„Ja, ik. Als hij die dame in eene flesch had gestopt, dan ware het wat anders geweest!”

„In eene flesch?”

„Ja, in eene flesch!”

„Die zou toch een breeden hals moeten hebben!” sprak de onder-adjudant lachende.

„Geen breede hals. In een gewone champagne-flesch!”

„Och kom. Hebt gij ooit zoo iets gezien? Een mensch in eene champagne-flesch?”

„Of ik zoo iets gezien heb? Verscheiden malen. Maar dat niet alleen; ik kan dien toer zelf verrichten. En ik wou wel eens zien, of Bamberg mij dien nadeed.”

„Zelf verrichten?” vroeg de onder-adjudant. „Hebt gij dan iets aan het vak gedaan?”

„Zoo wat uit liefhebberij,” was het antwoord.

Ettelijke leerlingen stootten den onder-adjudant aan, legden den wijsvinger op den mond, terwijl een hem influisterde:

„Heeft vroeger veel succes in Nederland op de kermissen gehad.”

„Ah bah!” zei de Stip.

„Stil, dat wil hij nu natuurlijk niet meer weten. Gij begrijpt.… nu hij als officier zal promoveeren.… verkeerd geplaatste grootheidswaanzin!”

„Zoudt gij mij in een champagne-flesch kunnen stoppen?” vroeg de onder-adjudant aan den dilettant-goochelaar. [350]

„Wel, met het grootste gemak, adjudant. Maar niet in uniform.”

„Waarom niet in uniform?”

„Ja, zoo ziet men de boeren de kaart af.”

„Doet dat pijn?”

„Volstrekt niet. Alleen gij zit een weinig bekneld; dat is te begrijpen, niet waar?”

„Wilt gij dat straks, als wij te huis komen, uitvoeren?…” vroeg de onder-adjudant eenigszins aarzelend.

„Waar denkt gij aan? Het is thans ruim half twaalf. Wij zijn thans ter hoogte van den weg naar Matraman, en hebben dus nog ruim twintig minuten te marcheeren. Het zal dus middernacht zijn, wanneer wij thuis komen, en morgen ochtend is het weer vroeg reveille. Neen, ik ga dadelijk slapen.”

„Och, gij kunt dien toer niet uitvoeren. Het was alleen grootspraak van u, jonker.”

„Grootspraak!… ik neem op mij, u morgenavond na het avond-appèl met huid en haar in een flesch te goochelen!”

„Top!… dat is aangenomen. Mag mijne vrouw komen kijken?”

„Dat is maar zoo wat.… Ge weet, ik ben geen goochelaar van professie.… Maar, als ik mevrouw pleizier kan doen met het gezicht van haren man in eene flesch besloten, nu dan.… mij wel!”


Den volgenden avond was de geheele vierde klas in de teekenzaal tegenwoordig. De dilettant-goochelaar geholpen door een paar makkers had op de estrade, die voor het bord aangebracht was, eene tafel doen plaatsen, waarop doosjes, bekers, kaartspellen enz. prijkten. De hemel weet, hoe die jongelui aan al die zaken gekomen waren. [351]

Nauwelijks was het avond-appèl afgeloopen, of de leerlingen waren als schimmen naar het bedoelde lokaal geslopen. Velen hunner hadden een stearine kaars meegebracht, en weldra was eene flinke doelmatige verlichting aangebracht, die nu het geheel een prettig aanzien verleende.

Het duurde niet lang of de onder-adjudant met zijne wederhelft verschenen, en namen plaats op het eergestoelte, dat voor hen bereid was. Het vrouwtje had een glimlach op de lippen, maar tevens iets wantrouwends in den blik. Zij vreesde voor een koopje van de zijde der jonkers, en had dan ook alle pogingen aangewend om haren man er van af te doen zien om zich aan die proef te onderwerpen. Evenwel te vergeefs.

„Alvorens tot de uitvoering van het kunststuk over te gaan,” sprak de geïmproviseerde goochelaar met uiterst gemaakte stemverheffing, „zal ik eenige nummers uitvoeren, die het geachte publiek de overtuiging zullen schenken van mijn meesterschap in de edele kunst van het goochelen en tooveren. Zal ik de tevredenheid van de toeschouwers verwerven, dan verzoek ik nederig om uw edeles gunst en recommandatie!”

„Hoort ge wel,” zei een der leerlingen tot den onder-adjudant, „de kermisman drijft weer boven. Als hij aan den gang is, kan hij niet nalaten in zijn oud vak weer op te treden!”

De onder-adjudant knikte toestemmend. Hij wreef zich in de handen van de pret.

De voorstelling nam een aanvang. De dilettant-goochelaar deed heel verdienstelijk eenige muskaatnoten verdwijnen, en terugvinden waar ze niet verwacht werden, deed ook aardige kunstjes met een kaartspel; toen hij zich evenwel aan het weggoochelen van een „djeroek” (oranjeappel) waagde, mislukte de proef gladweg. De onder-adjudant grinnikte van genoegen. [352]

„Dat lukt minder goed” riep hij. „Ik geloof, jonker, dat ge gisteren avond gebluft hebt.”

„Om u een bewijs te geven,” sprak de goochelaar brutaal weg, „dat ik gisteren niet gebluft hebt, zal ik tot eene hoogere orde van arbeid overgaan. Ziet ge lieve dame, geachte toeschouwers, dit ei?”

Hij liet een kippenei van hand tot hand gaan. Toen allen zich overtuigd hadden, dat het werkelijk een ei was, vervolgde hij:

„Dat ei zal ik in deze flesch goochelen. In deze flesch, ziet goed toe! Wil iemand van het geachte gezelschap aan die flesch een merk maken?”

De adjudants-vrouw bond om den hals een blauw lintje met een uiterst koket strikje, dat niemand haar namaken kon, beweerde zij.

„En nu mag ik het geëerde gezelschap verzoeken, de zaal voor vijf minuten te verlaten. Als ik u terugroep, zal het ei in de flesch zitten.”

Zichtbaar was teleurstelling op het aangezicht van den onder-adjudant te lezen.

„Maar.…” vroeg hij, „als ik in de flesch gegoocheld zal worden, moet ik dan ook naar buiten?”

„Neen, geachte toeschouwer,” sprak de goochelaar op echten kermistoon. „Ziet, ik stuur het ei immers ook niet naar buiten.”

Toen allen buiten waren, pelde de grappenmaker snel het ei, dat half hard gekookt was, goot een weinig spiritus in de flesch, deed dien ontvlammen, en plaatste nu het gepelde ei, dat hij met wat olie besmeerd had, met het dunste uiteinde op de opening zoodanig, dat deze hermetisch gesloten was. Het gevolg van die handeling liet zich niet wachten. Door het luchtledige, hetwelk zich door de verbranding vormde, werd er eene zuiging of beter eene drukking door de buitenlucht op het [353]ei uitgeoefend. Langzaam gleed het door de opening naar het binnenste der flesch, waar het door zijne veerkrachtigheid zijnen oorspronkelijken vorm hernam.

Allen werden weer binnen geroepen, en gaven hunne verwondering over het kunststuk te kennen. Het adjudants-vrouwtje onderzocht met argwaan de flesch; maar zij moest erkennen, dat het strikje ongeschonden was.

„Hoe is het mogelijk?” riep de Stip. „Dat is het sterkste stuk, wat ik gezien heb!”

„Begint de overtuiging zich eindelijk baan te breken?” vroeg de goochelaar. „O! gij ongeloovige! Gij zult nog wel meer zien en ondervinden!”

„Nu is het mijn beurt!… Zal dat ook zoo gemakkelijk gaan? Een ei is een ei … Ik begrijp nog steeds niet, hoe ik in zoo’n kleine flesch zal kunnen.”

„Mag ik het hooggeachte gezelschap andermaal verzoeken naar buiten te gaan,” sprak de goochelaar met zijn tooverstokje in de hand.

„Ik ook?” vroeg het vrouwtje.

„Ja, vooral gij!” was het hoogst ernstige antwoord.

„Ik wou toch wel eens zien …”

„Neen, mevrouw; gij moogt niet zien! Als uw man gebotteld zal wezen, zult gij hem zien!”

„Een gebottelde Stip!” riep eene stem.

Het oog van den onder-adjudant schoot vuur bij het vernemen dier woorden, die naar insubordinatie zweemden. Hij bedwong zich evenwel.

„Kom, gaat nu allen naar buiten,” sprak hij, terwijl hij zijne vrouw tot aan de deur bracht.

Toen allen buiten waren, trad hij op den goochelaar toe:

„Welnu, ga uw gang, jonker,” sprak hij.

„Wilt ge werkelijk in de flesch?” vroeg deze ernstig. [354]

„Deinst ge achteruit? Welzeker, wil ik in de flesch!”

„Kleed u dan uit!”

„Mij uitkleeden?”

„Ja, zeker. Ik heb op mij genomen om u in de flesch te goochelen, maar niet uwe kleeren. Kijk naar het ei. Als dat een pantalon enz. aan gehad had, dan zou het er ook niet ingekomen zijn.”

„Mij uitkleeden.… Kom, beken maar, dat de geheele zaak een ui is.”

„Het is geen ui! Het zal uwe schuld zijn, als de proef mislukt. Kom, kleed u uit!”

De onder-adjudant gehoorzaamde schoorvoetend.… Het ging langzaam; maar eindelijk was hij klaar. Hij stond daar voor den goochelaar, zooals hij bij zijn geboorte dit tranendal intrad.

„Welnu.…”

„Daar staat klapperolie,” sprak de grappenmaker met gebiedende stem. „Smeer u daarmede de voeten en de beenen in, om beter naar beneden te glijden.”

Beteuterd keek de onder-adjudant den toovenaar aan. Hij aarzelde … alsof hij begreep, dat hij in het ootje genomen werd. Toch gehoorzaamde hij.

Toen de insmering afgeloopen was:

„Zoo zal het wel gaan,” zei hij.

„Welnu, stap in de flesch,” sprak de goochelaar op gebiedenden toon, terwijl hij de flesch op tafel zette. „Stap in! Monograppio! Pulsamonia! Trak!”

Plotseling weerklonk in de verte sabelgerinkel. De deur vloog open en de vrouw van den onder-adjudant stoof naar binnen.

„Daar is luitenant Blauw,” riep zij. „Zit mijn man al in de flesch? Laat hem er dan dadelijk uit!”

Dat had het vrouwtje nog den tijd, om in een adem er uit te brengen. Maar op het gezicht van haren echtgenoot [355]in adamskostuum en met geoliede beenen, schrok zij, waarschijnlijk voor zijn afschuwelijk leelijk voorkomen, gaf een gil en spoedde naar de deur, waar juist de luitenant-adjudant verscheen.

„Wat is hier te doen?… Waartoe die verlichting?… Wat doet die vrouw hier?…”

Dat waren de vragen, die hem achtereenvolgens ontsnapten. De onder-adjudant was inmiddels op de knieën gevallen, en had eene toevlucht gezocht onder de tafel; wat hem maar slechts gedeeltelijk gelukte, daar zijne magere, olieachtige voeten er onder uitstaken!

„Antwoord dan toch, sergeant,” ging de luitenant voort. „Wat heeft dat alles te beteekenen?… Wie zit daar onder tafel? Hei daar! kom er eens onder uit!”

De onder-adjudant liet zich noodigen. Maar de luitenant, ongeduldig, raakte die voeten vinnig met zijne sporen. Toen kwam de Stip te voorschijn, en werd begroet door een luid hoera van de verzamelde leerlingen, die bij de deur het einde van de klucht afwachtten. De luitenant, hoe ernstig overigens in het dagelijksche leven, schaterde van het lachen, toen hij dien naakten, leelijken mageren man zag.

„Wat heeft dat te beduiden, onder-adjudant?” vroeg hij, toen zijne lachbui over was, en de krijgstucht zich weer op zijn gelaat vertoonde.

De onder-adjudant deed geen mond open. Hij stond daar als een standbeeld, maar als een leelijk standbeeld.

„Spreek dan toch!” maande de luitenant, terwijl hij zich tot den onthutsten goochelaar wendde.

„Och, luitenant, ik gaf den onder-adjudant les in het goochelen,” antwoordde deze.

„Ik zou in de flesch gestopt worden!” sprak eindelijk de Stip. [356]

„In de flesch?”

„Ja, luitenant, hij zou gebotteld worden,” liet zich eene stem van buiten hooren.

Andermaal een lachbui van den luitenant.

„Ik zal jullie leeren, je meerderen willen bottelen!” sprak hij met grimmige stem, toen hij er in geslaagd was weer ernstig te kijken. „Morgenochtend de geheele klas op het rapport! En gij onder-adjudant, maak dat ge wegkomt!”

Zijne vrouw had zich gehaast een kapotjas te halen. Daarin wikkelde zij hare wederhelft, die nu zorgde, dat hij uit de voeten kwam.

Toen de Directeur der School den volgenden morgen de geheele toedracht der klucht vernam, was het hem niet mogelijk ernstig te blijven.

„Ik kan die snaken moeielijk straffen,” sprak hij tot luitenant Blauw, „en als reden opgeven: „den adjudant-onderofficier der Militaire School te hebben willen bottelen.” Neen, tegenover zulke uien gevoel ik mij geheel weerloos. Ik zal ze niet straffen, maar hen straks duchtig den mantel uitvegen!”

„Maar, kapitein.…” wilde de luitenant-adjudant tegen die uitspraak inbrengen.

„Ik weet wat ge zeggen wilt … Ja, het was eene voorafberaamde poets. Ik wist dat er iets gaande was; maar zij hebben hunne wraak zoo geestig ten uitvoer gelegd dat, ik herhaal het, ik mij weerloos tegenover hen gevoel.…. Neen, luitenant.… geen woord meer daarover!”

Luitenant Blauw bracht de hand aan de klep van zijn kepi, en kwam op het voorval niet meer terug. De legende van den gebottelden Stip bleef evenwel nog geruimen tijd bij de Militaire School voortleven. [357]