De groote dag naderde inmiddels met rassche schreden.
De leerlingen der vierde klasse verlieten in de laatste twee maanden de inrichting niet meer. Allen zaten gedurende hunne vrije uren over hunne boeken gebogen, om door eene degelijke herhaling het geleerde nog eens te verwerken. Slechts weinigen dier jongelingen vertoonden zich aan het hek van de School, om een luchtje te scheppen, en een verstrooiden blik te wijden aan de gelukkigen der buitenwereld, die daar gedurende de koele uren van den dag heen en weer wandelden. Zelfs Serassima, de lieve bekoorlijke Serassima, vermocht slechts zelden hunne aandacht te boeien, en gelukte haar dat, och, dan was hare overwinning toch onvolkomen, daar zij slechts kortstondig nageoogd werd, en geen enkel zoet woordje haar oor bereikte. Of de lieve maagd het zich aantrok? Zij verzorgde met dezelfde nauwgezetheid de kinderen, die haar toevertrouwd waren, en liet van haar gemoedstoestand niets blijken.
Eindelijk was de dag van het tentamen daar. Het tentamen was een voorexamen, dat door den Directeur der School in alle onderwijsvakken werd afgenomen, om zich te overtuigen of zijne leerlingen degelijk gewapend in [358]het strijdperk zouden verschijnen. Dat tentamen was dan ook in den regel zwaarder dan het examen, en werd daarom door de jongelieden het meest gevreesd. Toch liep het voor verreweg het meerendeel gunstig af; want slechts een tweetal slaagde niet, en werd onverbiddelijk door den Directeur afgewezen.
Hoewel uiterst prozaïsch en uiterst vervelend en inspannend,—zoodat de leerlingen er den karakteristieken naam: „baris bekrengat” (de zweet-exercitie) aan gegeven hadden,—bood dat tentamen toch een enkel oogenblik aan, waarin de belanghebbenden hun lachen niet konden weerhouden.
Bij dergelijke gelegenheden dicteerde de Directeur gewoonlijk de vragen, waarna hij en een der officieren instructeurs het toezicht waarnamen, om tegen stechelen en fraude te waken.
Zoo ging het ook toe op den dag, waarop de leerlingen van hunne kunde in de vaderlandsche geschiedenis moesten doen blijken. Frank Brinkman en Herman Riethoven zaten in een en dezelfde bank, evenwel niet naast elkander. Een jongman, die eigenaardig genoeg, ook zijne humaniora doorworsteld had, evenwel niet te Katwijk of te Rolduc, maar te Sint Truiden op Belgisch grondgebied, zat tusschen hen in. De Directeur had eene vraag omtrent het Tweede Stadhouderlooze Bestuur opgegeven, en zaten de jongelieden in de schriftelijke beantwoording verdiept, met des te meer ijver, naarmate daartoe slechts weinig tijd—een half uur—gegund was. Herman en Frank hadden in een ommezien hun antwoord gereed, en zaten in ledigheid het ophalen der beantwoorde vragen af te wachten. Anders was het evenwel gesteld met hun buurman. Die zat te zuchten, te zweeten en op zijn potlood te kauwen, alsof hij dat wilde verslinden; terwijl zijn vel papier vlekkeloos wit bleef. Eindelijk van [359]een oogenblik gebruik makende, dat de opzicht hebbende officieren eenigszins uit zijne buurt verwijderd waren, zeide hij tot Frank met een wanhopigen zucht:
„Ik herinner mij van dat Tweede Stadhouderloos Bestuur geen lor.… Help mij toch.”
Dat de arme drommel er zich niets van herinnerde was te begrijpen. In de inrichting waar hij zijne opvoeding erlangd had, was er wel het allerminst werk van gemaakt, om hem op de hoogte van de geschiedkundige bijzonderheden van een naburig protestantsch land te brengen.
Frank greep in de goedheid zijns harten een klein stuk papier van weinige duimen vierkant, krabbelde daar wat op, en schoof het daarna zijnen benarden makker ongemerkt toe. Deze verborg het onschatbare stukje papier onder het vel, waarop hij zijne vraag moest beantwoorden. Bij iedere gunstige gelegenheid wierp hij een blik op het reddende geschrift, om dan met ijver zijn arbeid voort te zetten. Het scheen dat zijn herinneringsvermogen door Frank’s vluchtige aanteekeningen krachtig te hulp werd gekomen.
Maar.… bezat de Directeur valksoogen? Of had de delinquent, door zijn succes verbijsterd, alle voorzichtigheids-maatregelen verzuimd? Wie zal dat uitmaken? Op een gegeven oogenblik evenwel, dat de arme examinandus er het minst verdacht op was, verscheen plotseling eene hand voor zijne oogen, die zijn vel papier optilde, en zich van het snippertje, waarop Frank gegriffeld had, behendig meester maakte. Dat geschiedde zoo vlug, dat er zich niet tegen te verzetten was geweest.
De Directeur—want hij was het, die het bedrog opgespoord had—bekeek zijne vangst aandachtig, terwijl een glimlach om zijn lippen speelde. Eensklaps trad [360]hij op luitenant Sopoc toe, die met hem het toezicht deelde.
„Hebt gij wel ooit zoo’n aardig stecheltje gezien?” vroeg hij, terwijl hij den luitenant het stukje papier aanreikte.
Deze nam het, bekeek het; maar zette een van verbazing vreeselijk dom gezicht, dat den glimlach van den Directeur in een gullen lach deed overgaan. Daarna keerde luitenant Sopoc het papiertje het onderste boven, en bekeek het andermaal opmerkzaam. Toen die aandacht evenmin beloond werd, en hij even wijs bleef, keerde hij het van ter zijde, eerst rechts, daarna links, om het eindelijk ook op de achterzijde te bekijken.
Bij die laatste beweging kon Frank Brinkman, die toch al alle moeite aangewend had, om niet uit te proesten, zich niet meer bedwingen.
„Kapitein?” vroeg hij aan den Directeur, „is het mij veroorloofd even buiten te gaan. Ik heb mijne vraag af.”
„Ja, sergeant Brinkman, ga buiten maar uitlachen,” sprak de Directeur goedig.
Wat was het geval geweest? Frank had de verlangde inlichting omtrent het Tweede Stadhouderlooze Bestuur behoorlijk opgeschreven; maar had daarbij van het Grieksche alphabet gebruik gemaakt, zoodat het betrapte stecheltje onberispelijk Nederlandsch bevatte, evenwel met Grieksche karakters geschreven. Was het te verwonderen dat luitenant Sopoc dom keek? Dat Grieksch was in de volle beteekenis van het woord Grieksch voor hem. En was het te verwonderen, dat de arme drommel, die van dat Grieksche stecheltje gebruik gemaakt had, tot het tweetal behoorde, dat niet tot het examen toegelaten werd; en dat Frank Brinkman een boetpredikatie te hooren kreeg, omdat hij zich tot dat bedrog geleend had? [361]
De dagen, die verloopen moesten tusschen het tentamen en het examen, werden goed besteed. Allen, zoowel de instructeurs als de leerlingen, hadden den toetssteen van ieders zwakke zijde gevonden; zoodat de overblijvende tijd nuttig besteed kon worden, om het ontbrekende aan te vullen.
Noch Frank, noch Herman evenwel behoefden zich ongerust te maken. De uitslag van het tentamen was voor hen zoodanig geweest, dat zij op een even gunstigen uitslag mochten hopen. Toch bleven ook zij over hunne boeken gebogen, hoewel de prikkel der noodzakelijkheid ontbrak.
Op een namiddag evenwel, dat Herman zat te repeteeren, zoo als het heette, dwaalden zijne gedachten wel van het onderwerp, dat hem moest bezig houden, af. Hij had den aardrijkskundigen cursus van Van Heusden voor zich liggen. Die was het hoogstwaarschijnlijk, welke zijn geest aan het omdolen hielp. Hij repeteerde toch de rivieren, die den Nederlandschen bodem besproeien.
„De Maas,” zoo las hij binnensmonds, „treedt iets bezuiden het dorp Eysden het Nederlandsche grondgebied binnen. .… Eysden,” zoo bracht hem zijn verbeeldingskracht te binnen, „Eysden.… het land der mirabellen, der mei- en der welsche kersen!.… Eysden!… die uiterste punt van mijn vaderland … van mijn Limburg … wanneer heb ik dat het laatst aanschouwd?… Laat zien … O, dat was, toen ik met Frank op de heuvelspits klom, waarop de ruïne van Lichtenberg gelegen is, en ik Lydia.… Lydia!… ja, voor het eerst aanzag, zooals ik … Maar weg met die gedachte!… ik wil bij mijne repetitie blijven … Van Eysden stroomt de Maas noordwaarts naar Maastricht … Ja, ik zie dien loop voor oogen … Mij dunkt, ik bevind mij op een der sierlijke Maasbooten [362]van Bonhomme, die den dienst tusschen Luik en Maastricht verrichtten … Kijk, wij verlaten Eysden, waar het grenskantoor op Nederlandsch grondgebied gelegen is en waar de douane-formaliteiten afgeloopen zijn, wij stoomen zuidwaarts voor den stroom af … Ha!… daar buigt zich de Maas met een sierlijke bocht naar den Pietersberg toe … Ziet, daar zijn de Sept Caveaux,198 die zuilengang! die in het mergel van den berg is uitgehouwen … Daar boven verheft zich het kasteel van Caastert, daar beneden aan den voet van den berg ligt het dorpje Lanaye, waar het Belgisch grenskantoor op den linker Maas-oever is … Aan den anderen oever iets lager verschijnt het dorpje Boekholtz met zijn lief kasteeltje, dat zich schilderachtig in den helderen stroom spiegelt … Daar vlak tegenover verheft zich indrukwekkend en dichterlijk de bouwval van Lichtenberg … Daar is Slavante … Slavante!… Zouden de konkernollenstruiken daar nog staan?199 Die stille getuigen van … Het is reeds ruim vier jaren dat ik Maastricht verlaten heb; in die vier jaren kunnen zij wel opgeruimd zijn … Maar, waar dwalen mijne gedachten weer af?.… Bij Maastricht neemt de Maas de Jeker, eene kleine linker zijrivier, en iets beneden die stad de Geul, eene rechter zij.…”
Er werd op de deur geklopt.
„Binnen” riep Herman.
De sergeant-fakteur trad binnen, en reikte hem een brief over.
„Een mailbrief,” zei hij, en spoedde weg, om den inhoud zijner tasch verder rond te deelen.
Herman Riethoven brak den brief open.
„Van Ubaghs,” mompelde hij, na de handteekening ingezien te hebben. „Wat mag die mij te melden hebben? Hij is niet schrijflustig van aard.… Laat zien.”
Weldra was Herman in zijne lektuur verdiept, en lag [363]zijn Van Heusden vergeten daar. Och, die geheele repetities geschiedden slechts pour acquit de conscience. Hij was blij, dat hij een voorwendsel had, dit vervelend boek op zijde te schuiven. De brief bevatte slechts allerhande nieuwtjes van Maastricht en van Limburg, die slechts voor een inboorling dier streken belangrijk konden genoemd worden. Toch deden zij Herman genoegen en vaak krulde zich zijne bovenlip tot een glimlach.
„Het zijn nog altijd de oude Maastrichtenaars, met hun maatje oud bier, met hunne Momus-sociëteit, met hunne liefhebberij voor muziek en hun opgeruimd karakter!” mompelde hij, toen hij het vrij lange epistel geëindigd had. „Maar geen woord over.… O, in dit hoekje staat T. S. V. Pl. Nu, laat zien:
„P. S. Ik zou nog vergeten het voornaamste te melden. Uwe ouders zullen u wel geschreven hebben, dat Lydia Fraenkel gehuwd is.….”
„Lydia gehuwd!.… Wel neen, dat hebben mijne ouders mij niet geschreven!.. Lydia in de armen van een ander!…” riep Herman hartstochtelijk en opgewonden uit, terwijl hij den brief liet vallen, en zich het gelaat met beide handen bedekte.
Zoo bleef hij een poos zitten.
Wat ging er in die oogenblikken in zijne ziel om?
Een kwartier, een half uur verstreek. Eindelijk hief hij het hoofd weer op.
„Kom, laat mij man zijn!” sprak hij tot zich zelven. „Wat scheelt mij toch? Heb ik mij niet herhaalde malen met de gedachte vertrouwd trachten te maken, dat zij een ander zou toebehooren? Nogmaals, wat scheelt mij? Had zij mij trouw beloofd? Neen, neen, neen! Kom, ik ben gek!”
Hij greep andermaal den brief, die voor hem op tafel lag, en hervatte het lezen daarvan: [364]
„… Uwe ouders zullen u wel geschreven hebben, dat Lydia Fraenkel gehuwd is.…”
„Neen, dat hebben zij niet,” viel hij zich zelven andermaal in de rede. „O, ik begrijp waarom. Mijne goede teergevoelige moeder heeft mij die smart willen sparen. Zij kent de inborst van haren zoon beter dan hijzelf. Waarachtig, nu ik wat kalmer geworden ben, moet ik erkennen dat ik nimmer heb kunnen denken, dat die tijding, die toch vroeg of laat te verwachten was, mij zoo zou aangrijpen!… Kom, laat mij dat fatale post-scriptum eindigen:
„… gehuwd is met Eduard Van der Wouden, nog een oude kennis van u. Hij beweert ten minste met u te Rolduc te zijn geweest. Dat jonge paar schijnt zeer gelukkig met elkander te zijn, vooral nu hunne huwelijksliefde onlangs door de geboorte van een flinken zoon, een jongen als melk en bloed, bekroond is.…”
Andermaal ontglipte de brief aan Hermans hand. Bleek als een doode zat hij daar, en staarde met strakken blik op die noodlottige regels, die hem zoo aangrepen.
„Een zoon!…” zuchtte hij. „Een zoon!…”
Meer vermocht hij niet uit te brengen. Hij snakte naar adem, greep naar zijn halsdas, maakte dien los met een gebaar, alsof hij der verstikking nabij was, omvatte daarna zijn hoofd met beide handen, sprong van zijn stoel op, en doorliep zijn klein vertrek met de gejaagde en onbestemde bewegingen van een wild dier, dat in eene kooi opgesloten was.
Wat ging om in dat brein, hetwelk hij zoo krampachtig omvat hield?
Had hij kunnen denken dat Lydia, die hem geen enkel woord toegevoegd, geen blik gegund had, waaruit hij eenige hoop had kunnen putten, ongehuwd zoude zijn gebleven? Had hij iets van de toekomst verwacht? [365]Van de toekomst, die zich soms zoo wonderlijk ontwikkelen kan? Had hij wellicht de hoop gekoesterd, dat hij, eenmaal officier zijnde, met verlof naar het vaderland zou kunnen gaan, om.… haar af te halen, en naar deze tropische gewesten over te brengen? Neen, nimmer had zijn hopen, zijn verlangen die begrensde vormen aangenomen. Zoo ver was hij bij het ontwerpen van plannen voor de toekomst nooit gevorderd. En had hij ook al het droombeeld gekoesterd, om binnen betrekkelijk korten tijd naar het vaderland terug te keeren, dan had hij zich bij het uitwerken van die plannen steeds diets gemaakt, dat zijne liefde tot zijne ouders hem naar dien terugkeer deed haken, dat hun weerzien de grondslag was van dat verlangen. Neen, neen! Lydia was voor niets bij die begeerte! Zoo dacht hij, zoo meende hij in gemoede. En toch, wanneer hij nauwkeurig toegezien had op wat in zijn gemoed omging, dan had hij kunnen ontwaren, dat tusschen de beelden van zijne moeder en zijn vader, die voor zijn geest opdoemden, een ander verscheen, een ander met zachte bekoorlijke gelaatstrekken, met fonkelende zwarte oogen, met donkerbruine krullen, een ander, dat steeds, maar hem onbewust, de geheimste snaren van zijn hart in trilling wist te brengen, maar wat hij zich niet wilde, wellicht durfde bekennen.
„Een zoon!… Een zoon!…” herhaalde hij.
Een zoon! Alles, alles had hij zich met betrekking tot die rampzalige liefde om zijn gemoed te stalen voor den geest gehaald: dat hij voor eeuwig van Lydia gescheiden was, dat hij haar wellicht nimmer zou weerzien, dat zij een ander beminnen, een ander hare hand zoude reiken! Met die gedachten had hij zich langzamerhand vertrouwd gemaakt. Hij was langzamerhand zoo ver gekomen, dat hij daarbij kon verwijlen, zonder zijn hart [366]sneller te voelen kloppen. Hij had de wreedheid zelfs gehad—altijd om zijn hart te beproeven, te harden—Lydia’s beeld op te roepen in het oogenblik, dat zij door dien ander geliefkoosd, omhelsd, omarmd werd; maar.… dat zij moeder zoude zijn! het beeld dat zij daar met een kind van een ander aan de borst zou neerzitten … neen, dat was nog niet bij hem opgekomen. Tegen dat beeld, dat hem daar in vreeselijke werkelijkheid voor den geest getooverd werd, was hij niet gewapend, dat vernietigde hem.
„O! dat ik Maastricht verlaten heb!” brulde hij. „Als ik gebleven ware, was het mij wellicht gelukt den toestand te beheerschen. En nu …?”
In dit oogenblik trad Frank het vertrek binnen. Met een blik zag hij hoe opgewonden zijn vriend was.
„Wat is er gebeurd?” vroeg hij.
Herman wees op den brief.
„Lees,” sprak hij met van aandoening trillende stem.
Brinkman greep den brief:
„Van Leo Ubaghs,” sprak hij, toen hij de naamteekening bekeken had. „Kwaad nieuws?… Uwe oude lui wellicht …”
„Lees, lees dan toch!” antwoordde Riethoven ongeduldig.
Frank las den brief ten einde, zonder zich rekenschap van den gemoedstoestand van zijn vriend te kunnen geven.
„Welnu?” vroeg hij.
Herman zette den wijsvinger op de letters: T. S. V. Pl.
„Tournez si vous plait. Dus een post scriptum,” zei Frank, terwijl hij het blad omsloeg.
„.… Drommels!” ging hij voort, na gelezen te hebben. „Herman, dat is eene felicitatie waard!” [367]
En met uitgestoken hand stapte hij op zijn vriend toe. Deze gaapte hem half verbijsterd, half woedend aan.
„Eene felicitatie?” bromde hij.
„Ja, zeker eene felicitatie!” ging Frank voort. „De betoovering is nu gebroken. Gij zult nu nog een vrij akelig tijdperk te doorworstelen hebben; maar dit zal ook wel voorbijgaan. Het aanstaande examen zal wel het zijne er toe bij brengen, om uwe gedachten op iets anders te vestigen. Kom, moed, Herman! Het zwaarste is voorbij.… Wilt ge een goeden raad van mij aannemen?”
„Laat hooren,” sprak de andere met wanhoop in zijne stem.
„Roep dat beeld van Lydia nu herhaaldelijk voor uwen geest op. O! dat zal branden, daaraan twijfel ik niet. Maar juist de overmaat van smart zal het lijden verstompen. In weinige dagen zal dat beeld zijne werking volbracht hebben; het zal u koud laten, en gij zult bij het bewustzijn van het onveranderbare uwe gemoedsrust terug erlangen, en der wereld weergegeven zijn. Als nu maar eenmaal het bewustzijn, dat Lydia voor u onherroepelijk verloren is, zijn brandend vermogen kwijt zal zijn, zullen nog schoone dagen van liefde, van hoop, van verlangen voor u aanbreken. Ik koester het innige vertrouwen u nog gelukkig te zullen zien.”
„Frank!…”
„Ik wilde, dat ik eene photographie bezat van Lydia met haar kindje op den arm.…”
„Frank!!…”
„Ik zou u haar vertoonen, herhaaldelijk, zonder ophouden, bij iedere gelegenheid vertoonen. Dat zou het brandijzer op de pijnlijke wonde brengen zijn, dat weet ik wel. Maar mijn hand zou niet aarzelen; want als vriend zou ik overtuigd zijn, dat ik genezing aanbracht.” [368]
Het was goed, dat het examen niet al te spoedig op het tentamen volgde. In den staat van opgewondenheid, waarin Herman verkeerde, zoude een welslagen twijfelachtig geweest zijn. In ieder geval zou hij minder voldaan hebben, dan van zijne algemeene ontwikkeling mocht verwacht worden, en zou hij een lager nummer bekomen hebben in de ranglijst, dan nu het geval was, nu dat examen nog ettelijke weken achterwege bleef.
Toen de groote dag daar was, had zijn gemoed in zoo verre zijne kalmte herkregen, dat hij onbevangen zich aan zijn arbeid kon wijden, en dien tot een goed einde brengen.
Acht dagen duurde het examen voort onder het oog der daartoe benoemde commissie, bestaande uit een hoofdofficier als voorzitter en drie kapiteins: een van de infanterie, een van de artillerie en een van de genie, waaraan nog de Directeur der Militaire School als adviseerend lid werd toegevoegd. In elk der vakken werd aan al de leerlingen een zeker aantal vragen, die schriftelijk beantwoord moesten worden, opgegeven, en werd voor elke vraag slechts een half uur ter oplossing gegund.
Toen het schriftelijk werk afgeloopen was, werd tot het praktische gedeelte van het examen op het terrein overgegaan. De aanstaande officieren moesten omtrent den verkenningsdienst bewijzen geven van eenig terreingedeelte daadwerkelijk met behulp van de smalkalder-boussole, of van het planchet, op te kunnen nemen, en in kaart te brengen, alsmede niet onbekend met de eenvoudigste meet- en waterpas-instrumenten te zijn. Verder moesten zij het tracée van een veldwerk uitzetten, en op het terrein aanduiden, hoe de werkzaamheden daarbij verdeeld werden en verliepen; zij moesten [369]van eenige kennis van batterij-bouw doen blijken, verder de bediening, zoowel van het voornaamste vestinggeschut als van de veldartillerie kunnen verklaren en onderwijzen. Dan nog moesten zij blijken geven degelijk onderwijzer in de verschillende scholen van het wapen der infanterie te zijn, om eindelijk op den laatsten dag van het praktische gedeelte als bataillons-kommandant op te treden, en daarbij te toonen niet alleen de verschillende afdeelingen van dat exercitie-reglement te kunnen uitvoeren, maar ook te kunnen manoeuvreeren, en het bataillon in den kortst mogelijken tijd, en zonder het te zeer aan ’s vijands vuur bloot te stellen, op een gegeven punt, hetzij in linie te deploieeren of in kolonne saam te trekken.
Dat alles slaagde bij uitnemendheid. De Directeur der Militaire School had alle eer van zijne leiding; want van de twee en dertig jongelieden, die zich voor het examen aangeboden hadden, slaagden acht en twintig.
Twee dagen na afloop van die vuurproef, werd den geëxamineerden die uitslag medegedeeld, en kon Frank Brinkman naar Wilatoong schrijven, dat hij nummer drie, en Herman nummer vijf verworven hadden, en dat beiden derhalve geslaagd waren.
Toen Adelien die goede berichten las, slaakte zij een kreet van genoegen en riep onverholen uit:
„Nu is de tijd van beproeving, Goddank, voorbij!”
Het lieve kind zou zich toch eenigermate vergissen, en zou dat weldra ontwaren.
Opgeruimd en tevreden liet zij evenwel hare zuster Emma een paar regels van Franks brief lezen ter plaatse waar geschreven stond:
„Bij Herman heeft een geheele ommekeer plaats gehad. Wat daartoe den stoot gegeven heeft, zal ik mijne [370]lieve Adelien later wel vertellen. Maar, volgens mijne opvatting is het rijk van Lydia uit.”
Emma bloosde tot achter de ooren bij het lezen dier woorden.
„La reine est morte! Vive la reine!” riep Adelien schalks uit.
EINDE
VAN „IN HET LAND DER ZON.”
[371]