[Inhoud]

IX.

Naar Telogo Passir.

„Strekken wij onze wandeling niet wat ver uit? Gisteren hoordet gij papa nog verhalen, dat er in de nabijheid der „goedang” (magazijn) sporen van een „toetool” (panter)78 ontwaard zijn.”

„Och, je weet dat papa steeds zeer bezorgd is voor ons. Als ik niet beter wist, dan zou ik denken, dat hij bang van aard is.”

„Emma!”

„Nu ja, ik zeg immers: als ik niet beter wist. En ik weet het beter. Ons paatje is geen snoever, maar als het er op aan komt, is hij de mannelijke moed in persoon.”

„Kom, laat ons dan aan zijne raadgevingen gehoor geven en naar huis terugkeeren.”

„Wat een bange meid! Alsof een toetool te vreezen is! Hebben wij daarenboven onze honden niet bij ons? Matjan!… Matjan!… Singa!… Singa!…”79

Een paar prachtige kangoeroe-honden, fraai gestreept alsof het tijgers waren, snelden toe en sprongen tegen haar op, die hen geroepen had, ook tegen hare gezellinnen, en poogden de lieve gezichtjes, die zich van die liefkozingen lachend trachtten te vrijwaren, op echte hondenmanier te likken en te liefkozen. [156]

„Kom stil, Matjan!” riep zij, die wij reeds Emma hoorden noemen.

Diam!… diam!” (stil, stil!) riepen de twee anderen.

De honden gehoorzaamden niet terstond en bleven voortstreelen en voortlikken. Maar plotseling scheen iets in het struikgewas ter weerszijden van den weg hunne aandacht te trekken. Een oogenblik stonden de fraaie dieren, alsof zij in brons gegoten waren, met steil gespitste ooren en den neus in den wind.

„Wat is er, Matjan? Wat is er, Singa?”

De honden snoven nog een poos de lucht in, en stormden daarop woest blaffende het struikgewas in.

„Wat zou er aan de hand zijn?” vroeg een van Emma’s gezellinnen, niet zonder een zweem van ongerustheid.

„Ik weet het niet,” was het antwoord. „Maar … sjt … luistert!… Ha, ha, ha!.… het is een tjelleng80 (wild zwijn), die door de honden nagezeten wordt en ons zoo in angst gejaagd heeft. Hoort gij het woedende geknor, hetwelk het geblaf onzer honden beantwoordt?”

De drie liefelijke wezens, welke daar bij elkander stonden, spitsten de oortjes, luisterden aandachtig en vormden een schilderachtige groep te midden van het lachende groen, hetwelk haar allerwege omgaf. Alle drie waren in sarong en kabaai gekleed, dat luchtige huis-toilet in Nederlandsch Indië, hetwelk haar bevallig stond, met smaakvol geborduurde slofjes aan de bloote voetjes, waarmede zij door den frisschen dauw, die het fijne gras van den weg, waarop zij zich bevonden, als met parels overdekte, voortschreden.

Aanvankelijk verschrikt en bevreesd gemaakt door het woedende geblaf der honden, hadden zij elkander om het middel gevat, alsof zij bescherming van elkander verwachtten en hadden, zoo gegroepeerd, met angstigen [157]blik uitgekeken in de richting, waar de honden verdwenen waren. Toen zij evenwel het geknor van het opgejaagde zwijn vernamen, gloorde een glimlach om de lieve lippen; want zij voelden zich gerustgesteld. Zij wisten toch dat de tjellengs zich ongaarne in de nabijheid eens tijgers ophouden, en dat, waar een dezer wilde dieren aangetroffen wordt, de andere niet te verwachten is. Toch bleven de drie dames nog een oogenblik turen, zonder elkander los te laten.

De lezers vernamen reeds dat eene van het drietal Emma heette. Wanneer er nu bij verteld wordt, dat de naam van eene der twee anderen Adelien was, en dat het drietal jeugdige schoonen, dat onze aandacht boeit, zich in dit oogenblik van het verhaal te midden van een uitgestrekten koffietuin bevond, dan zullen de lezers gewis raden, dat wij hen in gedachten op Wilatoong, een der koffieondernemingen van den heer Groenewald, op de hellingen van den Lawoe81 gelegen, gevoerd hebben, en dat twee dier dames zijne dochters zijn.

De derde van het drietal was eene vriendin, maar eene gehuwde vriendin, d.w.z. een lief schepseltje, dat, hoewel van denzelfden leeftijd nagenoeg als Emma, door hare maatschappelijke positie, vooral in de oogen van de jeugdigere Adelien, als met een geheimzinnigen stralenkrans—als die uitdrukking te bezigen is—getooid was. Zij toch had reeds den slagboom overschreden, die hare gezellinnen nog van het aantrekkelijke onbekende afsloot. Zij wist reeds, wat? Ja, dan zouden de beide zusjes even wijs geweest zijn.

Die vriendin was de dochter van een koffieplanter, evenals de heer Groenewald was, wiens onderneming in de Residentie Cheribon op de hellingen van den Tjerimai82 gelegen was. Voor haar huwelijk heette zij Truitje de Vos; maar hoorde thans met ongemeen veel [158]genoegen, wanneer zij mevrouw Gertrude Ridderhoff genoemd werd. Haar echtgenoot was als opziener bij haren vader in dienst getreden, en was nu, na zijne degelijkheid in landelijke zaken bewezen te hebben, diens deelgenoot in zijne onderneming geworden, en verving den niet meer jeugdigen man waardig en volkomen.

Mevrouw Gertrude Ridderhoff was in den volsten zin des woords eene liefelijke verschijning. Zij was eene Oostersche bloem in hare volle beteekenis. Zij had een fraai besneden gelaat met zeer regelmatige trekken, dat lieftallig en innemend genoemd mocht worden, hoewel de matte en zachte bronstint van de fijn gedonste huid, die haar buitendien veel bekoorlijkheid bijzette, duidelijk liet ontwaren, dat zij van gemengd bloed was. Een ander onbedriegelijk kenmerk daarvan waren hare gehoorwerktuigen, die kinderlijk klein, allerliefst geboord en met hare oorlelletjes verrukkelijk om te stelen, bevallig gevormd waren; maar welker schelp eenigszins naar voren gebogen was, alsof zij niets waarneembaars wilde laten ontglippen.

Adelien en Emma hadden met Truitje samen bij de Zusters-Ursulinen te Batavia school gelegen, en van daar ook dagteekende hare vriendschap. Truitje was eenige jaren voor hare vriendinnetjes naar Europa vertrokken, en was daar op eene kostschool voor jonge dames geweest. Gedurende het verblijf der familie Groenewald in Nederland, had zij deze gedurende de vacantie een enkele maal opgezocht, en had toen het kostschoolleven, vooral in het zoo heerlijke België, hemelhoog geprezen. Mevrouw Groenewald had zich evenwel door het klatergoud van uiterlijke beschaving, hetwelk het aanvallige deerntje vertoonde, en het vernisje van bon ton dat haar omgaf, niet laten bedwelmen; maar had hare dochters als eene goede moeder in hare onmiddellijke [159]nabijheid gehouden. Plotseling was Truitje naar Indië vertrokken, lang voordat de familie Groenewald aan de terugreis dacht. Niet lang na hare terugkomst in haar geboorteland was het luchtige schepseltje in het huwelijk getreden. En toen haar echtgenoot op aandringen haars vaders eene reis naar Ceilon ondernam, met het doel om daar de zich in die dagen voorspoedig ontwikkelende koffiekultuur te bestudeeren, had zij het voornemen opgevat en uitgevoerd om haren onbestorven weduwentijd bij hare vriendinnen door te brengen. En daar was mevrouw Gertrude Ridderhoff nu. Zij was natuurlijk op Wilatoong met de meeste hartelijkheid ontvangen; zij gevoelde zich daar geheel op haar gemak, hoewel zij zich toch bekennen moest, dat de vroeger bestaan hebbende innigheid tusschen haar en Emma en Adelien niet meer dezelfde was. Er was iets tusschenbeiden gekomen, zoo iets alsof Gertrude sedert haar huwelijk wat meer wist dan hare vriendinnen, en alsof deze tegen haar opzagen, als tegen een hooger staand wezen, en bijwijlen haar met een blik aankeken, alsof zij op het punt waren eene vraag te doen, die evenwel schuchter achterwege bleef.

Een oogenblik stonden die drie liefelijke beelden daar als ineengestrengeld, de armen om elkanders middel geslagen, toen het geblaf der kangoeroe-honden, dat zich eerst in de verte verloren had, andermaal naderde en de dames eensklaps een tjelleng, gevolgd door een zestal biggetjes, op weinige passen afstand van haar zagen verschijnen, daar stand houden om hare jongen tegen de aanvallen van de honden te verdedigen. Matjang en Singa pakten de wakkere moeder de een bij een oor, de ander bij een achterhammetje. Wel knorde en schreeuwde zij vervaarlijk, zij scheen zich evenwel slechts lauw te verdedigen. Maar nauwelijks was het [160]laatste harer kleintjes den weg overgestoken en onder de overhangende takken der koffiestruiken verdwenen, of zij schudde zich even als een poedel, die uit het water kwam, deed door die beweging de beide honden loslaten en achteruit stuiven, gaf in het voorbijsnellen Matjang een duw met haren snoet, die gelukkig ongewapend was, maar waardoor de hond toch jankend en huilend achteruit geworpen werd, en verdween toen op hare beurt in den koffietuin. Het geheele tooneel had slechts weinige seconden geduurd.

Matjan, sini! Singa, Singa, sini!” riep Adelien met hare zilveren stem.

Maar te vergeefs, de honden stoven het opgejaagd wild achterna, en weldra verloor hun geblaf zich in de verte.

Het was een heerlijke ochtend. De zon kwam nog niet boven den rand van den bergnok uit, op welker hellingen de koffietuinen van Wilatoong aangelegd waren. Hoewel de lucht zich helder blauw boven onze wandelaarsters uitstrekte, zweefde toch een lichte ijle nevel langs het aardrijk en hulde boomen, planten en bergtoppen in een soort van zilveren gaas. Het was in de Meimaand, die ook in de bergstreken van Java zoo heerlijk kan wezen. De westmoesson had uitgewoed en het aardrijk overvloedig gedrenkt. Wel was de droge tijd reeds ingetreden, maar de grond van vocht verzadigd, was in zijn vruchtbaarste tijdperk. Het plantenrijk vertoonde zich in zijn schitterendste gewaad, terwijl de bergmassa’s, die sponsen door de natuur daargesteld om het overtollige water in het natte jaargetij op te vangen, op te schuren als het ware om het in het daaropvolgende regenlooze saisoen te laten doorsijpelen, hare bronnen overvloedig lieten kwellen en de beekjes, die door de ravijnen naar omlaag spoedden, luid klaterden, [161]ruischten, dartelden en kabbelden en zoo een akkoord vormden met het gekweel en het gekir der vogels, die in het loof van struiken en boomen snaterden en waaronder de karbouwvogel,83 en vele soorten houtduiven het sterkst vertegenwoordigd waren.

De lucht was daarbij alsof zij geparfumeerd was. Geen wonder! De millioenen koffiestruiken, die de berghelling allerwege overdekten, waren in vollen bloei en terwijl die helder witte bloesems, in bundels in de bladoksels ontloken, de takken op pluimen deden gelijken, op witte pluimen geschakeerd met glinsterend, levendig groen, vervulden zij den dampkring met een zachten fijnen ambergeur, die verrukkelijk was. Aan iedere bladpunt hing een dauwdroppel, die, zoolang de lichte nevel zijn ijl kleed over het plantsoen uitstrekte, als eene matte parel prijkte, maar kort daarop als een diamant tintelde, en de heldere kleuren van het prisma allerwege weerkaatste, toen de zon den bergnok te boven was gerezen, den ijlen nevel voor zich uitdreef en het geheele landschap met haar licht overgoot. Hoog boven de regelmatig geplante koffietuinen wuifden de spaarzame loofkruinen van de schaduwboomen84, die in een koffietuin nimmer ontbreken, onder de morgenbries; maar zette aan het geheel eene eigenaardige bekoorlijkheid bij, daar die boomen thans in vollen bloei waren, en met hare purper-roode trosvormige bloesems eene vergulde tint hoog boven de aanvallige koffiestruiken vormden.

„Wij moeten niet te ver gaan,” sprak Adelien, „ik ben te zeer geschrokken straks.”

„Neen,” antwoordde Emma, „wij zullen slechts die hoogte nog opkuieren, dan kan Gertrude het vergezicht over de Telogo Passir85 genieten, en.…”

„Wij zullen van dien top den weg in het oog kunnen houden,” viel hare zuster in; „die naar het landhuis [162]voert. Gij weet dat heden de postbode moet aankomen, en.…”

„Verwacht gij brieven?” vroeg de vriendin.

„Ja.…” antwoordde Adelien met eenige aarzeling, terwijl een blosje hare lieve koontjes verfde.

„Is het onbescheiden te weten van wien?” ging Gertrude met ondeugenden glimlach voort. „Kom, spreek, wij vriendinnen hebben geen geheimen voor elkaar. Is ’t zoo niet?”

De drie dames waren inmiddels vooruitgetreden en bestegen de door Emma aangeduide hoogte, die zich wel steil voor het oog voordeed, maar langs welker hellingen de weg tusschen de regelmatig aangelegde koffieaanplantingen zigzagsgewijze, maar slechts zacht-klimmend naar boven slingerde. Gertrude had bij de laatste woorden haren arm om de leest van Adelien geslagen, en keek haar met een aanmoedigend glimlachje op de lippen in de oogen.

„Heeft Adelien geheimen voor haar Truitje?” vroeg zij.

In oogenblikken van verteedering noemde het lieve vrouwtje zich zelve Truitje.

„Neen.…” antwoordde het jonge meisje aarzelend. „Van wien zoudt ge willen, dat ik brieven verwachtte?”

„Van wien? Wel, van.… een Henri, een Alphonse, een Gustaaf, of hoe zoo’n wezen ook heeten moge! Van een wezen op twee beenen, met eene fraaie scheiding in het haar op het midden van het voorhoofd, met een rood of blauw dasje met uiterst eleganten strik om den hals, met een fijn kneveltje op de bovenlip en eenige stoppels op kin of wangen, en een knijpertje op den neus om de waterige oogen te maskeeren. Van zoo’n heertje, die fijn geganteerd bij dozijnen in den Haag, in Amsterdam, in Brussel, in Parijs langs de straten drentelen, en die kunst—het drentelen wel te verstaan—bij [163]uitstek kennen. Kom, vooruit met de bekentenis! ik zie aan je blozen dat ik raak gespeeld heb. Hoe heet hij?”

Emma schaterde van het lachen bij den uitval van Gertrude.

„Het is geen Henri, geen Alphonse, geen Gustaaf; het is een Frank,” zeide zij.

„Een Frank?.… Foei, hoe prozaïsch!”

„Hoe heet uw man?” vroeg Adelien ietwat verstoord.

„Josef.”

„Josef!.…” gierde Emma, „heet hij Josef?”

„Ja, maar het is geen Josef, dat verzeker ik u; ik heb hem dan ook herdoopt. Hij heet thans Louis, en als wij alleen zijn, heet ik hem: bibi. Maar nu verder met de confidentiën. Hoe ziet die Frank er uit?”

„Het is een wezen op twee beenen,” parodiëerde Emma.

„Dat spreekt,” zei Gertrude ongeduldig.

„Met geen waterige oogen, en bij gevolg ook geen knijpertje op den neus, met geen scheiding midden op het voorhoofd,” zei Adelien met een blosje.

„En met een kneveltje?.…”

„Ja, een blond kneveltje; maar met geen stoppels op kin of wang. Lief zacht dons, dat slechts op een vlijtig gebruik van het scheren wacht, om.…”

„Om wat? Kijk eens dat blosje!.… Wat een wetenschap omtrent knevel en dons! Maar het dasje en strikje, welke kleur hebben die?”

„Welke kleur?.…” vroeg Adelien bedremmeld.

„Ja, welke kleur? Ik dien dat te weten, om mij een denkbeeld van Frank’s smaak te kunnen vormen.”

„Geene kleur!.…” gierde Emma.

„Hoe geene kleur?.…”

„Geen das! geen strik!” ging Emma voort.

„Wat, geen das, geen strik?.… Hij loopt toch niet ongedast?” [164]

„Neen niet ongedast, maar.… ongestrikt! Hij loopt gestropdast.”

„Ge-strop-dast!!!”

Dat woord werd gescandeerd op een wijze, die diepe verachting moest te kennen geven.

„Ge-strop-dast! dus is die Frank een mi-li-tair?”

„Ja,” knikte Adelien.

„Kapitein?”

„Neen, Goddank niet!” riep Emma, terwijl zij Adelien bezorgd bij de hand greep. „Dat lieve jonge zusje aan een kapitein.…!”

„Tu, tu, tu,” viel Gertrude in. „Er zijn kapiteins, die hun geld waard zijn! Een eerste luitenant dan?.…”

„Neen,” schudde het hoofdje van Adelien.

„Een tweede!…”

Andermaal een ontkennende beweging van de blonde krullen.

„Geen officier dus?…” vroeg mevrouw Ridderhoff, met iets in hare stem, dat naar walging en ontzetting zweemde. „Hoe is het mogelijk, Adelien?”

„Wat bedoelt ge, Gertrude?”

„Iemand beneden uw stand!”

„Wie zegt dat?” vroeg Adelien niet zonder drift. „Frank Brinkman is een eerlijke, brave, flinke jongen, de zoon van achtenswaardige burgerlieden te Leiden, die daar zeer gezien waren, toen zij nog leefden, en hunne kinderen eene goede opvoeding gegeven hebben … Gertrude, gij moest mijn Frank zien …”

„Ja, maar … een militair, een soldaat … een korporaal misschien!”

„Een sergeant, die over een paar jaren officier zal wezen! Maar … wat is uw echtgenoot?”

„Dat weet ge wel, de deelgenoot mijns vaders in zijne landbouw-ondernemingen.” [165]

„Maar, dat was hij toch niet, vóor hij u leerde kennen! Wat was hij toen?”

„Opzichter.”

„Opzichter?… Hoe zoudt gij het opnemen, wanneer ik op denzelfden verachtelijken toon sprak van den opzichter Ridderhoff, als gij met uw „beneden uw stand” van den sergeant Brinkman gesproken hebt, zeg?”

Gertrude Ridderhoff was geen onedele vrouw; zij was slechts onbezonnen van aard, een echte flapuit. Zij had gesproken, zooals zij honderd, ja duizendmaal niet alleen in hare omgeving, maar ook in de gezelschappen te Batavia en te Soerabaja, zooals zij niet alleen in Indië, maar ook in Nederland had hooren spreken. O! in sommige kringen van de zoo deugdzame Nederlandsche maatschappij bezondigt men zich niet aan dankbare gevoelens jegens hen, die de steun zijn in het Vaderland van orde en wet, in de Koloniën de sine quâ non van levensbestaan. De jonge vrouw zag er evenwel niet tegen op ongelijk te bekennen, wanneer zij zich daarvan overtuigd gevoelde. Zij schreed een oogenblik stilzwijgend naast hare vriendinnen voort en dacht na.

„Gij hebt gelijk, lieve Adelien,” sprak zij na een poos. „Ik was in mijn uiting onbillijk, vergeef mij.”

Twee handen strengelden in elkander. Twee paren rozenroode lippen naderden elkander. Een kus weerklonk en werd door het gezang der karbouwvogels, die hoog in de kruinen der schaduwboomen hun schoonste lied in dien fraaien morgenstond uitgalmden, beantwoord.

„Maar.…,” ging Gertrude voort, nadat de verzoening bezegeld was. „Maar, Lientjelief, heb je er wel aan gedacht, welk leven ge aan de zij van een officier te gemoet treedt? Nu hier, dan daar, aan de vier hoeken van Indië soms in twee jaren tijd, maar nergens t’huis!” [166]

„O! als ik mijne ouders niet meer had, zou mij dat minder kunnen schelen. Reizen is voor mij een genot!”

„Mooi gezegd!—Maar, reizen met een gezin en dat in Indië! Kindlief, dan is het genot dun. Maar niet alleen dat reizen zou je het leven vergallen; denk er eens aan, dat je Frank op expeditie moet, dat je met twee, drie kinderen achter moet blijven. Verbeeld je den angst, dien je dan uit te staan hebt! Ga na dat je de tijding kunt krijgen, dat hij ziek geworden is, of gewond, of erger nog.…”

„Schei uit, in ’s hemelsnaam! Goddank, ik heb dat alles niet te vreezen. Wanneer Frank tweede luitenant is, neemt hij zijn ontslag en komt dan hier op Wilatoong in de zaken van papa, maar.…”

„Zooo! had je dat eerder gezegd, stoute meid,” viel haar Gertrude in de rede, „dan had je mij eene boetpredikatie voor eene bekeerlinge bespaard.…”

„Ge hebt me niet laten uitpraten. Dat alles is gelukkig niet te vreezen. Mijn Frank zal niet met zijn vrouwtje heen en weer moeten reizen.…”

Bij het uitspreken der woorden „zijn vrouwtje” bloosde Adelien allerbekoorlijkst; maar vervolgde met geestdrift:

„Hij zal niet op expeditie vertrekken, hij zal niet gewond raken of doodgeschoten worden; maar … al was het zijne keuze niet om den dienst te verlaten, dan nog zouden al die wederwaardigheden mij niet afgeschrikt hebben, en zou ik Frank mijne hand gereikt hebben om hem overal, waar ik aan zijne zijde zou kunnen verschijnen, te volgen. Ik ga zelfs verder; ik durf hier gerust voor mijne zuster en mijne beste vriendin gul uit te bekennen, dat ik hem zoo lief heb, dat, mocht hij omtrent zijne loopbaan van zijne gemaakte plannen afzien, en in den militairen stand wenschen [167]te volharden, die verandering mijne gevoelens jegens hem ongedeerd zoude laten, en ik gereed zoude zijn het leven, dat hij te gemoet zoude treden, met hem te deelen.”

De lieve maagd had met zoo’n hartstocht gesproken, dat hare wangetjes, die toch al niet bleek onder de werking der morgenlucht zagen, zich nog iets hooger tintten, terwijl de vleugels van het lieve, fraai gevormde neusje trilden en eenigermate aangaven, wat in dien jonkvrouwelijken boezem omging. Gertrude keek haar verbaasd aan, en een glimp van spotzucht vloog als een waas over het gelaat van de jonge vrouw.

„Ge zoudt u nog wel eens bedenken, hoop ik,” sprak zij. „Maar.… als de zaken reeds zoover gevorderd zijn, waarom heeft uw Frank den dienst niet vaarwel gezegd, om nu reeds op een der ondernemingen van uw’ vader werkzaam te zijn. Mij dunkt, dat dit de aangewezen weg was.”

„Wel mogelijk; maar dat heeft hij niet gewild. Hij wil mij slechts als officier naderen; hij wil mijner waardig zijn, zooals hij dat uitdrukt. En eerlijk bekend, ik kan hem daarin geen ongelijk geven.”

Gertrude antwoordde daarop niets, hoewel haar gelaat niet onduidelijk uitdrukte, dat zij haren galant in een dergelijk geval wel degelijk ongelijk zou gegeven hebben. De dames wandelden voort. De weg slingerde nog altijd zacht opwaarts; men had nu daarboven de dessa86 Sarengan in het gezicht, welke op den nok van den bergwand gelegen was, die het bekken van de Telogo Passir aan de noordoostzij omsloot. Het was nog maar eene kleine wandeling om dien nok te bereiken; daarenboven, onze wandelaarsters waren onvermoeid en ook onbezorgd; want de dagvorstin, die boven den dalnok gestegen was, overgoot alles met haar helder licht, en [168]had het wild gedierte, wanneer dit in de nabijheid mocht aanwezig geweest zijn, zijne schuilplaatsen doen opzoeken. Daarenboven Matjang en Singa hadden hunne vervolging van den tjelleng gestaakt, en zich wederom bij hunne meesteressen gevoegd.

„Hoe lang moet dat nog duren,” vroeg Gertrude nieuwsgierig, „alvorens uw Frank officier is?”

„Ik denk nog twee en een half jaar,” antwoordde Adelien.

„Dat is nog lang!” hernam het jonge vrouwtje met een gezichtje zoo komiek ernstig, dat het lieftallige eener teedere bekentenis, met een „dat’s jammer” er op om den voorrang streed.

„Dat is zoo,” zuchtte Adelien, „maar ik ben nog jong genoeg; ik kan nog wel wachten.”

„Men is nooit te jong om gelukkig te zijn,” antwoordde Gertrude met iets glinsterends in den blik. „Op dat gebied is iedere onbenutte dag onherroepelijk verloren.”

„Maar.… is het huwelijk dan zoo’n geluk?” vroeg Emma met eenige aarzeling.

„Of het!” riep de jonge vrouw met geestdrift. „Twijfelt gij daaraan?”

„Ik heb wel bruidjes gezien, die dien dag, voor en gedurende de plechtigheid, roodbekreten oogen hadden; terwijl de ouders en naasten er niet minder ontdaan uitzagen,” antwoordde Emma. „Mij dunkt dat zoo iets nog al te denken geeft.”

„Toch hoort men algemeen beweren,” zei Adelien, „en leest men in alle boeken, dat de huwelijksdag de schoonste dag in het leven eener vrouw is.”

„Dat is ook zoo!” bevestigde Gertrude, terwijl haar blik als van dankbaarheid tintelde.

„Er moeten toch zonderlinge dingen gebeuren dien dag,” zei Emma, „vreeselijke zelfs.… altijd afgaande op die roodbekreten oogen van ouders en van bruid.” [169]

„Toch zoo vreeselijk niet,” antwoordde mevrouw Ridderhoff glimlachende. „Maar.… het is of de meisjes haar vriendinnetje willen uithooren?”

Emma en Adelien bloosden tot achter de lieve oortjes. Ja, nieuwsgierig waren de lieve schepseltjes. Er is voor een vrouw niets, wat zoo aantrekt als het onbekende.

„Waarom wendt gij u niet tot uwe ouders? Die zijn de beste vraagbaak voor deerntjes als gijlieden zijt.”

„Het mocht wat,” lachte Emma. „Ik vroeg papa eens bij gelegenheid, dat ik hem uit een roman voorlas, wat toch wel de voornaamste verplichtingen waren, die eene vrouw bij het aangaan van een huwelijk aanvaardde? Hij keek mij zonderling aan, en antwoordde, dat mama mij dat wel ter goeder tijd zoude mededeelen.”

„En, toen zich mijne genegenheid voor Frank geopenbaard had,” vervolgde Adelien, „deed ik dezelfde vraag aan mama en kreeg ik ten antwoord, terwijl zij mij een zoen gaf, dat zij mij dat wel daags voor mijn huwelijk zou vertellen.”

Gertrude gierde het uit van het lachen. Hare zilverstem klonk luid door het geboomte.

„Ja, de oudjes zijn geheimhoudend,” zeide zij.

„Er wordt dus onderwijs vóór het huwelijk verstrekt?” vroeg Emma nadenkend.

„Als gij ons die vraag wildet beantwoorden.… mevrouw Ridderhoff?” vleide Adelien. „Gij weet! en.… wij smachten naar weten.”

„Ik …? kom wees wijzer.”

„Heeft Truitje geheimen voor hare Emma en voor hare Adelien?” parodiëerden de beide meisjes, tegelijkertijd, de vraag van straks van het jonge vrouwtje.

„Ja.… maar, ik kan toch niet.…”

„Och toe! och toe!” smeekten de twee lieve kinderen, opgewonden van nieuwsgierigheid. [170]

„Neen!… neen!…” lachte Gertrude. „Maar ik wil u wel vertellen.….”

„Wat?” vroegen de beide meisjes te gelijk.

„Sjt!.…. Eerst kijken!”

De drie dames waren boven op de nok van den Goenoeng Sarengan aangekomen, en haar blik boorde thans in de diepte, waar zich een lief meer aan hare voeten uitspreidde. Op de watervlakte zweefden nog eenige ijle nevelwolkjes, die zich als flarden van afgescheurd gaas vertoonden, die evenwel voor de zonnestralen weken, den oever al meer en meer naderden, een toevlucht zochten in de kruinen van het hoog geboomte, dat de steile bergwanden versierde, welke den dalketel, waarin het meer lag te glinsteren, rondom omgaven, aldaar een oogenblik vertoefden, zich vertoonden alsof hier en daar een lichte stoomstraal te midden van die dichte loofkronen ontsnapte, om dan eindelijk op de takken en bladeren als dauw neer te slaan, en zoo te verdwijnen. Gertrude klapte in de handen en riep geestdriftvol uit:

„O! wat is dat mooi! wat is dat mooi!”

En werkelijk van het punt, waar de drie jonge dames stonden, hadden zij een prachtig gezicht op het meer, dat zich een twee honderd voet beneden haar in bijna ronden vorm uitstrekte. Alleen vlak tegenover haar, dus aan den zuidkant was de cirkelvorm ietwat afgeplat, en stak daar eene kleine bergachtige kaap eenigszins ver in het meer uit. De dalketel-wanden stegen steil uit het water op, en verhieven zich trotsch daar boven. De stijfheid der lijnen werd evenwel gebroken door het hoog geboomte, dat die steile omwanding bekleedde, zoodat de heldere meerspiegel, waarin de zon hare stralen verblindend weerkaatste, in eene bevallig hoog gebombeerde omlijsting van het levendigste groen gevat was. Het water was zoo helder, dat van de hoogte, waarop [171]de drie vriendinnen dat tafereel stonden te bewonderen, de bodem van het meer, hier en daar met wit zand, waarnaar het meer genoemd was, en uitgebleekte lava-trachiet, en elders met donkergroene waterplanten bedekt, volkomen duidelijk te ontwaren was. Toch kon zich niet ontveinsd worden, dat dit meer zeer diep moest zijn. Het woud bestond voornamelijk uit Plosso-boomen87 waarop en waartusschen vele parasietsoorten en slingerplanten groeiden, die met hun levendig groen aan de meer donkere loofkronen van het hoogwoud met hunne roode bloemtrossen, die als gloeiende kolen schitterden, eene eigendommelijke maar bevallige schakeering bijzetten. Hier en daar waren geheele plekken van het helderste wit, of van het fraaiste violet of paars te midden van dien rijken bladerendos te ontwaren, dat waren daar plaatsen, waar een paar soorten Voortloopende Winde als de Tjakkar-beh-beh en de Tjoemplingan88, die met hare fraai witte kelkvormige bloemen geheele boschpanden met een grillig maar uiterst bevallig behangsel tooiden, en daarbij eene afwisseling in die meeromlijsting brachten, die verrukkelijk mocht genoemd worden. Ter rechter zijde der jonge dames steigerde de Goenoeng Eendil omhoog; achter haar een sterk verbrokkelde vulkaan-massa, die in den Argo Doemilak, in den Belo Boendoetan, in den Argo Boengko, maar vooral in den Lawoe hare hoogste toppen bereikte, en verleenden die aan het landschap een uiterst woest uitzicht, dat tot bewondering maar ook tot ernst stemde. Toen zij zich omkeerden, met den rug naar het meer, spreidde zich de dalvlakte van Madioen voor hare oogen uit, die uiterst bevallig tusschen de Willis89 en de Lawoe besloten was. Die dalvlakte, met hare rijstvelden, die amphitheatersgewijze langs de berghellingen afdaalden, met hare dessa-boschjes90, die [172]als donkergroene eilandjes verrezen te midden der lichtgroene sawah’s91 welke onder de waterlaag die hen bedekte, glinsterden, met hare fraaie rivier, die van die hoogte gezien als een zilveren lint door het dal kronkelde, was verrukkelijk schoon te noemen. Onze bewonderaarsters stonden op de hellingen van den Lawoe; tegenover haar verrees de Willis en begrensde de vlakte in het oosten. In het zuiden omlijstte het Zuidergebergte het dal en daar ver in het noorden verhieven zich de Goenoeng Segoro Woeroeng en de Goenoeng Rendil, tusschen wier voorgebergten de Solo-rivier zich baan gebroken had, en sloten daar den gezichteinder met hun gekartelden rand af.

„Wat een betooverend uitzicht hier,” sprak mevrouw Ridderhoff bewonderend.

„Kijk,” sprak Adelien, terwijl zij diep beneden haar wees, „daar ligt het landhuis.”

„En die dessa daar dicht bij, dat is Plahoesan, en daar verder, dat is Magettan,” vulde Emma aan.

„Kijk, wat kunt gij de Kaboepaten92 duidelijk onderscheiden.”

„En die groote plaats daar in het oosten?” vroeg Gertrude.

„Dat is Madioen, de hoofdplaats der Residentie, en daar ginds iets meer noordwaarts, dat is Poerwodadi, het oude Modjopahit uit de geschiedenis der Javanen. En daar in het zuidoosten dat is Ponorogo.”

„Het is schoon, overschoon hier!” mompelde de jonge vrouw.

„Zoudt gij hier uwe mededeeling, die ge zooeven afgebroken hebt, niet willen voltooien?” vroeg Adelien, met van nieuwsgierigheid bevende lippen.

„Welke mededeeling?” vroeg Gertrude argeloos.

„Gij wildet ons iets mededeelen.… over.… over [173]het.… onderwijs voor het.… huwelijk,” stamelde het jonge meisje rood als een belle fleur.

„Gij zeidet zelfs,” wilde Emma aanvullen, „dat gij.…”

„Jawel.… ik herinner het mij thans. Maar.… wat beweegt zich daar ginds op den weg naar het landhuis?.… Zie ik goed? een man te paard!”

„O, dat is de postbode, die tweemaal per week van Madioen over Magettan en Plahoesan naar het landhuis komt,” zei Emma.

„Kom, spoedig naar beneden!” zei mevrouw Ridderhoff, blij eene reden te hebben om hare beloofde mededeeling niet te voltooien. „Ik verwacht een brief van mijn bibi.”

Adelien was haar reeds op zijde. Zij scheen ook haast te hebben.

„Verwacht gij een brief van Frank?” vroeg Gertrude.

„Ik?… neen!” antwoordde het lieve kind met een allerbekoorlijkst inkarnaat blosje op de wangen.

„Hij mag nog niet schrijven,” vulde Emma ietwat spottend aan.

„Toch wel aan papa,” hernam Adelien en verried daardoor welke hoop haar hartje koesterde.

„Kom, laten wij voortijlen!” sprak mevrouw Ridderhoff gehaast, in de verwachting een brief van bibi te ontvangen.

„En uwe mededeeling, Gertrude?” vroeg Emma.

„Daar is nu geen tijd toe. Kom, wij moeten voort,” antwoordde de jonge vrouw.

En voort stoven de drie bevallige wezens de koffieaanplantingen door, de berghellingen af.

Van de beloofde mededeeling kwam niets terecht. De omstandigheden helaas! zouden daartoe het hare ruimschoots bijdragen. [174]