[Inhoud]
EEN JUWEELENDIEFSTAL IN AMSTERDAM.

EEN JUWEELENDIEFSTAL IN AMSTERDAM.

EERSTE HOOFDSTUK.

In Regent-street.

Het was een sombere avond in het begin van October. De zomer had reeds lang afscheid genomen; in de parken en plantsoenen van de groote wereldstad hadden de boomen hun bladertooi grootendeels verloren en zij, die het warme jaargetijde op hun landgoederen of in de hotels der badplaatsen hadden doorgebracht, waren in de stad teruggekeerd.

De herfst had dit jaar vroeg zijn intrede gedaan.

Reeds dagenlang hing een grijze regenlucht boven Londen en een groot gedeelte van den dag was een fijne motregen gevallen, zoodat nu, in den avond, het plaveisel bedekt was met een modderlaag, die het loopen bemoeilijkte.

In een eenvoudige, maar deftige villa in Regent-street zag men aan de voorzijde van het huis twee ramen verlicht. Het was de studeerkamer van Lord Edward Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.

Bij den haard, waarin een paar massieve houtblokken gezellig knetterden, zaten twee jonge mannen te lezen.

De oudste van het tweetal, een slanke figuur met donkere, levendige oogen in een fijnbesneden gelaat, was verdiept in de avondbladen, waarvan vooral de verschillende pagina’s met advertenties zijn aandacht schenen te trekken.

Af en toe gleed onder het lezen een bijna onmerkbare, ironische glimlach over zijn gelaatstrekken, maar zwijgend vervolgde hij zijn lectuur.

De andere, die eenige jaren jonger scheen te zijn, lag behaaglijk achterover geleund, in zijn ruimen clubfauteuil.

Zijn rechterhand hield een pas uitgekomen Fransch romannetje vast, terwijl hij met zijn linker de asch van een geurige Havanna tipte in een zilveren aschbak, welke op een klein rooktafeltje naast hem stond.

De kleine pendule op den schoorsteenrand sloeg juist acht uur.

De jonge man legde zijn boek neer en vroeg met een blik op zijn vriend:

„Edward, ben je van plan om vanavond uit te gaan?”

De aangesprokene antwoordde, zonder uit zijn courant op te kijken:

„Neen, mijn jongen, tenminste de eerste paar uur nog niet. Maar als het jou verveelt, je ouden vriend [4]gezelschap te houden, geneer je dan niet om mij alleen te laten. Ik heb nog genoeg te doen.…”

„Welneen”, viel de jongere hem lachend in de rede. „Om je de waarheid te zeggen, heb ik zelf niet veel lust, me nog in den motregen op de glibberige straten te begeven. Zal ik om de thee bellen?”

„Ja, doe dat, Charly! Na onzen hartigen maaltijd snak ik naar een lekker kopje!”

Charly Brand, de trouwe vriend en ijverige secretaris van den Lord, stond op en drukte op het knopje der electrische bel.

Na eenige oogenblikken verscheen James, de oude huisknecht, op den drempel en zette zwijgend het theeblad op tafel neer.

Met bijna vrouwelijke zorg maakte Charly Brand twee koppen thee gereed en reikte een daarvan aan zijn vriend over.

In de kamer was het weer stil geworden.

Het geknetter van het brandende hout en het zingen van het theewater was het eenige, wat de diepe stilte verbrak, want de zware overgordijnen voor de ramen dempten de spaarzame geluiden, die anders misschien uit de eenzame Regentstreet mochten doordringen.

Plotseling zette Lord Lister met een haastige beweging zijn kopje neer, haalde een zakschaartje te voorschijn en knipte een kleine advertentie uit het laatste blad van de „Times”.

Charly, wien zijn roman niet bijzonder scheen te boeien, had met zijn blikken de bewegingen van Raffles gevolgd en vroeg nu, op min of meer nieuwsgierigen toon:

„Iets interessants, Edward?”

„Dat kan ik je nu nog niet zeggen, maar ik veronderstel het!” antwoordde zijn vriend, de advertentie nog eens weer doorlezende.

„Kijk zelf maar eens.”

Bij deze woorden stak hij Charly het vierkante stukje papier toe en deze las:

„Een jongedame van goeden huize wenscht Hollandsche conversatielessen te geven. Inlichtingen te bekomen onder letter E. D. aan het bureau van dit blad.”

„Is dat alles?” klonk het verbaasd en teleurgesteld uit den mond van Charly. „Dergelijke advertenties kan men elken dag bij massa’s in de kranten vinden. Ik begrijp niet, wat je er toe beweegt, om zooveel notitie van deze doodgewone aanbieding te nemen!”

Bij deze woorden gaf Charly Brand de uitgeknipte advertentie aan zijn vriend terug.

„Begrijp je dat niet, mijn jongen?” vroeg Raffles zijn jongen vriend. Steek dan eens een nieuwen sigaar op en luister dan aandachtig. Ik heb namelijk grootsche plannen, Charly.…”

Met een ondeugend knipoogje haalde Raffles zelf een prachtig gouden sigaretten-etui uit zijn zak, haalde een sigaret te voorschijn en nadat hij deze met veel meer omhaal dan noodig was, had aangestoken, vervolgde hij:

„Ik ben van plan … schrik niet, Charly, … om Hollandsche conversatieles te gaan nemen bij deze jongedame. En verder wil ik, zoodra ik het Hollandsch voldoende machtig zal zijn, mij tijdelijk metterwoon gaan vestigen in dat kleine landje, waarvan onze geïllustreerde tijdschriften ons weinig meer vertoonen dan de traditioneele boeren en boerinnetjes op klompen, dan lange, rechte kanalen met trekschuiten, houten huizen en molens.

Op onze verschillende doorreizen uit Duitschland hebben wij genoeg van Nederland gezien om de overtuiging te hebben, dat het land een meer langdurig bezoek overwaard is en dan—Charly—er is nog een andere prikkel voor mij om Holland en zijn bevolking nader te leeren kennen.”

„Bedoel je de Hollandsche meisjes? Ik ben het met je eens, dat wij er verscheidene zagen, die de oogen niet voor de mooiste Fransche dametjes behoefden neer te slaan. Herinner je je nog ons oponthoud in Vlissingen?

Die knappe Zeeuwsche boerinnetjes in haar eigenaardige, schilderachtige kleederdracht … Edward, ik voel wat voor je plan!”

„Bedaard, bedaard, Charly! Je geestdrift en bewondering voor het schoone geslacht ken ik, maar dat is het niet in de eerste plaats, wat mij naar Holland trekt.

Luister eens, Charly.

Je kent de avonturen, welke ik heb beleefd met onzen goeden vriend Baxter, de onvergelijkelijke Londensche politiecommissaris, de gevreesde chef van Scotland Yard. Je hebt zelf dikwijls een rol gespeeld in de grappen, die wij met hem uithaalden. Jaren lang reeds hebben wij ons nu eens over hem en zijn onhebbelijk optreden geërgerd, dan weer onbedaarlijk gelachen om zijn onverbeterlijke domheden.

Wij hebben hem en zijn secretaris Marholm, den kleinen, dikken „vloo”, menigen slapeloozen nacht bezorgd. [5]Ook de Duitsche en Fransche politie hebben wij van zeer nabij leeren kennen, zelfs in Italië hebben wij ons herhaaldelijk geruimen tijd opgehouden, maar Holland en de Nederlanders ken ik slechts zeer oppervlakkig. En daarom ben ik van plan om heel spoedig deze schade in te halen en eens te gaan onderzoeken of de politie in dat landje aan gene zijde van het Kanaal handiger is dan onze domkoppen op Scotland Yard.”

„Maar hoe ben je zoo opeens op dien inval gekomen? Alleen door het lezen van de advertentie, die je zooeven hebt uitgeknipt?”

„Neen, beste Charly. Om je de waarheid te zeggen, loop ik reeds vrij lang met dit voornemen rond. Alleen mijn totale onbekendheid met de Nederlandsche taal belette mij tot dusverre, uitvoering aan dit plan te geven. Kijk eens”, en bij de laatste woorden was Lord Lister opgestaan en haalde uit een lade van zijn schrijfbureau eenige studieboekjes te voorschijn, welke hij voor Charly neerlegde, „deze boekjes kunnen het je bewijzen. Zooals je ziet, zijn het boekjes met oefeningen, om zichzelf de Hollandsche taal te leeren. In menig verloren uurtje heb ik ze ijverig bestudeerd, maar met de uitspraak der woorden gaat het niet op deze manier. En daarom was mij die advertentie vanavond zoo welkom. Ik zal zien of de conversatielessen der jonge dame mij verder helpen dan deze boekjes.”

„Als die jongedame mooi en lief is, ga ik ook Hollandsche conversatielessen nemen!” riep Charly lachend uit.

„Daartegen heb ik geen enkel bezwaar”, antwoordde Lister, eveneens lachend. „Maar ga nu eerst eens, als mijn ijverige secretaris, per brief informeeren naar het adres van onze toekomstige leerares. Hoe eerder wij met onze studie beginnen, hoe beter. Ik verlang ernaar om ons modderige Londen voor een poosje den rug toe te draaien en Baxter heeft zoo’n kleine vacantie ook ruimschoots aan ons verdiend.”

Lachend nam Charly Brand aan de schrijftafel van zijn vriend plaats om de noodige informaties in te winnen, terwijl Lord Lister in de kussens van zijn ruimen, gemakkelijken clubstoel achterover leunde en de blauwe rookwolkjes van zijn sigaret met de oogen volgde.