[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 112) bevat

RAFFLES IN NEDERLAND.

In een valstrik.

[Inhoud]

Een Krijgslist.

In den artisten-foyer van een concertzaal in een bekend provinciestadje zat Mabel Morris, de jonge Amerikaansche zangeres, die stormenderhand de harten der onmuzikale Britten had veroverd, lusteloos naast mevrouw Bishop, haar tante en wettige beschermster. Zij stelde hoegenaamd geen belang in het gesprek, dat gevoerd werd door een stuk of vijf heeren en dames, die tot de „Mabel Morris Concert Company” behoorden.

Daar komt Ernest Riordan, de opkomende jonge bariton (zooals hij bescheidenlijk met kleine letters op de aanplakbiljetten wordt genoemd) van het tooneel, waar hij zich juist zeer goed onderscheiden heeft met de voordracht van het zangnummer Maritana. Mabel sloot haar oogen met een glimp van genoegen, want het publiek roept bis en bis is een voor den jongen bariton zeldzame weelde.

„Mag ik een lied voor u uit zoeken, mijnheer Riordan?” vraagt Mabel, als hij zijn muziek opslaat.

„Zoudt u werkelijk zoo vriendelijk willen wezen?

Mevrouw Bishop werpt een gestrengen blik van misnoegen op hare nicht, maar tracht het meisje toch niet tegen te houden, als dit naast Riordan gaat staan. Mabel neemt snel een blad muziek uit zijn voorraad en terwijl zij hem dit ter hand stelt, fluistert zij hem in:

„Ernest, ik heb je wat te zeggen, voordat je van avond naar huis gaat.”

De jonge man werpt een veelbeteekenenden blik op mevrouw Bishop, maar hij heeft geen tijd, iets te antwoorden. Zoodra hij evenwel weer in den foyer is teruggekeerd, spreekt hij eenige woorden tot zijn vriend Trewley, den violist, en weldra is deze heer in een diepzinnig gesprek met mevrouw Bishop gewikkeld. Aldus onttrokken aan haar vorschend oog, kunnen Mabel en Ernest zich in een ongestoord tête à tête verheugen, terwijl het orkest in de zaal den Tannhäuser speelt.

„Raad eens wat er vandaag gebeurd is, Ernest,” zegt Mabel, van onderdrukte opgewondenheid rillend. „De graaf d’Avignon—”

„De graaf d’Avignon!”

„Ja, je weet wel, die mij zoo dikwijls bouquetten gegeven heeft—”

„O ja, ik ken hem, ik ken hem maar al te goed,” zeide Ernest, als om bij voorbaat af te keuren, wat de jonge zangeres te zeggen had.

„De graaf is ons aan ons hotel komen bezoeken. En zij,”—Mabel wees met haar oogen naar tante, die nog in druk gesprek zat met den gezelligen violist—„zij vertelde mij naderhand, dat hij—e—o, Ernest, het is zoo mal—dat hij mij wenscht te trouwen.”

De bariton mompelde iets tusschen de tanden, dat beter is hier niet te herhalen.

„En tante wil, dat ik met hem zal trouwen.” Er lag oprechte droefheid in Mabels stem, en het kleine schepseltje, gewoonlijk zoo vroolijk en opgewonden, keek nu haar geliefde treurig aan.

„En wat wil jij?” kon Ernest zich niet weerhouden te vragen.

„Ernest!”

„Ah! Ik dacht wel, dat mijn lief meisje hem niet om zijn titel en stand zou willen hebben. Maar je tante—” en de jonge man haalde beteekenisvol de schouders op.

„Zij heeft hem verzocht, ons aanstaanden Dinsdag te Londen te komen bezoeken. Maar ik wil hem niet meer zien. Hij moet al wel vijftig jaar zijn en telkens als ik hem in de zaal heb gezien, kreeg ik een afschuw van hem.”

Trewley’s onderhoudendheid was eindelijk voor een oogenblik uitgeput en van dat oogenblik maakte mevrouw Bishop gebruik om met schelle stem uit te roepen:

„Mijnheer Riordan, ik moet u herinneren, dat mijn nichtje straks nog moet optreden en als u haar nu met praten vermoeit, zal zij geen stem hebben om te zingen.” [31]

„Ik vraag u wel excuus, mevrouw,” mompelde Ernest onderdanig, terwijl mevrouw Booth, een levendige vrouw van middelbaren leeftijd, met een eenigszins grof gezicht, beslag op Mabel legde, onder voorwendsel, dat zij iets aan het doekje wilde veranderen, dat den hals van het jonge meisje tegen de tocht van de zaal beschermde.

Ernest Riordan ging dien avond in een wanhopige stemming naar zijn hotel. De omstandigheden schenen al zeer te zijnen nadeele te zijn. De tournee door de provincie, waarop hij Mabels liefde had gewonnen, liep Zaterdag ten einde en daarmede zijn engagement bij de Concert Company en elke gelegenheid om de schitterende jonge „ster” te zien.

De graaf d’Avignon daarentegen, van wien Riordan wist, dat hij tot de talrijke bewonderaars behoorde, die Mabel, evenals alle prima donna’s had, was nu stoutmoedig den aanval begonnen en in zijn onderhoud met mevrouw Bishop, had hij klaarblijkelijk op deze dame den indruk gemaakt van een idealen pretendent naar de hand harer nicht.

Het zou nutteloos zijn, met mevrouw Bishop te spreken.

Riordan kende de lage en baatzuchtige motieven te goed, waardoor deze dame zich liet lijden. „Ze bederft de stem van het jonge meisje heelemaal door haar zooveel te laten zingen,” mompelde hij bitter, „en dat alleen om er voordeel van te hebben en zij zou haar ziel voor een titel en een positie verkoopen.

Zou Mabel wegloopen en met mij trouwen? Mij dunkt, dat de zelfzucht van haar tante haar nu toch moet beginnen tegen te staan. Maar al zou ze wegloopen, hoe zou ze dat moeten doen? De oude Gorgon verliest haar nooit uit het gezicht!”

Tot laat in den nacht was hij aan de oplossing van dit probleem bezig, met de pijnlijke overtuiging in zich, dat, als hij niets deed, alvorens de Concert Company te verlaten, dit wellicht noodlottig voor zijn verwachtingen kon wezen.

Eindelijk kwam er een plan in hem op. Den geheelen volgenden dag hield hem dit bezig.

Des avonds vertelde hij het, bijna bevend van vrees, zoo goed als kon, aan Mabel.

[Inhoud]

II.

De graaf d’Avignon had zijn bezoek aan mevrouw Bishop en hare nicht op vier uur bepaald. Maar het was nog ruim anderhalf uur vroeger, toen een rijtuig voor de woning in de G-straat, Piccadilly, stilhield, en een kleine jongen in livrei hem aandiende.

„Ik ben zooveel vroeger gekomen,” verklaarde de bezoeker, „in de hoop, dat u uw bekoorlijke nicht wel zult willen toestaan mij op een ritje in het park te vergezellen.”

„Daar heb ik niets tegen,” antwoordde mevrouw Bishop welwillend, „als mijn nichtje er pleizier in heeft.”

Toen de jonge dame de kamer binnentrad, beantwoordde zij koel den beleefden groet van den graaf. Maar tot groote verwondering van mevrouw Bishop, nam zij, na eenig wederstreven, de uitnoodiging voor het ritje aan. „Het lieve kind is verstandiger dan ik dacht!” riep de oude dame uit, toen zij het rijtuig zag wegrijden.

Mevrouw Bishop keerde naar de huiskamer terug, waar zij zich een schitterende toekomst voorstelde, die de rijkdom van den graaf haar zoude verschaffen, weinig denkende, dat het rijtuig, dat al haar hoop bevatte, in plaats van naar het park te rijden, links afsloeg en zoo snel mogelijk den weg naar het Charingcross-station insloeg. Het kwam daar aan, vijf minuten, voordat de trein naar Parijs afreed. Eenmaal in een gereserveerde coupé gedoken, haalden de samenzweerders weder ruim adem.

„Je hebt je rol prachtig gespeeld, Ernest.”

„Vindt je? Ja, toen ik aan de Apollo-opera was, zei men altijd, dat ik beter acteerde dan zong.”

„En wat een prachtige vermomming heb je aan,” ging Mabel voort, terwijl zij naar den langen baard, het lorgnet en de slobkousen keek, die, met andere hulpmiddelen, Riordan tot een getrouwe kopie van den graaf gemaakt hadden. „Ik was half en half bang, dat het toch nog de echte graaf was”, zei Mabel lachend.

„Ja, dank zij de grime en een weinig bedrevenheid in het buikspreken. Arme graaf, ik kan me zoo voorstellen, hoe hij zich de haren uit het hoofd rukt, als hij ziet, welk een poets wij hem gebakken hebben.”

„Ernest, denk je heusch, dat in de liefde en den oorlog alle middelen geoorloofd zijn?”

„Natuurlijk zijn ze dat, engel.”

Nu besprak het paartje de plannen, die Ernest ontworpen had. Hij had een vriend, Karslake genaamd, bij de Engelsche ambassade te Parijs en door bemiddeling van dezen vriend kon een huwelijk binnen een paar dagen voltrokken worden. Waren zij eenmaal getrouwd, dan zouden zij naar Londen terugkeeren en [32]met mevrouw Bishop vredesonderhandelingen aanknoopen. De vrouw van zijn vriend was voor hun plan gewonnen en Mabel kon bij haar logeeren.

Juist toen de trein Calais verliet, keek een Franschman in den coupé en nam de reizigers doordringend op.

„Ik vraag u wel excuus,” zei hij beleefd, „ik meende een vriend te herkennen.”

„Zeker een vriend van den graaf,” zei Ernest een oogenblik later.

„Zoodra wij bij Karslake zijn, moet ik mij van die vermomming ontdoen.”

De nieuwsgierige Franschman snelde naar het telegraafbureau en verzond een telegram, van den volgenden inhoud:

„Graaf d’Avignon passagier naar Parijs, trein 10.47. Zou goed zijn, ambtenaren te hebben om identiteit vast te stellen.”

Dit telegram werd direct daarop aan het politiebureau te Parijs ontvangen en het gevolg hiervan was, dat, toen Ernest den trein verliet, hij onmiddellijk door rechercheurs werd aangehouden, waarvan er een zeide:

„Monsieur le comte d’Avignon, ik arresteer u op grond, dat gij verdacht wordt medeplichtig te zijn aan een samenzwering tegen de republiek.”

Ernest en Mabel waren sprakeloos van ontzetting.

Het aanbod van de politiemannen, dat de jonge dame den gevangene naar het politiebureau mocht vergezellen, werd zwijgend aangenomen en spoedig was het commissariaat bereikt.

„Maar ik ben de graaf d’Avignon niet,” verzekerde Ernest keer op keer. „Ik ben een Engelsch onderdaan.”

„Dat hebt ge ons te bewijzen,” antwoordde de hoofdcommissaris, „gij zijt tweemaal herkend voor den graaf en wij wisten wel, dat gij in Engeland verblijf hield.”

Ernest zond natuurlijk een boodschap naar Karslake en het resultaat hiervan was, dat de politie den gevangene weder in vrijheid stelde.

„Wij kunnen den vogel nu toch knippen,” zei de commissaris, „als hij maar niet weet, dat wij hem op het spoor zijn. Zend dit telegram dadelijk naar den graaf d’Avignon G-hotel Londen.

„Ben hotel C. Parijs. Kom mij te hulp. Durf niet aan tante schrijven.

Mabel.”

Twaalf uur later werd de echte graaf d’Avignon gearresteerd, op het oogenblik, dat hij het hotel C. wilde binnentreden, met mevrouw Bishop aan zijn arm. Zoodra deze dame zich aan de politiebeambte verstaanbaar had kunnen maken, snelde zij naar het huis van de Karslakes. Ernest en haar nichtje waren uit.

„Ze trouwen van middag,” deelde Karslake kalmpjes mede, toen hij er in geslaagd was, mevrouw Bishop eenigszins tot bedaren te brengen.

Op deze mededeeling ontvlamde haar woede opnieuw, maar wederom wendde de attaché zijn diplomatieke welsprekendheid aan, en een paar minuten later zat mevrouw Bishop kalmpjes te luisteren naar zijn verhaal van de vreeselijke straffen, zoo als verbeurdverklaring van alle goederen, die een samenzweerder tegen de Republiek moesten treffen, welk verhaal doorspekt was met lofredenen op Riordan’s deugden en artistieke talenten.

„Eén vogel in de hand is beter dan tien in de lucht,” philosopheerde mevrouw Bishop. „De graaf verliest misschien zijn goederen en wordt wellicht in de gevangenis gezet. Riordan zal er niets tegen hebben, dat Mabel voortgaat met zingen, en ze zullen wel nooit zoo onaardig zijn om mij een fatsoenlijk inkomen te weigeren.”

Bij het geluk, dat Mabel in haar wittebroodsdagen smaakte, was één wanklank—de gedachte, dat zij de onwillekeurige oorzaak was van de gevangenneming van den graaf.

Het was dan ook met groote vreugde, dat zij hoorde, dat hij vrijgesproken was. [33]

Inhoudsopgave

INLEIDING. 1
I. In Regent-street. 3
II. Moeder en dochter. 5
III. De conversatielessen. 10
IV. Amsterdam. 13
V. Het bloemenfeest. 18
VI. Een slang en een arend. 22
VII. De familie-juweelen. 25
Een Krijgslist. 30

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op www.pgdp.net.

Metadata

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
3 Havannah Havanna 1
4, 8 bizonder bijzonder 1
8 gudste gutste 1
9 arristocratie aristocratie 1
9 vna van 2
10 bewonedring bewondering 2
11 geheimzinige geheimzinnige 1
11 Eward Edward 1
12 afsand afstand 1
12 addellijken adellijken 1
12 gauwer sneller 5
12 haaltje taaltje 1
13 ouwerwetschen ouderwetschen 1
13 Biss Miss 1
14 hopenlijk hopelijk 1
14 geoogden beoogden 1
16 meisjes meisje 1
16 bizonderheden bijzonderheden 1
17 gemaakte gemaakt 1
18 daraan daaraan 1
21 sterk sterke 1
21 Amstel Hotel Amstelhotel 2
21 werdt werd 1
22 [Niet in bron] 1
23 Amstel-Hotel Amstelhotel 2
23 tae’en tea’en 2
23 soesen soezen 1
24 Bilken’s Bilkens’ 2
24 hebbben hebben 1
25 he tAmstel-Hotel het Amstelhotel 4
25 [Niet in bron] . 1
25 alls alle 1
26 onverbiddellijk onverbiddelijk 1
26 Amerikan Amerikaan 1
27 Times Time 1
27 [Niet in bron] , 1
28 voor goed voorgoed 1
29 effecten-handelaar effectenhandelaar 1
29 criminalogie criminologie 1
29 Vaarwlel Vaarwel 1
30 1
30 Twemley Trewley 2
30 van daag vandaag 1
30 d’Avigon d’Avignon 1
30 . , 1
31 slokkousen slobkousen 1
32 Karlake Karslake 1