[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

De conversatielessen.

„Mag ik u mijn vriend en secretaris, de heer Wilson, voorstellen? Ik ben baron Brand!” sprak Raffles den volgenden Woensdagmiddag, toen hij in de huiskamer van Mevrouw Doorneveld stond tegenover haar en Betty.

„En dit”, liet hij er onmiddellijk op volgen met de gemakkelijkheid, die den volmaakten gentleman eigen is, en hij boog voor Betty, „dit is zeker onze toekomstige leerares in die taal vol harde g’s en andere keelgeluiden?”

De dames lachten en ook Charly Brand kon nauwelijks zijn vroolijkheid bedwingen.

„O, wacht even”, vervolgde Raffles op denzelfden ongedwongen toon, „u moet niet denken, dat ik nog in ’t geheel geen Hollandsch ken, en hij ratelde achter elkaar met den zotsten tongval en de gekste uitspraak:

„Klompen … molen … kaas … gracht … Wilt u nog meer?… Ik hoop alleen maar, dat de freule héél streng zal zijn!”

Betty bloosde en lachend nam het viertal plaats om de gezellige theetafel. Mevrouw vulde de fijne porceleinen kopjes en aldra ontspon zich een levendig gesprek over Holland, zijn bewoners, zeden en gewoonten, want Mevrouw Doorneveld en haar dochter konden zich in het Engelsch even gemakkelijk uitdrukken als in haar moedertaal.

„U hebt in Amsterdam gewoond?” wendde Charly zich meer speciaal tot Betty, die hij reeds eenige oogenblikken vol bewondering van terzijde had aangekeken, „daar bestaan niet die duistere holen vol misdaad en geheimzinnigheid, zooals wij die in Londen aantreffen en waarvan ook Parijs zijn deel heeft!”

„Neen, bij ons worden betrekkelijk weinig misdaden gepleegd”, mengde zich de barones in het gesprek, „maar daartegenover staat, dat ook vele onontdekt blijven.”

Snel keek Raffles op.

Reeds bij het lezen van Betty’s volledige onderteekening was het door zijn scherpzinnig brein geflitst, dat hij enkele jaren geleden in de Londensche bladen lange artikelen had gelezen over een onontdekt gebleven, aanzienlijken juweelendiefstal en dat de naam Doorneveld van Oudenhoven in verband stond met deze misdaad.

Zou het misschien …?

Maar neen, dat kon hij toch niet doen … of toch … waarom ook niet … daarin school toch niet de minste aanleiding voor deze dames om in hem den gentleman-dief te vermoeden …

Charly onderhield zich oogenblikkelijk allergezelligst met de beide dames en het viel geen van allen op, dat lord Lister zijn beide gastvrouwen met scherpen blik opnam en voor zichzelven tot de overtuiging [11]kwam, dat dit tweetal inderdaad tot de allerhoogste kringen moest hebben behoord.

Maar Raffles was geen man van langdurige aarzelingen en besluiteloosheid.

Juist verhief de barones zich van haar stoel om nog eens de kopjes met de geurige thee te vullen en dit was voor lord Lister een gereede aanleiding om te vragen:

„Was het een uwer familieleden, die indertijd het slachtoffer werd van den reusachtigen juweelendiefstal, waarvan geheel Europa gewaagde en die tot heden helaas nooit is opgehelderd?”

Een pijnlijke trek verscheen op het gelaat der barones, die doodsbleek werd, terwijl haar handen zoo beefden, dat het zilveren lepeltje van het schoteltje viel.

Betty sprong op en ook Raffles beijverde zich om de barones behulpzaam te zijn, weer in haar leunstoel plaats te nemen.

„Ik wist niet,” begon hij, „dat ik zulk een pijnlijke snaar aanroerde en ik vraag u vergiffenis voor mijn groote onhandigheid en onbescheidenheid tevens.”

„Neen,” sprak de grijze dame, „hier is van geen onhandigheid sprake. Maar uw vraag heeft mij getroffen en u bent bovendien de eerste, die na jaren dit onderwerp aanroert. Ja, inderdaad, dat was een ontzettende gebeurtenis, die mijn man het leven kostte … die mij en mijn dochter ruïneerde.…..”

„Dus uzelve? U?.…..”

„Ja!”

Een oogenblik van diepe stilte volgde en toen ham barones Doorneveld het woord:

„Misschien komt het, omdat u de eerste zijt, die mij over deze noodlottige gebeurtenis spreekt; misschien ook zijn het de persoonlijkheden van u en uw vriend, die mij ertoe drijft, openlijk met u te spreken en u de geschiedenis te verhalen van ons noodlot. Wilt ge luisteren?”

„Niets liever dan dat!” sprak Raffles en Charly Brand boog toestemmend.

Meer dan een uur werd alleen de zachte stem van Mevrouw van Doorneveld van Oudenhoven vernomen.

De thee in de kopjes werd koud, Charly vergat zelfs af en toe met een blik vol bewondering naar het elegante jonge meisje te kijken en de fijne trekken van Raffles gelaat spanden zich hoe langer hoe meer.…

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

„En hier,” besloot eindelijk barones Elisabeth haar geschiedenis en zij haalde aan een fijn gouden kettinkje uit haar beurs een ring te voorschijn, „hier is het eenige voorwerp, dat aanwijzing zou kunnen geven tot opsporing van hem of haar, die dit enorme waagstuk heeft durven bestaan.”

„Mag ik dien zegelring eens zien?” vroeg Raffles.

„Met genoegen!”

En mevrouw Doorneveld overhandigde hem den ring, welken Raffles gretig aannam en met langdurigen blik bekeek, terwijl zijn gedachten vlogen.

Even keek hij toen zijn vriend aan met een blik van verstandhouding, dien Charly onmiddellijk scheen te begrijpen, want bijna onmerkbaar knikte hij toestemmend tot den Grooten Onbekende, zooals lord Lister, alias John C. Raffles, in Engeland werd geheeten.

Raffles overhandigde barones Doorneveld het geheimzinnige kleinood en sprak toen tot haar en haar dochter de volgende merkwaardige woorden:

„Dames! U kent mij niet en desondanks hebt ge mij uw volle vertrouwen geschonken, waardoor ik u heb leeren kennen. Mag ik van mijn kant dit vertrouwen beantwoorden door u eveneens deelgenoot te maken van mijn levensgeschiedenis, zooals die aan niemand dan aan mijn vriend en mij bekend is?

Luistert!

Ik ben niet baron Brand en mijn vriend heet niet Mr. Wilson. Laat ik met hem beginnen. Hij is Charly Brand geheeten, doet dienst als mijn geheimsecretaris en is bij mijn verschillende ondernemingen mijn rechterhand.

Ik zelf heet John C. Raffles.…..”

.…..„de Groote Onbekende, de gentleman-dief?” viel Betty uit. „O, maar dan heb ik verleden week nog van u gehoord in de salons van lady Wettington! Lady Aberdeen had verbazenden schik omdat u dien Baxter van Scotland Yard weer zoo voor den gek hadt gehouden!”

De barones echter fronste even de wenkbrauwen en deelde niet in de uitbundige vroolijkheid van haar dochter.

Raffles hoorde het een en zag het andere.

„Ik ben,” vervolgde hij, „van adellijken bloede, Lord Vincent Lister was mijn vader, mijn naam is lord Edward Lister.”

En nu vertelde hij op zijn beurt het geheele verhaal van zijn leven, hoe hij was opgevoed als erfgenaam van een aanzienlijk vermogen en uitgestrekte bezittingen, hoe zijn vader door slechte familieleden op schurkachtige [12]wijze was bestolen en bedrogen, zoodat hun have en goed ontvielen en niets dan de adellijke naam hun eigendom bleef.

Hoe hij zichzelf een duren eed had gezworen afstand te zullen doen van dien adellijken titel en zijn leven voortaan te zullen wijden aan het ontmaskeren van schurken, het verdedigen der onschuld en het straffen der misdadigers uit de voorname kringen.

En toen hij had uitgesproken en zijn oogen, die tintelden van geestdrift, sloeg op het gelaat der oude dame, ontmoette hij een blik vol sympathie en hartelijke deelneming.

„Wij zijn kameraden in de ellende!” sprak de oude dame op ontroerden toon, terwijl zij hem over de tafel haar fijne, blanke hand toestak, die Raffles met warmte drukte.

„Laat ons voortaan vrienden zijn!”

„Ja, maar onder voorwaarde, dat ik uw zaak tot de mijne mag maken! Wilt gij mij dezen ring toevertrouwen? Wilt gij mij voor uwe zaak laten optreden?”

„Dat moogt ge, maar hoe? Gij zijt de Nederlandsche taal niet machtig, gij kunt niet doordringen tot in die fijne, kleine geheimzinnigheden, die verbonden moeten zijn met deze vreeselijke misdaad.”

„Daarom wil ik u een voorstel doen. Laat mij en mijn vriend voor eenige maanden onzen intrek nemen onder uw dak. De voortdurende omgang met u en uw dochter zullen ons binnen zeer korten tijd volkomen op de hoogte brengen met de finesses van de Nederlandsche taal. Dit is de eenige manier om zoo spoedig mogelijk het zoo moeilijke Nederlandsch machtig te worden.

Ik hoop, dat u dit voorstel zult willen accepteeren en dat ge u een beetje moeite zult willen getroosten om uw beide leerlingen voort te helpen.”

Een oogenblik dacht de barones na.

„Ik kan u slechts danken voor dit edelmoedig aanbod, lord Lister,” sprak zij. „Als gij en uw vriend tevreden wilt zijn met mijn eenvoudige kamer, die tot uw dienst staat, zal ik zeer gaarne op uw voorstel ingaan.”

„Ik stel mij voor,” antwoordde Raffles, „want ik ben een man van de daad, om morgenmiddag omstreeks twaalf uur uit Regentstreet naar hier te vertrekken en dan stel ik mij verder voor om door drukke conversatie en ijverig studeeren in den tijd van rond drie maanden uwe moedertaal volkomen meester te zijn. Dit moet! En dan houdt al het andere bij mij op.

In Januari vertrek ik met mijn secretaris naar Nederland. Onder welke omstandigheden en onder welke vermomming wij dat zullen doen, weet ik nog niet! Dat is bovendien een quaestie van later zorg. Voorloopig kan ik mij slechts met de vraag bezighouden, hoe wij het spoedigst op end’op Hollanders kunnen worden: Hollanders naar de uitspraak en Hollanders naar voorkomen en manieren.”

Wat op dezen Octobermiddag in het huis in Bakerstreet, waarvan de barones en haar dochter een der étages bewoonden, door het boven beschreven viertal werd besproken, werd al spoedig bewaarheid.

Geen 24 uren nadat de belangrijke gesprekken gevoerd waren, hadden John C. Raffles en Charly Brand de sierlijke villa in Regentstreet verlaten en voor „onbepaalden tijd” hun intrek genomen in de veel eenvoudiger Bakerstreet.

En nu begon de studie!

Ook hier bleek weer, welk een wilskracht de Groote Onbekende kon ontwikkelen, van hoe onverdroten ijver en werkzaamheid hij was, als het er op aankwam, een doel na te jagen, een edel doel!

En Charly!

Ook hij was bezield met zulk een onvermoeiden studie-geest, dat reeds na een week bleek, hoe bevattelijk de beide heeren waren.

Ze spraken reeds gebroken zinnetjes van de Nederlandsche taal en ze begonnen er al schik in te krijgen, toen ze zich zóó verstaanbaar konden maken, dat mevrouw Doorneveld haar bewondering uitte.

„Maar u behoeft lang geen drie maanden te studeeren,” zei ze.

En ook Betty meende, dat de heeren wel véél sneller „dat rare taaltje met de harde g’s en de andere keelgeluiden” zouden machtig zijn.

„Neen, neen,” bracht lord Lister er dan tegen in, „geen quaestie van! Wij blijven drie maanden onder uw leiding, want wij moeten uw taal volkomen machtig zijn!”

Drie maanden bleven Raffles en zijn onafscheidelijke geheimsecretaris Charly Brand bij barones Elisabeth Doorneveld van Oudenhoven en haar dochter vertoeven. Veel werd er gesproken over de plannen der toekomst en iederen dag weer werden de heeren op de hoogte gebracht van de Hollandsche zeden en gebruiken en van de geheimen der Nederlandsche taal!

Op een kouden dag in Januari, toen Londen zwart zag van de vale mist en den ganschen dag de electrische [13]lichten hun rossig schijnsel door de dichte nevels boorden; den zestienden van Louwmaand vertrokken lord Edward Lister en Charly Brand met de boot naar Holland.

De Groote Onbekende droeg aan een gouden koord een zegelring met groenen steen om den hals.

In dien steen waren een slang en een arend gegraveerd.…..