[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Het bloemenfeest.

Het Concertgebouw straalde.

De groote zaal—de kleine concertzaal, foyers en koffiekamer, solistenkamer en repetitie-lokalen, ze waren niet meer te herkennen, omgetooverd in lusthoven van goeden smaak en artistieke rangschikking.

Bekende kunstenaars uit de hoofdstad, artisten op velerlei gebied hadden hun medewerking verleend aan dit Flora-festijn.

Zij hadden den decorateurs geraden; door hun goeden smaak waren wonderlijke groepeeringen tot stand gekomen; de kleinere vertrekken waren gemetamorfoseerd in Oostersche verblijven. Bontkleurige shawls, zijden sluiers, goud-bestikte kussens en zware tapijten waren neergelegd, opgehangen en gedrapeerd tot een geheel, dat een lust voor de oogen was en den bezoeker boeide.

Maar het schoonst van al waren toch de jonge vrouwen, die met haar begeleiders door deze vertrekken wandelden om zich een glas parelende champagne te laten schenken of om te luisteren naar wat voordrachtskunstenaars ten beste gaven en wat waarzegsters meenden te lezen in de lijnen van kleine, blanke handen.

Iedere bezoekster—elke bezoeker van dit feest was gekleed in een „bloemenpak” zooals dat was voorgeschreven.

Zij, die in avondtoilet waren gekomen en zich dus niet aan dit voorschrift hadden gestoord, hadden een boete van ƒ 25 moeten betalen.

Die boetes, trouwens de geheele opbrengst van dit feest, zou worden gegeven aan de slachtoffers van een groote ramp, waarvan het geheele land niet alleen, maar gansch Europa was vervuld geweest.

En daar zij, die den ongelukkigen wilden helpen, maar al te goed wisten, dat liefdadigheid het gemakkelijkste en het liefst wordt betracht, als de een of andere vreemde attractie daaraan wordt verbonden, had men dit bloemenfeest op touw gezet.

Om acht uur zou het feest een aanvang nemen.

Maar het werd toch ruim negen uur, voordat zich een noemenswaardig aantal gasten bewoog door de zalen.

Hier en daar stegen de klanken op van liefelijke muziek.

Op het podium in de groote Concertzaal, op een der galerijen, in een der bovencorridors en in den foyer zaten, geheel achter bloemen en draperieën verscholen, kleine strijkorkesten opgesteld.

Zoete, slepende walsen zongen door de ruimten; ballet- en operettemuziek wisselden elkander af—hier parelden de klare coloratuurzangtonen van een wereldberoemde zangeres, die tijdelijk in haar vaderland vertoefde en terstond zich bereid had verklaard welwillend mee te werken—daar zong de viool van een vermaard musicus.

Omstreeks tien uur waren zalen en gangen gevuld; men had toen geen overzicht meer over de schare, die haar liefdadigheidspenningskes was komen offeren …

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

„En, juffrouw Dora, u dweept zoo met de koningin van Engeland, omdat ze zoo elegant is?” vroeg de zachte stem van May Bilkens.

„O, ja,” luidde het antwoord, „Ik dweep met alles, wat elegant is—daarom vind ik u ook zóó— —zoo allerliefst.”

May Bilkens lachte heel fijntjes.

Ze droeg dezen avond een toilet van witte liberty-zijde.

Ze was als lelie gekleed. In haar hoogblond kapsel flonkerde een kostbare diamant, zoo groot bijna als een knikker.

Dora Massaar droeg, als klaproos, een toiletje van gloeiend roode, Chineesche zijde. [19]

Ze had een ravenzwarten pruik opgezet en zag er, met een tikje rouge op de wangen en zwart aangezette wenkbrauwen, alleraardigst uit.

De onbeduidendheid van haar uiterlijk ging onder den schmink totaal verloren.

„Ik voor mij,” vervolgde May Bilkens het gesprek, „ik vond den keizer van Duitschland den interessantste van alle vorsten. Ik was eens, nu twee jaar geleden ongeveer, met mijn broer in Keulen, toen de keizer die stad bezocht met zijn gemalin.

Het was een grootsche hulde.

Bengaalsch vuur werd allerwegen op staken ontstoken, electrische booglampen schitterden bij iederen stap, tromgeroffel en trompettengeschetter weerklonk.

De lucht was vervuld met luide jubelkreten … totdat eensklaps de militaire kapel het rumoer overstemde … op iederen hoek bliezen de muzikanten het Hohenzollernlied.

Een honderdtal ruiters van de blauwe lijfwacht kwamen aantrappelen. En toen, gezeten naast de keizerin, in een met vier zwarte hengsten bespannen rijtuig, kwam hij nader … de keizer!

De paarden snoven, al stijgerend voortstappend, van ingehouden vuur; de zilveren leidsels blonken en ritselden.

De keizer was gekleed in sneeuwwitte uniform, op de borst een zilveren plaat met zwarten adelaar; een zilveren helm, waarover een adelaar zijn gouden vleugels uitbreidde, op het hoofd.

Op mij maakte hij toen den indruk van een Germaanschen God uit de Noorsche mythologie.… Voortdurend salueerend liet hij den koenen blik gaan over den onbeweeglijken muur zijner soldaten … de keizerin boog onophoudelijk met een stillen glimlach—het was een onvergetelijk oogenblik— —”

May Bilkens hield op.

Een blos had haar fijn gelaat hooger gekleurd.

„Kom, laat ons mijn broer gaan zoeken! We zijn hem reeds een uur geleden kwijt geraakt. En u zult toch wel willen dansen!” sprak ze snel.

„O, dat heeft nog den tijd,” lachte Dora Massaar, „kijk, als je van den duivel— —”

Diep boog mr. Bilkens voor de beide jongedames.

De slanke Amerikaan had zich in een kostbaar zijden, Japansch kostuum gestoken, dat in het land van de chrysanthemum zeker slechts een Mandarijn zou toebehooren.

Mr. Bilkens stelde een zonnebloem voor.

Groote, goudgestikte bloemen flikkerden op de donkerbruine zijde van zijn gewaad.

Hij wendde zich tot het Amsterdamsche meisje.

„Juffrouw Massaar, ge zult u nu voor eenigen tijd onder mijn hoede moeten stellen. Ik hoop, dat u dit niet àl te vervelend zal zijn.

Dora Massaar bloosde.

Ze vond het gansch niet onaangenaam, door dien interessanten vreemdeling—had papa niet gezegd, dat-ie wel schatrijk ook moest zijn—een tijd lang in beslag te worden genomen.

Dora dweepte gewoonweg met hem.

Ze dweepte nog al heel gauw, dit eenvoudige, vrij onnoozele kind.

Maar ditmaal zou toch menige vrouw haar smaak hebben gerechtvaardigd en ze genoot reeds, alleen bij de gedachte, hoe straks de vriendinnen haar vol afgunst zouden nakijken.

Maar May Bilkens vroeg en haar helder stemmetje klonk boos:

„Voor een tijdlang, George? Ik dacht, dat je een dansje met juffrouw Massaar zoudt maken en dan …”

„Ta-ta-ta-ta, kleine dwingelandes! De heer en mevrouw Steenbergen wachten je met een paar jongelui bij de Turksche waarzegster.

Haast je dus!

Ik vermoed, dat ik je den heelen avond wel niet meer terug zal zien. Niet te veel flirten, May. Je moogt hier je hart niet verliezen!”

May lachte en verdween in het bontkleurig gewoel.

„Wat is uw zuster beeldig mooi,” bewonderde Dora, toen het jonge meisje hen verlaten had.

„Ja,” beaamde mr. Bilkens, „May wordt algemeen bewonderd.

Maar laat ons nu niet mijn knappe zuster als onderwerp van gesprek nemen. Voor mij is dat niet belangwekkend genoeg.

En laten wij ons dan eerst naar een der champagne-bars begeven, juffrouw Massaar,” voegde hij er aan toe, „mijn keel is als toegeschroefd.”

Zij verlieten het vertrek, liepen de met palmen en oranjeboompjes versierde trappen af en begaven zich naar de koffiekamer, die in een bar was herschapen.

Wel twintig kleine, intiem ingerichte zitjes waren hier aangebracht; hoekjes, waar men vertrouwelijk kon fluisteren en geheimpjes bepraten— —

Een kellner bracht den champagnekoeler met flesschen „Veuve Cliquot” en twee glazen. [20]

De kurken knalden … de wijn schuimde … de dorstige kelen werden gelaafd …

Onder het laagje rouge op Dora’s wangen tintelde een blos, die het parelende vocht haar naar de wangen had gejaagd … en mr. Bilkens babbelde en praatte en vroeg en luisterde en informeerde weer … schonk nog eens in … stiet opnieuw aan met het jonge meisje … lachte steeds …

„En,” vroeg de Amerikaan, en hij vatte de hand van Dora, „toen heette het dus, dat plotseling een oom was gestorven, een familielid, waarvan ge nooit hadt gehoord?”

„Neen, nooit! Mama had me steeds verteld, dat ze maar één broer had, die op 20-jarigen leeftijd in den Transvaalschen Boerenoorlog was gesneuveld!”

„Werd zijn lijk gevonden?”

„O, ja!”

„Waar?”

„Bij Bloemfontein!”

„Zóó!”

„Ja—het was een heele uitkomst en het gaf een heelen ommekeer. We leefden zoo eenvoudig en toen, ineens, die rijkdom!”

Mr. Bilkens staarde voor zich uit.

Maar eensklaps vroeg hij:

„Gaat uw vader wel eens op reis, juffrouw Massaar!”

„O, ja!”

„Waarheen?”

„Altijd naar Parijs. Eens per jaar!”

Weer liet Raffles een nadenkend „zóó” hooren.

„Papa heeft me den laatsten keer, dat hij naar Parijs ging, dezen paarlencollier meegebracht en dezen ring,” vertelde Dora verder, en ze schoof het kleinood van haar vinger en toonde het Bilkens, die nu tevens alle aandacht schonk aan de melkblanke parelen, die door een juweelen bootje bij elkaar werden gehouden.

„Ze zijn héél mooi—uw papa is wel goed voor u,” zei de Amerikaan.

„Maar voor zóó’n allerliefst dochtertje mag men waarlijk wel iets over hebben.”

Hij streelde, als ongemerkt, de vingers van het meisje, toen hij den ring weer aan haar hand schoof en schonk wederom de glazen vol.

„Ik drink ad fundum op uw papa, juffrouw Dora—en, op uw toekomstig geluk!”

Met verliefden, ondoorgrondelijken blik keek mr. Bilkens het jonge meisje langen tijd in de oogen.

Het werd haar wonderlijk te moede—het duizelde haar.

„Vertel eens, Dora,” klonk nu de zachte stem van mr. Bilkens, „hebt u in vroeger jaren ook wel sieraden gehad? Ringen, broches?”

„Ja, mr. Bilkens, een broche! Maar”—ze hield eensklaps op, doodelijk verschrikt, en trok haar hand terug, „maar daarover mag ik niet spreken, weet u—dat wil papa niet—volstrekt niet!”

„U kunt mij alles vertellen, Dora—alles, versta je. Je moogt mij volkomen vertrouwen,” fluisterde de zonnebloem en hij sloeg zijn arm om den leest van de klaproos, „hadt je veel sieraden, Dora!”

„Ja, mr. Bilkens, ik vertrouw u, maar u moet weten dat papa ons, mama en mij, ten strengste heeft verboden, ooit over die sieraden te spreken. Ik weet niet, wat daar achter schuilt, mr. Bilkens, maar ziet u—neen, neen, ik vertel niet meer!”

„Zeg George—noem mij George, Dora en vertel me alles—”

„’t Is een geheim”, prevelde het meisje, als voor zich heen, „’t is een geheim—ik weet het niet—papa zei, dat hij, dat we allemaal rampzalig zouden worden, als we ooit tegen iemand daarover spraken.—U vertrouw ik—heelemaal!

Luister dan, mr. Bilkens, ja, we hebben sieraden gehad, een paar kostbaarheden.

Maar daarop moet thans een vloek rusten—en daarom dragen we ze nooit. Ik heb een broche met een grooten steen.

Ik bewaar ze in mijn byouterieën-kistje.”

„Met een steen,” fluisterde de Amerikaan, „met een steen.

Welke kleur heeft die steen?”

„Groen, mr. Bilkens.”

„Smaragdkleurig?”

„Ja—smaragdkleurig!”

„En bewerkt?”

Dora’s oogen werden groot.

„Ja—bewerkt ook. Hoe weet u dat?”

„Gegraveerd?”

„Ja.”

„Met een slang— —”

„Ja, o ja! Met een slang en een arend! Maar als u dat weet, dan hadt ge het toch niet behoeven te vragen!

Weet u er iets naders van?”

„Neen, ik vermoedde het slechts. Ik heb eens van een verren vriend een ring gekregen. Een ring met een [21]steen—een smaragdgroenen steen—gegraveerd met een slang en een arend! Hier is hij!”

En Bilkens trok van onder zijn zijden kostuum een gouden koord te voorschijn, waaraan een ring was bevestigd.

„Kijk hier, juffrouw Massaar!”

Dora keek en stiet toen een zachten kreet uit.

De vreemdeling had snel de hand op haar mond gelegd.

„Geen woord meer, Dora! Wat je mij verteld hebt, blijft voorloopig ons geheim. Je wilt toch met mij samen wel een geheim hebben?”

„Ik zou er toch nooit over spreken, mr. Bilkens, nooit, weet u! Ik zou papa niet durven vertellen, dat ik een ring had gezien met een slang en een arend.”

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

„Maar George, ’t is al bijna één uur en ik heb je den heelen avond tevergeefs onder de dansers gezocht. Waar ben je geweest. Heeft juffrouw Massaar zich niet gruwelijk verveeld in je gezelschap?”

„Juffrouw Massaar,” antwooordde de broer van May Bilkens, „heeft mij vanavond héél veel bijzonders verteld van Amsterdam, héél veel. Ze zal mij nu wel een wals of een two-step willen toestaan?”

„O, neen, ik dank u, ik zal nu niet dansen! Ik voel me wat licht in het hoofd!”

Een onmerkbare glimlach gleed over het gelaat van den vreemdeling.

Z’n donkere, uitdagende oogen tintelden en z’n gedachten vlogen naar het kleine hoekje en naar de champagne …

De wijn had zijn uitwerking niet gemist.

„Drink eens een sterke kop koffie, juffrouw Massaar,” stelde hij voor, „en mag ik u dan aan het souper geleiden?”

Dora aanvaardde vol graagte dit aanbod.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Omstreeks vijf uur in den morgen tufte de groote Germain-wagen door de Roelof Hartstraat en langs de Ceintuurbaan naar de Weesperzijde.

Mr. Bilkens en z’n zuster stapten uit voor het Amstelhotel, waar de nachtportier beleefd boog voor de Amerikanen.

Hij had reeds een paar keer zeer ruime fooien gekregen van den millionair uit de Nieuwe Wereld.

En die mooie jongedame kende ook geen zweem van trots.

Hij hoopte, dat de gasten nog langen tijd in het Hotel zouden blijven.

Dat was nog eens een buitenkansje!

Je werd anders met fooien niet verwend door de Amerikanen.

Die gaven maar krap-an. De rijksten soms nog het minst naar verhouding.

Enfin, had de directeur niet verteld, dat mr. Bilkens Hollander van geboorte was? Je kon ’t wel merken.

’t Royale Hollandsche bloed kwam toch maar altijd weer boven.

Mr. Bilkens draaide in den grooten salon het electrische licht aan; miss May viel op den divan neer.

Toen barstte ze eensklaps in een uitbundig lachen uit.

„O. Edward!”

„Wel?”

De aangesprokene stond met den rug naar het jonge meisje toe.

Hij had een der gordijnen hoog opgehaald en keek over het water naar de knipperende lantaarns op de Sarphatikade en de Hoogesluis.

In het ruime vertrek heerschte een aangename warmte.

„Edward, ik moet toch zoo onbedaarlijk lachen!”

„Waarom, Charly?”

„Om jou!”

„Om mij? Hoe dat, als ik vragen mag?”

„Omdat je mijn laatste vriendin, die onnoozele Dora, zoo heel den avond met bewonderenswaardig geduld het hof hebt gemaakt—en natuurlijk zonder het minste resultaat!

Je bent een kraan!”

„Zoo! Dank je!”

„En een opofferende kerel!”

„Meen je?”

„Zeg, Edward, wat doen we nu? Waar ga je nu zoeken en snuffelen, nu je hier zoo totaal bot hebt gevangen?”

„Maar Charly, draaf toch niet zoo door!”

„Maar Edward, verklaar je toch nader!”

„Als je geduld hebt!”

John C. Raffles, alias mr. Bilkens, ging naar z’n slaapkamer, deed z’n zonnebloem-kostuum uit en trok een fluweelen huisjasje aan.

Hoewel de morgen stond aan te breken, dacht hij er geen oogenblik aan, nu te gaan slapen.

Hij nam een sigaret uit zijn koker en, dunne rookwolkjes [22]uitblazend, trad hij den salon weer binnen, waar Charly nog steeds in zijn leliën-kleed op den divan lag, het hoofd op een kussen, de oogen gesloten.

„Charly!”

„Ja, wat is er?”

„Slaap je?”

„Ik denk er niet aan!”

„Doe dan je oogen open en luister!”

„Ik luister!”

Raffles trok een fauteuil naar de plaats, waar zijn vriend en secretaris te rusten lag.

Toen begon hij op fluistertoon:

„Luister, Charly, en hou je mond! Val me niet in de rede, geen enkelen keer!

Ik weet nu, wie de misdaad heeft begaan.

Ik heb het spoor—zooals ik je reeds terstond vertelde.

Dat kleine gansje heeft me vanavond onder den invloed van een paar glazen champagne—maar vooral van mijn aangenaam gezelschap—verteld, dat— —”

En lord Lister deelde omstandig Charly Brand het door hem gehoorde mede.

Charly smoorde een kreet.

„Zoo’n geweldige schurk!”

„Ja, wèl geweldig!

En de grootste brutaliteit schuilt in het feit, dat de kerel het niet eens de moeite waard achtte om de andere kostbaarheden met dezelfde groene zegelsteenen te vernietigen of om Amsterdam metterwoon te verlaten.

„Wat denk je nu te doen, Edward?”

„Ik denk te handelen!”

„Wanneer?”

„Zoodra mogelijk!

Dora Massaar heeft mij beloofd, me morgenmiddag de broche te laten zien.”

„Begrijp jij, Edward, hoe die Massaars nu toegang hebben tot de eerste salons van Amsterdam?”

„’t Geld, Charly, ’t geld!

Steenbergen kan den man niet voor het hoofd stooten, omdat hij veel zaken met hem doet!

En zoo zijn er natuurlijk meer!

Maar ik geloof toch niet, dat ze overal worden ontvangen.

Er zijn nog altijd families, die dergelijke parvenu’s tot geen prijs in hun kring opnemen!

En nu, Charly, naar bed!

’t Is bij zessen!

Ik geef je tot twaalf uur tijd, uit te rusten! Dan wacht ons nieuwe arbeid!

Wel te rusten, boy!”

„Wel te rusten, Edward!”

De schoone May Bilkens legde het stompje van haar zesde sigaret op het aschbakje neer, floot een bekend wijsje uit de opera „Carmen” en verdween toen met een kluchtigen sprong in haar slaapkamer.