[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De familie-juweelen.

Het was warm in de werkkamer van Daniël Massaar—erg warm.

Maar de heer des huizes, zooeven teruggekomen van de Effectenbeurs, scheen daar geen last van te hebben.

Hij leunde in den grooten, breeden fauteuil behagelijk achterover en las in het Ochtendblad van het „Handelsblad” de laatste berichten over den Balkanstrijd.

Hij was er eerst nu toe gekomen om de krant op z’n gemak te lezen.

Laat opgestaan na dat dwaze feest van gisteren, toen inderhaast ontbeten en meteen naar de beurs.

Je hadt toch wat aan je hoofd als geldman.

En respect dat ze voor hem hadden, voor hem, Massaar!

Dat had-ie nooit durven droomen, toen hij, dertig, veertig jaar geleden uit Breda naar de hoofdstad van het land was gegaan om z’n geluk te beproeven.

Hij had het in een paar jaar van hard werken tot boekhouder op een der groote Banken gebracht en al was dat al heel veel, hem was het niet genoeg geweest.

Hooger wilde hij op, steeds hooger. Fortuin moest hij bezitten—geld—tot elken prijs.

En hij had het langs alle wegen geprobeerd. [26]

Eerst door het uitleenen van gelden, maar dat bracht hem niet genoeg binnen—toen door speculaties.

Maar ook die mislukten—mislukten totaal. Als hij Italiaansche sporen kocht, gingen deze plotseling naar omlaag en als hij in Tapanoeli-rubber ging speculeeren, vloog de Tapanoeli naar beneden.

Zoo was het met alles gegaan.

Hij was er wanhopig onder geworden!

Hij had gezonnen op allerlei middelen, niets zou hem goed of slecht genoeg zijn geweest, als hij maar ongestraft, maar stil te werk kon gaan.

Jaren verstreken—de gelegenheid deed zich niet voor!

Hij kreeg grijze haren van ergernis en van ouderdom; zijn vrouw was al zoo wit als een duif, zijn dochter werd volwassen.

En toen—toen was het gekomen—plotseling—zonder de minste voorbereiding! Het was hem overvallen, maar het had hem niet overweldigd.

Hij, Massaar, hij was de omstandigheden de baas gebleven en het blinde geluk had hij beetgepakt—met beide handen tegelijk!

Alles was hem toen verder meegeloopen.

De dood had den eenigen man, die lont had kunnen ruiken, onverbiddelijk weggevaagd.

De dood, die het leven van den een had afgesneden, de toekomst en het geluk van een huisgezin had verwoest, had hem het geluk gebracht: geld, aanzien …

Hij lachte.

Het was een korte, rauwe, valsche lach, en die hem uitstootte, schrikte een oogenblik voor zijn eigen geluid.

Toen las hij verder het „Ochtendblad”.

Gisteren was de eerste steen gelegd voor een nieuwe Effectenbeurs op de plaats, waar vroeger het Bible-Hotel had gestaan.

Dat interesseerde hem.

Alles, wat effecten en geld betrof, boezemde hem belang in.

Een tik op de deur stoorde zijn gedachtengang.

„Binnen!”

Op een zilveren blad bracht de huisdienaar een kaartje binnen.

„Deze heer wacht in de spreekkamer!”

Massaar nam het kaartje.

„George Bilkens, New-York,” las hij.

„Ah zoo! De Amerikaan! Laat meneer binnen, Karel!”

De huisdienaar verliet het vertrek.

„Kijk, kijk,” grinnikte Massaar en z’n spitse neus snoof hoorbaar, „de rijke Yankee weet me ook al te vinden. Wat die wel moet? Geldzaken? Of Doortjes hand? Dat gaat maar niet zoo één, twee, drie, mister Bilkens! Waar denk je aan?”

De knecht opende wederom het vertrek.

Binnen trad mr. George Bilkens, het type van den correcten, zéér gedistingeerden, zéér knappen Amerikaan.

Onwillekeurig boog Massaar’s kleine, gedrongen gestalte dieper voor den slanken Yankee, dan hij oorspronkelijk van plan was geweest en met breed armgebaar wees hij naar een der ruime armstoelen.

„Neem plaats, mr. Bilkens! Wat verschaft mij het genoegen, u bij mij te zien?

Ik hoop, dat het Bloemenfeest u een goeden dunk van ons, rijke Amsterdammers heeft gegeven! Ja, we kunnen het ook nog wel, hahaha!”

De ruwe, gemaakte, zelfbewuste lach deed den bezoeker onaangenaam aan.

Maar hij boog eveneens, zette den cylinder naast zich op den grond, en nam plaats tegenover den heer des huizes, die weer in een fauteuil was neergevallen.

„Het bloemenfeest heeft mij ten zeerste bekoord,” sprak Bilkens, en hij speelde met een zijner kastoren handschoenen, die hij van de rechterhand had afgeschoven.

Massaar schoof eens op z’n stoel heen en weer.

Wat deed die Yankee beroerd!

Langzaam was-ie in z’n bewegingen, zoo echt gewild, geïmporteerd-Engelsch!

Was dàt nou een kwieke Amerikaan, een voortvarende kerel uit de Nieuwe Wereld?

„Meneer Massaar,” begon nu de bezoeker, „wij kennen elkaar niet—althans zeer oppervlakkig!”

Massaar knikte.

„We hebben elkaar maar twee keer ontmoet—eens bij bankier Steenbergen aan huis en vannacht, zeer vluchtig, in het Concertgebouw!”

Wederom boog Massaar toestemmend het hoofd.

„Voor mij echter, meneer Massaar, bent u geen onbekende. Voor u wensch ik dat evenmin te blijven!”

Massaar bleef stom—begreep niet, waar de andere heen wilde.

„Als gentleman zal ik mij eerst aan u voorstellen.

U moet weten welk vleesch ge in de kuip hebt.

Ik weet dat allang voor mijn deel!

Ik heet niet mr. Bilkens!

Ik ben geen Amerikaan! [27]

Mijn naam is lord Edward Lister, mijn pseudoniem is John C. Raffles, mijn bijnaam de Groote Onbekende! Mijn woonplaats is Londen!”

Massaar vloog overeind en strekte zijn hand uit naar da electrische bel.

Maar Raffles hield hem met één enkele beweging tegen.

„Laat dat, mr. Massaar, laat dat! Ga weer zitten! En vooral rustig, weet u, héél kalmpjes!

Zóó, dit dingetje zal wel doen, wat ik niet alleen zou kunnen bereiken!”

Raffles haalde een leeren foudraal uit den zak van zijn jas te voorschijn, knipte het open en legde den browning vóór zich op het rooktafeltje.

„U rookt een goed merk, mr. Massaar, Henri Clay! Uitnemend!

Neen, dank u, ik zal niet gebruiken! Ik rook alleen sigaretten! U permitteert?”

Hij nam uit zijn gouden koker een sigaret en blies dunne, kronkelende rookwolkjes de lucht in.

Doodsbleek en trillend aan alle leden, het angstzweet op het voorhoofd, zat Massaar in zijn stoel zonder eenig geluid te kunnen geven.

Hij was kapot.

„Luister, mister Massaar!

Ik zal u niet lang op de pijnbank houden! Waarom zou ik?” sprak Raffles.

„Mijn tijd is kostbaar. U weet, dat wij, Engelschen zeggen: Time is money. Tijd is geld!

Ik kom alleen maar de juweelen halen, die het rechtmatig eigendom zijn van barones Doorneveld van Oudenhoven en die gij u onrechtmatig hebt toegeëigend.

Ik kom ze halen voor moeder en dochter!

Ik eisch ze op uit naam der gerechtigheid. Neen, laat mij uitspreken! Gij hebt ze niet meer in uw bezit, die gestolen juweelen, ge hebt ze voor aanzienlijke bedragen te Parijs verkocht.

Maar wat over is, vertegenwoordigt nog altijd millioenen. Die rest van den schat kom ik van u halen en bovendien zal ik u honderdduizend gulden laten, opdat ge met vrouw en dochter Nederland kunt verlaten.

Over vier-en-twintig uur moet van u geen spoor meer te bekennen zijn.

Alléén onder deze voorwaarde kunt ge het leven behouden! Als ge tegenstribbelt, weet ge, wat uw lot is—òf de kogel, òf de gevangenis.

Beide straffen zijn goed genoeg voor een dief! Wat is hierop uw antwoord, mister Massaar?”

Wijd puilden de oogen van den parvenu uit hunne kassen.

Hij hijgde zwaar, hij kreunde en dof klonk het van zijn lippen:

„Gelogen—alles gelogen!”

Toen, ineens, kreeg hij zijn wilskracht terug.

„Wie, wat bent u?” brulde hij, „wie durft mij, Massaar, te betichten?

Wie durft het betwijfelen, dat ik een erfenis kreeg uit Australië?”

Raffles trok zijn linkerhandschoen van de hand.

„Hier is uw ring, uw eigendom, dat in de leege kluis werd gevonden! De ring met de slang en den arend! En hier is de broche, het eigendom van uw vrouw met denzelfden steen, eveneens met slang en arend gegraveerd!

Behooren ze u toe of niet?”

Hoog had Raffles zich opgericht.

Hij toonde den kleinen man de beide voorwerpen en hield in de andere hand den browning omklemd.

„Kies,” fluisterde hij, „de gevangenis of den kogel!”

„Ellendeling! Groote ellendeling!” siste Massaar. „Ik wil geen van beiden! Leven wil ik, leven!

Ga zitten, vervloekte Yankee, ik zal de nog ongeschonden juweelen teruggeven, maar ge zult eerst mijn geschiedenis aanhooren!”

„Dat wil ik,” sprak Raffles, „ik geef u een half uur om alles te vertellen, maar verroer u niet.”

En Massaar verhaalde.

Hij vertelde, hoe alles hem vroeger tegenliep en hoe zijn zucht naar rijkdom hem steeds voortjoeg om overal zijn geluk te beproeven.

Totdat hij er ten slotte slechts de hand naar behoefde uit te strekken.

Voor den chef van het kantoor, waar hij boekhouder was, werd hij op zekeren dag gestuurd naar de kluis van het Huis-Steenbergen.

Hij moest uit een der safes enkele waardevolle papieren halen.

Hij kwam in de kluis, toen baron Doorneveld daar voor diens geopende safe stond gebogen, bezig een snoer paarlen te bekijken.

„Ik opende het hokje van mijn chef en zocht de verlangde papieren,” vertelde hij.

„Ik was geheel en al in dit werk verdiept, totdat eensklaps een zachte kreet mij deed opschrikken.

Mij omkeerend, zag ik baron Doorneveld, die juist zijn safe gesloten had, den sleutel nog in de hand, ineenzakken. [28]Zijn gelaat kreeg een blauwachtige tint en doodstil viel hij neer.

Ik vloog naar hem toe en legde zijn hoofd tegen den muur, van plan om hulp te roepen.

Maar toen—toen zag ik den sleutel—ik greep het ding uit de handen van den machtelooze, ik opende de safe en ik schoof de juweelenkist met haar onschatbaren inhoud in mijn groote, bruinleeren tasch.

Daarna sloot ik het deurtje, drukte den baron weer den sleutel in de hand en boog mij over hem heen.

Een minuut later opende hij de oogen en een paar oogenblikken later had hij het bewustzijn teruggekregen.

„Ik dank u voor uwe goede zorgen,” sprak hij, meenende, dat ik hem had bijgestaan, toen hij machteloos neerlag, „het is niets, een kleine hartaandoening! Ik lijd daar meer aan! Als ge mij nog meer aan u wilt verplichten, spreek dan niet over wat ge gezien hebt. De buitenwereld weet het niet!

Ook mijn vrouw zijn die aanvallen niet bekend!”

Ik kon niets zeggen!

O, als hij nu de safe weer opensloot, zich wellicht niet meer herinnerend, dat hij dat reeds vóór de flauwte had gedaan.

Maar neen!

Hij ging heen, na den sleutel aan een ketting te hebben gehangen!

Ik sloot eveneens de safe, verliet de kluis, draaide het letterslot in de zware deur om en verliet het Bankgebouw.

In een Atax reed ik eerst naar mijn huis, borg den gestolen schat weg en spoedde mij daarop naar mijn chef.

Toen ook bemerkte ik, dat ik mijn zegelring kwijt was.

Ik kende rust noch duur sinds dien tijd.

Wanneer zou de diefstal ontdekt worden?

Wanneer zou baron Doorneveld verklaren, dat hij met mij het laatst alleen in de kluis was geweest?

Ik voelde, dat ik gek zou worden, als ik niet vluchtte.

Zes weken verliepen—weken, waarin ik duizend dooden stierf.

Maar het noodlot zou ditmaal niet zijn hand leggen op mijn schuldig hoofd, maar op het onschuldige van baron Doorneveld.

Toen hij tot de ontdekking kwam, dat zijn laatste bezittingen uit de kluis waren verdwenen, stortte hij neer en bleef levenloos in de armen van zijn besten vriend, zonder dezen ook maar een enkele aanwijzing te hebben kunnen geven van den man, die met hem in de brandvrije kluis het laatst was samen geweest.

Dat is de geschiedenis van de gestolen familiejuweelen.

Ik bleef vrij en kon nu in Parijs een klein deel van het gestolene te gelde maken!”

„En gestolen goed gedijt niet,” viel Raffles in.

„Ik ben u zeer verplicht voor uw verhaal,” voegde hij op kouden toon er aan toe, „het is zeer interessant.

Ik geef u thans nog vijf minuten om uit uw brandkast daar in den hoek het nog resteerende deel van de familiejuweelen te voorschijn te halen.

Morgen om dezen tijd moet ge Amsterdam voorgoed hebben verlaten, anders weet de officier van justitie het gansche geval.”

Tien minuten later verliet Raffles het deftige huis in het Museumkwartier.

En met zijn beminnelijkste glimlachje overhandigde hij Dora Massaar, toen deze tegen zes uren met de schoone May Bilkens den salon in het Amstel-Hotel betrad, het wit fluweelen doosje met zijn veelzeggenden inhoud.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

„Kijk eens, Charly”, fluisterde Raffles, toen hij de deur van de logeerkamer op slot had gedaan, „kijk eens, m’n jongen, wat een kostbare schat!”

„Allemachtig,” stiet Charly Brand uit, „wat is dat allemaal, Edward.

Hoe kom je daaraan?”

„Dat zijn de eigendommen van onze Londensche vriendinnen uit Bakerstreet. Dat zijn nog verscheiden millioentjes!”

„’s Jonge, jonge,” peinsde Charly, „wat zullen die parelen Betty’s blanken hals flatteeren!”

„Zoo, denk je?”

„Zeg, Edward, hoe lang moet ik nog als dame door Amsterdam wandelen?”

„Tot morgen!”

„Niet langer?”

„Neen!”

„Hoera! Hoera!”

En Charly maakte een luchtsprong.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

De Amsterdamsche dagbladen vermeldden den volgenden dag het plotselinge vertrek van den bekenden stadgenoot Massaar naar het buitenland. [29]

Of eigenlijk was de effectenhandelaar vertrokken, zonder eenig adres achter te laten.

„Dringende zaken of familie-omstandigheden!” giste men.

Vermoedelijk zou het wel het laatste zijn, want mevrouw Massaar en mejuffrouw Massaar hadden den man en vader vergezeld.

En Amsterdam had voor een paar dagen weer stof tot discours aan bittertafel en in salon.

Het was een week na het plotselinge vertrek van de familie Massaar uit Amsterdam, toen directeur Steenbergen een brief ontving uit Londen.

Hij vermoedde, dat het schrijven afkomstig was van den verdwenen effectenman.

Maar de krachtige, kloeke mannenhand deed hem twijfelen.

Hij opende de enveloppe en las het volgende schrijven:

Hooggeachte Heer,

Mijn secretaris Charly Brand (alias miss May Bilkens) en uw onderdanige dienaar (ook wel genaamd George Bilkens) berichten u, dat hun verblijf in de hoofdstad van Nederland niet zonder gunstig resultaat is geweest.

De familiejuweelen van barones Doorneveld van Oudenhoven zijn teruggevonden en de rechtmatige eigenares ter hand gesteld, die zeer spoedig haar eenvoudige woning in Bakerstreet zal verlaten voor een haar beter passend verblijf aan het Strand.

Wij zullen het niet bij dit eene bezoek laten aan het kleine Holland.

Ook in uw land is op het gebied van de criminologie nog heel wat op te knappen!

Vaarwel, mr. Steenbergen.

Wij hebben aan u de aangenaamste herinneringen behouden! De Amsterdamsche politie lijkt ons minder snugger. Maar we kunnen nog niet oordeelen!

Vergeet vooral niet, de familie Massaar bij gelegenheid voor mij te groeten!

Uw toegenegen

JOHN C. RAFFLES.”

Bankier Steenbergen las dit schrijven wel vier keer over, vóórdat zijn gedachten weer geregeld konden gaan.

„John C. Raffles,” fluisterde hij toen, „dat is de Groote Onbekende, de gentleman-dief.

En hij zendt groeten voor den verdwenen Massaar—hij schrijft, dat de familiejuweelen terecht zijn—dat klopt niet, Massaar, dat klopt niet!”

En de brief ontviel zijn handen.