De Ratten kan men ook onder dat gedierte rekenen dat veel kwaads in dit land doet. Men vindt ze en in de steden en op het land. Zy zyn van de zelve grootte als onze Ratten, dog anders van kleur, want zy zyn grauw wat naar het blauwe hellende. Ik vroeg de Zweden of zy hier al voor de aankomst der Europeanen geweest waren dan niet, dog kon geen voldoend antwoord erlangen. Allen kwamen zy daarin overeen, dat ’er jaarlyks ene bystere menigte van dit ongedierte met de schepen werd overgebragt. De Heer Bartram beweerde, dat voor dat zig hier de Europers hadden nedergezet de Ratten reeds in dit land geweest waren; want hy had ’er ene grote menigte van op die hoge bergen gezien, die de Blauwe Bergen genoemd worden, waar zy tusschen de stenen in de onderaardsche holen, die in dat gebergte menigvuldig zyn, nestelden. Zy houden zig by dag zo stil, dat men ’er zelden een van ziet, dog des nagts maken zy een schrikkelyk geweld. Als het zeer koud was schenen zy geheel bevroren, want zo lang de vorst aanhield deden zy zig in ’t geheel niet horen. Men moet hier aanmerken, dat ’er nog by de Zweden nog by de Engelschen luiken voor de vensters zyn, nauwlyks vindt men ’er een dakvenster, en maar alleen losse planken. De muren der houte huizen waren zelfs niet met mos digt gestopt, zo dat het in de kamers, schoon ’er gestookt wordt, niet warmer is dan in de voorhuizen. In de vertrekken daar de Dienstboden sliepen stookte men in ’t geheel niet, schoon het somtyds vinnig koud was. Dus staan de Ratten des winters ene grote koude uit; maar zodra het gematigd weder wordt komen zy te voorschyn. Wy merkten dezen winter verscheiden’ malen op, dat de Ratten kort voor ene zware koude het zeer druk hadden, en des nagts een groot geraas maakten. Het scheen dat zy een voorgevoel van de aanstaande vorst hadden, en daarom wakker aten en [191]voorraad opdoen wilden. By zagt weder waren zy gewoon appelen en anderen voorraad wegteslepen. Dus besloten wy altyd voor vast, dat als de Ratten des nagts sterk aangingen of zeer gulzig waren, ’er ene zware koude op handen was. Ik heb reeds opgemerkt dat de grauwe Eekhoorns hier te lande de zelve eigenschap hebben. De Muizen eten ook, gelyk dezen, niet de gehele Maiskorrels, maar alleen de zoete binnenste kern daaruit.
Vinnige koude.
Den 21. Januari 1749. was de koude hier zo fel als in Zweden, schoon dit Land zo veel zuidelyker legt. De Thermometer van Celsius was des morgens twee en twintig graden beneden het punt van vorst. Gelyk de kamers hier zonder blinden, en de wanden niet met mos digt gestopt zyn, moeten hier de winters zeer onaangenaam voor iemant wezen die aan de warme Zweedsche kamers gewoon is. Dog het is hier een grote troost dat de koude niet lang aanhoudt. Sommige dagen van deze maand Januari was het zo koud in myne kamer, dat ik geen twee regels schryven kon zonder dat de inkt in de pen bevroor. Als ik niet schreef kon ik den inkt niet op tafel laten staan, maar was genoodzaakt hem op den haard te zetten, of in myn zak te steken. Egter, schoon het zo koud was, en dat het somtyds verscheiden’ dagen en nagten aan een sneuwde, zo dat het veld byna zes duim dik besneuwd was, moest het vee dag en nagt over in ’t veld blyven gedurende den gantschen winter. Gene stallingen voor het vee. Want nog de Engelschen nog de Zweden hadden stallen; maar de Duitschers en Hollanders volgden hier in de gewoonte van hun vaderland, en haalden hun vee des winters op stal. De meeste oude Zweden zeiden, dat zy by hunne aankomst hier te lande volgens het gebruik van Zweden stallen gemaakt hadden, dog toen de Engelschen zig hier kwamen nederzetten, en, volgens het gebruik van Engeland, hun vee altyd in ’t veld lieten, hadden zy ook die gewoonte aangenomen. Zy stonden nogthans toe, dat het vee wanneer het fel koud is, zeer veel leed, vooral als ’er vorst op enen regen kwam, en dat dit in den zwaren winter van ’t jaar 1741. op vele plaatsen verscheiden’ beesten het leven gekost had. Het vee vond nu zyn voedsel in het woud, waar nog sommige bladeren op de jonge eiken zaten, dog het liet de bladeren met rust, en beet alleen de tippen der dunne takken, en de koppen der tederste eikeboompjes af. De paarden liepen op de Maisvelden, en aten de droge bladen van de weinige stelen die ’er nog over waren. De schapen weidden in de bosschen en op de akkers. De hoenders sliepen des nagts op de takken der bomen in de tuinen, want ’er waren gene hokken voor hun. De varkens lagen ook, binnen ene betuining, onder den bloten hemel. Een klein soort van vogels, by de Zweden De sneuwvogel. Sneuwvogel, by de Engelschen Chuck-bird175 genoemd, kwam omtrent [192]dezen tyd by de huizen. Men ziet ze zelden dan wanneer het sneuwt, anders zoeken zy hun voedsel op de wegen.
Ys.
De Dellaware tegen over Philadelphia en iets lager lag thans toe, zo dat men ’er over gaan kon. Dog niemant dorst ’er over te ryden.
Patryzen.
Men vindt Patryzen in dit Land, dog niet van het zelve soort met de onzen. Somtyds noemen en Zweden en Engelschen ze ook Wagtels. Van gedaante, aard en eigenschappen zyn zy dezelve met de Europische Veldhoenders, dat is te zeggen, zy lopen weg en verstoppen zig als men ze vervolgt. Maar zy zyn kleinder en van ene andere kleur. Ik kan in dit werk niet breedvoerig de beschryvingen inlasschen, die ik van vogels, gekorvenen, viervoetige dieren, en planten gemaakt heb, om dat dit het te ver zou doen uitlopen. Ik zal alleen aanmerken, dat deze Patryzen aan de poten naakt, op den rug bruin, zwart en wit gespikkeld, op de borst donker geel, en op den buik wit zyn, met zwarte randen om de veren. Van grootte zyn zy als het Hazelhoen.176 Boven ieder oog hebben zy een ligtgelen smallen kring. In Nieuw Zweden zyn zy menigvuldig, en men behoeft daar niet ver te gaan om ’er grote klugten van te vinden. Egter onthouden zy zig niet digt by de steden, het zy ze door het veelvuldig schieten uitgeroeid of verjaagd zyn geworden. Zy zyn altyd in groter of kleiner troepen, vliegen niet zeer ver, maar lopen op de velden, vooral onder de struiken en nevens de tuinen, waar zy haar voedsel zoeken. Men houdt ze voor een uitmuntend eten, en maakt ze op velerhande wyzen gereed. Om deze reden worden ’er velen gevangen en geschoten. Men vangt ze in een soort van vierkante knip, van berden gemaakt, waaronder men wat haver stroit; de knip wordt aan den enen kant op stokjes gezet. Als het geluk wat mede loopt kan men ’er verscheiden te gelyk vangen. Wanneer zy onder het kreupelhout zig verbergen, kan men ’er zeer digt bykomen, zonder ze te doen opvliegen. Des nagts kruipen zy op enen hoop t’zamen. Zy krauwelen op den grond even als de kuikens. In de lente maken zy hare nesten onder het kreupelhout, op de Maisvelden, of op de heuvels in de open lugt. Zy krabben enig stroo byeen, waar in ze omtrent dertien witte eijeren leggen. Zy eten verscheidenerhande graan en gras zaden. Ook heeft men ze de bessen van den Sumach177 zien eten. Sommige menschen hebben ze jong gevangen, en in koyen mak gemaakt, waar na men ze los lopen laat. In dat geval blyven zy trouw by de kippen.
Tuinen.
De betuiningen, welken men in Pensylvanie en New Jersey, maar inzonderheid in New York, gebruikt, worden uit hoofde harer slingeragtige gedaante, in ’t Engelsch, Wormfences genoemd. De [193]palen worden van verscheidenerlei hout gemaakt, welk niet alle even duurzaam is; de rode Ceder wordt gehouden het langst goed te blyven, zelfs meer dan dertig jaar, maar het is schaarsch te vinden, en groeit maar op ene plaats hieromstreeks. De betuiningen rondom Philadelphia, die egter verschillen van de Wormfences, zyn, ’t is waar, allen van rode Ceders gemaakt, dog het hout wordt daar te water van Egg-harbour gebragt, waar het overvloedig wast. De stutten waarop de palen leggen zyn van witten Ceder, en de palen tusschen beiden van roden Ceder. Na het rode Cederhout wordt het Eiken en Kastanjenhout het best geagt. Het laatste is wel het beste, dog niet overal in genoegzamen overvloed, en derhalven gebruikt men allerlei eikenhout. Om deze betuiningen te maken hakt men de kleine bomen niet om, dog velt hier en daar enige dikke bomen, en maakt daar palen van. Uit enen boom kan men ene grote menigte van palen hebben. De Zweden hadden in ’t eerst betuiningen willen maken zo als in hun vaderland gebruiklyk is, maar zy hadden ’er van moeten afzien, om dat zy gene palen genoeg vinden konden om in den grond te slaan, want in den grond geslagen duurt het hout niet boven de vyf of zes jaar, zo ver het in de aarde steekt, behalven dat zy gene tenen vinden konden om ze t’zamen te verbinden. Zy maakten ’er wel enigen van Hikory, en van den witten Eik, dog de tenen waren schielyker vergaan. De palen dezer betuiningen, welken men overdwars legt en op twee andere palen in den grond geslagen rusten doet, zyn zeer zwaar, zodat de stutpalen werk hebben van ze te dragen, en als het begint te stormen vallen deze schuttingen dikwyls omver, dog het kost weinig moeite ze weder opteregten. Zy lopen al slingerende, en dus vereischen zy veel meer houts dan indien zy lynregt liepen, daarenboven duren de beste Wormfences, uit het duurzaamste hout gemaakt, niet boven tien of twaalf jaren; zo dat zy zeer veel houts verslinden, en het te voorzien is dat na enige jaren de bosschen meest vernield wezen zullen, indien hiertegen gene voorzorg wordt gebruikt, vooral daar het hout hier zeer roekeloos verspild, en in grote menigte, ten minsten des winters, dag en nagt gebezigd wordt.
Muskusrat.
De Muskusrat, zo wegens zynen reuk genaamd,178 is tamelyk gemeen in Noord Amerika. Zy leven voornamelyk van de mosselen, die op den bodem der stromen leggen. Men vindt velen van die mosselschelpen aan de ingangen hunner holen. Zy houden altyd huis in de nabuurschap van meren, rivieren en poelen. Hunne holen zyn [194]een weinig boven het water. Zy zitten ’er altyd in als zy niet aan ’t zoeken van hun voedsel zyn. Zy eten ook verscheiden wortelen en planten. Deze Muskusratten verschillen enigsins van de Europischen.179 De beide soorten hebben de zelve tanden; de staart der Amerikaanschen is plat op beide de zyden, zo dat de ene scherpe rand opwaards en de andere nederwaards gedrukt is. By de agterpoten zyn de tonen niet met een beweegbaar vel verenigd,180 maar hebben aan beide zyden van den voet lange, witte, digt by malkander, en als ene kam opstaande hairen, behalven de korte hairen waarmede de voeten geheel bedekt zyn. Zulke hairen staan aan beide de zyden der tonen, en dienen in ’t zwemmen omtrent even zo wel als een vel. Zy zyn van grootte als ene kleine kat, of, om nauwkeuriger te zyn, de lengte van het lyf is omtrent tien duim, en de staart even zo lang. De kleur van den kop, den hals, den rug, de zyden, en het buitenste der dyen is zwart-agtig bruin; het hair is zagt en glinsterend; onder den hals, op de borst, en binnenste der dyen zyn ze grauw. Zy maken hunne nesten in de dyken, die opgeworpen zyn langs de rivieren, om het water van de weilanden aftehouden; dog zy brengen veel schade aan die dyken toe, door ze met hun graven te ondermynen, en voor het water doortogten op de weilanden te maken. De Bevers daarentegen stoppen alle de gaten in de dyken en dammen toe. Van buiten zyn de nesten van tenen, biezen en diergelyken, en binnen in brengen zy allerhande zagte dingen, waarop zy de jongen leggen. De Zweden hielden ze tegenwoordig voor niet minder talryk dan voorheen. Men tragt ze uitteroeyen, om dat zy veel schade aan de dyken toebrengen, en tot ene aanmoediging hiertoe dient dat de huid gekoft wordt. Voorheen kostte elk vel maar drie, dog tegenwoordig van zes tot negen pence. De hoedemakers gebruiken de vellen, en de hoeden daar van gemaakt worden byna zo goed geagt als Beverhoeden. Men vangt ze gemeenlyk in vallen, waarin men appelen tot een lokaas hangt. In ’t Land der Iroquoizen zag ik hoe de Wilden de gangen van de holen der Muskusratten na groeven tot dat zy aan de nesten kwamen, daar zy alles dood sloegen. Niemant eet hier hun vleesch, of de Wilden moesten het doen, dat ik niet zeggen kan, want dezen zyn niet zo kiesch. Men legt de muskuszakjes onder de klederen, om ze tegens de motten te bewaren. Het is zeer bezwaarlyk deze ratten uitteroeyen als zy zig eens wel in enen dam genesteld hebben. Een Zweed nogthans verhaalde my dat hy daarin op de volgende wys geslaagd was. Hy zogt alle de holen op, stopte ze allen toe, alleen een uitgenomen aan den kant van waar de wind kwam. Hier lag hy zwavel in, stak die in brand, en maakte toen het gat toe, latende maar ene [195]kleine opening om den wind doortelaten. Op deze wys verstikte hy alles wat ’er in de nesten was. Zodra de zwavel verteerd was, groef hy het hol op, en vond de ratten allen by hopen dood leggen. Hy verkoft de vellen, en kreeg dus zyne moeite betaald, behalven het voordeel dat hy had van zig van hun ontslagen te hebben.
Bevers.
De Bevers waren voorheen overvloedig in Nieuw Zweden, gelyk my alle de oude Zweden verhaalden. In dien tyd zag men den enen dam na den anderen in de rivieren door de Bevers opwerpen. Maar sedert dat het Land beter bebouwd is, zyn de Bevers gedeeltelyk hoger landwaards in geweken, waar de menschen zo talryk niet zyn. Dus is ’er in Pensylvanie maar ene enige plaats waar men Bevers vindt. Hun voornaamste voedsel is de bast van den Beverboom,181 en dit stellen zy boven alles. Dus lagen de Zweden takken van dien boom in vallen digt by de woningen der Bevers, toen zy nog menigvuldig waren, en konden zig byna altyd verzekeren van ene goede vangst. Sommige menschen te Philadelphia houden getemde Bevers, waarmede zy uit visschen gaan, en die altyd terug by hunne meesters komen. De Major Rodefert in New York verhaalde, dat hy zulk enen Bever een half jaar lang in huis had gehad, waar hy los liep gelyk een hond. Hy gaf hem brood, en somtyds visch, daar hy zeer gretig naar was, en deed zoveel water in een bak als het dier van noden had. De Bever sleepte alle oude lappen en andere zagte dingen, die hy vinden kon, in enen hoek, waar hy gewoon was te slapen, en maakte ’er een bed van. De kat van het huis maakte zig eens, dat zy jongen had, meester van dat bed, en de Bever hinderde ze daar niet in. Als de kat van het nest weg ging, nam hy de jonge katjes in zyne voorpoten, warmde ze tegen zyne borst, en scheen ’er veel van te houden. Zodra de Moeder weer kwam, gaf hy ze haar terug. Somtyds bromde hy wel eens, dog beet noit.
De Mink.
De Engelschen en Zweden geven den naam van Mink aan een dier van dit Land, dat ook in ’t water of digt ’er by woont. Ik heb noit gelegenheid gehad iets meer dan de huid van het zelve te zien. Dog de gedaante van de huid, en het gene ik eenparig van het beest gehoord heb, doen my denken dat het tot het geslagt der Wezels behoren moet. Het grootste van die vellen dat ik oit zag was een voet en agt duim lang, een kleinder omtrent tien duimen lang en omtrent drie en een derde breed, voor dat het uitgesneden was. De kleur was donker bruin, en somtyds byna zwart. De staart was hairig, gelyk dien van een Marter. Het hair was digt, en de oren kort met korte hairen. De langte van de poten aan het kleinste vel was omtrent twee duim. Dit dier, verhaalde men my, gelykt zo veel naar den Polecat, dat men ’er nauwlyks [196]onderscheid tusschen zien kan.182 Zyne levenswys is als volgt. Hy vertoont zig weinig by dag, dog ’s nagts komt hy uit de holle bomen op de oevers der rivieren te voorschyn. Somtyds onthoudt hy zig op de scheepswerven en by de bruggen te Philadelphia, daar hy de Ratten sterk vervolgt. Ook kruipt hy veel door een klein gat in de hoenderhokken, waar hy de kippen dood byt, haar het bloed af zuigt, maar ze zelden opvreet. Als hy ganzen, enden, of ander gevogelte ontmoet, doodt hy ze en vreet ze op. Hy leeft van visch en gevogelte. Als men in de nabuurschap van wateren woont waar zig dit dier onthoudt, kan men bezwaarlyk enden of ganzen houden, want het vernielt alle de jongen. Eerst byt het ’er zo velen dood als het krygen kan, sleept ze dan weg, om ’er zig op te vergasten. De Mink doet ook schade aan dyken en dammen door zyn graven. Men vangt hem in vallen, waarin men vogels of visch of ander lokaas doet. Het vel wordt in de steden verkoft, en het geldt, naar zyne grootte, twintig pence of wel twee schellingen het stuk. Sommige Vrouwen dragen ’er moffen van, dog de meesten worden naar Engeland, en van daar naar elders, verzonden. De oude Zweden verhaalden my, dat de Wilden voorheen allerhande vleesch plegten te eten, behalven dat van den Mink.
De Rakoon of Hespan.
Ik heb reeds iets gezegd van den Rakoon, ik zal hier, op ene plaats die eigenlyk zyn vaderland is,183 wat meerder ’er byvoegen. De Engelschen noemen hem overal Rakoon, enen naam dien zy ongetwyffeld van de Wilden ontleend hebben; de Hollanders geven hem dien van Hespan, de Zweden dien van Espan, en de Iroquoizen dien van Attigbro. Hy woont gemeenlyk in holle bomen, komt noit voor den dag dan by donker wolkig weder, dog ’s nagts loopt hy zyn voedsel zoeken. By slegt weder, vooral by sneuw of storm, wil men, dat hy wel ene week aan een in zyn hol blyft leggen, gedurende welken tyd hy leven zou van zyne poten te zuigen. Zyn voedsel zyn vrugten, vooral Mais, wanneer de korrels nog week zyn. In de tuinen doet hy veel schade aan de appelen, de kastanjes, pruimen, en wilde druiven, die zyn liefste spys zyn; onder het gevogelte is hy schrikkelyk wreed. Vindt hy ene hen op hare eyeren, zo doodt hy eerst de hen, en vreet dan de eyeren op. Hy wordt gevangen door honden, die zyn spoor naar ’t nest volgen in den hollen boom, of in strikken of vallen, waarin men een kuiken, enen anderen vogel, of enen visch zet. Sommige [197]menschen eten zyn vleesch. Hy springt met zyne vier voeten te gelyk, en om deze en meer andere reden, wordt hy door velen onder het geslagt der Beren gerekend. Zyn huid geldt te Philadelphia agttien pence. De Hespans waren, zeide men, ver na zo talryk niet als voorheen, dog binnenslands waren zy in overvloed. Ik heb reeds gesproken van het gebruik dat de Hoedemakers van zyn vel maken, en aangetekend dat zy ligt mak gemaakt worden, en dat zy zeer op zoetigheden gesteld zyn. Van alle wilde dieren van Noord Amerika wordt ’er geen zo mak als de Hespan.
Vertrek naar Philadelphia.
Den 10. Februari, des morgens, vertrok ik naar Philadelphia, waar ik tegens den avond aankwam. Ik vond by het Veer de Dellaware vol dryfys, het geen ons dwong een uur te wagten, en by het Veer ene opening te maken; wy raakten eindelyk met nog enige reizigers over, voor dat ’er meer schollen afkwamen. Dewyl het dezen winter na den 12. Januari zo sterk begon te vriezen, wierd de Dellaware geheel met ys bedekt, het welk zo sterk wierd dat men by Philadelphia met paarden ’er over kon. Het ys bleef leggen tot den 8. Februari toen het begon los te gaan, en de geweldige orkaan, die ’er dien nagt opvolgde, brak het geheel, en het dreef zo schielyk weg, dat den 12. Februari niet ene enkelde schol meer afkwam, uitgenomen een of twee stukken digt aan den oever.
Krayen.
Dezen dag zag men grote troepen van krayen vliegen, en op de bomen nedervallen. Tot nog toe had men ze den gantschen winter niet gezien, schoon men zegt dat zy ’er den winter overblyven. Gedurende de gantsche lente zaten zy des morgens in de toppen der bomen, dog niet in troepen by malkander. Zy behoren tot het schadelyk gevogelte, want zy azen meest op koorn. Als de Mais gezaid is krabben zy de korrels uit den grond en vreten ze op. Als zy begint ryp te worden pikken zy een gat in de schil die rondom de airen is, waardoor de Mais bederft, dewyl de regen door die gaten indringt en ’t koorn doet verrotten. Ook stelen zy kuikens. Zeer zyn zy op dode krengen gesteld. Voorheen stond ’er ene beloning op het brengen van dode krayen, dog de kosten liepen te hoog. Ik heb op vele plaatsen jonge wilde krayen zien spelen met andere makke krayen, wier vleugels gekort waren, die rondom de Landhoeven vry rond huppelden, dog altyd weder naar huis keerden, zonder dat ze tragtten te ontsnappen.184
Vertrek naar Rakoon.
Den. 12. Februari na den middag vertrok ik weder van Philadelphia naar Rakoon. Ik gaf op dit reisje nauwkeurig agt op de bomen daar nog [198]enige Bomen die hun blad nog niet kwyt waren.bladen opzaten. De bladen waren bleek en droog, dog niet ten vollen afgevallen. Deze bomen waren de volgenden.
De Beuk,185 ’t zy groot of klein, behield zyne meeste bladen tot in de lente. De grootste bomen hadden maar hun beneden bladen.
De Witte Eik186 had zyn meeste loof nog als de bomen jong en niet veel meer dan een vierde van ene el in ’t kruis dik waren; maar de oude bomen waren meest kaal, uitgenomen aan derzelver jonge scheuten. De kleur der droge bladen was bleker in den witten dan in den zwarten Eik.
De Zwarte Eik, gelyk hy hier genoemd wordt, dog die by Linnæus de Rode Eik hiet, had ook nog droge bladen op de jonge bomen. De kleur was rosagtig bruin.
De Spaansche Eik, die maar ene verscheidenheid is van den Zwarten, had ook nog droge bladen op de jonge bomen.
Een zeldzaam soort van Eik, bekend door de driehoekige spits zyner bladen, en die van onderen glad dog van boven een weinig wollig zyn,187 had ook nog zyn blad op de jonge bomen.
Alle deze Eiken, wanneer zy onder de twintig jaar waren, hadden nog meest hun loof. Het schynt dat de Voorzienigheid, behalven andere oogmerken in het bewaren van het verdroogde loof aan vele bomen, ook beoogd heeft, verscheidene soorten van gevogelte agter het zelve een scherm tegens de koude en den wind te doen vinden; gelyk ik dezen winter vele vogelen in de bomen ene schuilplaats heb zien zoeken gedurende ene felle vorst of storm.
Insekten in den grond gevonden.
Den 13. Februari vond ik in ’t graven in den grond verscheiden gekorven diertjes, die in de aarde gekropen waren om daar den winter doortebrengen. Zo dra zy in de lugt kwamen bewogen zy zig wat, maar hadden de kragt niet van te lopen, de zwarte Mieren alleen uitgenomen, die een weinig kruipen konden, schoon langzaam.
De Insekten die ik hier vond, waren de volgenden.
De Zwarte Mieren waren in vry grote menigte en tamelyk levendig. Zy lagen omtrent tien duim in den grond.
De Carabus latus lag op de zelve diepte met de Mieren. Dit is hier een zeer gemeen diertje.
De Kastanjebruine Kever met de harige borst en de elytræ korter dan den onderbuik, met verscheiden in de langte lopende strepen bezet met hair, is enigsins gelykende naar den Scarabæus melolontha, dog verschilt ’er in verscheiden opzigten van. Ik vond ’er velen van in de aarde. [199]
De Veldkrekels lagen tien duim diep. Zy waren volkomen als in slaap, dog zodra zy in een warm vertrek kwamen wierden zy wakker en zeer levendig. Des zomers heb ik deze krekels overal waar ik in Amerika geweest ben zeer menigvuldig gevonden. Zy sprongen in ’t veld, en maakten een geraas gelyk dat van onze gemene Huiskrekels, zodat men ze van malkander door hun geluid niet wel zoude kunnen onderscheiden. Somtyds is hun geschreuw zo sterk dat men ’er pyn in ’t hoofd van krygt, en malkander niet verstaan kan. Dit geraas is op zulke plaatsen daar zig Ratelslangen ophouden zelfs gevaarlyk, om dat het maakt dat men het geluid der slang niet horen kan. Ik heb reeds gezegd dat zy somtyds in de schoorstenen overwinteren. Hier lagen zy den gantschen winter in de aarde, dog in ’t begin van Maart, wanneer het begint warm te worden, kwamen zy voor den dag, en begonnen hun gezang, schoon in ’t eerst maar flauw en zeldzaam. Als wy op onze reizen gedwongen waren op onbewoonde plaatsen te overnagten, waren zy in de ployen van onze klederen gekropen, zo dat wy des morgens lang werk hadden eer wy ’er ons van ontslagen hadden.
Mieren.
De Rode Mieren, die in Zweden de Mierhopen opwerpen, vond ik ook dezen en den volgenden dag, dog zy zaten niet in den grond, want Jungstrom vond ze in de spleten van enen ouden doden boom dien hy velde. Deze spleten waren verscheiden’ ellen hoog in den boom, en de Mieren zo hoog gekropen om daar haar winterverblyf te nemen. Zo dra zy in de warmte kwamen begonnen zy zig sterk te bewegen.
De Blauwe Vogel.
Men vindt hier enen Vogel, dien de Engelschen en de Zweden den Blauwen Vogel noemen, om dat hy van een zeer schoon blauw is. Hy houdt zig hier het gantsche jaar op. Catesby heeft hem in zyne natuurlyke grootte en met kleuren afgebeeld,188 dog de kleur van de borst moet daar roodbruin of donker rood zyn, de dyen en de poten zwart als git, de bek ook geheel zwart, en het blauw in ’t algemeen donkerder, levendiger en meer glinsterend. Geen vogel is ’er in Zweden die een zo glanzend en donker blauw heeft. De Meerkol kan hier en daar enige zulke veders hebben, dog niet overal. Deze vogel aast op Insekten en planten, en komt des winters, wanneer hem het eerste soort van voedsel ontbreekt, by de landhuizen om van hoizaad en ander klein graan te leven.
De Rode Vogel.
De Rode Vogel is een ander vogeltje, dat Catesby ook afgebeeld [200]heeft.189 Het behoort tot de vogels die den byen schadelyk zyn, want het past ’er op om ze te verslinden. Ik onderhield ’er een mannetje van vyf maanden in ene koi; ik gaf het niets dan Mais en Boekweit. Door zyn gezang lokte hy anderen naar het huis, en na dat ik enige mais onder het venster op den grond gesmeten had, kwamen zy daar alle dagen eten; en dus was het gemakkelyk ze in knippen te vangen. Enigen, vermoedelyk ouden, zo wel mannetjes als wyfjes, treurden zig in de koitjes dood, maar zy die mak wierden begonnen ongemeen lieflyk te zingen. Hun gezang lykt veel naar dat van den Nagtegaal. Men zendt ’er velen van naar Londen. Zy hebben zo veel kragt in de bekken, dat ze eens menschen hand aan ’t bloeden byten kunnen. In de lente zitten zy des morgens te zingen boven in de bomen. In de koyen zitten zy by pozen zeer stil en rusten, en dan huppelen zy heen en weer, en laten tusschen beiden hunne stem horen.
Kranen.
Den 17. Februari zag men enige Kranen noordwaards vliegen. Zy houden hier gemeenlyk vroeg in de lente stil, dog broeyen hier niet, maar gaan verder naar het noorden. Oude Zweden hebben my verteld dat in hunne jeugd, toen het land nog zo niet bebouwd was, ieder voorjaar hier een ongelooflyke menigte van Kranen was, maar tegenwoordig zyn zy zo talryk niet meer. Vele menschen eten ze als zy ze kunnen schieten. Men zegt dat ze geen schade aan het koorn doen.
Den 23. deed ik een togtje naar Penn’s neck, dog kwam des avonds weder te Rakoon.
Sneuw.
De sneuw lag nog op vele plaatsen in de bosschen, byzonderlyk daar de bomen zeer kort op malkander stonden. Egter was zy niet boven de vier duimen diep. De weg was byna geheel vol ys, zo dat het gevaarlyk was op paarden die niet gescherpt waren te ryden. Men weet hier niet veel van sleden, dog rydt des winters te paard naar de kerk, schoon de sneuw somtyds een voet dik legt. De sneuw legt zelden boven ene week, maar dan komt ’er veeltyds weer nieuwe op.
Maisdieven.
Een soort van vogel, by de Zweden Maisdieven geheten, doet grote schade in dat soort van graan, het welk zy eten, zo wel als het eerst gezaid en nog met aarde bedekt is, als wanneer het staat ryp te worden. De Engelschen noemen hem den Zwarten Vogel. [201]Daar zyn twee soorten van, beiden door Catesby beschreven,190 tusschen de welken ene zo grote vriendschap heerscht dat zy veeltyds t’zamen in troepen onder een vliegen. Dog in Pensylvanie vindt men meer het eerste soort, en die vliegen daar dikwyls zonder dat ’er een enige van het twede soort by is. Het eerste soort, of de Purpere Spreuw, heeft zoo veel gelykenis met de krai, de spreuw, en den exter, dat men niet weet waar men hem voor houden zal, dog hy schynt het naaste by de spreuw te komen. De bek is juist als die van den exter; de tong, de vlugt, zyn zitten op de bomen, zyn geluid en zyne gedaante, maken hem tot een spreuw. Op enigen afstand schynt hy zwart, dog van naby bezien heeft hy een blauwen of purperagtigen weerschyn, dog niet zo sterk als in Catesby’s plaat.191 De grootte is als de Spreuw; de bek zwart, de tong is spits, het oog is bleek, de kop van boven glinsterend groen en blauw, op zyde en onder de ogen donker blauw, de rug purperagtig, in de vleugels sommige veren purperagtig en zwart; de staart, uitgespreid zynde, schynt rondagtig; de hals van onderen blauwagtig groen, de borst zwart en glinsterend groen, de vleugels van onderen en de dyen zwart, de poten zwart, met vier tenen, de agtersten ’t grootst, de nagels zwart.
Men zegt dat enigen van deze vogels in de moerassen overwinteren, die geheel overwassen zyn van dik hout, en zy vertonen zig alleen maar [202]by zagt weder. Dog het grootste getal gaat tegen den winter naar het zuiden. Ik zag ze den 23. Febr. voor het eerst van ’t jaar. Zy vlogen reeds in grote troepen. Zo dra de Mais in den grond is komen zy met grote scholen, krabben de korrels op, en eten ze. Zo dra het blad uitkomt, trekken zy het met de plant en al uit; en dus veroorzaken zy den Landman al vroeg veel schade en moeite. Om hunnen smaak tot de Mais wat te verminderen leggen sommigen de zaadkorrels in een af kooksel van den witten Nieswortel192 eer zy ze planten. Als de Maisdief een korrel of twee zo klaar gemaakt opheeft, wordt hy duizelagtig en valt, en dit maakt zyne makkers bang. Dog tegens den herfst, als de Mais ryp wordt, halen zy hunne schade dubbeld weer in. Dan vergaderen zy by duizenden op de Maisvelden. Zy zyn zeer stout, want als men ze verjaagt, vliegen zy maar een weinig verder en gaan weder zitten. Dus gaan zy van het ene eind van een akker tot het andere, en verlaten een veld niet voor dat zy hun genoegen hebben. ’T is byna onbegrypelyk waarvandaan zo grote troepen komen kunnen, als men ’er van in den herfst ziet vliegen. Als zy opryzen maken zy den hemel als zwart. Zy vliegen dan zo in een gedrongen, dat men zeggen zoude dat zy hunne vleugels kwalyk moesten kunnen bewegen. Ik heb iemant gekend die ’er ene grote menigte van op een akker schoot, zonder de overigen te kunnen verjagen, want zy vlogen omtrent een musketschoot ver, en vielen dan weer neder, en veranderden altyd van plaats als hun vyand naderde. Dus vermoeiden zy hem, zonder dat hy ze verdryven kon, schoon hy ’er zeer velen op elken schoot van doodde. Zy eten ook het zaad van de Zizania aquatica, dog gemeenlyk na dat de Mais van ’t land is. Ook zeide men dat ze ook boekweit en haver eten, en volgens sommigen ook weit, rogge en garst, maar niet dan by nood. Evenwel doen zy gene schade in die soorten van granen. In de lente zitten zy in menigte in de bomen digt by de Landhoeven, en hun gezang is aangenaam. Daar staat in Pensylvanie en New Jersey ene beloning op het doden van hun, en in Nieuw Engeland heeft men ’er nog groter haat tegen, want, volgens het geen my de Heer Franklin verteld heeft, zyn zy daar byna uitgeroeid, hebbende daar de beloofde beloningen zo sterke aanmoeding toe gegeven. Maar toen in den zomer van 1749. ene ontelbare menigte wormen in de weilanden waren, die al het gras opvraten, is men van die vyandschap tegens de Maisdieven weerom gekomen, vermits men meende te hebben opgemerkt, dat die vogels voornamelyk op die wormen aasden voor dat Mais ryp is, en dus dezelven of uitroeiden of hunnen al te groten aanwas verhinderden. Dus schynen zy enig regt te hebben op ene beloning. Na [203]’t uitroeyen der Maisdieven deden de wormen meer schade dan van te voren hunne vyanden gedaan hadden. In ’t jaar 1749. lieten die wormen in Nieuw Engeland zo weinig hoi over, dat men het uit Pensylvanie, en zelfs uit Groot Brittannie moest laten komen. Buiten den mensch hebben de Maisdieven ook andere vyanden, onder anderen een soort van kleinen Havik, die op hun en op ander klein gevogelte aast. Ik heb deze Havikken op de Maisdieven, die gerust zaten te eten, zien jagt maken, ze opjagen, en in de vlugt vangen. Het vleesch der purpere Maisdieven193 wordt niet gegeten, dog dat van die met rode vleugelen194 wordt somtyds genuttigd. In het voorheen zo genaamde Nieuw Zweden wil men dat de Maisdieven in getal niet verminderd zyn.
Braambessen.
De Amerikaansche Braambessen195 zyn door gantsch Noord Amerika algemeen, en wassen op diergelyke plaatsen als zy in Zweden doen. De Amerikaanschen zyn groter, dog schynen anders maar ene verscheidenheid van de onzen. De Engelschen noemen ze Cranberries, de Zweden Tranbär, de Franschen in Kanada Atopa, een naam van de Wilden ontleend. Men verkoopt ze laat in ’t najaar te Philadelphia op de markt. Men kookt en bereidt ze even als wy onze blauwe bessen,196 om in taarten en andersins te gebruiken. Dog zy vereischen veel suikers, zynde zy anders zeer zuur, maar de suiker is niet zeer duur in een Land waarvandaan de suikerplanteryen niet ver af leggen. Velen van deze bessen worden naar de West Indien en Europa vervoerd.
De Mytilus Anatinus.
Een soort van Mosselen, volkomen de Mytilus anatinus van Linnæus, wierd overvloedig in de gruppen op de weilanden gevonden. De schelpen waren van buiten veeltyds met ene dunne korst van yzerdeeltjes overdekt, wanneer het water in de sloten uit ene yzermyn kwam. De Zweden en Engelschen maakten hier zelden gebruik van deze mosselen, dog de Wilden plegten ze te eten, het geen ook enige weinige Europers nog wel doen.
Sneuw.
De sneuw lag den 2. Maart nog in de schaduwagtige plaatsen in de bosschadien, maar het veld was volkomen bloot. Het vee vond nog weinig voedsel in de bosschen.
Sneuwvogel.
De Sneuwvogel197 wordt dus genaamd om dat men hem noit ziet dan als ’er sneuw legt. Sommige winters komen zy in zo grote menigte als de Maisdieven, en vliegen rondom de huizen en schuren om koorn en hoizaadtjes te vinden.
Sneuwvuur.
Den 3. Maart om agt uren des avonds zag men een zogenaamd Sneuwvuur [204]aan den hemel. Ik heb dit verschynsel in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy voor het jaar 1752. beschreven.198
Wilde Duiven.
In de bosschen vlogen om dezen tyd ene ongelooflyke menigte van Wilde Duiven,199 en men verzekerde dat zy nu menigvuldiger waren dan gewoonlyk. Zy kwamen deze week, en men zag ze omtrent veertien dagen, waarna zy allen verdwenen.
Donder.
Den 7. Maart wierd my verteld, dat het hier een teken van slegt weder was als de Donder in het zuiden of zuidwesten opkwam en zig naar het oosten en daarna naar het noorden uitbreidde; maar dat als de bui zig niet uitbreidde, of zig zo wel naar het oosten als het westen verspreidde, zulks goed weder voorspelde. Dezen dag hoorde men het in ’t zuidwesten donderen, dog de bui verspreidde zig in ’t geheel niet.
Vorst.
De vorst had tot nog toe in den grond gezeten, zo dat men ’er met een houweel moest doorhakken als men graven wilde. Egter was zy niet boven ene hand diep doorgedrongen. Dog den 7. Maart raakte zy ’er uit. Dit maakte den grond zo week dat ’er de paarden, als men ryden wilde, zelfs in de bosschen, ’er zeer diep inzakten.
Schade door de Vorst veroorzaakt.
Ik vroeg aan verscheiden’ oude menschen, of men hier oit waargenomen had, dat ’er bomen van de vorst gedood waren, of ’er veel van geleden hadden. Het antwoord was, dat de jonge Hikories dikwyls in harde winters sterven, en dat de jonge Zwarte Eiken ’er ook wel van lyden. Zelfs gingen ’er wel in harde winters Zwarte Eiken van vyf duim over ’t kruis dood. Somtyds raakten wel alle de Persikebomen van ene gehele streek weg. Men had ondervonden dat alle deze bomen op de heuvels de koude beter konden wederstaan dan in de dalen, zelfs zo, dat somtyds die in de laagtens staan allen dood vriezen, zonder dat die welken op de heuvels wassen iets geleden hebben. De Zwarte Walnoot, de Sassafras en andere bomen leden noit van de koude. In de lente had men opgemerkt dat een koude nagt twee of drie, na dat de bomen al tamelyk grote bladen hadden, het loof dikwyls geheel vernield hadden. Dog in de plaats van dat loof waren altyd weder andere bladen te voorschyn gekomen. Het is zonderling, dat by die gelegenheid de vorst maar werkt op het onderste loof, tot zeven of agt voet van den grond, en het blad in den top ongeschonden laat. Verscheiden’ oude Zweden en Engelschen hadden deze opmerking gemaakt, en, volgens de aantekeningen van den opmerkzamen Ingenieur Lewis Evans, was hier de nagt tusschen den 14. en 15. Juni 1746. zeer koud geweest, en had de zelve uitwerking voortgebragt. De bomen, [205]toen in bloei staande, hadden meest hunne bladen en bloemen, die digst by de aarde waren, verloren; enigen tyd daarna kregen zy nieuwe bladen, maar gene bloemen. Verders is het merkwaardig, dat de vorst dan voornamelyk schade toebrengt op zulke plaatsen waar kalksteen gevonden wordt, zelfs al merkt men anders nergens enig nadeel van de zelve, al leggen zelfs die kalkstenige gronden hoog, en al lopen de andere lage gronden vry. De Heer Evans is de eerste die deze aanmerking gemaakt heeft, en ik heb verscheiden’ malen gelegenheid gehad dezelve bevestigd te zien, gelyk ik in ’t vervolg zal aantekenen. De jonge Hikories, en na dezen de jonge Eiken, lyden in zulke gevallen het meest, gelyk ik zelf ook in de jaren 1749. en 1750. ondervonden heb.
Pl: II
Amerikaansche Wilde Duif.
Rakoon.
Spegten.
Van de Spegten vindt men hier alle die soorten welken Catesby, in het eerste Deel van zyn kostbaar werk over de Natuurlyke Historie van Karolina, beschreven, en met hunne natuurlyke kleuren afgebeeld heeft. Ik zal ze alleen maar optellen, en ’er ene of twee van hunne eigenschappen bydoen, het overige voor een ander werk sparende.
De Koningsspegt, of Picus principalis, wordt hier, dog zeldzaam, en maar in een jaargety gevonden.
De Goudenkoekoek, Picus auratus, is hier overvloedig. De Zweden noemen hem Hittock en Piut, ter oorzake van zyn geluid. Hy zit meest altyd op den grond, en men ziet hem zelden in de bomen pikken. Hy leeft voornamelyk van Insekten, dog wordt zelf somtyds een proi van den Havik. Hy is gemeenlyk zeer vet en zyn vleesch smakelyk. Dewyl hy hier het gehele jaar over blyft, en ’s winters niet wel Insekten krygen kan, moet hy waarschynlyk ook van gras en kruiden leven. Zyne gedaante en sommigen zyner eigenschappen doen hem naar den Koekoek gelyken.
De Karolynsche Spegt, Picus villosus, is een middelmatig soort, en hier menigvuldig. Hy bederft de Appelbomen met gaten ’er in te byten.
De Roodkoppige Spegt, Picus erythrocephalus, was zeer overvloedig in het land. De Zweden noemden hem alleen Hackspick of Spegt. Dit soort is zeer schadelyk in de Maisvelden en de boomgaarden, want hy pikt door de Maisairen henen, en vreet de appelen op. In sommige jaren zyn zy zeer overvloedig, vooral omtrent de zoete appelen, waarvan zy niet meer dan de schil overlaten. Voorheen stond ’er ook een prys op hun. Zy houden ook veel van eikels. Tegens den winter trekken zy zuidwaards, en als men ze nog in ’t begin van den winter in de bosschen ziet, houdt men dit voor een teken van zagt weder. [206]
De kleine bonte Spegt met het gele onderlyf, Picus varius, is hier maar in al te groten getale, want hy doet veel kwaads aan de appelbomen.
De kleinste bonte Spegt, Picus varius minimus, Picus pubescens, is hier in overvloed. Hy is de schadelykste van allen in de boomgaarden, dewyl hy de stoutste is. Zodra hy een gat in enen boom gepikt heeft, maakt hy ’er een ander vlak by, in ene horizontale strekking, tot dat hy rondom den boom enen kring van gaten heeft gebeten. Dikwyls hebben de Appelbomen hier verscheiden’ zulke kringen rondom den stam, veeltyds maar een duim boven malkander. Somwylen maken zy ’er zo vele gaten in dat de boom sterft. Hy is zo gelyk aan den laatst voorgaanden, dat men hem ’er voor nemen zoude, was hy niet veel kleinder.
Kikkers.
Men vindt hier een soort van Kikkers200, by de Zweden Sill-häppetässor, dat is Haringspringers, genaamd, die nu reeds des avonds en ’s nagts in de poelen begonnen te schreuwen. De Zweedsche naam is hun gegeven om dat zy aanvangen te schreuwen in den zelven tyd dat men hier op de vangst gaat van den zogenaamden Haring, die egter veel van den Europischen verscheelt. Deze kikkers hebben een byzonder geschreuw, onderscheiden van dat der onzen; het gelykt veel eer naar het geschirp van sommige vogels, en kan byna door Pjit Pjit uitgedrukt worden. Dit geraas begint de gehele lente door met het ondergaan van de zon en duurt tot den morgenstond. Het was scherp, en kon zeer ver gehoord worden. Als ’er regen aan de lugt was, schreuwden zy nog veel harder, en vingen zelfs aan op ’t midden van den dag, of wanneer het begon te betrekken. De regen volgde gemeenlyk zes uren daarna. Den 16. Maart sneuwde en stormde het den gehelen dag, en ’s avonds deed ’er zig niet een horen, en dit duurde zo lang de sneuw bleef leggen en de koude aanhield. Dog zodra het weder warm wierd begonnen zy hun gezang op nieuws. Zy waren zo schuw dat het moeilyk was ze te vangen, want zodra een mensch omtrent hen komt zyn zy ten eersten stil en onzigtbaar. Het schynt dat zy geheel onder water blyven, en maar het uiterste van den neus boven steken als zy schreuwen, want ik konde ’er niet enen zien in de plassen daar zy in waren, ten zy men enen gehelen plas leeg maakte. De kleur is een morssig groen met bruine vlakken hierendaar gespikkeld. Als men ze aanvat geven zy een kermend geluid. Ook schynt het als of zy dan een gedeelte van den rug opblazen, zo dat zy ’er ene [207]hoogte op hebben, en houden zig dan dood stil al raakt men ze aan. Levendig in wyngeest gelegd sterven zy in weinige minuten.