164 Daar is een nog onfeilbaarder middel, te weten, het houtwerk, waarin dat ongedierte zit, met een smeltsel van Arsenicum of Rottekruid te wasschen. F. ↑
166 In Siberie in ’t Landschap Wiatka, in het Gouvernement van Kazan, maken de Inwoonders kommen en ander huisraad uit de knobbels die men daar veel op de berkebomen vindt. Zy worden gedraid, tamelyk dun gemaakt, en met een seker soort van vernis overdekt, dat ze zeer frai maakt, want het goed ziet ’er geel uit, gemarmeld met bruine aderen, als of het beschilderd was. Het beste soort wordt zo dun gemankt dat het half doorschynend is, en wordt buigzaam in warm water gelegd zynde, zo dat ’er allerhande gedaantens aan gegeven kunnen worden, dog als men het aan zig zelf laat en het koud geworden is, komt het weer tot zyn oude figuur. Dit soort van hout wordt in Rusland genoemd Kap, en het daarvan gemaakte houtwerk Kappowie Tchashki. Het is duur als het van het beste soort en wel vernist is. F. ↑
167 En dit is iets het geen waarschynlyk het invoeren van Bisschoppen in Noord Amerika, waarop velen zo gesteld zyn, zeer bezwaarlyk maken zal. ↑
173 Uit deze beschryving blykt klaar genoeg dat deze Hazen een onderscheiden soort zyn van onze rosagtige grauwe Hazen, zo wel als van die welken in de noorder delen van Europa en Asia gevonden worden, die des winters wit zyn, met zwarte tippen aan de oren, dog des zomers een grauw vel hebben. [190]By een nauwkeurig onderzoek zouden de Natuurkenders misschien nog meerder onderscheidende kenmerken vinden. F. ↑
178 Muskusrat, in ’t Engelsch, Rat musqué in ’t Fransch, Desmans-Rättor in ’t Zweedsch. Linnæus noemt hem Castor Zibethicus. ↑
188 Nat. Hist. of Carol. vol. I. pl. 47. Hy noemt hem Motacilla Sialis. Men vindt hem ook in Edward’s Nat. Hist. of Birds p. 24. In myn Dagregister heb ik hem Moticilla cærulea nitida, pectore rufo, ventre albo genoemd. ↑
189 Nat. Hist. of Carol. vol. 1. pl. 38. Hy noemt hem Coccothraustes rubra. Linnæus geeft hem in zyn Syst. Nat. den naam van Loxia Cardinalis. ↑
190 Nat. Hist. of Carol. vol. 1. pl. 12. de Purple Daw, en pl. 13, de Red-winged Starling. Wy hebben ze in dit werk doen invoegen. ↑
191 De Heer Kalm beschryft dezen vogel in ’t Latyn, naar het gebruik der Natuurkundigen. Magnitudo Sturni. Rostrum subulato conicum, rectum, convexum, basi nudum, nigrum, maxillis fere æqualibus, superiori tamen tantillum longiori. Nares oblongo quadratæ, ad basin maxillæ superioris oblique positæ, nudæ; tuberculum corneum, seu prominentia parva a latere superiori. Lingua acuta, apice bifida. Oculorum iris pallida. Capitis frons, pars superior, nucha collum superna & ad latera cæruleo viridia, nitida, latera capitis sub oculis obscure coerulea. Dorsum totum tectricesque alarum puppureæ, sed non ita manifeste in parte superiori uropygii, sed ibi magis fuligine subnigræ. Remiges primariæ novem nigræ; cæteræ secundariæ nigræ, margine exteriori purpurascentes. Rectrices duodecim nigræ purpureæ, apice rotundatæ, quo lateribus propiores eo breviores, intermediæ longissimæ. Cauda explicata versus apicem rotunda videtur. Gula obscure viridis, nitida. Pectus etiam versicolor & pro varia inter lumen & oculum positura jam nigrum, jam smaragdinum. Venter fuligineus; tectrices inferiores caudæ obscure purpureæ. Pectus & abdomen sub alis purpurea, tectrices alarum inferiores fuligineæ. Alæ inferius nigræ; femora plumis fuligineis; tibiæ & pedes nigri, nitidi. Digiti quatuor more avium plurimarum. Ungues nigri, posticus cæteris major.
Deze vogel is de Monedula purpurea van Catesby, en de Gracula Quiscula van Linnæus. ↑
197 Zie hem in Catesby Nat. Hist. of Canada. B. 1. pl. 36. onder den naam van Passer nivalis. Linnæus noemt hem Emberiza hyemalis. ↑
201 Linn. Turdus migratorius. Men heeft ’er hier van, nevens van den Mocking-bird of Spotvogel, ene plaat gegeven. ↑
203 De Heer Kalm schreef dit wanneer het nog niet aangenomen was van de pokjes op de koude wys te genezen, en dus dagt hy dat de behandeling der Amerikanen deze ziekte zo gevaarlyk maakte. Maar hierin schynt hy zig te bedriegen. Wanneer de Khalmukken in Rusland de kinderziekte krygen, komen ’er weinig door, en ik denk dat hier gene andere reden van kan gegeven worden, dan dat deze ziekte altyd gevaarlyk is, of wanneer de opene poren in de huid te talryk zyn, het welk komt als men zig in warm water baadt, of wanneer zy te veel gesloten zyn, het welk plaats heeft by alle morssige volken. Alle de Amerikanen smeren hunne lichamen met olie, de Khalmukken wasschen zig noit, en besmeren hun lyf en hunne klederen met vet. De Hottentotten zyn, denk ik, voorbeelden van morssigheid, hunne lichamen zyn besmeerd met schapevet. Dit sluit de poren toe, belet geheel en al de doorwaasseming, en maakt de kinderpokjes altyd dodelyk onder die volken, waarby men voegen kan het gedurig gebruik van sterke dranken, waaraan zy, sedert hunnen omgang met de Europers, zeer zyn overgegeven. F. ↑