Pl. 3.
C. J. de Huyser. fecit. 1772. 

Pl. 3.

Mocking Bird.

Purpere Krai of Spreuw.

Robin-red-breast.

Rode Krai of Spreuw.

Robin red-breast.

De Vogel, door de Engelschen Robin red-breast201 genaamd, wordt hier al het jaar over gevonden. Hy is geheel onderscheiden van dien in Engeland den zelven naam draagt. Hy zingt zeer lieflyk, is niet zeer wild, maar huppelt op den grond digt by de huizen.

Hazelaars.

De bloemen van den Hazelaar202 begonnen den 12. Maart open te gaan. Zy slagen het best in ene vette tuinaarde, en de Zweden hielden het voor een teken van enen goeden grond, als zy ze zagen staan.

Bloeyende bomen.

De Elzebomen begonnen den 13. te bloeyen, gelyk ook het Dracontium foetidum, dat menigvuldig in de poelen wast. Dit is de stinkendste van alle planten. De reuk was zo sterk, dat ik nauwlyks de bloem bekyken kon, en als ik ’er wat te lang aan rook kreeg ik hoofdpyn. De Zweden noemen het Byorn-blad, dat is Bereblad, en Byornretter, dat is Berewortel. De Engelschen heten het Polecat-root of Polecatwortel, om dat het byna al zo erg stinkt als de Polecat. De bloemen zyn violet. Als de bloeisem in volle kragt is beginnen de bladen uit den grond te komen. In den zomer zal het vee deze plant niet aanraken. Dr. Colden zeide my, dat hy den wortel in alle die gevallen gebruikte waarin men den Arum wortel voorschryft, in zonderheid tegens het blauwschuit. Den Zweedschen naam heeft het gekregen om dat ’er de Beren in ’t voorjaar, wanneer zy hunne winterwoningen verlaten hebben, zeer gretig naar zyn. Het is zeer gemeen in gantsch Noord Amerika.

De Draba verna was hier overvloedig en stond in bloei.

Veratrum album.

De witte Nieswortel, of Veratrum album, was zeer gemeen in de poelen en natte plaatsen door gantsch Noord Amerika. Het is ene vergiftige plant, welke het vee noit aanraakt, of het moest in ’t voorjaar wezen, wanneer het land nog kaal is, en deze plant reeds een schoon groen loof heeft, en dit kost den beesten dikwyls het leven. Schapen en ganzen zyn ’er van gestorven. Men gebruikt den wortel om de Mais voor de Maisdieven te bewaren, gelyk ik reeds verhaald heb. Maar men moet voorzigtig zyn dat geen ander vee aan de daarin gedoopte korrels rake, want enden en ganzen worden ’er zeer ziek van en sterven als de hoeveelheid wat groot is. Den rauwen wortel zal geen beest eten, dog gekookt wel. De honden heeft men ’er zeer ziek van gezien, dog [208]zy kwamen na ene braking weer by; maar als een beest het zig niet kwyt kan maken loopt het groot gevaar. Sommige menschen wasschen zig op de scheurbuikige delen met een afkookzel van den wortel. Dit veroorzaakt enige pyn en dryft de pis af, dog wordt gezegd den Lyder te helpen. Dat afkooksel doodt ook de luizen, wanneer men ’er de kam indoopt. De kinderen maken poppen van den steel dezer plant, en daarom noemen de Zweden ze Dack, Dackor, of Dackretter, dat is Poppewortel. De Engelschen noemen ze Itchreed of Ellebore.

Oude Amerikanen.

By de eerste aankomst der Zweden in dit Land was het vol van Amerikanen. Toen de Europers het land begonnen te bebouwen, verkoften het hun de Wilden, en trokken meer landwaards in. Egter was het het kleinste gedeelte van hun dat op deze wys hun vaderland verliet, de meesten kwamen in het zelve om, ’t zy door oorlogen onder malkander, ’t zy door de kinderpokjes, ene ziekte waaraan zy voor dien tyd gene kennis hadden, dog die sedert ene ongelooflyke menigte van hun heeft om hals gebragt. Want schoon zy middelen weten om wonden te helen, weten zy met koortsen en andere ziektens niet omtegaan. Men kan zig verbeelden hoe kwalyk zy de kinderpokken behandelden, daar, zodra de uitslag zig openbaarde, zy naakt in de rivier of een meer sprongen, of anders het koude water zig over ’t hoofd wierpen, om de hette der koorts te matigen. Ook dompelen zy hunne kinderen die de pokjes hebben in koud water.203 Dog de brandewyn heeft de meesten omgebragt. Na dat de Amerikanen dezen drank van de Europers gekregen hebben, konden zy ’er noit genoeg van vinden. Nauwlyks kan men ergens meer opgezet zyn dan een Amerikaan op brandewyn. Ik heb ze horen zeggen, dat zig daaraan dood te drinken was enen roemryken dood te sterven. En inderdaad velen hebben zig dood gezopen.

Hun voedsel.

Het voedsel dezer menschen was zeer onderscheiden van dat van de [209]overige bewoonders van den aardbodem. Weit, rog, garst, haver, ryst, was hun alles onbekend; zo was het ook met vele soorten van de vrugten der oude wereld. De Mais, enige soorten van bonen en kawoerden, maakten al den akkerbouw der Wilden uit; en honden waren hun enige huisdieren. Hun landbouw kon hun nauwlyks twee maanden van het jaar den kost verschaffen, de jagt en visschery moesten, en moeten nog, het voornaamste onderhoud aan deze menschen bezorgen, behalven nog enige planten en vrugten die in ’t wild wassen. Sommigen van de oude Zweden waren nog in leven, die in hunne jeugd met de Wilden omgang gehad en hunne huishouding van naby nauwkeurig gezien hadden. Ik was begerig de wilde gewassen te kennen die deze menschen gewoon waren te gebruiken, en ik kreeg van hun het volgende bescheid.

Hopnis.

Hopnis of Hapnis was de naam dien zy aan een wild gewas gaven, dat zy aten. De Zweden noemen het nog zo; het wast in de weiden op enen goeden grond. De wortels gelyken naar de Potatoes, en wierden gekookt zynde in plaats van brood gegeten. Sommige Zweden volgden in dien tyd dat voorbeeld by gebrek van brood. Nog gebruiken ze sommige Engelschen in plaats van Potatoes. De Heer Bartram verhaalde my dat de Wilden verder binnens lands niet alleen deze wortelen, die ruim zo goed als de Potatoes zyn, eten, maar zelfs de erwten, die in de zaadhuisjes der plant zitten, als gemene erwten bereiden en gebruiken. Linnæus noemt deze plant Glycine Apios.

Katnis.

Katnis is een ander gewas, welks wortels de Amerikanen insgelyk aten. De Zweden noemen het nog met dien Amerikaanschen naam. Het wast op lage, modderige, natte gronden. De wortel is langwerpig, gemeenlyk anderhalven duim lang, en in ’t midden enen duim en een vierde breed; dog sommigen zyn wel als vuisten. De Wilden kookten of braadden ze onder de asch. Sommige Zweden aten ze ook in dien tyd met veel smaaks, dog tegenwoordig gebruiken zy niet meer. Een man van eenennegentig jaar, genaamd Nills Gustafson, verhaalde my, dat hy dikwyls een kind zynde deze wortels gegeten had, en dat hy ze wel mogt. Hy deed ’er by, dat de Wilden, vooral de vrouwen, naar de Eilanden zelfs trokken om die wortelen optegraven, en dat als zy die hadden zy naar geen ander voedsel verlangden. Men zeide dat de varkens, die zeer op deze wortelen gesteld zyn, dezelven zeer schaarsch gemaakt hebben. Het vee houdt veel van ’t blad. Ik heb naderhand enigen van die wortels gebraden geproefd, zy smaakten wel dog wat droog, omtrent zo als de Potatoes. De Wilden geven ook onze rapen den naam van Katnis. De Katnis is ene verscheidenheid van de Zweedsche Sagittaria Sagittifolia; alleen is de wortel in Amerika groter. De Heer Osbek berigt, in zyne Reis naar China, dat de Chinezen ene Sagittaria [210]planten, en de wortels eten. Dit schynt duidelyk ene verscheidenheid van de Katnis. Verder noordwaards in Amerika vond ik de Zweedsche Sagittaria.

Taw-ho.

Taw-ho of Taw-him was ene andere plant, welker wortel de Wilden aten. Sommigen noemen ze ook Tukkah, dog de meeste Zweden kenden ze by den naam van Taw-ho. Zy groit op natte gronden. De varkens houden zeer veel van den wortel, en worden ’er zeer vet van. Zy lopen veel naar de plaatsen daar de Taw-ho wast, en wroeten ’er naar in de modder, zo dat zy met hun gantsche lyf in ’t water vallen, en men niet meer dan een stuk van den rug van hun zien kan. Dus zyn de wortels byna uitgeroeid op alle plaatsen waar veel varkens zyn. Zy worden dikwyls zo dik als een mans dye. Varsch zynde byten zy als vuur op de tong en worden voor een vergift gehouden. Ook aten de Wilden ze noit rauw, dog bereiden ze als volgt. Zy verzamelden ’er enen groten hoop van, maakten een groot gat in den grond, waarin zy de wortels lagen, en dekten ze met de zelve aarde weder toe. Dan maakten zy ’er een groot vuur boven op, en lieten ’t branden zo lang zy zulks nodig dagten, waarna zy de wortelen weder opgroeven en aten. Zo toebereid smaken zy, gelyk men zegt, als Potatoes. De Wilden drogen nog bewaren ze oit, maar halen ze altyd varsch uit de poelen als zy ze begeren. Deze Taw-ho is het Arum Virginianum. Het is merkwaardig, dat de Arums in verscheiden’ werelddelen gegeten worden, schoon de wortels rauw zynde op de tong branden en meer of min vergiftig zyn. Hoe kan men ontdekt hebben dat ene plant zo strydig met onze natuur eetbaar was, en dat haar vergift, dat op de tong byt, door het vuur kan bedwongen worden? Dus wordt de wortel der Calla palustris, die in ’t noorden van Europa groeit, in gevallen van nood in plaats van brood gebruikt. De Noord Amerikanen eten dit soort van Arum; en in Zuid Amerika en de West Indien gebruikt men een ander soort van deze plant. De Hottentotten bereiden zig brood ook uit een soort van Arum, die al zo scherp en vergiftig is als deze. In Egypte en Asia gebruikt men ook een soort van Arum tot voedsel. Waarschynlyk heeft de noodzakelykheid, die gestrenge dog veeltyds nuttige leermeesteres, den mensch het eerst gedwongen een voedsel uittevinden, dat door den smaak in ’t begin als ondienstig verworpen wierd. Deze Taw-ho schynt dezelve te zyn met die welken de Wilden in Karolina Tukkahoo noemen.

Taw-kee.

De Taw-kee is ene andere plant, zo genoemd by de Amerikanen, die ze eten. Sommigen van hun noemen ze Taw-kim en anderen Takvim. Zy groeit in poelen naast natte en lage gronden, en is overvloedig in Noord Amerika. Het vee, varkens en herten, zyn [211]zeer gretig naar hare bladen in de lente, want zy komen van de vroegsten uit. Het loof is breed, gelyk dat van de Lely der dalen,204 groen van boven, en bedekt met een fyn dons, zo dat het naar fluweel gelykt. De Wilden verzamelen het zaad en bewaren het om te eten. Het moet eerst droog wezen, en verscheiden malen in water gekookt worden, waarna men het eet als erwten. Als de Zweden hun boter en melk gaven, kookten of bakten zy daar dat zaad in. Somtyds gebruiken zy het zaad als brood, en het smaakt als erwten. Sommige Zweden aten het ook, en het smaakte hun beter dan enige andere van de planten die de Wilden voorheen aten. Deze Taw-kee is het Orontium aquaticum.

Blauwe bessen.

De Blauwe bessen, hier, door de Engelschen, Huckleberries genoemd, zynde een soort van Vaccinium, maakten ook een zeer gemeen geregt onder de Wilden uit. Zy komen zo veel overeen met de Zweedschen, dat men ze bezwaarlyk van malkander onderscheiden kan. De Amerikaanschen wassen aan struiken, van twee tot vier voet hoogte, hoewel ’er soorten van zyn, die boven de zeven voet opschieten. De Wilden plukten ’er jaarlyks ene menigte van, droogden ze in de zon of by het vuur, en bereidden ze naderhand op verscheidene wyzen. Dog zyn zy een lekker beetje onder hun. Op myne reis onder de Iroquoizen zetteden zy, als zy my pragtig onthalen wilden, varsch Maisbrood, langwerpig van gedaante, gemengd met gedroogde Blauwe bessen voor, die ’er in lagen als de razynen in een pudding. In ’t vervolg zal ik hier meer van zeggen. De Europers drogen deze bessen ook, bakken ze in taarten, en gebruiken ze op andere wyzen. Enigen leggen ze in suiker. Ook eet men ze rauw, of alleen, of in varsche melk. Binnen kort zal ik nog van een ander geregt spreken, waarvan de Wilden zig bedienden, en nog bedienen by plegtige gelegenheden.

Weder gedurende de Lente.

Gedurende byna de gehele lente was het ’s morgens by het opkomen der zon stil en goed weder. Om agt uren begon het tamelyk hard te wayen, en dit duurde den gantschen dag tot zonsondergang, wanneer het weder voor den gehelen nagt stil wierd. Dit was de gewone staat van ’t weder. Dog somtyds stormde het twee of drie dagen zonder ophouden. Op den middag woei het gemeenlyk het hardst. Maar gemeenlyk ging het zo als ’t volgt met den wind. Te zes uren des morgens stil. Te zeven uur een zoete koelte uit het westen, die om agt uur wat sterker wierd, om elf uren nog sterker, maar om vier uren na den middag niet sterker dan zy te agt uren in den morgen was. Dus nam de wind af tot dat het geheel stil was als de zon onderging. De winden waren dit voorjaar gemeenlyk west. [212]

Voorteken.

Men verhaalde my dat het een zeer zeker teken was van slegt weder, als by ’t ondergaan der zon zig wolken aan den wester gezigteinder vertonen; en als die wolken binnen ’t uur onder den horizon zinken zal het den volgenden dag regenen, al is het ’s morgens helder en moi weer. Maar als de wolken in ’t zuidwesten aan den horizon gezien worden by ’t ondergaan der zon, en zy een weinig later opryzen, kan men den volgenden dag goed weer verwagten.

Den 20. Maart voorspelde een oude Zweed verandering van weder, omdat het zo stil was; want als het verscheiden’ dagen hard gewaid heeft en ’er volgt stilte op, zegt men dat ’er regen, sneuw, of andere verandering in ’t weder zal voorvallen.

Bloeyende bomen.

Den 21. Maart zag men dat de Rode Ahorn en de Amerikaansche Olm begonnen te bloeyen, sommige Olmen stonden reeds in vollen bloei.

Den 24. Maart ging ik tamelyk ver in ’t veld wandelen om naar bloeyende planten te zoeken. Dog ter oorzake van de betrokkene lugt en de zware regens die ’er gevallen waren, was ’er niets voortgekomen. De bladen begonnen nu tamelyk groen te worden. De planten, waarvan ik boven gewaagde, stonden nu in bloei.

De Anemone hepatica stond nu te bloeyen. Zy was overvloedig. De Zweden noemden ze Blauwe bloem. Zy wisten ’er geen gebruik van te maken.

Gebrek aan sloten.

Geen van alle de akkers, waarop ik heden wandelde, had sloten, schoon die ’er wel nodig waren. Dog men volgde hier de Engelsche manier van geen’ sloten om de koornvelden te graven, zonder daar op te letten of zy die ook nodig hadden. Een gevolg hiervan was, dat de laatste regens grote stukken van bezaid land hadden weggespoeld. Daar waren gene greppels tusschen de akkers, uitgenomen een zeer smalle langs de betuiningen, die geheel met Sumach en braambessestruiken overwassen was, zo dat het vee daar weinig of geen voedsel konde vinden. De akkers waren naar broad cast, gelyk het de Engelschen noemen, of in stukken van zes ellen breed, en door voren van malkander gescheiden, aangelegd. Deze akkers waren gelyk, en in ’t midden niet hoger dan rondom.

Insekten.

Een soort van worm, Meloë Majalis, kroop op de hoge plaatsen.

De Antiopa Kapel vloog in de bosschen. Dit was de eerste kapel die ik dit jaar zag.

De Euphrosyne behoorde tot de zeldzame kapellen. De andere Insekten, die ik dien en de volgende dagen beschreven heb, zal ik by ene andere gelegenheid doen kennen. In ’t vervolg zal ik maar van die spreken, die om enige byzonderheid merkwaardig zyn.

Hoistapels.

De Hoistapels waren hier meest op de Zweedsche wys gemaakt, dat [213]is, op de wys van enen korten dikken kegel, zonder enig deksel van boven. Als men hoi van doen had sneed men ’er wat af, met een zeker soort van mes. Egter hadden vele lieden, byzonder omstreeks Philadelphia, hoistapels met een dak ’er over, dat zy konden doen ryzen en dalen. Digt by den grond lagen enige balken waarop het hoi lag, om dat de lugt ’er vry mogt door spelen. En die hoibergen waren zo gebouwd dat het hoi een vadem of twee boven den grond lag, op enen vloer van planken, waar onder het vee in den winter staan kon, als het zeer slegt weder was, hoewel, gelyk ik gezegd heb, velen hun vee altyd in ’t veld lieten. Onder dezen vloer waren rondom wanden van planken, die egter zo veel ruimte tusschen beiden hadden dat ’er de lugt vry kon door spelen.

De Landsdouwe.

Den 27. Maart ging ik naar den ouden Nills Gustafson, met inzigt om van hem een berigt te krygen aangaande den vorigen toestand der Zweden hier te lande. Het land waar door ik reed was van den zelven aard als ik reeds overal gezien had in dit werelddeel. Het was geschakeerd met heuvels en dalen; de eersten bestaande uit ene bleke steenkleurige aarde, zamengesteld grotendeels uit een fyn zand, vermengd met wat zwarte tuinaarde. Ik zag nog bergen nog stenen, uitgenomen enige steentjes niet groter dan een duifei, leggende op de heuvels, en gemeenlyk bestaande uit enen witten quarts, die van buiten meest glad was. Door de dalen liepen enige beekjes met helder water, welker bodem met zulke witte keyen bedekt was als ik reeds beschreven heb. Nu en dan zag ik enen poel in de laagtens. De Landhoeven lagen vry wyd uit malkander, gemeenlyk van alle kanten met koornakkers omringd. Op de meesten dezer akkers waren nog de stompen der bomen over, die men voorheen geveld had, een bewys dat het land nog niet lang bebouwd was, zynde veertig of vyftig jaar geleden nog geheel en al met hout bedekt geweest. Ieder Landman woonde hier op zig zelven op zynen eigenen grond, gemeenlyk van dien van zynen nabuur door bosschen van hoge bomen afgescheiden, waaronder en tusschen door men egter te paard, en zelfs met een rytuig, ryden kon, zynde de grond zeer effen. Hier en daar lagen omgewaide bomen, sommigen met wortel en al uitgerukt, anderen slegts midden doorgebroken. Op sommige oorden vond ik ook grote streken waar jong hout stond, van twintig, dertig, veertig jaar. Deze streken, zeide men my, hadden voorheen den Wilden tot planteryen gediend. Ik zag nog gene tekens dat de bladen uitkwamen, nog vond enige bloem in de bosschen. De koude winden, die enige dagen gewaid hadden, hadden alles te rug gezet. De bosschen bestonden voornamelyk uit verscheiden’ soorten van Eiken en Hikories. De poelen waren vol van den [214]roden Ahorn, die nu in bloei stond, waardoor zy van verre zig geheel rood vertoonden.

Oude staat van ’t Land.

De oude Zweed, dien ik kwam bezoeken, scheen nog frisch en levendig, en kon wandelen met een stok; dog hy klaagde dat hy in de laatste jaren pynen in den rug en de leden gevoeld had, en zyne voeten niet warm houden kon dan by het vuur. Hy kon, zeide hy, den staat van het land zig zeer wel herinneren ten tyde dat het de Hollanders bezaten, en in welken toestand het was voor de aankomst der Engelschen. Hy deed ’er by, dat hy veel houts naar Philadelphia gevoerd had, in den tyd toen het gebouwd werd. Het heugde hem ook dat ’er een groot bosch stond op de plaats waar nu die stad staat. Zyn Vader was een van die Zweden geweest die uit hun Vaderland herwaards overgekomen waren om dit land te bevolken. Hy gaf my de volgende berigten op de vragen die ik hem deed.

Van waar de Zweden hun vee gekregen hebben.

Van waar kregen de eerste Zweden hun vee? De oude man zeide, dat hy een kind zynde had horen vertellen dat zy hunne paarden, koeijen, schapen, varkens, ganzen en enden hadden medegebragt. In ’t eerst was hun getal klein, dog zy vermeerderden sterk in ’t vervolg. Maryland, New York, Nieuw Engeland, en Virginie, waren, zeide hy, eerder van Europers bevolkt geweest dan deze streek; dog hy wist niet of de Zweden enig vee uit die Provincies gekregen hadden, uitgenomen uit New York. Zo veel hy zig kon te binnen brengen, hadden zy reeds in zyne kindschheid enen tamelyken voorraad van vee. De varkens waren in dien tyd zo sterk vermenigvuldigd, dat zy wild in de bosschen liepen, en men genoodzaakt was ze te schieten, als men ze eten wilde. Ook bragt hy zig te binnen dat de paarden op sommige plaatsen in de bosschen liepen, dog hy kon niet zeggen of enig vee wild geworden was. Het vee, meende hy, wierd nog even zo zwaar als toen hy een kind was, ondersteld zynde dat het eten genoeg kreeg. In zyne jeugd was het voeder zeer overvloedig. Ene koe gaf toen zo veel melk als nu drie of vier, dog zy kreeg ook toen meer en beter voer dan nu drie of vier krygen, en, zo als de oude man zeide, is ’er nu des zomers bedroefd weinig gras.

Van waar de Engelschen.

Van waar kregen de Engelschen in Pensylvanie en New Jersey hun vee? Het antwoord was, dat zy het voornamelyk van de Zweden en Hollanders koften die daar woonden, en een klein getal bragten zy mede. De gedaante van het vee, en het eenparige getuigenis der Engelschen alhier, bevestigden het zeggen van den ouden man.

Koorn en vrugten.

Hoe kwamen de Zweden hier aan hun koorn en hunne vrugten? De gryzaard zeide, dat hy dikwyls gehoord had dat zy allerhande soorten van granen, van moeskruiden en vrugten mede gebragt hadden, want, [215]zo ver het hem heugde, hadden zy altyd overvloed gehad van weit, rogge, haver en garst. Zy brouwden toen al hun bier van garstenmout, en het bier was goed en kragtig. Ook hadden zy reeds ketels om brandewyn te stoken, die zy des noods zulken leenden die ’er genen hadden. In ’t eerst moesten zy Mais van de Wilden kopen, zo wel om te eten als om te zayen; maar enige jaren later breidden zy hunne Maisplanteryen zo ver uit, dat de Wilden die van hun kopen moesten. Ook verzekerde my de oude man, dat de Wilden, toen de Zweden zig hier het eerst nederzetteden, veel vernuftiger en werkzamer waren dan nu. In zyne jeugd hadden de Zweden enen goeden voorraad van goede witte kool. Ook was ’er overvloed van Winterkool, die ’s winters ook op ’t veld bleef. Nog waren ze wel voorzien van knollen, die men ’s winters in gaten onder den grond bewaarde. Dog hy vond die wys van bewaren niet goed, want als zy daar te lang in lagen wierden zy voos. Hy vond beter ze, na ene wyl, na dat ze gegraven waren, in de opene lugt te hebben gelegen, op enen hoop op ’t veld te goyen, met stroo toe te dekken, en aarde boven op het stroo te leggen. Op deze wys houdt men ze nu den winter over, en zy worden niet voos. De Wilden waren ’er zeer gretig naar, en noemden ze somtyds Hopnis, en somtyds Katnis. Ook kweekten de Zweden in zyne jeugd gele wortelen. Onder de ooftbomen behoorden de Appelbomen; dog zy waren niet menigvuldig, alleen sommigen hadden kleine boomgaardtjes. Niemant maakte toen Cyder, want die is eerst naderhand in ’t gebruik gekomen. Kerssebomen waren ’er reeds in overvloed, toen hy nog een jonge was, en de Persikebomen waren ’er toen in groter menigte dan nu; de Zweden maakten ’er bier van. Hy kon niet zeggen hoe zy aan de Persikebomen kwamen.

De Wilden.

In zyn jonger jaren waren de Wilden overal door het land verspreid; zy woonden tusschen de Zweden in. Hy sprak van Zweden die door hun omgebragt waren, en hy noemde twee zyner Landslieden die zy gevild hadden. Ook stalen zy enige kinderen van de Zweden, van de welken men noit weer gehoord heeft. Eens kwamen zy en versloegen enige Zweden, van de welken zy de harssenpannen mede namen. By die gelegenheid trokken zy een klein meisje het vel van ’t hoofd af, en zouden ’t hebben omgebragt, indien zy juist niet enen boot met Zweden op zig hadden zien aankomen, het welk hen bewoog de vlugt te nemen. Het meisje kwam op, dog kreeg noit weer hair op ’t hoofd. Zy trouwde, kreeg verscheiden kinderen, en leefde lang daar na. Ook zogten de Wilden eens de Moeder van onzen Nills Gustafson te vermoorden, dog zy bood hun dapperen tegenstand, tot dat enige Zweden toeschoten, en de Wilden verjoegen. Niemant kon oit uitvinden wat voor Wilden dit geweest waren, want anders leefden zy zeer vreedzaam met de Zweden. [216]

Levenswys en voedsel.

De Amerikanen hadden op verscheiden’ plaatsen kleine velden met Mais. Voor de aankomst der Zweden hadden zy gene anderen dan stenen bylen, gelyk ik reeds heb aangetekend. Zy planteden maar weinig Mais, en leefden meest van de jagt, en het grootste deel van den zomer waren de wortelen, waarvan wy boven gewaagden, hun voornaamste voedsel. Zy hadden geen vee tot den akkerbouw, en moesten dus alles met eigen’ handen doen. De Mais bewaarden zy ’s winters in holen onder den grond, dog zelden een vadem diep; onder de Mais en op zyde lagen zy brede stukken van boombasten, zo dat daar het koorn geheel binnen in lag. Het Andropogon bicorne, een soort van gras, dat hier overvloedig wast, en dat de Engelschen Indiaansch gras en de Zweden Wilskt gras noemen, vervulde het gebrek van basten. Met dit gras bedekten zy de Mais in het hol, en over dit alles heen deden zy ene genoegzame hoeveelheid van aarde. De Mais bleef zeer goed in deze gaten, en elke Amerikaan had zyne onderaardsche magazynen waar zyn voorraad veilig was, hoe ver hy zelf ook weg reisde. Na dat de Zweden appel- en persikebomen geplant hadden, kwamen de Wilden, en vooral de Vrouwlieden, de vrugten dikwyls stelen; dog als de Zweden ze kregen, gaven zy hun een goed pak slagen, ontnamen hun het gestolene, en dikwyls nog daarenboven hunne klederen. Zo gebeurde het ook dat toen de Zweden ene menigte varkens bekomen hadden, en die overal door de bosschen liepen, de Wilden die stilletjes doodden en zig ’er op vergastten. Dog daar waren ook enige Wilden die varkens van de Zweden koften, welken zy leerden hen gelyk honden natelopen, en als zy van de ene plaats naar de andere verhuisden, hadden zy hunne varkens in hun gevolg. Zy kregen ten laatsten van dit vee zulke menigte, dat zy ze den Zweden voor ene kleinigheid overdeden. De Amerikanen hielden zeer veel van melk, en ’t was een onthaal als de Zweden hun melk voorzetteden. Ook wisten zy een drank gelyk als melk te maken uit de Hikory- en walnoten, die zy droogden, kraakten, de korrels fyn tot poeder maakten, en met water mengden; het welk ’er als melk uitzag en even zo zoet was. Zy hadden tabakspypen van klei van eigen maaksel. Zy rookten niet altyd zuivere tabak, dog gebruikten ene andere plant die de oude man niet kende, dog die hy my verzekerde het Verbascum Thapsus niet te zyn, het welk hier gemeenlyk Tabak der Wilden genoemd wordt.

Hun Godsdienst.

Wat hunnen Godsdienst aangaat, de oude man oordeelde dat die zeer gering was, of dat zy ’er misschien genen hadden. Als zy het hoorden donderen, zeiden zy dat de boze geest toornig was; sommigen van hun gaven te verstaan dat zy aan enen God geloofden, die in den Hemel woont. Hy wandelde eens met enen Wilden, en zy ontmoetten ene roodbonte slang. De Zweed zogt een stok om ze te doden, dog de Wildeman [217]smeekte hem dat niet te doen, dewyl de slang zyn God was. Misschien zoude de Zweed het dier niet gedood hebben, maar horende dat het de Godheid van de Amerikaan was sloeg hy het dood, in ’t byzyn van den Wilden, zeggende, “om dat gy de slang aanbidt, agt ik my verpligt ze te doden”. Somtyds kwamen de Amerikanen, in de Zweedsche kerken, hoorden den godsdienst aan, en gingen weer heen. Eens dat onze Zweed te kerk was, en niet mede zong om dat hy geen boek by zig had, sloeg hem een Amerikaan, dien hy wel kende, op de schouder, en zeide, waarom zingt gy niet mede, Tantanta, tantanta, tantanta? Op een ander tyd kwam ’er een in de Zweedsche kerk te Rakoon, en na een wyl rond gekeken en geluisterd te hebben, zeide hy, ho! veel gepraat en gezwets, maar geen brandewyn of cyder, en daarmede ging hy heen; want hier moet men aanmerken, dat als de Wilden ene redenvoering tot hunne makkers houden, om ze tot den oorlog aantezetten, zy gewoon zyn buitensporig te zuipen.

Toen de Zweden overkwamen koften zy zo veel lands als zy wilden byna voor niets. Voor een stuk pei, of diergelyks, konden zy een stuk gronds krygen dat tegenwoordig meer dan honderd ponden st. zou waard wezen. Als zy een stuk lands koften, wierd ’er gemeenlyk een koopbrief gemaakt; en schoon geen der Wilden lezen of schryven kon, krabbelden zy evenwel hun teken onder aan. De Vader van den ouden Nills Gustafson koft een stuk lands van de Amerikanen van New Jersey. Zodra het papier opgemaakt was en de Wilden het tekenen zouden, tekende een van hun, wiens naam enen Bever betekende, enen Bever, een ander tekende een pyl en boog, en een derde enen berg, in plaats van hunne namen. Zy maakten hunne kanoos uit dikke bomen, die zy door ’t vuur uitholden, gelyk reeds gemeld is.

Het Weder.

Omtrent het weder was de oude man van gevoelen, dat het byna het zelve sedert dien tyd was gebleven; dat ’er nu zo veel stormen komen als voorheen; dat de zomers nu somtyds heter, somtyds koelder zyn dan voor dezen; dat de winters al even lang en koud zyn als in zyne jeugd, en dat ’er dikwyls ruim zo veel sneuw valt als in de verledene tyden. Dog hy dagt dat ’er geen winter in koude by dien van 1697. halen konde; want toen lag de Dellaware zo dik met ys, dat hy ’er verscheiden geladen’ wagens met hoi overbragt naar Christina, en dat men ze zelfs nog lager met sleden konde overryden. Hy wist niet dat ’er oit enig vee dood gevroren was, uitgenomen in later tyden enig mager vee en dat gene stallen had. Ook regent het des zomers nog meer nog minder dan het plegt, uitgenomen dat in de laatste jaren de zomers wat droog geweest zyn. Ook kon hy gene vermindering bespeuren in de wateren van rivieren, poelen en plassen. Hy gaf het als ene bekende zaak op, dat men overal byna in ’t graven van putten oesterschelpen diep in de aarde vond. [218]

Koortsen.

Hy meende ook dat de afgaande koortsen voorheen even gemeen en geweldig geweest zyn als nu, dog dat zy zo gemeen niet schenen omdat ’er minder menschen waren. Hy had die koorts al gehad eer hy nog volwassen was. Hy kreeg ze in den zomer, en hield ze tot het einde der volgende lente, en dus omtrent een jaar, dog zonder dat zy hem belettede binnens of buitens huis zyn werk te doen. Maar de borstontstekingen waren ver na zo gemeen niet als nu. In ’t algemeen waren de menschen in dien tyd zeer gezond.

Enige jaren geleden had zyn gezigt zo afgenomen dat hy een bril had moeten gebruiken. Daarop overviel hem ene koorts, die zo geweldig was dat hy vreesde niet optekomen. Egter herstelde hy, kreeg nieuwe kragten, en was naderhand in staat zonder bril te lezen.

Vorige Levenswys der Zweden.

De huizen die de Zweden in ’t eerst bouwden waren zeer slegt. Het gehele huis bestond uit ene kleine kamer, de deur was zo laag dat men bukken moest om ’er door te gaan. By gebrek van glas moesten zy zig behelpen met gaten in den wand, daar een houten schuif voor was. Zy vonden geen mos, of ten minsten geen dat bekwaam was om de reten in de wanden te stoppen. Dus waren zy genoodzaakt dezelven met klei van binnen en van buiten te bepleisteren. De schoorstenen wierden in enen hoek gemaakt van grauwen steen, of op plaatsen daar geen steen te vinden was maar alleen van klei. De bakovens waren ook in de kamer. Voor de aankomst der Engelschen hadden de Zweden stallen voor hun vee, dog naderhand lieten zy ook na die te maken.

Kleding.

Voor dat de Engelschen zig hier nederzetteden konden de Zweden zo veel klederen niet krygen als zy van noden hadden, en moesten zig behelpen zo goed als zy konden. De mans droegen vesten en koussen van vellen. Hoeden waren niet in gebruik, en men droeg kleine mutsen van voren met kleppen. De schoenen maakten zy zelven, want sommigen hadden geleerd het leder te bereiden en schoenen met hakken te maken; maar zulken die geen schoenmakers van ambagt waren, namen de lengte van hunne voeten, en naiden daarna het leder aan een, schikkende een stuk voor de zool, een voor de agterstukken, en een voor het bovenste. Ook zaiden zy vlas en weefden linnen. Hennip hadden zy niet, dog zy bedienden zig van vlas of wilden hennip om vischwant te maken. De Vrouwen gingen in jakken en rokken van vellen. De bedden, uitgenomen de lakens, waren van beestehuiden, als van beren, wolven en diergelyken.

Spyzen.

Koffi, thee, chokolaat, hier nu zo gemeen in ’t gebruik, waren toen onbekend. Het ontbyt was brood en boter, en ander voedzaam [219]eten. Suiker en syroop hebben zy zo lang hem heugde genoeg gehad, en de rum was voorheen beter koop dan nu.

Gebruiken.

Uit het berigt dat my de oude Gustafson gaf maakte ik op, dat men hier voor de aankomst der Engelschen de gebruiken van Zweden volgde, dog sedert zyn allengskens de Engelsche gewoontens ook by de Zweden doorgedrongen. Toen hy nog een kind was, waren ’er twee Zweedsche smids, die bylen, messen, seissen, en ander werk op zyn Zweedsch maakten, en hun werk was scherper dan hier nu kan gevonden worden. De bylen nu in ’t gebruik zyn op de Engelsche wys gemaakt, breed van yzer en met enen smallen steel. De meeste Zweden maakten gebruik van baden gemeenlyk alle zaterdagen. Zy vierden de kersmis met allerhande spelen en geregten van eten en drinken, volgens de gewoonte van Zweden; dit alles is nu meest buiten gebruik. In de jeugd van den ouden man maakte men hier een byzonder soort van karren of wagens. Zy zaagden dikke stukken van Liquidambar, en gebruikten ’er twee tot voor- en twee tot agterraden. Met deze wagens reden zy hun hout naar huis. In hunne sleden is weinig verandering gekomen. Timmerhout en stammen wierden naar huis gesleept. Zy bakten, even als nog, grote broden, dog hadden zelden bischuit.

De Engelschen hebben by hunne aankomst den Zweden zeer aanzienlyke streken lands tot enen geringen prys afgekoft. Zyn Vader verkoft aan de Engelschen voor een varken, ene koe en honderd kawoerden, een stuk lands dat nu wel driehonderd pond waard is.

Met opzigt tot het afnemen van visch en gevogelte was de oude man volkomen van het zelve gevoelen dat ik reeds opgegeven heb. Dusdanig een berigt gaf hy my aangaande den ouden toestand der Zweden hier te lande.

Orkanen.

De Orkanen zyn hier somtyds zeer geweldig, en rukken zware bomen uit den grond. Zy lopen somtyds als in zekere regte streken. Waar zy vallen werpen zy alle de bomen omver, zo dat het ’er uitziet als of de bosschen met opzet waren geveld, dog vlak daar naast staan de bomen onbeschadigd. Zulk ene plaats is my aangewezen geworden. Het is zeer gevaarlyk in de bosschen te zyn waar een orkaan woedt, want de bomen vallen zo plotslings, dat men den tyd niet heeft zig te bergen.

De Pensylvanische Abeel stond nu in vollen bloei. Dog vertoonde al zo weinig nog zyn blad als het overige geboomte.

Vrugtbaarheid des gronds.

Een oude Landman berigtte dat men gemeenlyk voor ene mate gezaide Rogge twintig maten terug ontving, en dertig van de Garst. Maar dan moest de grond wel bereid wezen. De Weit gaf omtrent zo veel weerom als de Rogge. De grond was een mengsel van klei, zand en zwarte aarde.

Tegens den avond keerde ik van den ouden Nills Gustafson naar huis. [220]

Zwarte Kever.

Den 28. Maart vond ik enen zwarten Kever205 met een vyfhoekig eivormig schild, enen dikken stompen hoorn, en een bultig lichaam. Deze is een van het dikste soort dat men hier vindt. Ik vond hier en daar gaten op de hoogtens zo wyd dat ik ’er myn vinger in steken kon. Als ik ze opgroef vond ik altyd deze kevers onder in leggen, omtrent vyf duimen diep. Somtyds waren ’er korte witagtige wormen in, omtrent zo dik als een vinger, leggende nevens den kever; misschien is het het zelve dier. Ook waren ’er nog andere Insekten in die gaten, als veldkrekels, spinnen en anderen. Deze kever rook volkomen als het Trifolium melilotus cærulea. Hy was geheel bedekt met langwerpigronde en bleke myten.206 Zyn poten waren al zo dik als die van den Mistkever.207

Een ander.

Den 4. April vloog ’er overal langs het veld een Cicindela of ligtgevende Kever, met een goudgroenen kop, lyf en poten, en blauwgroenen buik. Hy is zeer gemeen in Noord Amerika, en schynt ene verscheidenheid te zyn van de Cicindela campestris.

Een soort van Watermuggen208 huppelden in menigte op ’t water, dat niet sterk afliep. Ook zagen wy enen pekzwarten Waterkever209 zwemmen.

Verandering in den staat des Land,

Omtrent zestig jaar geleden was dit Land byna geheel met grote zware bomen bedekt en de poelen waren vol waters. Dog weinige andere oorden hebben zo schielyke verandering ondergaan als dit Land. De bosschen zyn op de meeste plaatsen omgehakt, de poelen door afleidingen droog gemaakt, het land is bebouwd, en in koornakkers, weilanden, en diergelyken veranderd. Dus schynt het dat ene zo schielyke verandering ook invloed op het weder hebben moet. Ik onderzogt deze zaak by de oude lieden, die alle deze veranderingen gezien hadden; en zy gaven my dit eenparig berigt.

en het Weder.

De winter kwam voorheen vroeger dan tegenwoordig. De Heer Isaac Norris, een ryk koopman, die veel deel had in de bestiering van Pensylvanie, bekragtigde dit met ene byzonderheid. Zyn vader, een van de eerste Engelsche Kooplieden in dit Land, had lang opgemerkt, dat de Dellaware in zyne jeugd gemeenlyk half November O. S. reeds toelag, zo dat de Kooplieden hunne schepen voor dien tyd de Rivier moesten doen afzeilen, uit vrees van ’er te moeten overwinteren. Tegenwoordig raakt zy niet toe dan ene maand later. [221]

Ook sneuwde het veel vroeger voor dezen dan nu. Dog het weder was ook meer standvastig, en als het eens begon te vriezen duurde het gemeenlyk tot het einde van Februari of tot in Maart O. S. wanneer het gemeenlyk begon warm te worden. Tegenwoordig is het warm den dag dikwyls na de gestrengste koude, en somtyds verandert het weder verscheiden malen op enen dag.

De meeste oude lieden waren van mening, dat de lente tegenswoordig veel later aankwam dan voorheen, en dat het nu veel kouder was in ’t laatst van Februari en in de gehele maand van Mai dan in hunne jeugd, toen reeds in ’t laatst van Februari het land al zo groen was als nu in ’t laatst van Maart en ’t begin van April O. S. De Zweden zeiden toen, Pask bitida, Pask sent, altid Gras, “Paaschen vroeg, Paaschen laat, altyd gras.” Maar misschien kan men op deze wys verklaren, hoe het komt dat die oude lieden zig verbeeldden dat toen alles vroeger aankwam. Het vee was toen zo talryk niet als nu, en de bosschen waren vol van gras, dat tot een mans lengte groeide. Tegenwoordig wordt het gras, dat maar een jaar duurt, alle jaren door het gedurige weiden van het vee vernield. Nu was het waarschynlyk dit maar een jaar durend gras dat vroeg in de Lente groen was, en dat nu weg zynde moet de menschen doen denken dat alles voordezen vroeger aankwam dan tegenwoordig.

Ook zou het, volgens hun zeggen, voorheen meer geregend hebben dan tegenwoordig, vooral in den herfst, wanneer het dikwyls bezwaarlyk was van wegen de regenvlagen het hoi en ’t koorn binnen te brengen. Enigen van de laatste jaren zyn zeer droog geweest. Evenwel waren sommigen van mening dat het tegenwoordig al zo veel regende als voorheen. Dog alle de oude lieden stemden daarin overeen, dat in hunne jeugd het weer zo veranderlyk niet was als nu; want nu is het gehele jaar door de ene dag zeer heet en de volgende dikwyls zeer koud. Veeltyds verandert het verscheiden’ malen op enen dag, zo dat, wanneer het ’s morgens vry warm is geweest, de wind om tien uur noordwest is en koude aanbrengt, en dikwyls is het dan kort na den middag weder warm. En deze veranderlykheid van het weder, denkt men, is oorzaak dat de menschen tegenswoordig niet zo gezond meer zyn als voorheen.

Koude winter.

Hierin waren zy ’t allen eens, dat de winter tusschen 1697. en 1698. de koudste was geweest, dien zy oit gevoeld hadden.

Bloeyende planten.

Den 7. April stonden de Sanguinaria Canadensis, hier de Bloedwortel genoemd, om dat de wortel groot, rood, en doorgesneden zynde gelyk onze rode beet is, en de Epigæa repens, die sommigen den Kruipenden Grondlaurier noemen, op ’t bloeyen. De eerste wies in ene vette aarde, de andere op wat minder gronden.

De Laurus æstivalis, by sommigen hier Spice-wood geheten, begon [222]ook te bloeyen, dog de bladen kwamen nog niet uit. Hy vorderde ene natte aarde in de bosschen.

Wilde hennip.

Het Apocynum Cannabinum of het Hennip der Wilden, gelyk het de Zweden noemden, wies menigvuldig op verlopen koornakkers, in de bosschen, op de hoogtens, en opene plaatsen. De Wilden bedienden zig van dat gewas gelyk de Europeanen zig van het Hennip doen, want men kan den steel gemakkelyk tot draden maken. Toen de Wilden nog onder de Zweden in Pensylvanie en New Jersey woonden, maakten zy ’er touwen van, welken de Zweden van hun koften, en tot tomen en vischnetten gebruikten. Gemeenlyk kregen zy ’er negen vaêm van voor een brood. Velen van de Europers kopen nog van dat touw, om dat het zo duurzaam is. Nog maken de Amerikanen ander lynwaad van dit hennip. Op myne reis door het Land der Iroquoizen zag ik ’er de vrouwlieden aan werken. Zy gebruikten gene spinnewielen, maar draiden op haar blote lyf ’er draden en strengen uit, die zy rood, geel, zwart of anders verwden, en maakten daar vervolgens hare stoffen vry konstig van. De plant schiet van jaar tot jaar uit den wortel op, en behoeft dus niet jaarlyks op nieuws gezaid te worden. Uit den steel en den wortel komt een wit melkagtig sap, dat enigsins vergiftig is. Somtyds bestaat het vischwant der Amerikanen alleen uit dit hennip. Dog de Europeanen weet ik niet dat ’er tegenwoordig gebruik van maken.

De Typha latifolia.

Flax, en ook Cat-tail, noemde men ene plant die in bayen, rivieren en diepe draikolken wast.210 Men vlegt de bladen t’zamen en maakt ’er kranssen van, die men tusschen de manen en den hals der paarden hangt, om voortekomen dat de hals van den toom geschaafd worde. Ook maakte men ’er stoelzittingen van. Voorheen gebruikten de Zweden het katoen dat om het zaad zit in plaats van veders in de bedden; dog het gaat na enigen tyd tot klompen in malkander zitten, en om deze reden is men ’er van afgescheiden. Ik spreek niet van het nut dezer plant in de Geneeskonst, het welk ik den artsen overlate.

De Garlick.

Een soort van Look, zeer gelykende naar dat het welk in Zweden alleen in de bosschen op de hoogtens wast, groeit hier byna op alle de koornakkers in overvloed. De Engelschen noemen het Garlick.211 Als de koeyen ’er van aten was haar boter en melk zo sterk, dat men ze nauwlyks eten kon. Somtyds verkoft men op de markt te Philadelphia van die boter, die oneetbaar was van wegens [223]haren sterken smaak. Om die reden belet men de melkkoeyen op landen te grazen daar de Garlick veel wast. Ook krygt het vleesch der beesten enen onverdraaglyken smaak als zy ’er des zomers veel van eten. De Garlick komt vroeg in ’t voorjaar aan. De paarden proeven ’er noit van.

Een ander Werk beloofd.

Het zoude myn Dagregister al te zeer doen uitdyen indien ik den tyd wilde aantekenen wanneer alle de wilde planten in dit Land bloeyen, wanneer zy ryp worden, en welke gronden zy vereischen en diergelyken. Ook zou dit velen myner Lezers weinig smaken. Om deze reden bewaar ik dat alles voor een ander Werk, waarin ik alle de gewassen van Noord Amerika beschryven zal; in dit Werk zal ik alleen van zulke bomen en gewassen spreken, die om enige byzonderheid merkwaardig zyn.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

✳  ✳  ✳  ✳
✳  ✳  ✳

✳  ✳