75 Bruchus Americæ septentrionalis. In zyn Syst. Nat. noemt hy hem Bruchus Pisi, of de Erwtkever; en zegt dat de Gracula Quiscula of de Purpledaw van Catesby dit gedierte vernielt; en dat men nu bemerkt, hoe onvoorzigtig het geweest is dien vogel in Pensylvanie, New Jersey, en Nieuw Engeland uitteroeijen, dewyl ene menigte van wormen die deze vogel plegt te verslinden thans de weilanden vernielen. F. 

76 Als men de erwt voor dat ’ze gezaid wordt in loog van kalkwater en enig ontbonden Rottekruid legt, wordt de worm die ’er in zit gedood. F. 

77 Hedera arborea. 

78 Raphanus major oblongus. 

79 Convolvulus radice tuberosa esculenta. 

80 De Heer Miller beschryft dezen drank in zyn Tuinmans Woordeboek, onder het woord Convolvulus. Soort 17. en 18. 

81 Ursus Meles. 

82 Ground hog. 

83 Dit dier is waarschynlyk de Sorex cristatus van Linnæus

84 Linn. Sp. Pl. 

85 De Amerikaansche Nagtschaduwe. 

86 Quercus Marilandica Catesby Nat. Hist. of Carolina vol. 1. tab. 19. Quercus nigra Linn. 

87 Springkraut heeft de Hoog Duitsche Overzetting. 

88 Horseweed. 

89 Calix, Corolla, stamina, Pistillum

90 Acer rubrum. 

91 Laurus æstivalis. 

92 Canoeträ, of by verkorting Knuträ

93 De Heer Forster voegt ’er by, “dit soort van Stier is de Bos Bison van Linnæus. 

94 Hommelvogel, of Bromvogel. Dit vogeltje noemen de Hollanders het Bloemzuigertje

95 Linnæus noemt hem Trochilus Colubris

96 Nat. Hist. of Carolina Vol. I. p. 65. tab. 65. Men vindt hem ook in Edwards Nat. Hist. of Birds p. 38. tab. 38. 

97 Daar is nog een kleinder soort, by Linnæus genoemd Trochilus minimus. Dit is de kleinste vogel die bekend is. Een dien de Heer Hans Sloane had woeg levendig maar twintig grein, en een van den Heer Edwards vyf en veertig. Dog deze laatste was gedroogd. Hy is in ’t werk van Edwards afgebeeld, in zyne natuurlyke grootte en met zyn ei. Tab. 150. F. 

98 Tubus. 

99 Flores verticillati. 

100 Mentha

101 Canabis spuria

102 Dit gebrom is de reden dat zy Humming bird, dat zo veel als bromvogel zeggen wil, genoemd worden. 

103 Verbascum Thapsus. 

104 Vol. I. p. 27. tab. 27. 

105 Zulke schuren zyn gemeen in Holland, het Noorden van Duitschland en Pruissen. F. 

106 Dit is omtrent 40. van onze Hollandsche Uren gaans. 

107 Waarschynlyk is dit een steenmergel. Men vindt ’er een blauw en gruisagtig soort van in het Graafschap Banff in Schotland. Men gebruikt hem met veel voordeel tot misting. F. 

108 De Heer Linnæus heeft, in zyne West Gothische Reisbeschryving, ene afbeelding van den Wouwmolen gegeven. 

109 Blue bills. 

110 Linn. Anas acuta. 

111 Salvia Officinalis Linn. 

112 Gelyk ’er gene Joden in Zweden zyn was de Heer Kalm onbekend met hunne godsdienstplegtigheden, en om die reden verhaalt hy ze als iets byzonders. F. 

113 Platanus occidentalis Linn. Waterbeech in ’t Engelsch

114 Locusttree Linn. Robinia Pseudo Acacia. 

115 Dit is de Rana arborea van Linnæus, en wel de Amerikaansche Verscheidenheid daar van. 

116 Pinus strobus Linn. Sp. Pl. p. 1419. 

117 Cupressus thyoides Linn. Sp. Pl. p. 1422. 

118 Dit is ook gebeurd door de betere vereniging en de pogingen der Volkplantingen, ondersteund door de magt van Groot Brittanje zelf; zodat Kanada overweldigd en door den laatsten vrede geheel aan de Engelschen afgestaan is. F. 

119 Dat is Bunsem

120 Bête puante. Enfant du Diable. 

121 Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 62. tab. 62. onder den naam van Putorius Americanus striatus. Linnæus noemt het Viverra putorius

122 Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 78. tab. 78. 

123 Geen van deze berigten is voldoende, en daarom ben ik van oordeel, dat deze Rosse Vossen oorspronglyk uit Asia zyn gekomen, waarschynlyk van Kamschatka, waar dit soort gemeen is; dog dat dit al lang geleden gebeurd is, en dat zy zig dus allengskens in Amerika verspreid hebben. Misschien is het waar dat de Wilden ze noit vernomen hebben voordat zig de Europers hier nederzetteden; dog dit kan daarvandaan gekomen zyn dat zy van te voren geen gebruik van derzelver vellen wisten te maken. Dog toen die begonnen gezogt te worden, leiden zy ’er zig op toe om ’er op te jagen, en, daar zy ze van te voren weinig gezien hadden, hielden zy ze voor iets nieuws. Het geen dit nog bekragtigt is, dat toen de Russen onder den Kommandeur Bering op de Westkust van Amerika landden, zy vyf Rosse vossen zagen, die zo mak waren dat zy in ’t geheel niet bang voor menschen schenen. Nu dit zou zeer wel te begrypen zyn, als wy ons voorstellen dat zy gedurende verscheiden’ geslagten op ene plaats geweest zyn, waar zy door niemant gestoord wierden. Dog het zou niet wel te begrypen zyn, als wy ze afkomstig veronderstellen uit een Land waar vele Inwoonders zyn, gelyk als omstreeks Kamschatka, en daar zy gewoon waren gejaagd te worden. F. 

124 Een soort van Marentak, of bygewas op de bomen. 

125 Linn. Sp. Pl. p. 709. 

126 Lycoperdon Tuber Linn. 

127 Linn. Sp. Pl. p. 966. Vergelyk hier mede wat in ’t vervolg van de Tahim en Tukah zal gezegd worden 

128 Toen Kapitein Amadas, de eerste Engelschman die oit in Noord Amerika landde, voet aan land zette, vloog ’er, om zyne eigene woorden te gebruiken, zulk een troep Kranen, meest allen wit, op, onder zulk een geschreuw, dat het door den weergalm verdubbeld zynde geleek als of ’er een geheel leger van menschen hard op schreuwde. F. 

129 Blackbirds, eigenlyk Shining birds, glinsterende vogels. F. Linnæus noemt dezen vogel Gracula Quiscula

130 Philosoph. Transactions N. 368. 

131 Het geen te meer gewigt aan dit gevoelen van den Heer Kalm geeft, is dat de Algonkins den Eland Musu heten, gelyk hy zelf naderhand aantekent. En deze Algonkins waren, voor dat de Iroquoizen of de Vyf Volken zo magtig wierden, het onzaglykste volk in Noord Amerika, schoon zy nu tot een zeer gering getal gebragt zyn. Hunne taal was in dien tyd een soort van algemene taal in geheel Noord Amerika; zo dat ’er geen twyffel over blyft of het Moose-deer is de Eland. F. 

132 Asbestus fibris ecentro radiantibus. 

133 Soapsten. 

134 Dit schynt of het zogenaamde Fransch Kryt, of misschien de Soap-rock of Zeeprots, die gemeen is in Kornwal digt by Lizardpoint, te wezen, en die behalven enige talkdelen, voornamelyk uit ene aarde gelykende naar magnetia bestaat, welke met het zure zout van vitriool een aardagtig vitriool-zout, of Epsom salt, geeft. F. 

135 Mountain Flax, Linum montanum Forster’s Miner. p. 17. Bergvlas, Berglinnen

136 Zodanig is het onder anderen by de Nederlanders aangenomen gevoelen, dat de wind, die op den dag der lente nagt en dag evening gewaid heeft, zes weken zal aanhouden te wayen. 

137 Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 74. tab. 74. Ray Syn. Quadrup. p. 215. 

138 Dormice in ’t Engelsch; Mus Cricetus by Linn. 

139 “Men heeft waargenomen” tekent hier de Heer Forster aan, “dat alleen zulke Eekhoorns en vogels, die hunne nesten digt by de plaats hebben [138]daar zulke slangen komen, een zo naar geluid maken, en de takken zo op en neder lopen om daar door de aandagt der slang van hunne jongen af te trekken, en dus gebeurt het dat zy dikwyls zo digt by de slang komen, met inzigt niet om zig in haren mond te werpen, maar om weder te rug te lopen, dat de slang gelegenheid krygt van ze te byten, te vergiftigen, en dus optevreten. En dit, denk ik, is ene genoegzame verklaring van deze gehele zogenaamde betovering. 

140 Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 76. 77. tab. 76. 77. Zie ook Edwards Nat. Hist. of Birds tab. 191. Het is egter nog zo uitgemaakt niet dat deze Eekhoorn dezelve is met den Finlandschen en dien men in ’t Noorden van Asia vindt. De Amerikaansche heeft enen platten penagtigen staart, en de Europische enen ronden. F. 

141 Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 75. Zie ook Edwards Nat. Hist. of Birds t. 181. Dog dezen hebben den Vliegenden Eekhoorn in ene zittende gestalte afgebeeld. Men zal hem hier vliegenden in plaat vertoond vinden, nevens ene nauwkeurige afbeelding van den Ground Squirrel of Aardeekhoorn. 

142 Sciurus striatus. Zo heet hy ook by Linnæus

143 Schistus tabularis Linn. Syst. Nat. 

144 Pinus foliis geminis, Squammis conorum oblongorum aculeatis

145 Spoon tree. 

146 Kalmia foliis ovatis, corymbis terminalibus, vel Kalmia latifolia

147 Naamlyk in de Delen van de jaren 1751. en 1752. 

148 Diospyros Virginiana. 

149 Rumex acetosella. 

150 Linum Virginianum. 

151 Pinus Abies. 

152 Pinus sylvestris. 

153 Liriodendron Tulipifera Linn. 

154 Cornus florida. Linn. 

155 Pleuritis. 

156 Diaphragma. 

157 Foxgrapes. 

158 Zie hier over het zeldzame dog opmerkelyke werk getiteld Torfæi Historia Vinlandiæ antiquæ, seu partis Americæ Septentrionalis. Hafniæ, 1715. in 4°. F. 

159 Deze proef door middel van het zilver genomen vereischt dat het afkooksel van den visch zo sterk zy dat het als een ontbindvogt op het zilver werken konne. Maar daar kunnen vergiften wezen die op het zilver niet werken en nogthans dodelyk zyn voor den mensch. Het voorzigtigste zou by gevolg [166]wezen van enen lust tegen te gaan die zo noodlottig zou kunnen zyn, niet alleen voor enigen uit het Scheepsvolk maar voor het gehele Schip zelfs, door het van zo vele nodige handen te beroven. F. 

160 Tineæ. 

161 Gryllus domesticus. 

162 Misschien is dit de Gryllus campestris, of gemene zwarte Veldkrekel van Europa, die Rösel zeer frai heeft afgebeeld in zyn Werk over de Insekten 2. D. Gryll. f. 13. F. 

163 Cimex lectularius.