Op de Jagten tusschen Philadelphia en Trenton betaalt men ene schelling en zes pence Pensylvanisch geld voor ieder mensch, buiten zyn pakkadie. Ieder Reiziger moet voor zyn eten en drinken zorgen, of een vast gesteld geld betalen. Tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk is de vragt twee schellingen zes pence, de pakkadie daar buiten.

Landsdouwe.

Wy zetteden den 28. in den morgen onze reis voort. Het land was [98]meest effen, hier en daar egter vertoonden zig enige languitgestrekte hoogtens. Men vond enig hout, dog het meeste veld was zonder geboomte, maar nergens zag ik in Amerika, de steden uitgezonderd, het land zo bevolkt. Egter verzekerde my een oud man, die hieromstreeks woonde, en ons een deel van den weg verzelde, dat het hem zeer wel heugde dat ’er tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk maar drie Landhoeven waren; en dit was, dagt hy, nu omtrent vyftig jaar geleden. Den gehelen dag byna hadden wy uitgestrekte koornvelden aan weerskanten van den weg, en gemeenlyk daalde de grond tegens het zuiden. By elke Landhoeve is een schone boomgaard vol van Perzik- en Appelbomen, en in sommigen waren de vrugten in zulk ene menigte afgevallen dat zy den grond genoegzaam geheel bedekten. Overal mogten wy onze hoeden en zakken, zo veel wy wilden, vullen. Kerssebomen stonden ’er op den weg, by de Landhoeven en elders.

Schuren.

De Schuren waren hier op ene byzondere wys gebouwd. Het gebouw was zo groot als byna ene kleine kerk. Het dak was vry hoog, gedekt met planken, aan beide zyden afhellende, dog niet steil. De muren waren niet veel hoger dan een volwassen manspersoon, maar de breedte van ’t gebouw was aanmerkelyk. In ’t midden was de dorschvloer, en daarboven, of op de zolder, leggen zy het ongedorschte koorn, het stroo, of andere dingen. Aan enen kant waren stallingen voor de paarden en de koeyen. Het kleine vee had ook zyne byzondere stalling. Aan beide de einden waren grote deuren, zo dat men de ene in en de andere uit kon ryden. Dit soort van schuren hebben vooral de Hollanders en de Duitschers105. En men moet aanmerken dat tusschen Trenton en New York weinig Engelschen, maar vele Duitschers, dog vooral Hollanders wonen, welken laatsten hier zeer talryk zyn.

De Wilden.

Eer ik verder ga, moet ik iets aanmerken rakende de zogenaamde Wilden of Inboorlingen van Amerika, want sommige Lezers denken veelligt, gelyk vele menschen van myne kennis, dat geheel Noord Amerika byna bewoond wordt van wilde en heidensche Volken, en zouden het vreemd vinden dat ik van dezelven zo weinig gewag make. Anderen wederom zullen zig verbeelden, dat, wanneer ik in myne dagverhalen zeg dat het land wel bebouwd is, en dat op vele plaatsen huizen van steen of hout zyn, waarom heen koornvelden, tuinen, en boomgaarden leggen, ik van de bezittingen der oorspronglyke Amerikanen spreke. Om dit misverstand voor te komen, merk ik aan, dat het Land, byzonderlyk langs de kust, in de Engelsche Volkplantingen, door Europeanen bewoond wordt, die op sommige plaatsen reeds zo talryk zyn, dat [99]weinige delen van Europa meer volks bevatten. De Wilden hebben het Land aan de Europeanen verkoft, en zyn landwaards in geweken. Op de meeste plaatsen moet men honderd en twintig Eng. mylen106 ver van de kust reizen eer men aan de eerste woningen der Wilden komt. Men kan langer dan een half jaar te Philadelphia en in andere zeesteden geweest zyn, zonder enen enkelden Wilden gezien te hebben. In ’t vervolg zal ik omstandiger van hun spreken, gelyk ook van hunnen godsdienst, zeden en huishouding. Thans keer ik weder tot myn verhaal.

Kleur van den grond.

Omtrent negen Eng. mylen van Trenton begint de grond van kleur te veranderen, tot hiertoe bestaan hebbende uit ene helder grauwe klei. Nu wierd hy roodagtig bruin, somtyds purperagtig, en somtyds van een kleur als Braziliehout. Deze kleur kwam van enen roden kalksteen, die veel geleek naar dien welken men vind op den berg Kinnekulle in West Gothland, en ene byzondere bedding in de rots maakt. Dus schynt de Amerikaansche rode kalksteen maar ene verscheidenheid van den Zweedschen te wezen. Hy lag in beddingen van twee of drie vingers dik, dog was deelbaar in verscheiden dunner schyven, welker oppervlakte zelden gelyk was maar gemeenlyk oneffen. De beddingen zelven waren dikwyls door horizontale scheuren afgesneden. Wanneer deze stenen aan de lugt bloot gesteld worden, vallen zy allengskens, eerst in stukken, en naderhand tot stof. De menschen hieromstreeks wisten ’er geen gebruik van te maken. De grond boven deze stenen is somtyds ryk en somtyds schraal. Op de meeste plaatsen daar men gegraven had kon men merken dat het grootste deel der omgeworpene aarde uit dit soort van steengrond bestond. Wy hadden deze roodagtige aarde overal tot digt by Nieuw Brunswyk, waar zy overvloedig is. De oever der Rivier vertoonde op vele plaatsen niets dan beddingen van kalksteen, die niet horizontaal, dog meer of min naar beneden liepen.

Princetown.

Omtrent ’s morgens te tien uren kwamen wy te Princetown, een vlek gelegen in ene vlakte. De meeste huizen zyn van hout, en staan niet bymalkander, maar hebben tuinen en weiden tusschen beiden. Dit oord wierd eerder door Europeanen bewoond dan Pensylvanie; en dit is de reden dat de bosschen meer weg gehakt zyn, en dat het land meer bebouwd is, zo dat men denken zoude in Europa te zyn.

Wy waren voornemens voorttereizen, dog een zware aanhoudende regen dwong ons hier tot den volgenden morgen te blyven.

Landsdouwe.

Wy vertrokken den 29. October weder. Het land was tamelyk wel bevolkt. Schoon wy thans grote bosschen zagen, bestonden zy allen uit bomen die hun blad laten vallen, en ik zag niet enen boom van het [100]Dennegeslagt, tot dat ik te Nieuw Brunswyk kwam. De grond was effen, en scheen overal juist niet de rykste te zyn. Op sommige plaatsen waren kleine hoogtens, die zig ongevoelig in de vlaktens verloren, welken gemeenlyk door beekjes doorsneden werden. Byna elke Landhoeve had haren boomgaard. De huizen waren meest van hout, en op enigen afstand van de zelven stonden de bakovens, meest van klei gemaakt.

Rockhill.

Op enen heuvel, die met hout bewassen en Rockhill genoemd was, lagen enige stukken van rots, zo zwaar dat drie man werk zouden gehad hebben ze naar beneden te rollen. Maar behalven dezen waren ’er weinig grote stenen in het Land te vinden, want de meesten die wy zagen konden ligt door een man worden opgetild. Op ene andere plaats ontdekten wy vele kleine keizelsteentjes, dog ontmoetten gene bergen of rotsen.

Nieuw Brunswyk.

Omtrent den middag kwamen wy te Nieuw Brunswyk aan, een frai klein steedje in de Provincie van New Jersey, in ene vally op de westzyde der Rivier Rareton. Men kan het, om zyne lage legging, niet zien, voor dat men boven op den berg is, die ’er vlak by legt. De Stad legt zuid en noord, langs de Rivier. De Duitsche Ingezetenen hebben twee kerken, ene van steen, en de andere van hout. De Engelsche kerk is ook van hout; dog de Presbyterianen waren bezig ’er ene van steen te bouwen. Het Raadhuis heeft een goed aanzien. Sommige huizen zyn van gebakken’ steen, dog de meesten zyn van hout, of ten minsten van hout en steen te zamen. De houten huizen zyn los opgeslagen, bestaande uit planken, die van binnen met latten aan malkander vast zyn. Zulken die uit hout en steen t’zamen bestaan, hebben alleen stenen muren aan de straat, het overige is maar van planken. Dit zou enen Reiziger, die maar schielyk doorrydt, ligt doen denken dat alles van steen was. De huizen waren gedekt met houten berden. Voor elke deur is ene stoep van enige trappen hoog, met bankjes op zyde, waar de menschen ’s avonds een lugtje scheppen en de voorbygangers zien. De Stad heeft alleen maar ene straat in de lengte, en aan haar noordeinde ene dwarsstraat, beiden tamelyk lang.

De Rareton.

De Rivier Rareton vliet digt by de Stad voorby, en is diep genoeg voor grote Jagten. De breedte by de Stad is een musketschoot. De vloed komt tot enige mylen boven het steedtje. De Jagten worden in de langte by de brug geplaatst. De Rivier heeft hoge en steile oevers, dog by de Stad zyn zy laag. Ene van de straten Hollanders. wordt byna alleen van Hollanders bewoond, die hier van Albany gekomen zyn, waarom zy Albanystreet genoemd wordt. Deze Hollanders houden alleen maar gezelschap onder malkander, en komen zelden [101]of noit by de andere Inwoonders. Nieuw Brunswyk behoort tot New Jersey; dog de meeste zo niet al de handel, dien het dryft, is op New York, dat ’er omtrent veertig Eng. mylen van daan legt. Men zendt daar koorn en meel in menigte, brood, veel lynzaad, planken, houten vaatwerk en allerhande timmerwerk naar toe. Vele kleine Jagten gaan dagelyks van de ene plaats naar de andere. De Inwoonders winnen ook veel van de Reizigers, die alle uren door het plaatsje trekken.

Grond. Stenen.

De steile oevers der Rivier bestaan uit den roden Kalksteen, dien ik alreeds beschreven heb. Men kan hier duidelyk zien dat de beddingen niet horizontaal leggen, maar benedenwaards gaan, vooral tegens het zuiden. De lugt had den steen hier grotelyks ontbonden. Ik vroeg of men ’er geen gebruik van maken kon, en vernam dat hy tot het bouwen van huizen niets deugde, want, schoon hy hard en duurzaam onder den grond is, valt hy in stukken en tot gruis als men hem opgraaft en aan de lugt bloot stelt. Een der Inwoonders had beproefd ’er een huis van te bouwen, dog de buitenmuren begonnen schielyk zo te vergaan dat hy ’er planken overheen moest doen slaan, om te beletten dat zyn gantsche muur in stukken viel. Men wil dat de steen ene goede mist op het land maakt, en om die reden stroit men hem tot gruis geworden over de akkers, waardoor men zegt dat het onkruid sterft. Men gebruikt hem hier toe op de akkers en in de tuinen.107

Vervolg der Reize.

Tegen den avond vervolgden wy onze reis, en wierden over de Rareton gezet. In enen drogen zomer en by ebbende zee kan men zonder gevaar den stroom doorryden. Aan de overzyde was de Rode Jeneverboom vry overvloedig. Het land was wel bewoond en de grond keizelagtig.

Wy zagen op verscheiden plaatsen Poulepintades op enen vry verren afstand van de huizen in ’t veld.

Omtrent agt Eng. mylen van Nieuw Brunswyk scheidde zig de weg. Wy sloegen links in. De weg aan de regterhand loopt naar Amboy, de voornaamste zeeplaats van New Jersey. Het land had een betoverend aanzien, men zag heuvelen en dalen, en alles zeer wel bebouwd. Van de hoogtens had men het gezigt over landhoeven, boomgaarden, koornvelden, bosschen, meren, eilanden, wegen en weilanden.

De grond was op de meeste plaatsen roodagtig. Ik twyffel niet of ’er waren lagen van den gemelden kalksteen onder. Somtyds zag ’er de aarde uit als Cinnabererts. [102]

Woodbridge.

Woodbridge is een klein dorp, bestaande uit weinig huizen, en gelegen in ene vlakte. Wy hielden hier stil om onze paarden wat te laten rusten. De meeste huizen waren van hout, de muren van planken, die aan een eind rond en allen op dezelve ry leggende van dezelve langte waren. Sommige huizen hadden een Italiaansch dak, dog de meesten waren met gevels. De daken waren meest met houten berden gedekt. Putten en schepemmers werden meest overal gevonden.

Elizabeth-town.

Elizabeth-town is ene kleine Stad, omtrent twintig Eng. mylen van Nieuw Brunswyk. Wy kwamen daar even na het ondergaan der zon aan. De huizen staan verstroid, dog zyn wel gebouwd, gemeenlyk van planken, met daken van houten berden, waarmede ook de muren overdekt zyn. Ook waren ’er enige stenen gebouwen. Een kleine stroom loopt door de Stad van het westen naar het oosten, de welke by de eb byna droog is, maar met den vloed kleine Jagten voeren kan. Hier zyn twee fraye kerken, die ’er veel beter uitzien dan ’er ene in geheel Philadelphia doet. Die van de Engelsche kerk was van steen, had enen toren met klokken, en ene leuning rondom, van waar men over het omgelegen land ziet. De vergaderplaats der Presbyterianen was van hout, dog had enen toren en klokken, en was, gelyk de andere huizen, met houten berden gedekt. Het Raadhuis zag ’er ook wel uit, en had ook enen toren met ene klok. De oever der Rivier was rood van wegens den kalksteen. In en rondom de Stad zyn vele tuinen en boomgaarden, en men kan met waarheid zeggen dat Elizabeth-town in enen tuin legt, zynde de grond rondom effen en wel bebouwd.

De ganzen op enige plaatsen, daar wy dezen en den volgenden dag doortrokken, hadden drie of vier stokjes, van omtrent een voet lang, kruislings om den hals, ten einde ze te beletten door de half gebroken beheiningen te kruipen; het welk ze ’er regt grappig deed uitzien.

Wy namen ons verblyf dien nagt in ene herberg, Elizabeth-town Point geheten, omtrent twee Eng. mylen van de Stad gelegen, zynde het laatste huis aan dezen kant ’t welk tot New Jersey behoort. De man, die de herberg met het Veer daar by gepagt had, zeide ons dat hy daar ’s jaars honderd en tien pond Pensylvanisch geld voor betaalde.

Voortreize.

Den 30. October waren wy reisvaardig by het opgaan der zon. Digt by de herberg, daar wy dien nagt doorgebragt hadden, wierden wy ene Rivier in een half verrot vaartuig overgezet. Deze Rivier kwam ver van ’s binnens lands, en kleine schepen konden ze ligtelyk opzeilen, het welk een groot voordeel aan de Inwoonders van het [103]naby gelegen land aanbragt, en hun gelegenheid gaf van hunne waren gemakkelyk naar New York te zenden. Zelfs diende zy hun om handel op de West Indien te dryven. De landeryen aan weerskanten der Rivier waren laag en bestonden uit weiden. Maar men kon ’er geen ander hoi winnen als dat op moerassige gronden wast, want by den vloed worden deze weilanden somtyds onder water gezet. Men zegt dat de menschen en het vee hier des zomers door ontelbare menigtens van muggen geplaagd worden. Dit wierd aan de laagheid en moerassigheid van den grond toegeschreven, waarin de muggen hare eitjes leggen, die door de warmte worden uitgebroeid.

Staten Eiland. New York.

Zo dra wy den stroom over waren bevonden wy ons op Staten Eiland, dat geheel en al van zout water omringd is. Hier begint de Provincie van New York. De meesten der Ingezetenen alhier waren Hollanders, of zulken die zig hier hadden nedergezet terwyl de Hollanders hier meester waren. Dog tegenwoordig waren zy verspreid onder de Engelschen en andere Europeanen, en spraken voor het groter deel Engelsch. Het gezigt over het land was zeer aangenaam, wordende niet zeer door bosschen belemmerd, en vertonende vele bebouwde landen. De heuvels en dalen gingen hier voort malkanderen aftewisselen.

Landhoeven.

De Landhoeven lagen digt by een. De meeste huizen waren van hout, dog sommigen van steen. Iedere Hoeve had haren boomgaard van appelbomen, wier vrugten reeds meest geplukt waren. Ik zag hier by ieder huis, gelyk op de gehele reis, ene Cyderperssen.Cyderpers, die op de ene of de andere wys gemaakt was. Het volk was bezig met de appelen te perssen, of had onlangs geleden daar mede gedaan gekregen. Sommigen gebruikten een wiel, gemaakt van dikke eiken’ planken, het welk om enen yzeren as door een paard getrokken werd, omtrent op de zelve wys als men wouw maakt,108 met dit onderscheid alleen, dat het wiel hier over planken loopt. De Kerssebomen stonden rondom de heiningen om de koornvelden.

De koornlanden waren uitmuntend wel gelegen, en met Weit of Rogge bezaid. Zy hadden gene sloten rondom, maar alleen watervoren, op zyn Engelsch, meer of min van malkander gelegen.

Wy zagen ergens enen watermolen zo aangelegd, dat wanneer het vloed was het water in enen vyver liep, maar als het ebde ging het verlaat open, en de molen wierd van het water rond gedreven.

De Stad New York.

Om agt uren in den morgen kwamen wy op ene plaats daar wy het water over moesten om te New York te komen. Wy lieten de paarden [104]daar, en gingen in een Jagt. Wy hadden negen Eng. mylen afteleggen; egter waren wy al te elf uren te New York. Wy zagen een soort van wilde endvogels in menigte op het water. Het volk noemde ze Blauwbekken109. Zy schenen onze Pylstaarten110 te zyn. Zy waren zeer schuw. Op het strand zagen wy schone in de schuinte leggende koornvelden, die gantsch groen waren van het opkomende koorn. Wy zagen verscheiden’ visschers in schuitjes bezig met oesters van den bodem der zee optehalen, ten welken einde zy zig van harken met lange yzeren inwaards gebogene tanden bedienden. Zy gebruikten deze werktuigen of maar een alleen, of twee aan malkander gebonden, op zulk ene wys dat de tanden op malkander kwamen.

Oesters.

Omtrent New York wordt ene grote menigte uitmuntende Oesters gevonden, wiergelyken men, en voor de grootte, en voor den smaak, op weinige plaatsen vindt. Men maakt ze in, en zendt ze naar de West Indien en andere oorden. Het inmaken geschiedt op deze wys. Zo dra de Oesters gevangen zyn, maakt men ze open, en wast den visch schoon af. Dan giet men wat waters in een pot, waarin men de Oesters ene wyl kookt, daarna op een schotel legt, tot dat ze enigzins droog zyn. Vervolgens neemt men wat speceryen, wat peper, en zo veel azyn, als men oordeelt noodzakelyk te zyn. Dit mengt men met de helft van het vogt waarin de Oesters gekookt zyn, en hangt het over ’t vuur. Men moet by ’t koken wel op het schuimen passen. Eindelyk giet men het al te zamen in een glazen of aarden vat, doet ’er de Oesters in en maakt het wel toe, dat ’er geen lugt by kome. Op deze wys kunnen de Oesters een geheel jaar goed blyven, en naar ver gelegen plaatsen verzonden worden.

De Kooplieden zenden om dezen tyd vele dus ingemaakte Oesters hier van daan naar de West Indien, waar by zy gemeenlyk ene aanzienlyke winst doen, want Oesters die hun hier ene schelling kosten verkopen zy den meesten tyd voor een pistool, of zesmaal zo veel als zy hun gekost hebben, en somtyds nog meer. De Oesters op deze wys ingemaakt zyn zeer lekker, en kunnen ook gebraden worden.

Ene andere manier van ze intemaken bestaat hierin. Men doet ze uit de schalen, braadt ze in een pan met boter, doet ze in een glazen of aarden vat, en giet ’er de gesmolten boter op, zo dat ze wel bedekt leggen, en er geen lugt bykome. Op deze wys ingelegt zyn zy even goed om te eten als op de voorgaande, en worden ook naar de West Indien en andere oorden verzonden.

Men at ze hier ook rauw, met azyn en peper, dog zelden. Meest braadt men ze in ene pan met boter, of in de schalen zelven op kolen. [105]Ook kookt men ze in hun eigen water, dat zy in overvloed van zig geven, zo dra zy in de warmte komen. En men hield ze dan veel lekkerder als wanneer men ze in ander water kookte. Zy gingen hier voor ene gezonde spys. Arme menschen eten ze het gehele jaar door met een weinig broods.

De Oesters worden voornaamlyk op enen modderigen grond gevangen. Zy zyn zo talryk niet op het zand, en men vindt hier zelden rots of steen op den bodem der zee. De Oesterschelpen worden op grote hopen verzameld en tot kalk gebrand. Wy zagen vele zulke hopen by de Landhoeven leggen, die niet ver van zee waren; en omstreeks New York zagen wy de Boeren ze geheel en ongebroken op het land ryden, dat met weit bezaid was. De zee verschaft ’er hier ene schrikkelyke menigte van.

De Wilden, die voor de aankomst der Europers aan de zeekusten woonden, leefden voornaamlyk van oesters en mosselen. Nog vangen zy ze vlytiglyk, wanneer ze op plaatsen komen daar oesters zyn, en verkopen ze dieper in het land aan de andere Wilden. Dit is de reden dat men op die plaatsen daar men weet dat zy voorheen gewoond hebben ongemeen vele oester- en mosselschelpen op hopen vindt. En dit moet ons omzigtig maken in te beweren dat op alle plaatsen, digt by zee, of dieper landswaards in, waar men zulke hopen ontmoet, dezelven daar gelegen hebben sedert de tyden dat de zee over die landen stroomde.

Kreeften.

Zeekreeften worden hier ook overvloedig gevonden, en byna op dezelve wys als de Oesters ingemaakt en verzonden. Ik heb dikwyls horen verhalen dat de kust van New York al reeds lang door de Europeanen bewoond was, zonder dat ’er kreeften te vinden waren, zo dat zy uit Nieuw Engeland, daar ze overvloedig waren, in grote vischkorven derwaards wierden gebragt. Maar het gebeurde eens dat een dezer korven by Helgate kwam te breken, omtrent tien Eng. mylen van New York, en alle de Kreeften raakten vry. Sedert dien tyd zyn zy hier zo vermenigvuldigd, dat ze in den grootsten overvloed gevangen worden.

Koude Koorts.

Een soort van koude koorts, door de Engelschen Fever and ague genoemd, is zeer gemeen in velen van de Engelsche Volkplantingen. Dog in sommigen weet men ’er niets van. Ik zal in ’t vervolg de eigenschappen dezer ziekte nader beschryven. Verscheidenen van de aanzienlykste Ingezetenen van New York verzekerden my, dat deze ziekte daar ver na zo gemeen niet is als in Pensylvanie, waar ’er tien tegen een in New York van worden aangetast. Om die reden waren ze van mening, dat deze ziekte veroorzaakt werd door de dampen van staande wateren, poelen, en rivieren; en dus konden de landschappen aan de kust gelegen zo ligt ’er niet van worden aangedaan. Evenwel wierd het gulzig eten van meloenen, [106]watermeloenen, persiken, en andere sappige vrugten, ook gehouden den voortgang van deze ziekte veel te bevorderen; en vele voorbeelden bevestigden deze mening. De Kina wierd ’er een goed middel tegen gerekend. Egter wierd zy dikwyls gevonden ene verkeerde werking te doen, ’t zy dan dat ze verbasterd was, ’t zy dat men ze op ene verkeerde wys gebruikt had. De Heer David van Horne, een Koopman, vertelde my, dat hy zig en vele andere menschen van de koorts genezen had met de bladen der Tuinsaly.111 Hy stampte ze in een vyzel, en drukte ’er het sap uit; dit deed hy zo lang tot dat hy ’er een lepel vol van had, en mengde ’er dan wat citroensap onder. Dit gebruikte hy tegens dat de huivering begon; en na dat het drie of vier malen genomen was, kwam de koorts niet weder.

Eikenbast.

De bast van den witten Eik wierd voor het beste middel tegens den loop gehouden. Men maakt hem tot poeder. My wierd van sommigen verzekerd, dat ’er gevallen waren waarin niets had willen helpen, en waar in dit middel ene zekere en spoedige genezing veroorzaakt had. In New York gebruikte men dezen bast ook om wol bruin te verwen, zo dat zy naar thee bohea gelykt, en in de zon niet verschiet. Onder de ontelbare schelpen en hoorns die men op ’t strand vindt, zyn ’er die veel Clams. naar een menschenoor gelyken. De Engelschen noemen ze Clams. Zy zyn zeer dik, wit, uitgenomen alleen het spitse eind, dat van binnen en van buiten blauw is, trekkende wat naar het violet en het purper. Men vindt ze in groten overvloed op de kust van New York, Long Island, en andere plaatsen. De schaal besluit een vry groot dier, het welk, niet alleen de Wilden, maar ook de Europers gaarn eten.

Met dezen schelpvisch dryft men enen aanmerkelyken handel onder de Wilden binnen ’s lands. Toen deze menschen nog op de kusten woonden, konden zy zelven hunne Clams vangen, waaruit hun voedsel voornamelyk bestond; maar tegenswoordig doen dit de Hollanders en de Engelschen, die op Long Island en andere zeeplaatsen wonen. Zo dra de schelp gevangen is neemt men ’er den visch uit, rygt hem aan een draad, en hangt hem dus in de lugt om in de zon te drogen. Dit gedaan zynde, wordt hy in vaten gelegd en naar Albany gezonden, waar de Wilden deze waar kopen, die zy voor een hunner beste geregten houden. Behalven de Europeanen komen velen van de Inlanders jaarlyks op de zee kust om Clams te vangen.

Wampum der Wilden.

De Wilden gebruiken deze schelpen in plaats van geld, en maken ’er hun zo genaamd Wampum van. Hunne Vrouwen hangen ze ook om als zy opgeschikt willen wezen. De Wampums worden eigenlyk van het violet der schelp gemaakt, want de blauwagtige stukken hebben by [107]hun ene veel grotere waarde dan de witten. Een Reiziger, wel voorzien van deze schelpen, kan ’er ene aanmerkelyke winst mede doen onder de Inlanders; maar als hy geld, goud of zilver medeneemt, zal hy voorzeker verliezen, want de Wilden, die verder binnen ’s lands wonen, agten deze metalen weinig of niet, gelyk ik dikwyls heb opgemerkt. Voorheen maakten zy hunne Wampums zelven, schoon niet zonder veel moeite, maar tegenswoordig worden zy meest van de Europeanen gemaakt. Byzonderlyk doen dit die van Albany, en winnen ’er aanmerkelyk veel by. In ’t vervolg denk ik de wys waarop de Wampums gemaakt worden te beschryven.

Joden.

Behalven de verschillende sekten van Christenen, wonen ’er vele Joden in New York, die daar grote voorregten bezitten. Zy hebben ene Synagoge, bezitten huizen en buitenplaatsen in eigendom, en mogen winkel doen in de Stad. Ook hebben ze verscheiden schepen, die ze bevragten. In een woord, zy genieten de zelve voorregten als de overige Ingezetenen.

Gedurende myn verblyf te New York, zo wel deze reis als de twee volgende jaren, ben ik dikmaals met Joden in gezelschap geweest, en vernam onder anderen dat dit volk noit enige spys voor zig op zaturdag bereidde, maar dat altyd den dag te voren deed, en dat zy ’s winters den gantschen zaturdag over vuur aanhielden. Zy eten gemeenlyk geen spek; egter wierd my door verscheiden’ geloofwaardige menschen verhaald, dat zy op reis zynde, en wel vooral de jonge Joden, gene zwarigheid maakten die, of enige andere spys, die hun wierd voorgezet, te gebruiken, zelfs in tegenwoordigheid van Christenen. Ik was voor de twedemaal den 2. November in hunne Synagoge, en wierd elke reis op ene byzondere plaats gezet, die voor de Christenen geschikt is. Een jonge Rabbi verrigtte den godsdienst ten dele in ’t Hebreuwsch en ten dele in ’t Rabbynsch. De mans en de vrouwen waren allen op zyn Engelsch gekleed; de eersten hielden allen den hoed op. De galeryen waren voor de vrouwen. De mans wierpen by het bidden enen witten doek over het hoofd, het welk misschien enen Zak wilde verbeelden. Maar ik merkte dat de rykeren enen kostbaarderen doek hadden dan de anderen. Velen van de mans hadden Hebreeuwsche boeken, waaruit zy by beurten zongen en lazen. De Rabbi stond in ’t midden der Synagoge, met het aangezigt naar het oosten gekeerd; maar hy rabbelde zodanig dat het byna onmogelyk moet geweest zyn hem te verstaan.112

De Stad New York.

New York, de Hoofdstad der Provincie van dien naam, legt op 40. [108]gr. 40. minn. N. en 74. gr. 4. min. W. van Lond. omtrent 97. Eng. mylen van Philadelphia. Hare legging is zeer voordelig voor den handel, want de Stad staat op een punt dat door twee bayen wordt gemaakt, in ene van dewelken de Rivier Hudson, niet ver van de Stad, zig uitstort. Dus is New York aan drie kanten van water omringd. De grond, waarop de Stad gebouwd is, is op sommige plaatsen effen en op andere heuvelagtig. De plaats wordt gerekend zeer gezond te zyn.

Gestigt door de Hollanders.

De Stad wierd het eerst door de Hollanders aangelegd, in ’t jaar, gelyk men zegt, 1623. toen zy meester van het land waren. Zy noemden ze Nieuw Amsterdam, en het land zelf Nieuw Nederland. De Engelschen maakten ’er zig meester van in ’t jaar 1664. en behielden het uit hoofde van het volgende verbond van vrede. Zy noemden het land en de Stad beiden New York. In grootte komt de Stad zeer na by Boston en Philadelphia. Maar in fraiheid, rykdom, en handel, betwist zy die plaatsen den voorrang. Tegenwoordig zal zy anderhalf maal zo groot als Gothenburg in Zweden zyn.

De straten lopen zo lynregt niet als te Philadelphia, en hebben somtyds aanmerkelyke bogten. Egter zyn zy ruim, wel bebouwd, en geplaveid, uitgenomen op sommige hoge plaatsen, waar dat niet nodig was. Op de voornaamste straten staan bomen, die des zomers een groot aanzien en ene lieflyke lommer geven. Dit doet de Stad als naar enen tuin gelyken. De bomen die het talrykst zyn zyn de Waterbeuken,113 welken door hun zwaar blad veel schaduw geven, en de Sprinkhaanboom,114 wien zyne schone bladeren en de aangename reuk van zyne bloemen zeer geschikt maken om in ene Stad digt by de huizen en in tuinen geplant te worden. Ook stonden ’er Linden en Olmen op de straten, dog minder in getal. Zy waren in ’t gemeen om den anderen geplant.

Boomkikkers.

Behalven allerhande vogelen, die des zomers zig in de bomen onthouden, vindt men ’er een soort van Kikker in groten overvloed in.115 Zy maken een schrikkelyk geweld des avonds en des nagts, vooral na enen heten dag en als men regen verwagt, zo dat zy ’t gezang der vogelen als verdoven. Dikwyls schreuwen zy zo sterk dat een mensch moeite heeft van zig te doen verstaan.

Huizen.

De meeste huizen zyn van gebakken’ steen, in ’t algemeen sterk en net, en verscheiden verdiepingen hoog. Sommigen hadden, volgens de oude bouworder, de gevels naar de straat gekeerd, maar dit was anders [109]by de nieuweren. Vele huizen hadden op het dak een balkon, waarop de menschen ’s avonds gewoon waren te zitten, en van waar men een aangenaam gezigt over de Stad, de naburige wateren, en de overleggende kust heeft. De daken zyn gemeenlyk met pannen of berden van wit dennenhout,116 dat hier te lande wast, gedekt. De Inwoonders zyn van gevoelen, dat zulk een dak al zo duurzaam is als een dat van wit Cederhout117 gemaakt is, gelyk in Pensylvanie geschiedt. De muren zyn van binnen gewit, en ik zag nergens behangsels, waarvan men hier weinig schynt te weten. De muren waren geheel bedekt met printen en kleine schilderytjes. Op beide zyden van den schoorsteen waren gemeenlyk een soort van kasten; de muren onder de vensters waren meest beschoten, en ’er waren zitbanken by. De kasten en al het houtwerk waren gemeenlyk blauwagtig grauw geschilderd.

Kerken.

Daar zyn verscheiden Kerken in de Stad, die aanmerking verdienen. De Engelsche Kerk, gebouwd in ’t jaar 1695. in het westen der Stad, is van steen, en heeft toren en klokken. De Nieuwe Hollandsche Kerk, insgelyks van steen, is vry groot, en heeft enen toren met een uurwyzer, het enige dat in de Stad is. Zy staat noord en zuid. Men heeft hier in het aanleggen van Kerken naar gene streken zig gerigt. In deze Kerk zyn nog altaar, nog sakristy, nog koor, nog kaarskronen, nog schilderyen. De Oude Hollandsche Kerk, insgelyks van steen, is zo groot niet als de Nieuwe. Zy was van binnen beschilderd, dog zonder beelden, en met een klein orgel versierd, dat haar de Gouverneur Burnet vereerd heeft. De mans zitten meest op de gallery en de vrouwen beneden.

De Presbyteriaansche Kerk is tamelyk groot, en eerst onlangs gebouwd. Zy is van steen, en heeft enen toren met ene klok. Nog vindt men ’er ene Duitsche Luthersche Kerk, ene Duitsche Hervormde Kerk, ene Fransche Kerk voor de Protestantsche Vlugtelingen, ene Quaker vergaderplaats; waarby men de Joodsche Synagoge nog voegen kan.

Fort George.

Aan den zeekant op de spits der landengte legt een tamelyk goed kasteel, het Fort George genoemd, het welk de gantsche haven bestrykt, en de Stad ten minsten voor enen onverwagten aanval verdedigen kan. Ten noorden tegens het strand aan is zy door palissades bevestigd, die egter, daar men in lang genen vyand te dugten heeft gehad, grotendeels in slegten staat zyn.

Water.

In de Stad zelve is geen goed water te vinden, maar digt ’er by is ene schone bron, waaruit de Inwoonders hun water voor de thee en de [110]keuken halen. Sommigen evenwel, die minder kiesch zyn, bedienen zig van het water uit de putten in de Stad, schoon het zeer slegt is. Dit gebrek van goed water is lastig voor de vreemde paarden die in de Stad komen, want zy lusten het water niet dat men daar vindt.

De Haven.

De Haven is vry goed. De schepen kunnen met hunne volle lading vlak tegens de brug aan leggen. Het water is zeer brak, dewyl de zee gedurig in de Haven komt, en daar door vriest zy niet toe, ten zy in zeer koude winters. Dit is een groot voordeel voor den handel, het welk Philadelphia niet heeft. De Haven is bevryd van alle orkanen uit het zuidoosten, door Long Island, dat vlak over de Stad legt. Dus hebben de schepen alleen de zuidwester stormen te vrezen, want aan dien kant is de Haven open. Dog de ingang heeft enige gebreken, onder anderen dit dat ’er geen oorlogschip kan inkomen, want schoon zy vry diep is, is ’er egter voor zo diep gaande vaartuigen geen water genoeg. Somtyds is het ook wel zware koopvaardyschepen gebeurd, door het sterk gaan der golven, wanneer zy tusschen de zelven in nederzakten, eventjes grond te raken, schoon zonder kwade gevolgen. Buiten dat, de ingang is nauw, en vele schepen zyn daar vergaan, om dat ze ligt op ene bank geraken kunnen, als zy gene goede lootsen hebben. Oude lieden, die lang den ingang dier haven bevaren hadden, verzekerden my, dat hy nog dieper, nog ondieper, nog smalder nog breder was dan voorheen.

Het verschil van ty by hoogst en laagst water is hier omtrent zes Eng. voeten. Maar op zekere tyden van de maand, wanneer de vloed het hoogst is, stygt hy tot zeven voet boven de laagste ebbe.

Handel.

New York is misschien de Stad die van gantsch Noord Amerika den sterksten handel dryft. Boston en Philadelphia komen haar zeer naby. New York strekt haren handel zeer ver uit, en men wil dat zy meer schepen naar Londen zendt dan Philadelphia. Men voert van hier naar die Hoofdstad alle de pelteryen, die men van de Wilden koopt, suiker, Mahogany, Brazilie, en ander verwhout, Rum, en andere West Indische waren, nevens al het geld dat men uit de West Indien getrokken heeft. Alle jaren worden hier schepen gebouwd om te Londen verkoft te worden, en men heeft in de laatste jaren zeer veel yzers derwaards gezonden. Van Londen brengt men hier in, stoffen en allerhande Engelsche Handwerken en andere vreemde waren. Engeland, en inzonderheid Londen wint ontzaglyk by den handel op Noord Amerika; want niet alleenlyk New York, maar alle de Engelschen Steden op het vaste land voeren zo veel goed uit Engeland in, dat al het geld, nevens alle de waren die hier uit andere gewesten komen, naar Engeland moet, om het geen men hier trekt te betalen, en dit alles is daartoe nog niet voldoende. Hieruit [111]blykt hoe veel ene wel geregelde Volkplanting tot de welvaert van hare Moederplaats toebrengt.

New York zendt vele schepen naar de West Indien met koorn, meel, bischuit, houtwerk, timmerhout, planken, vleesch, visch, boter en andere eetwaren. Ook gaan ’er velen naar Boston, in Nieuw Engeland, met koorn en meel, die van daar vleesch, boter, timmerhout, verscheiden’ soorten van visch, en andere waren terug ontvangen, welken zy verder naar de West Indien voeren. Daar nemen zy somtyds rum in, die op die plaatsen in groten overvloed gestookt wordt, en verkopen die hier met groot voordeel. Ook varen ’er somtyds geladen Jagten tusschen New York en Philadelphia over en weder; hetgeen alleen, gelyk uit de Koeranten blykt, geschiedt, om dat sommige waren op de ene plaats duurder zyn dan op de andere. Jaarlyks zendt men ook schepen naar Ierland beladen met West Indische waren, maar vooral met Lynzaad, dat hier gewonnen wordt. Men heeft my verzekerd dat ’er sommige jaren meer dan tien schepen mede geladen naar Ierland gegaan zyn, om dat het vlas daar gezegd wordt geen goed zaad te geven. Maar het is waarschynlyk dat de ware reden is, dat men in Ierland, om des te beter vlas te hebben, niet wagt tot dat de plant ryp is, en derhalven vreemd zaad moet laten komen. En dus is die een der hoofdtakken van den handel geworden.

Somtyds worden de goederen die naar de West Indien gaan met gereed geld betaald, en somtyds in waren, die of eerst naar New York gebragt, of regelregt naar Engeland of Holland gezonden worden. Als dan een schip op de terugreis gene waren medenemen, of niemant het bevragten wil, zo vaart het naar Newcastle in Engeland, en neemt in plaats van ballast steenkolen in, die hier wel betaald worden. Ook gebruikt men ze in vele huizen, in de keuken en in de kamers, dewyl zy beter koop geschat worden dan het hout. New York dryft ook enigen handel op Zuid Karolina, waar het koorn, meel, suiker, rum, en andere goederen naar toe zendt, en van waar het ryst wederom terug ontvangt, het welk genoegzaam het enige is dat uit Zuid Karolina verzonden wordt.

De waren waarin de Provincie van New York handel dryft zyn niet zeer menigvuldig. De voornaamsten zyn, pelteryen, die te Oswego van de Wilden gekoft worden, vele planken, die meest van Albany komen, timmerhout en vaatwerk, dat van omstreeks de Rivier Hudson gehaald wordt, en eindelyk weit, meel, garst, haver, en ander graan, dat men van New Jersey en uit de Provincie zelve krygt. Ik heb Jagten gezien van Nieuw Brunswyk, geladen met weit, die los in ’t schip lag, en met meel in tonnen gepakt, gelyk ook met ene menigte [112]van lynzaad. De Provincie van New York levert ook enig vleesch en andere eetwaren, die men verzendt, dog in gene menigte. Ook is de voorraad van erwten die van Albany komt niet aanzienlyker. Maar des te meer yzer kan men verzenden, want men vindt het op verscheiden’ plaatsen van dit Landschap in overvloed en tamelyk goed. De overige voortbrengsels hebben niet veel om ’t lyf.

Wyn.

De meeste wyn, dien men hier en in de andere Volkplantingen van Noord Amerika gebruikt, komt van Madera, en is sterk en heet.

Handwerken.

Hier zyn nog gene Handwerken, die naam verdienen, aangelegd. Men krygt alles van Londen.

De Hudson.

De Rivier Hudson brengt den handel van New York veel voordeels aan. Zy is omtrent honderd en vyftig Eng. mylen landwaards in bevaarbaar, en valt niet ver van de Stad naar het westen in de Bai. Gedurende agt maanden van het jaar is de Rivier vol van Jagten, en andere grote en kleine vaartuigen, naar New York gaande of ’er van daan terug kerende, beladen met inlandsche of vreemde waren.

Schepen.

Ik kan niet juist bepalen hoe groot het getal der schepen is die jaarlyks hier aankomen of afvaren. Maar ik heb in de Pensylvanische Koerant gevonden, dat van den 1. December 1729. tot den 1. December 1730. twee honderd en elf schepen in de haven van New York gekomen, en twee honderd twee en twintig daar uit gevaren waren. En sedert dien tyd is de handel zeer sterk toegenomen.

Markten.

Tweemaal in de week komen de Boeren te New York te markt, omtrent op de zelve wys als te Philadelphia, alleen maar met dit onderscheid dat hier de markt op verscheiden plaatsen gehouden wordt.

De Gouverneur.

De Gouverneur van New York heeft zyn Paleis in het Fort. Onder de genen die met deze post bekleed geweest zyn, verdient William Burnet ene euwigdurende gedagtenis. Hy was een zoon van den beroemden Thomas Burnet, en scheen de geleerdheid van zynen Vader overgeerfd te hebben. Maar zyne grootste verdienste bestond in zynen aanhoudenden yver voor de welvaart van dit gewest. Het volk van New York houdt hem voor den besten Gouverneur, dien zy oit gehad hebben, en denken zyne bewezene diensten niet genoeg te kunnen pryzen. De veelvuldige starrekundige waarnemingen, die hy hier maakte, zyn in verscheiden’ Engelsche werken te vinden. In ’t jaar 1727. by de komst van George den II. tot den troon van Groot Britanje, wierd hy aangesteld tot Gouverneur van Nieuw Engeland. In gevolge hier van verliet hy New York en begaf zig naar Boston, waar hy in 1729. overleed.

Parlementen.

Eens of tweemaal in ’t jaar wordt te New York ene vergadering gehouden van de Afgezondenen uit alle de oorden van de Provincie. Men kan deze Vergadering aanzien als een klein soort van Parlement of Ryksdag. [113]Hier wordt alles het welvaren van ’t gewest rakende in overweging genomen. Gouverneurs.De Gouverneur beroept de Vergadering en doet ze scheiden naar goedvinden. Dit is ene magt waarvan hy zig bedient wanneer hy of verdere overwegingen onnodig, of de Vergadering niet eens gezind genoeg oordeelt; dog het gebeurt ook dikwyls genoeg dat hy, door eigenzin of eigenbelang bewogen, deze magt ten nadeele der Provincie gebruikt. Somtyds heeft het gewest enen Gouverneur gehad, die met de Ingezetenen in zulke onenigheid geraakte, dat de Afgevaardigden naderhand uit spyt en wraaklust zig tegens alles kanteden wat hy voorstelde, het ware dan voordelig of niet. In zulke gevallen plegt de Gouverneur de Vergadering te ontbinden, en ene andere te beroepen, welke hy evenwel binnen korten tyd weder ontbond zo dra hy bemerkte dat de leden niet wel gezind waren. Op deze wys wist hy het hun zo moede te maken door de kosten die zy zo dikwyls gedwongen waren te doen, dat zy op ’t laatst blyde waren zig met hem te mogen verenigen in hunne pogingen ten besten van ’t gewest. Maar daar zyn ook Gouverneurs geweest die de Vergadering beriepen en ontbonden alleen om dat zy zig niet naar hunnen zin schikken wilde, of hare toestemming niet kon geven aan voorslagen, die misschien gevaarlyk of schadelyk voor de gemene zaak zouden geweest zyn. De Koning stelt den Gouverneur naar welgevallen aan, dog de Ingezetenen betalen hem zyn jaargeld. Dus heeft hy groter inkomsten naar mate hy de gunst der Inwoonders winnen kan. Daar zyn voorbeelden in deze en andere Provincien van Gouverneurs, die door hunne onenigheden met de Ingezetenen hun gantsche jaargeld kwyt raakten, hebbende den Koning geen vermogen om hun dit te doen betalen. Indien een Gouverneur dan geen goed van zig zelven heeft, kan hy daar door gedwongen worden zyn ampt nederteleggen, of zig met een zeer gering inkomen te behelpen, of zig naar den zin der Ingezetenen te schikken. Dog ’er zyn zekere vaste voordelen, die men hem niet onthouden kan. Dezen zyn I. dat niemant in de gantsche Provincie ene herberg kan opzetten zonder verlof van den Gouverneur, het welk men alleen verkrygen kan mits betalende ene zekere erkentenis volgens de omstandigheden. Sommige Gouverneurs, aan welken de Ingezetenen weigerden hun jaargeld te betalen, zogten derhalven die schade te boeten door ’t verdubbelen van het getal der herbergiers. II. Weinige lieden, die staan te trouwen, willen hunne geboden van den preekstoel afgelezen hebben, uitgenomen zulken die zeer arm zyn; maar verkrygen een verlof van den Gouverneur, waarby de Predikanten, Hervormde of Luthersche, magt krygen zulke personen, die dat verlof vertonen, te trouwen. Dit verlof nu is den Gouverneur ene halve Guinea waard. En deze vergunningen door de gehele Provincie belopen ene aanmerkelyke som. III. De Gouverneur [114]tekent alle paspoorten, en byzonder de zeepassen; en dit geeft hem een ander middel ter goedmaking zyner verteringen. Nog zyn ’er enige kleinder voordelen, die ik voorby zal gaan.

Wetten.

De Vergadering is gewoon de oude wetten te overzien, en des noods nieuwen te maken. Ook regelt zy den loop van ’t geld, en andere zaken daar toe betrekkelyk. Want men moet aanmerken dat ieder van de Volkplantingen onafhanglyk van de anderen is, en hare eigene munt en eigene wetten heeft; zo dat zy als een land op zig zelf bestaande kan worden aangezien. Hiervan daan komt het dat in oorlogstyden de zaken vry langzaam, ongeregeld en slap worden bestierd; want de Provincies zyn niet alleen somtyds oneens, maar de inzigten der Gouverneurs en der Vergaderingen van de byzondere gewesten zyn ook dikwyls strydende; zo dat het ligt gebeurt, dat, terwyl men twist over het geen best en het beste koop zoude zyn in ’t voeren van den oorlog, de vyand kans heeft de ene plaats na de Oorlogen. andere wegtenemen. Ook is het dikwyls gebeurd, dat, terwyl de ene Provincie door den vyand geplaagd werd, de anderen stil en werkeloos zaten, als of haar dit alles niets aanging. Somtyds duurde het twee of drie jaren eer zy het eens waren of men ene Volkplanting die aangetast werd ondersteunen zoude, en het is gebeurd dat het besluit viel van neen. Zelfs zyn ’er voorbeelden van Provincies, die niet alleen onzydig bleven in enen kryg tusschen ene andere Provincie en enen uitheemschen vyand, maar die zelfs voortgingen enen aanmerkelyken handel met den vyand te dryven.

Door deze verdeeldheden hebben de Franschen in Kanada, die maar een hand vol volks in vergelyking van de Engelschen in Amerika waren, gelegenheid gehad merkelyke voordelen op de laatsten te behalen. Want uit het getal en de magt der Engelschen oordelende zoude men zeggen, dat het hun ligt vallen moest de Franschen in Amerika te overmeesteren.118

Staatkundige aanmerking.

Evenwel is het ene zaak van groot belang voor de kroon van Engeland, dat deze Volkplantingen zo na aan een land onder het bestier van Frankryk gelegen zyn als Kanada. Daar is reden van te denken dat het den Koning noit ernst was om de Franschen daar uittejagen. De Engelsche Volkplantingen zyn zo magtig geworden dat zy met Groot Brittanje zelf om den voorrang dingen. Om dan het evenwigt van den handel naar den kant van het Ryk op den duur te doen [115]overslaan, en ter bereiking van verscheiden andere oogmerken, is het verboden, Handwerken in Amerika aanteleggen; goud- of zilvermynen te zoeken, ten zy men het gevonden goud of zilver regelregt naar Engeland zende; op enige plaats handel te dryven die niet onder ’t gebied van Groot Brittanje staat, enige zekere plaatsen maar uitgenomen: en vreemde schepen mogen niet in de Amerikaansche havens komen. Deze en diergelyke bepalingen maken dat de Amerikaansche Engelschen minder liefde voor hun oorspronglyk Vaderland krygen, en deze onverschilligheid wordt vergroot door de menigte van vreemdelingen, als Duitschers, Hollanders en Franschen, die hier gevestigd zyn. Voeg hierby dat vele menschen noit te vreden zyn met het gene zy bezitten, hoe aanzienlyk dat ook zy, altyd meerder willende winnen, en naar verandering hakende; en dat hunne al te grote vryheid en weelde hen tot onbandigheid brengt.

Engelschen, zelfs die uit Europa herwaards overgekomen waren, hebben my verteld, dat binnen dertig of vyftig jaar de Volkplantingen in Amerika magt genoeg hebben zullen om enen staat op zig zelven te maken, en volkomen onafhanglyk van Oud Engeland te zyn. Maar gelyk de gehele kust open legt, en de binnenlanden door de Franschen ontrust worden, dwingen deze gevaarlyke vyanden in oorlogstyden de Volkplantingen hare verbindtenissen met haar Vaderland te onderhouden. De Engelsche Regering heeft derhalven ene genoegzame reden van de Franschen in Kanada als het geschiktste middel aantezien om de Volkplantingen by haren pligt te houden. Maar ik ben reeds te ver van myn stuk afgedwaald; ik keer derhalven weder naar New York.

Afwyking der Naald.

De afwyking der Naald is in die Stad door Philip Well, eersten Ingenieur van New York, in het jaar 1686. bevonden 8. gr. 45. min. W. Maar in 1723. was zy maar 7. gr. 20. min. volgens de waarnemingen van den Gouverneur Burnet. Waaruit wy besluiten mogen, dat in agtendertig jaren de Naald omtrent 1. gr. en 25. min. dat is omtrent 2. min. ieder jaar, nader aan het ware noorden komt. De Heer Alexander, een man van veel kennis in de Starre- en Wiskunde, verzekerde my uit verscheiden waarnemingen, dat in het jaar 1750. den 18. September de afwyking gerekend wierd te zyn 6. gr. 22. min.

Drukkeryen.

Daar zyn twee Drukkeryen in de Stad; en alle week komen ’er Engelsche koeranten uit, die het nieuws van de gehele wereld bevatten.

Winters.

De winter is hier veel gestrenger dan in Pensylvanie, en byna zo hard als in sommige delen van Zweden, dog hy duurt niet zo lang als by ons; de lente begint hier vroeg en de herfst laat. Des Zomers is de hette onmatig. De meloenen zyn op het open veld reeds ryp in ’t begin van Augustus, daar wy ze onder glazen en op hete bedden nauwlyks op dien tyd tot rypheid brengen kunnen. Ik kan de koude van den winter [116]niet juist bepalen, zynde alle de waarnemingen gemaakt volgens Thermometers die in huis hingen, en die de buitenlugt niet aanraken kon. De sneeuw blyft enige maanden leggen; en men bedient zig hier van sleden, gelyk in Zweden, dog men maakt ze wat te groot. De Rivier Hudson is omtrent aan haren mond ene Eng. myl breed. Het verschil tusschen het hoogste en ’t laagste water is daar tusschen de zes en zeven voet. Het water is zeer brak; en met dat al blyft het ys daar niet alleen ene, maar dikwyls verscheiden maanden zitten. Het is somtyds meer dan twee voet dik.

Muggen.

De Muggen zyn hier dikwyls zeer lastig. Zy komen met het hoi naar de Stad, dat op de lage landen gewonnen wordt, die geheel en al van het zoute water doortrokken zyn; of volgen het vee, als het ’s avonds t’huis komt. Ik heb in my zelven en in anderen ondervonden hoe zeer dit kleine gedierte iemant in enen nagt mismaken kan. Watermeloenen.De watermeloenen, die men digt by Stad aankweekt, groeyen zeer weelderig. Zy zyn uitmuntend en beter dan ergens anders in Noord Amerika, schoon zy op ’t openveld geplant worden, en zonder op een warm bed gestaan te hebben. Ik zag in September 1750. ene watermeloen aan het huis van den Gouverneur Clinton, die 47. Eng. ponden woog, en by enen Koopman alhier ene die 42. pond zwaar was. Egter hield men deze twee voor onder de grootsten te behoren die men hier kon aantreffen.

Sachems.

In ’t jaar 1710. reisden van hier vyf Koningen, anders Sachems, van de Iroquoizen naar Engeland, om Koningin Anna tot een verbond met hun tegens de Franschen te bewegen. Ik zal my niet ophouden met hunne namen, kleding, het onthaal dat zy aan het Hof kregen, hunne gesprekken met de Koningin; dit alles is uit andere boeken bekend. De Koningen of Sachems der Wilden hebben gemeenlyk geen groter gezag over hun dan een Schout in zyn gebied, en veeltyds nog minder. Op myne reizen door hun Land had ik noit gelegenheid myne opwagting by enen dezer Sachems te gaan maken, want die Heren kwamen onverzogt uit eigen beweging het eerst aan myn verblyf, op hoop van een glas brandewyns of twee te krygen, daar zy boven alles veel werks van maken.

Hollanders te New York.

De eerste Volkplanters in New York waren de Hollanders. Wanneer de Stad en haar regtsgebied door de Engelschen ingenomen, en in verruiling tegens Suriname by den vrede afgestaan werd, bleef het den ouden Ingezetenen vry te New York te blyven en alle de voorregten en vryheden te genieten, die zy van te voren bezeten hadden, of met alle hunne goederen te vertrekken. De meesten verkozen het eerste; en dit is de reden dat het grootste getal van de Ingezetenen dezer Stad en Provincie Hollanders zyn, die, byzonderlyk de oude lieden, nog hunne moedertaal spreken, schoon zy allengskens hunne zeden beginnen te [117]veranderen, vooral in de Stad en daar digt by, want de jonge lieden spreken meest Engelsch, gaan in de Engelsche kerk, en zouden het zelfs kwalyk nemen, als men ze Hollanders en niet Engelschen noemde.

New York minder bevolkt dan Pensylvanie.

Schoon de Provincie van New York lang voor Pensylvanie door Europers is bewoond geweest, is egter die laatste Provincie veel meer bevolkt. Men kan dit niet toeschryven aan de natuur van den grond, want die is te New York zeer goed, maar zie hier wat men wil dat de reden hier van is. Onder de Regering van Koningin Anna, omtrent het jaar 1709. kwamen vele Duitschers herwaards en verwierven land om zig neertezetten. Na dat zy hier enigen tyd gewoond, huizen en kerken gebouwd, en koornlanden en weiden aangelegd hadden, wierden hunne vryheden verkort, en men ontzette ze, onder verschillende voorgevens, van een gedeelte hunner bezittingen. Dit maakte hen gaande. Zy keerden ten laatsten geweld met geweld, en sloegen de zulken die hen van hun eigendom beroven wilden. Dog de Regering nam dit zo euvel op, dat de yverigsten uit de Duitschers by den kop gevat, hard gehandeld en zwaar gestraft werden. Dit verbitterde de overigen zo zeer, dat de meesten hunne huizen en goederen verlieten, en naar Pensylvanie weken, waar zy zeer wel ontvangen wierden, en ene aanzienlyke uitgestrektheid lands verwierven, nevens vele voorregten, die altyd duren moesten. Hiermede niet voldaan, schreven zy aan hunne nabestaanden en vrienden in New York, en raadden hen van, zo zy oit naar Amerika dagten overtekomen, niet naar New York te gaan, waar de regering niet deugde. Deze raad had zulk enen invloed, dat de Duitschers, waarvan ’er in ’t vervolg een zeer groot getal naar Amerika gingen, altyd New York vermydden, en allen zig naar Pensylvanie begaven. Somtyds gebeurde het dat zy gedwongen waren met schepen naar New York geschikt over te komen, dog zy waren nauwlyks daar aangeland, of zy haastten zig naar Pensylvanie te gaan, in ’t aanzien van alle de Inwoonders van New York.

Dog ’er kan nog ene twede oorzaak gegeven worden van het gebrek aan volk in New York. Toen de Hollanders by den vrede met Engeland de vryheid kregen van alle hunne voorregten zonder de minste bepaling te blyven genieten, nam ieder van hun een zeer groot stuk lands in bezit, en verscheidenen van de hoofden der magtigste huisgezinnen maakten zig meester van ene uitgestrektheid lands, die groot genoeg zou geweest zyn voor een geheel kerspel. En daar de meesten van hun zeer ryk waren, bewoog hen de nyd dien zy jegens de Engelschen hadden, om hunne landen niet dan tot enen buitensporigen prys aan dezelven te willen verkopen, het welk hunne nakomelingen stiptelyk zyn nagevolgd. Dus hebben de Engelschen en andere Vreemdelingen weinig aanmoediging [118]om zig hier nedertezetten. Integendeel hebben zy in de andere Provincien gelegenheid genoeg om landeryen beter koop te krygen, en met groter veiligheid voor hun zelven. Dus is het geen wonder dat zo vele delen van New York onbebouwd leggen en naar woestenyen gelyken. Dit voorbeeld toont aan hoe zeer een misslag in de regering de bevolking benadelen kan.

Vertrek van New York naar Philadelpia.

Den 3. November gingen wy omtrent den middag weder van New York op reis, en onzen togt vervolgende kwamen wy den 5. te Philadelphia aan.

Appelen vroeger ryp in Pensylvanie dan in New York.

In den omtrek dier Stad had het volk al ene maand geleden hunnen Cyder gemaakt, waartoe zy genoodzaakt waren omdat de appelen zo ryp waren dat zy afvielen. Maar op onze reis door New York zagen wy de menschen daar eerst aan bezig. Dit is een duidelyk bewys dat de appelen in Pensylvanie eerder ryp worden dan in New York; maar of dit van den grond, of van de groter hette in Pensylvanie, of van ene andere oorzaak komt, kan ik niet zeggen. Dog het zo vroeg maken van den Cyder heeft geen het minste voordeel in; integendeel, de ondervinding heeft geleerd dat het beter is hem later in ’t jaar te maken, wordende de grote hette gehouden de gisting te beletten.

Polecat.

Daar is een viervoetig dier zeer gemeen, niet alleen in Pensylvanie, maar ook in andere gewesten van Zuid en Noord Amerika, by de Engelschen Polecat119 genoemd. In New York noemen zy het gemeenlyk Skunk. De Zweden heten het Fiskatte, om zynen vreeslyken stank. De Franschen in Kanada geven het den naam van het stinkend dier of het Duivelskind.120 Enigen heten het ook Pekan. De Heer Catesby121 heeft het beschreven, en naar het leven afgebeeld. Dit dier gelykt veel naar den Marter, is omtrent van dezelve grootte en gemeenlyk zwart. Op den rug heeft het ene streep die in de langte loopt, en twee anderen op ieder zyde, die met de eerste gelykwydig lopen. Somtyds, dog zeer zelden, ziet men ’er die geheel wit zyn. Op onze terugreis naar Philadelphia zagen wy ’er een dat door de honden doodgebeten was. En naderhand had ik vele gelegenheden van het te zien, en van zyne eigenschappen te horen spreken. Het houdt zyne jongen zo wel in holle bomen als in gaten onder den grond. Het klimt zeer vlug op de bomen, is een groot vyand van ’t gevogelte, breekt de eijeren en vreet de kiekens op, en als het in een hoenderhok kan komen vernielt het al wat ’er in is. [119]

Zyn stank.

Dit dier heeft ene eigenschap waardoor het vooral bekend is. Wanneer het door menschen of honden vervolgd wordt, loopt het zo schielyk als het kan weg, of kloutert op enen boom, maar als het zo bezet is dat het niet ontsnappen kan, verdedigt het zig met zyn pis. Sommigen denken dat het dit doet met zynen staart te bepissen, en dan denzelven zo schielyk en met zo veel kragt te slingeren dat de pis naar alle kanten ’er uitvliegt; maar anderen zyn van mening dat het zyn pis zonder het behulp van den staart zo ver zenden kan. Voor my ik vind het eerste het waarschynlykst; want sommige geloofwaardige lieden hebben my verzekerd dat, schoon zy meer dan agttien voet van het dier afstonden, hunne aangezigten geheel en al nat geworden zyn. Zyn pis heeft zulk enen stank dat ’er niets by kan vergeleken worden, omtrent gelyk, dog veel sterker, als het Geranium Robertianum van Linnæus. Wanneer men omtrent hem komt als hy zyn’ stank laat ruiken kan men enigen tyd nauwlyks adem halen, en het is of men stikken zou. Heeft men het ongeluk de pis in het oog te krygen, zo loopt men gevaar dat te verliezen. Vele honden, die op de jagt den Polecat yverig vervolgen, lopen weg zodra zy nat gemaakt worden; evenwel als zy van ’t regte ras zyn, zullen zy ’t niet opgeven, voor dat ze hem gevangen en doodgebeten hebben; dog zy zyn genoodzaakt nu en dan hunne neuzen in den grond te steken om adem te scheppen.

Een kleed, dat door dit dier is nat gemaakt, behoudt den stank meer dan ene maand, ten zy men het vierentwintig uren onder varsche aarde leggen late, want dan gaat ’er de reuk grotendeels af. Als men de pis op zyne handen of het aangezigt gekregen heeft, wryft men die ook met losse aarde, en sommigen hebben hunne handen een uur lang in den grond gehouden. Wasschen helpt zo schielyk niet. Een zeker Man van aanzien, door den Polecat nat gemaakt, stonk zo schrikkelyk, dat, toen hy in huis kwam, de menschen ’er uitliepen, of hem den ingang weigerden. Honden, die op de jagt der Polecatten geweest zyn, stinken enige dagen daarna nog zo dat men ze in huis niet verdragen kan. Te Philadelphia zag ik eens op enen marktdag enen hoop volks met stenen naar enen hond goyen, die waarschynlyk het ongeluk gehad had van dit dier te na gekomen te zyn. De Reizigers worden dikwyls in de bosschen van dien reuk gekweld, zo dat men somtyds den neus moet toehouden. Als de wind van de plaats komt daar de Polecat geweest is, by nagt of in grote stilte, is de stank des te geweldiger.

In den winter van 1749. kwam een Polecat, gelokt door den reuk van een dood lam, digt by een huis daar ik dien nagt sliep. De honden het dier terstond nazettende, gebruikte het zyne gewoonlyke [120]wapenen om zig van hun te ontslaan. Het gelukte; de honden hadden genen lust hunne jagt te vervolgen. Hy maakte zulk een stank, dat, schoon ik op enigen afstand ’er van daan was, ik ’er byna van stikte, en het vee vond hem ook zo onaangenaam dat het begon te bulken. Allengskens verdween hy egter. Tegens het einde van dat jaar kwam een dezer dieren in onzen kelder, dog men vernam genen stank, want dien geeft hy niet van zig ten zy in nood. De Keukenmeid evenwel merkte enige dagen agter malkander dat ’er van het vleesch gegeten was, en, denkende dat het de kat gedaan had, stopte zy de toegangen toe. Maar den volgenden nagt wierd zy wakker van een ysselyk geweld in den kelder. Zy ging ’er naar toe, en, schoon het donker was, zag zy een dier met twee glinsterende ogen, die als vuur schenen te branden. Zy greep egter moed, en sloeg het dood. Dog toen het beest regt benauwd begon te worden, vervulde het den kelder met enen zo afschuwelyken reuk, dat niet alleen de Meid gedurende enige dagen ’er ziek van was, maar dat ook brood, vleesch en andere eetwaren, die in den kelder stonden, ’er zo van doordrongen werden, dat men het alles weg werpen moest.

Uit een voorval dat een myner kennissen te New York had, maak ik op, dat de Polecat of niet altyd zeer schuw is, of dat hy zeer sterk slapen moet. Deze Man, op enen zomeravond in de schemering uit het bosch komende, meende dat hy ene plant voor zig zag staan, en, die willende afplukken, wierd hy op eenmaal van den Polecat bepist, die op den grond zat en zynen staart om hoog hield. Dit had den Man doen denken dat het ene plant was. Hy had vele moeite zig van dien geur te ontdoen.

Mak gemaakt.

Schoon deze dieren zo onaangenaam een gezelschap kunnen zyn, plegen dog somtyds de Engelschen, Zweden, Franschen en Wilden ze te temmen. Zy volgen dan hunne Meesters gelyk als honden, en bedienen zig noit van hunne wapenen, ten zy men ze slaat of bang maakt. De Wilden eten hem. Maar wanneer zy hem de huid aftrekken, snyden zy ’er de blaas uit, om voortekomen dat het vleesch een kwaden Zyn vleesch.smaak kryge. Ik heb ook Engelschen en Franschen gesproken, die verzekerden ’er van gegeten te hebben, en dat het niet kwalyk smaakte. Zy vergeleken het by ’t vleesch van een speenvarkentje. De Europers De Huid. gebruiken de huid, die grof en langhairig is, niet, maar de Wilden bereiden ze, latende ’er het hair aan, en maken ’er tabaksbeurzen van, die zy voor het lyf dragen.

Byzonderheden aangaande de Karolina.

Den 6. November tegen den avond ging ik naar het landgoed van den Heer Bartram. Ik vond iemant by hem die in Karolina woonde, en my verscheiden’ byzonderheden aangaande dat Land mededeelde, waarvan ik ’er enigen ga gewagen. [121]

Voortbrengsels. Teer.

Teer, Pek en Ryst zyn de voornaamste voortbrengsels van dat gewest. De grond is zeer zandig, en dus wassen ’er vele pyn- en dennebomen, waaruit men de Teer maakt. Men neemt daar gemeenlyk zulke bomen toe die van zelven dood gegaan zyn. Men weet daar niet, gelyk in Oost Bothnie, de bomen tot het Teerbranden op zulk ene wys te gebruiken, dat men ’er den bast op ene, en somtyds aan verscheiden’ zyden, eerst afschilt. Op sommige plaatsen in Karolina neemt men hier toe ook de takken. Het branden en koken geschiedt, gelyk my de man het beschreef, op de zelve wys als in Finland. De Pek wordt uit de Teer op deze wys gemaakt. Men graaft enen kuil, en besmeert dien van binnen met klei, hier giet men de Teer in, en maakt ’er een vuur rondom, dat men brandende houdt tot dat de Teer de stevigheid van de Pek verkregen heeft. Daar wierden in Noord Amerika twee soorten van Teer gemaakt. Het eerste is de gemene Teer, dezelve daar ik zo even van gesproken heb, en die uit de stammen, de takken en de wortelen van zulke dennebomen gemaakt wordt, die al van zelven sterk uitgedroogd waren, het welk in dit Land de gebruiklykste wys is. Het andere soort maakt men dus. Men schilt de bomen aan enen kant en laat ze zo een jaar staan, gedurende het welk de harst uit de scheuren voor den dag komt. Dan velt men den boom, en brandt hem tot Teer. En dit is de Groene Teer; niet dat zy groen van kleur is, want de beide soorten hebben byna dezelve kleur, maar omdat zy uit groene bomen gemaakt wordt, daar men de gemene Teer uit dorre bomen brandt. Het branden geschiedt even als in Finland. Men gebruikt alleen de zogenaamde Zwarte Dennen, want de Witten zyn hier niet goed toe. Daarentegen zyn zy voor masten en planten uitmuntend. De groene Teer is duurder dan de gemene. Men klaagt reeds overal dat de Dennebosschen op deze wys geheel vernield worden.

Ryst.

De Ryst wordt in Karolina sterk geplant. Zy slaagt het best op moerassige gronden, die onder water gezet kunnen worden, en rypt daar het vroegst. Waar men zulk enen grond niet vinden kan moet men enen drogen nemen, dog daar is de Ryst zo goed niet. De grond moet noit gemist worden. In Karolina wordt de Ryst in het midden van April gezaid en is ryp in September. Men plant ze op ryen gelyk de erwten, en moet omtrent vyftien duim tusschen de ryen open laten. Zo dra de plant opkomt zet men ’t land onder water. Dit bevordert niet alleen het groeyen van de Ryst, maar doodt ook al het onkruid, zo dat ’er niet behoeft gewied te worden. Het stroo van de Ryst wordt voor een uitmuntend voedsel voor het vee gehouden, dat het ook gaarn eet. De Ryst vereischt ene hete lugtstreek, en daarom wil zy in Virginie niet opnemen, en nog minder in Pensylvanie; de winters zyn in die gewesten [122]te koud en de zomers te kort. Men weet in Karolina niet hoe van de Ryst Arrak te maken. Zuid Karolina brengt de meeste Ryst, en Noord Karolina de meeste Teer voort.