De Ingezetenen meest Hollanders.
De Inwoonders, zo wel der Stad als van het omgelegen land, zyn meest allen Hollanders. Zy spreken onder malkander Hollandsch, hebben hunnen Hollandschen Predikant, die in zyne taal den godsdienst verrigt. In een woord, zy leven geheel als Hollanders. Egter kleden zig de beide geslagten op de Engelsche wys. Het is bekend dat de Provincie van New York het eerst van Hollanders bewoond wierd. Dog in ’t jaar 1664. nam, op last van Koning Karel den Tweden, Sir Robert Carre New York, toen Nieuw Amsterdam geheten, in. En kort daarop toog de Overste Nichols naar Albany, dat toen Fort Oranje genoemd werd, en maakte zig ’er meester van. Het kreeg toen den naam van Albany, zynden den Schotschen titel van den toenmaligen Hertog van York. Het bleef den Hollanderen vry daar onder de bescherming van Engeland te blyven of te vertrekken. De meesten kozen het eerste, en van hun zyn de tegenwoordige Hollandsche Ingezetenen van New York afkomstig, die eigenaars zyn van de beste landeryen in het Landschap.
Hunne gierigheid.
De Inwoonders van Albany zyn in gantsch Noord Amerika, zo wel by de Engelschen als Franschen, ja zelfs by de Hollanders, die de lager gedeeltens van de Provincie New York bewonen, wegens hunne onverzadelyke gierigheid en schraapzugt zeer berugt. Als iemant naar Albany staat te reizen, pleegt men hem schertsgewyze te zeggen, dat hy naar het Land Kanaan gaat, dat is te zeggen naar het Land der Smoussen, want de Albanezen houdt men voor aarschsmoussen, by dewelken een Jood het onmogelyk zou kunnen houden, al verstond hy het schaccheren nog zo wel. Dit maakt dat men hier zelden komt dan uit noodzaaklykheid. Men vroeg my verscheiden’ malen wat dringende oorzaak ik dog hebben mogt om deze bedevaartreis naar Kanaan te ondernemen; en ik heb ondervonden dat het niet zonder reden was dat dit volk in een zo kwaad gerugt stond. Want schoon hier zelden reizigers komen als die uit de Engelsche bezittingen naar Kanada moeten, en men derhalven denken zoude het gene men nodig had hier beter koop dan elders te zullen vinden, zo ervoer ik het tegendeel. Ik was genoodzaakt alles veel duurder dan op enige andere plaats hier te lande te betalen, behalven dat men hier zeer ondienstvaardig was. Tot het minste moest men ze door geld bewegen. Zodra ik op het land in een huis kwam, en iets kopen of verzoeken moest, kon ik wiskundig zeker zeggen of de menschen van dit of van een ander bloed waren. Zo was het met de meesten gesteld. Evenwel vond men ’er enigen die in dienstvaardigheid en eerlykheid voor niemant ter wereld behoefden te wyken; dog hun getal was het kleinste. Zo als het my voorkomt is het dus met de Albanezen toegegaan. Toen dit Land door de Hollanders bevolkt wierd, heeft men ’er, behalven enige [56]brave lieden, vele schoyers, van de welken men het Vaderland zuiveren wilde, naar toe gezonden, en dezelven naar enen oord geschikt die aan de Wilden paalde, nogthans zo dat enige eerlyke huisgezinnen zig wel hebben laten overreden om met hun te gaan, om ze enigermate in teugel te houden. Anders weet ik gene reden uittedenken waarom dit volk van de andere brave Hollanders, die in de beneden delen van New York wonen, zo verbasterd zyn kan. De laatstgenoemden zyn vriendelyk, gedienstig, redelyk in ’t eischen van geld, en opregt; en schoon zy zelden veel pligtplegingen maken kan men egter op hun woord rekenen, en zy menen het wel.
Onder anderen hebben de Albanezen zig zo gehaat gemaakt door hun gedrag by den vorigen oorlog met de Franschen42 gehouden. In ’t begin van den kryg staken de Franschen de Wilden op om de inwoonders van Nieuw Engeland aantetasten, het welk zy getrouw uitvoerden, alles vermoordende en plunderende; en ondertusschen hielden zig de Albanezen onzydig, en bleven enen sterken handel met de Wilden dryven. Het zilver en ander goed dat de Wilden in Nieuw Engeland geroofd hadden bragten zy te Albany te koop, het welk niet alleen de Ingezetenen daar opkoften, al zagen zy de namen der eigenaars op het zilver gegraveerd, maar zy moedigden ook de Wilden aan om wakker in ’t roven voorttegaan, belovende hen wel te betalen voor het geen zy zouden geroofd hebben. Dit namen de Engelschen naderhand zo op als hadden zy de Wilden opgezet om hunne broeders en landslieden in Nieuw Engeland om hals te brengen. Men kwam dit zelfs in Nieuw Engeland van de Wilden te horen, en het verwekte enen geweldigen haat tegens de Albanezen, en die van Nieuw Engeland driegden van, als ’er weder een nieuwe oorlog ontdaan mogt, te beginnen met het verwoesten van Albany en het omgelegen land. En zo Albany in dezen kryg wordt aangetast,43 zal men zien hoe weinig bereid de Ingezetenen der andere Provincien zyn zullen om die plaats bytespringen. Egter haten de Albanezen de Engelschen nog meer dan zy zelven van hun gehaat worden. Deze haat heeft van den tyd der verovering van het Land door de Engelschen af plaats gehad, als hadden zy onder de Hollandsche regering groter voordelen dan nu kunnen genieten, want in een zeker opzigt genieten zy nog groter voorregten dan de Engelschen zelven.
Huishouding.
In hunne huizen en maaltyden zyn zy veel spaarzamer dan de Engelschen. Zelden komt ’er meer op tafel dan ’er opgaat, en dikwyls niet genoeg. Ook krygt men hier niet zo veel punch. De vrouwen zyn [57]gemeenlyk goede huishoudsters; zy staan vroeg op en gaan laat naar bed, en zyn buitensporig zindelyk op de vloeren. Dezen worden verscheiden’ malen in de week geschrobd, en zaterdag ’s avonds geschiedt dit vast. In huis waren zy zindelyk gekleed dog niet opgeschikt. De kinderen leerde men Hollandsch en Engelsch spreken. De dienstboden bestonden hier meest uit Zwarten. Vele manspersonen droegen hun eigen hair, dog kort om ’t hoofd afgesneden, zonder hairbeurs of staart, want dit wierd voor een teken gehouden dat men een Franschman was. Toen ik uit Kanada hier weder terug kwam en ene hairbeurs droeg, riepen my de kinderen op straat na, Franschman! Franschman! zelfs trokken enigen my by de beurs.
In eten, drinken, en kleding ging men hier zeer van de Engelsche gebruiken af. Op ’t ontbyt nam men hier gemeenlyk thee, meest zonder melk. Voor dertig of veertig jaren kende men hier dien drank niet, en toen ontbeet men met enen boterham en wat melks. By de thee eet men boterhammen met gerookt vleesch. De huisvader bidt gemeenlyk hard op voor den maaltyd. Koffi wordt hier niet gebruikt. Om zeven of agt uur is de gewone tyd om te ontbyten. Het middagmaal bestaat meest uit zoete melk met brood, en somtyds wat suiker, ook wel uit gekookt of gebraden vleesch. Ook eet men veeltyds bry, die vry zuur smaakt, dog egter niet kwaad is. Alle middagen komt ’er een grote schotel met salade op tafel, die met veel azyn, en weinig, of geen olie, wordt toegemaakt. Het avondmaal is gemeenlyk boter en brood, met zoete melk met brokken van brood. De boter is zeer sterk gezouten. Somtyds drinkt men dan ook wel chokolade. Kaas wierd op vele plaatsen zo wel by het ontbyt als op het middagmaal gegeten, maar niet als in Engeland gesneden of in stukken, dog geschraapt. De drank is gemeenlyk dun bier of water.
Te Albany houden de Gouverneurs van New York dikwyls mondgesprekken met de Wilden der Vyf volken der Iroquoizen,44 vooral als het op enen kryg met de Franschen aankomt. Somtyds handelt men wel ook over de bekering der Wilden tot het Christendom. Dog dat de Engelschen omtrent dit stuk zo zorgvuldig niet zyn als de Franschen, en zo bekwame zendelingen niet gebruiken, kan men onder anderen zien uit het antwoord dat een der Sachems den Gouverneur Hunter by zulk een mondeling gesprek gaf. Na dat de Gouverneur uit naam der Koningin Anna den Amerikanen een deel klederen en andere dingen geschonken had, die hun wel gevielen, wilde hy ze nog verder van de genegenheid der Koningin overtuigen, en zeide, dat “hunne goede Moeder de Koningin [58]hun niet alleen zo edelmoedig met zo kostbare klederen voor hunne lichamen beschonken had, maar zy wilde ook hunne zielen met de prediking van ’t Euangelium voeden, ten welken einde men enige Predikers gezonden had om hen te onderrigten.” Dog kwalyk had de Gouverneur dit gezegd, als een der oudste Sachems opstond en zeide, dat “hy uit naam van alle zyne Landsgenoten zyne genadige Moeder en Koningin voor de schone klederen, die zy hun gezonden had, bedankte, dog wat de Predikers betrof, voorheen waren ’er verscheiden’ geweest,” welken hy by naam noemde, “die in plaats van hun enen hemelschen Godsdienst te prediken, hun geleerd hadden te zuipen, te bedriegen, en in onenigheid te leven.” Hierop bad hy den Gouverneur zyne Predikers en enen hoop andere Europers, die zig onder hun ophielden, terugteroepen; want “voor dezelver aankomst waren de Wilden een eerlyk, nugter, en onschuldig volk geweest, dog nu hadden zy ze meest allen tot schelmen gemaakt. Voorheen hadden zy God gevreesd, nu geloofden zy nauwlyks dat ’er een God was. Indien de Gouverneur iets voor hun doen wilde, moest hy liever hun twee of drie smids toezenden om hun het yzer te leren smeden.” De Gouverneur kon zig hier niet van lacchen onthouden. Hier kan men de woorden van Paulus toepasselyk maken: De naam Gods wordt om uwen wil gelasterd onder de Heidenen.45
Vertrek van Albany.
Den 21. Juni des avonds om vyf uur gingen wy van Albany naar Kanada op reis. Wy hadden twee lieden by ons die ons tot de eerste Fransche plaats, Fort St. Frederic, by de Engelschen Crownpoint genaamd, geleiden moesten. Wy betaalden hun voor hunne moeite aan [59]elk vyf ponden, en zy hadden vry eten en drinken. Die dezen vastgestelden prys niet geven wil moet alleen reizen. Wy moesten ons met ene Kano behelpen, dewyl ’er gene andere schuiten te krygen waren. Maar dewyl ’er langs de westzyde der Hudson een zeer goede weg liep, lieten wy onze geleiders met de Kano varen, en gingen op het land daarnevens, om het zelve zo wel als alle natuurlyke zeldzaamheden nauwkeurig te bezien. Het is lastig met deze Kanoos te reizen voor hen die ze roeyen of voortstoten moeten, want men staat over eind, een voor en een agter in met een riem in de hand, waarmede men het vaartuig moet voortroeyen of schuiven. Gemeenlyk houden zy zig digt aan land, daar zy met de riemen grond peilen en de Kano voortduwen kunnen. De roeyers kunnen in deze schuiten noit gaan zitten om te roeyen.
Wy hielden ons den gantschen avond aan den oever, die hoog was, en digt by ’t water met het zelve geboomte was bewassen als men op het Eiland by Albany vindt. Op de oosterzyde der Rivier is het land onbebouwd, met hout bewassen, en schuinsch aflopende; dog aan de westzyde vlak, bebouwd en meest met koorn bezaid. De akkers hadden gene gruppen, schoon het scheen dat die ’er wel nodig waren. Hier kon men duidelyk zien dat de Rivier voorheen breder was geweest, want op de akkers was de grond omtrent enen steenworp van ’t water hellende, welke helling met het zelve evenwydig liep. Dit gaf genoeg te kennen dat de akkers tot daar de grond begon te hellen voorheen tot den bodem der Rivier hadden behoord en dat de helling den oever uit gemaakt had. Behalven dat vond men op dezelven velen van die mosselschelpen die hier menigvuldig op den oever lagen, en die de Inwoonders niet gewoon zyn op de akkers te voeren of tot iets te gebruiken. Of deze verandering nu gekomen is om dat het water in de Rivier verminderd is, of dat het de aarde aan de kanten der Rivier aangespoeld heeft, kan ik niet zeggen.
Koornakkers.
De koornlanden waren hier allen zeer gelyk geploegd, even als in Upland in Zweden gebruiklyk is. Sommigen waren met bruine, anderen met witte Weit bezaid. Ook zagen wy hier grote vlaslanden, die nu begonnen te bloeyen. Op sommigen stond het vlas tamelyk wel, dog op anderen slegt. De heftige en aanhoudende droogte, die hier het gantsche voorjaar geduurd had, had op de hoge plaatsen al het gras en de planten verzengd, zo dat buiten het Wollenkruid ’er niets groens over was, dog dit gewas zag ik op de droogste gronden en de bergen groeyen, daar het de hette der zonne en de geweldige droogte trotseerde. Schoon evenwel ’er geen gras of iets anders voor het vee over was; wilde het nogthans het Wollenkruid niet aanroeren. [60]Op sommige plaatsen waren erwten gezaid, dog de mostaardplanten46 hadden ze byna geheel verstikt. De grond was meest ene dikke schone tuinaarde.
Wyngaarden.
De wilde Wyngaarden bedekten de hoogtens nevens den stroom overal waar zy kaal waren, en daar bomen stonden klouterden zy ’er op, en dat zo sterk dat zy de takken derzelver buigen deden. Daar waren al grote druiven aan. Wy zagen ’er veel van zo lang wy de Hudson volgden, zo op de oevers als op kleine Eilandtjes in het water.
Hierendaar zagen wy Maisdieven met witte ruggen in het hout vliegen. Zy zongen lieflyk, en waren kleinder dan de zwarten van hun soort. Wy zagen dezen het eerst by New York.
Wy vonden enen Waterbeuk omgehouwen leggen, die over ’t kruis drie Zweedsche ellen dik was.
Eilandtjes.
Wy zagen heden en de volgende dagen hier en daar enige Eilandtjes in de Rivier, waarvan de grootsten bebouwd waren.
Landsdouw.
Het land was vyf Eng. mylen ver, die wy dezen dag al wandelende afleiden, vlak, en uit zuivere aarde bestaande. Ik vond niet enen steen. De Roodbloemige Ahorn, de Waterbeuk, de Waterpopulier, de wilde Pruimboom, de Sumach, de Olm, de wilde Wyngaard, en twee soorten van Willigen, waren de bomen die wy enige dagen aan den oever zagen. De Aspergies groeiden hier en daar in ’t wild.
Wy namen onzen intrek zes mylen van Albany by enen Boer. Aan de westzyde der Rivier zagen wy verscheiden’ Landhoeven, van menschen bewoond die afstamden van de oude Hollanders, en welken zig van den landbouw geneerden. Omtrent ene Eng. myl boven de plaats waar wy den nagt doorbragten houd de eb en vloed in de Hudson op. In de Rivier vindt men velerlei soorten van visch.
Schuren.
De Schuren waren meest allen op zyn Hollandsch gebouwd, en waren vry groot. Somtyds bestonden de huizen op de hoeven maar uit een vertrek nevens ene schuur.
Den 22. des morgens volgde ik onzen Wegwyzer om den hogen Waterval, die de Rivier Mohawk47 by Kohoes maakt, eer zy in de Hudson valt, te bezigtigen. Het land is Vlak tot by den Val, alwaar het wat heuvelagtig is. Het hout was op de meeste plaatsen weggehakt, en het land bebouwd. Hier en daar zag men ene fraye Landhoeve.
Waterval van Kohoes.
De Waterval van Kohoes is een der grootsten van Noord Amerika. Boven en beneden denzelven bestaan de kanten en de bodem der Rivier uit louter rots. De Rivier is hier omtrent negenhonderd Eng. voeten breed. By den Val legt ene klip dwars tegens den stroom, die overal [61]even hoog is, en als enen muur in de Rivier maakt. De klip is aan de benedenzyde niet loodregt neergaande, dog steekt enen vadem of twee uit. De hoogte der klip waarover ’t water rolt scheen my op ’t oog tien of twaalf vadem te zyn; en de Ingenieur Evans, die dezelve meetkundig gemeten had, had ze twaalf en enen halven vadem, of vyfenzeventig voeten breed gevonden. Thans was ’er weinig waters op de Rivier, zo dat het maar op twee plaatsen over de klip heen liep. Het had door ’t vallen onder in de rots diepe gaten gemaakt, hier en daar twee of drie vadem diep. Onder den Val was de bodem der Rivier nu geheel droog, zo dat het water in het midden enen weg van twee vadem in de breedte, en enen vadem, of iets meer, diep, gemaakt had, schoon die bodem, gelyk gezegd is, geheel uit rots bestaat. Beneden den Val zag men verscheiden’ holen in de rots door het water gemaakt, volkomen gelyk de zogenaamde Bergketels of Reuzenpotten in Zweden. Zy waren van verschillende grootte. Ligt is het te begrypen dat deze Waterval een schrikkelyk geluid veroorzaken moet, wanneer de Rivier vol waters is, en het van meer dan zeventig voeten hoog neerstort. Wy hadden nu den heldersten zonneschyn, zonder dat ’er ene wolk aan den hemel te bespeuren ware, ook was het zeer stil, en egter was ’er by den Val, daar nu zo weinig water over nederstortte, een soort van nevel als van enen stofregen, ontstaande uit waterdroppels, die onder ’t vallen van het overige water afgescheiden, en door den wind herom gevoerd worden. Zodra men omtrent op enen musketschoot den Val nadert, van den kant waar de wind naar toe wait, voelt men zyne klederen nat worden als ware men in den regen. In de holtens die het water by den Val gemaakt had hielden zich verscheiden soorten van visch op; en enige menschen zaten daar met den angel te visschen. De klippen bestonden hier uit den zelven zwarten steen, waaruit alle de bergen omstreeks Albany bestonden. Deze steen, aan de lugt bloot gesteld zynde, is geneigd in kleine horizontale schyfjes te schilferen.
Pl. 4.
Waterval van Kohoes in de Rivier Mohawk 900 voet breed en 75. voet hoog.
Tuinen.
Ik zag een soort van betuiningen, diergelyken ik nog niet gezien had, die gene palen hadden, bestaande uit dwarsbalken waarop anderen in de lengte rustten. Deze betuiningen waren meer dan twee ellen hoog, en vorderden enen groten voorraad van hout. Indien men de balken gespleten had, zoude men uit het zelve hout veel meerder heiningen hebben kunnen maken.
Vervolg der reis.
Omtrent den middag vervolgden wy onzen togt met de Kano de Rivier op. Zy wierd een weinig boven de plaats van ons nagtverblyf zo ondiep, dat de riemen telkens op den grond sloegen, hebbende dikwyls niet de diepte van ene el waters. De oever en het bed der Rivier bestonden nu uit zand en kleine stenen. Egter hadden de roeyers werks genoeg om ons tegen den stroom op te arbeiden, [62]zo sterk ging die naar beneden. De oever was vol van heuvels van aarde, en op sommige plaatsen zeer hoog en steil. Het land was gedeeltelyk met hout bedekt, en gedeeltelyk bebouwd. De breedte der Rivier bedroeg gemeenlyk twee snaphaanschoten.
Steuren.
Men vindt vele Steuren in de Rivier. Wy zagen ze den gantschen dag, dog inzonderheid tegens den avond, uit het water om hoog springen. Wy wierden onderrigt dat men hier des winters gene Steuren vernam, en dat zy tegens dien tyd naar zee zwommen, kerende met het voorjaar weder op de Rivier. Zy houden zig liever in ondiep dan in diep water op; ook zagen wy ze nergens zo uit het water omhoog springen als waar de stroom ondiep was. Hun voedsel bestaat meest uit een soort van watergras,48 dat op sommige plaatsen der Rivier veel wast. De magen dezer visschen vindt men ’er gemeenlyk vol van. De Wilden en de hier woonagtige Hollanders vangen deze Steuren. Alle nagten vernamen wy verscheiden’ schuiten, die oppasten om ze te harpoeneren. De toortsen die zy by deze visschery gebruiken nemen zy het liefst van de Zwarte Dennenbomen. En, schoon het nu de tyd van het jaar was dat de nagten het kortst zyn, waren zy egter in ene zo zuidelyk gelegene plaats zo donker als by ons in Augustus. Op verscheiden’ plaatsen zagen wy dien en de volgende dagen vele dode Steuren, die gewond zynde ontsnapt, en daarna gestorven waren. Zy gaven enen onverdraaglyken stank van zig.
Amerikaansch Vrouwspersoon.
Wat hoger de Rivier opgekomen zynde zagen wy een Amerikaansch Vrouwspersoon, zittende met een jongetje in een schuitje van bast, en enen Amerikaan, die, met ene grote muts op ’t hoofd, door het water Wilden bezogt. waadde. Vlak daar by lag een Eiland, waarop zig nu vele Wilden om Steuren te vangen ophielden. Wy gingen naar hunne hutten, om te zien of ons niemant van hun naar Fort St. Frederic begeleiden wilde. Als wy ’er in traden waren alle de mans uit op de jagt, weswegen wy de kinderen overreden moesten om ze te gaan opzoeken. De loon dien zy daarvoor kregen bestond in twintig kleine broodtjes, want ziende dat wy verlangden de ouden te spreken, wisten zy allerlei zwarigheden te opperen tot dat men hun zo veel beloofde. Het Eiland kwam den hier wonenden Hollanderen toe, die het tot bouwland gemaakt hadden. De Wilden hadden het van hun in pagt, en hadden ’er mais en verscheiden’ soorten van kawoerden geplant. Zy hadden hier enige hutjes, of zogenaamde Wigwams, die zeer eenvouwdig waren. Zy bestonden uit vier regt op geslagene palen, waarop zy dwarsstokken gelegd, en het met een dak van bast overdekt hadden. Muren waren ’er of in ’t geheel niet, of zy bestonden uit takken met de bladeren ’er aan, die aan de [63]stokken waren vastgemaakt. Hunne bedden waren hertenvellen op den grond gespreid. Het huisraad bestond in een paar kleine ketels, twee lepels, een paar basten emmers, die zo digt waren dat ’er het water niet door kon. Het vleesch der Steuren was in langwerpige stukken gesneden, en te drogen in de zon gehangen, om tot wintervoorraad te verstrekken. De vrouwen zaten buiten op den heuvel op hertenvellen te werken. Zy gebruiken noit stoelen, maar zitten plat op den grond, met de benen, niet kruisgewys, meer buitenwaards onder zig gebogen, zo dat de aars tusschen de beide voeten komt. De Vrouwen waren allen bloothoofds, en hadden pekzwarte hairen. Zy droegen enen korten blauwen rok, die tot op de knien hing, en van onderen met rode of andere koorden omzet was. Zy droegen grote oorringen, en de hairen waren van agteren t’zamengebonden en met linten omstrikt. De Wampums hingen om den hals tot op de borst. Dit zyn hare parelen en geld. Zie daar haren gehelen opschik. Zy maakten allerhande dingen van beestenvellen, waaraan zy de pinnen der stekelvarkens vast naiden, die zy zwart of rood geverwd, of by derzelver natuurlyke witte kleur gelaten hadden.
Tegens den avond begaven wy ons naar ene Landhoeve aan de Rivier gelegen, waar wy maar enen man vonden, bezig om de mais en het ander koorn te bezigtigen, zynde de bewoonders van het huis zedert den oorlog niet terug gekomen.
Kreeften.
Men vindt hier kreeften in de beekjes, volkomen gelyk aan de onzen, dog wat kleinder; maar de Hollanders wilden ’er niet van eten.
Den 23. wagtten wy des morgens lang naar de Wilden, die beloofd hadden by ons te komen, om ons den weg naar Fort Anna te wyzen, en ons te helpen ene schuit van boombast te maken, waarmede wy onze reis konden voortzetten. Om agt uur kwamen ’er eindelyk drie mansperfonen. Zy hadden, gelyk gemeenlyk, pekzwarte en kort gesneden hairen, droegen ligtgroene kleedtjes om de schouders, en doeken of vellen, die om de benen en een stuk der dyen gewonden waren. Dog zy hadden nog hoeden, nog mutsen, nog koussen. Twee van hun hadden het bovenste van het voorhoofd en de wangen vermilioen geverwd. Om den hals hadden zy enen band, waaraan een zakje op de borst hing, in het welk zy hunne messen bewaarden. Zy beloofden eindelyk om voor dertig schellingen ons te geleiden, dog braken weder hunne belofte, en gingen met enen Engelschman heen, die hun meerder gaf, zo dat wy op onze reis gene geleiders vinden konden. Egter bragten zy ons de vyftien schellingen weder, die zy op hand gekregen hadden.
Het land in den kryg verwoest.
Ons laatste nagtverblyf was omtrent tien Eng. mylen van Albany af. By den laatsten en pas geeindigden oorlog waren alle de menschen naar Albany gevlugt, vermits de Franschgezinde Wilden alles vermoordden [64]of gevangen namen wat hun voorkwam, de huizen overal in brand staken, en het geboomte omhieuwen. Dus zag het ’er bedroefd uit toen de menschen, weder naar hunne woonplaatsen willende keren, gene huizen vonden, en genoodzaakt waren onder schuinsch tegens malkander gezette planken te slapen. De Rivier was hier omtrent een musketschoot breed, en aan beide zyden was het land bebouwd. De oevers waren steil, en de grond zag ’er bleek uit.
Vlierboom.
De Westersche Vlierboom was veelvuldig op de heuvels, die ’er geheel wit van waren, want hy stond in vollen bloei.
Moeilykheid der reis.
Wy hadden dezen gantschen dag den enen stroom voor en den anderen na aangetroffen, allen vol van stenen, het geen de reis zeer moeilyk maakte. Het water in de Rivier was helder, niet boven twee ellen diep. Het liep sterk af en bruischte tegens ons vaartuig. De oever lag vol van keistenen en grauw zand. De hoogtens bestonden uit aarde, waren verheven en loodregt. Twee musketschoten omtrent zal de Rivier breed zyn. Het land was hier en daar bebouwd, en hierendaar met bosschen bedekt.
Klaver.
De hoogtens waren vol van rode of witte klaver. Beide de soorten zagen wy dien en de volgende dagen zeer veel in de bosschen. Dus wist men niet met zekerheid te bepalen of zy uit Europa overgebragt is, zo als sommigen menen, dan of zy hier al van ouds is geweest, het welk de Wilden ontkennen. De Porcelein wies hier veel op zandgronden; dog zy was in de moestuinen een der lastigste onkruiden. Allengskens begonnen nu de menschen naar hunne woonplaatsen terug te keren, die de laatste kryg hen gedwongen had te verlaten. De Landhoeven lagen of aan de Rivier of op de hoger gronden, en zy waren, gelyk in dit Land gewoonlyk is, van boomgaarden en grote bouwlanden omringd.
Muskusratten.
Wy zagen vele holen van Muskusratten,49 gelyk met de oppervlakte van ’t water, van de grootte dat ’er ene kleine kat zou kunnen in kruipen. Voor dezelven lagen vele mosselschelpen, die de Ratten uitgegeten hadden.50 Men vangt ze in vallen, welken men aan ’t water stelt, en daar mais of appelen worden in gedaan.
Bomen.
De Sassafrasbomen waren hier tamelyk talryk, dog klein. Hierendaar zag men enen Kastanjeboom. De Cratægus Crus Galli stond in de schraalste gronden, en had lange doornen; zo dat men ’er zeer goede hagen van zou kunnen maken.
Wy namen onzen intrek des avonds by enen Boer, die eerst weder [65]op zyne hoeve gekomen was. Zyn huis was verbrand, dog hy had zyne schuur behouden. Deze Landhoeve was de laatste van de Provincie New York aan den kant van Kanada, waar de gebouwen nog waren blyven staan. Verder op behielpen zig de menschen onder hutten van planken.
Wy zetteden den 24. onze reis voort. Het land was aan beide de zyden der Rivier meest vlak, hierendaar wat bergagtig, en bestond meest uit magere dennebosschen. Hierendaar waren koornlanden en weiden, dog het meest was bosch. Op de Rivier hadden wy van Albany af tot halfwege Saratoga den stroom sterk tegen gehad, dus wy veel moeite hadden optekomen. Hierna egter wierd de Rivier enige Eng. mylen lang zeer diep en het water stil. De oevers waren zeer steil, dog niet zeer hoog. De Rivier was omtrent twee musketschoten breed. Na den middag kreeg zy ene andere rigting. Tot nog toe had zy van ’t noorden naar het zuiden gelopen, en nu liep zy van ’t noordnoordoosten naar het zuidzuidwesten, en somtyds van ’t noordoosten naar het zuidwesten.
Mieren.
Men vindt hier te lande niet vele Mierhopen. Ik weet niet enen enigen gezien te hebben voor ik aan den Waterval van Kohoes kwam. Heden namen wy ’er enigen in de bosschen waar. De Mieren waren van het zelve soort als de onzen.51 De hopen bestonden meest uit enen vermolmden steen gelykenden naar Lei, dien men hier vond, hebbende de Mieren niets anders daartoe.
De Kastanjebomen stonden verspreid in de bosschen. Ook vindt men hier wilde Moerbezien, dog zeldzaam. En hier was de noordelykste plaats daar men ze vond. Peen troffen wy dagelyks in ’t wild aan, dog maar op plaatsen daar het land bebouwd was, of voorheen bebouwd was geweest. De Hennip wies in ’t wild by oude planteryen.
Woudluizen.
Bomen.
De bosschen waren vol van Woudluizen, die ons zeer lastig waren. De Thuija occidentalis begon men aan den waterkant te zien wassen. Voor dezen had ik ze niet vernomen. De bomen die wy langs den oever zagen groeyen waren, Olmen, Berken, witte Dennen, Elzen, Linden, Kornoeljes, rode Willigen en Kastanjes. De Amerikaansche Vlierboom en de wilde Wyngaarden vertoonden zig maar op zulke plaatsen daar het land een weinig bebouwd was, als zogten zy beiden het gezelschap der menschen. De Linden en de witte Walnootbomen waren het talrykst. De Haagbeuken met opgeblazen zaadhuisjes52 zag men nu en dan; dog men vernam nog Waterbeuken nog Waterpopulieren meer. Zwarte Aardeekhoornen lieten zig dikwyls zien. [66]
Wilden.
Wy ontmoetten op enigen afstand van Saratoga twee Amerikanen in hunne basten schuitjes. Deze vaartuigen kunnen nauwlyks meer dan een mensch voeren. Digt by Saratoga wordt de Rivier wederom ondiep en stroomt sterk. Het land lag woest ter oorzake van den oorlog, zynde anders bebouwd.
Saratoga.
Saratoga is een soort van Vesting geweest, door de Engelschen van hout gebouwd tegens de aanvallen der Fransche Wilden, en om als een voormuur voor Albany te dienen. Het lag op ene hoogte op de oostzyde der Hudson. Het bestond uit dikke palen van tusschen de twee en drie vadem langte die in den grond geslagen waren, als palissades, digt by malkander, makende een vierkant, elke van welks zyden omtrent een musketschoot lang waren. Op de hoeken waren blokhuizen, en binnen de palissades de barakken, alles van hout. Het is tot in den laatsten kryg in wezen en bezet gebleven, tot dat in ’t jaar 1747. de Engelschen zelfs het in brand staken, kunnende het daar niet langer tegens de Franschen en de Wilden houden. Want zodra zy maar even by de Vesting kwamen, lagen de laatsten in hinderlagen, en namen ze gevangen of schoten ze dood. Onder andere krygslisten, die men hier gebruikte, wil ik ’er maar ene aanhalen, die my zo wel van Engelschen als Franschen, die ’er by tegenswoordig geweest zyn, verhaald wierd. Ene party Franschen en Amerikanen slopen des nagts in een kreupelbosch, dat niet ver van de Vesting aflag, en verstaken ’er zig in. Des morgens gingen, volgens afspraak, enige Wilden naar dezelve toe, en bespiedden ze. De Engelschen vuurde uit de verte op hun, en de Wilden hielden zig als of zy geraakt waren, vielen ter aarde, sprongen weder op, gingen een weinig, en vielen weder neer. Ruim de helft der bezetting viel daarop uit, om ze gevangen te nemen; dog zodra dezen ver genoeg waren, sprongen de Franschen op, kwamen uit het kreupelhout tusschen de Vesting en de Engelschen te voorschyn, sneden hun den aftogt af, en namen ze gevangen. Nauwlyks hadden die van binnen het Fort den tyd om de poorten toetekrygen. En egter dorsten zy op hunne vyanden niet schieten, uit vrees van hunne eigene spitsbroeders te treffen; dog moesten het hartzeer verduren van te zien hoe die door den vyand voor hunne ogen en onder hun geschut werden weggesleept. Door diergelyke konstgrepen maakten de Franschen het den Engelschen binnen de Vesting zeer moede. De afgebrande palissades stonden nog. Vlak by de Vesting lag een Eiland in de Rivier, het welk bekwamer zyn zoude om ’er een Fort op te bouwen, dan de vorige plaats.
Het land beneden Saratoga was aan beide de zyden der Rivier vlak, en de grond goed. De oevers waren hoog en steil, en zyn van aarde. Noordwaards aan zagen wy boschagtige bergen. De Inwoonders van dezen oord waren allen van Hollandsche afkomst, en haatten de Engelschen [67]geweldig. Den nagt bragten wy door in ene planken hut, door de landlieden opgeslagen.
Zaagmolens.
Voor den oorlog waren hier verscheiden’ zaagmolens geweest, die grote voordelen hadden aangebragt, dewyl hier veel hout valt. De planken wierden in ’t voorjaar als ’er veel water op de Rivier was in vlotten naar Albany en New York gevoerd. Thans zyn zy allen verbrand.
Waterval.
Den 25. ’s morgens gingen wy weder op reis de Rivier op. Na ruim ene Eng. myl afgedaan te hebben, kwamen wy by enen vry sterken Waterval, die ons een goed deel van den dag werk verschafte eer wy ’er de Kano konden over krygen. Onder den Val was de Rivier zeer diep, hebbende het vallende water den bodem uitgehold. Overal bevond men by de klippen in de Rivier ene grote diepte, somtyds tot boven de vier vadem, doordien het water tegens de klippen aanstotende en terug gekaatst den grond uitholde. Boven den Val wierd de Rivier weer zeer diep, ’er ging weinig stroom, en by de oevers wierd het water eensklaps zeer diep. Tot aan het Fort Nicholson toe waren de beide zyden der Rivier met zware bosschen bewassen. Na enige mylen geroeid te hebben kwamen wy op enen anderen nog hoger en moeilyker Waterval.
Reuzenpotten.
Men zag hier vele Reuzenpotten53 by den Val in de rots die dwars in de Rivier lag, en over dewelke het water viel. Nu was de rots meest bloot en droog, hebbende de Rivier in dit jaargetyde maar weinig waters. Sommigen van deze Reuzenpotten waren rond, anderen langwerpig. Op den bodem derzelver lagen steentjes of grof zand in menigte. Enigen waren over ’t kruis anderhalve el, anderen kleinder. De diepte was ongelyk, by sommigen vond ik die wel derdehalve el te belopen. Ik konde hier duidelyk zien dat zy door het omdrayen van stenen of zand in het water ontstaan waren.
De Kano verlaten.
Ons voornemen was geheel tot Fort Nicholson met de Kano te varen, het welk ons zeer gemakkelyk geweest zou zyn; dog wy konden den bovensten Waterval niet over komen, want de Kano was te zwaar en ’er was zeer weinig water; het liep maar op ene enige plaats over de rots, en op die plaats was de stroom te sterk om daar tegen op te arbeiden. Wy waren dan gedwongen de Kano daar te laten, en ons goed door ongebaande bosschen tot Fort Anne op de Rivier de Woodcreek te dragen, het welk omtrent een weg is van zeven of agt Zweedsche mylen, zo dat wy in de sterke hitte niet weinig afgemat werden. Op sommige plaatsen was ’er geen ander middel om over de rivieren te geraken, dan [68]grote bomen omtehouwen en ’er die over heen te leggen. Het land dat wy dezen namiddag doorwandelden was gelyk, zonder bergen en stenen, en doorgaans met zwaar geboomte bewassen. Overal zag men ene menigte omgevallen bomen, dewyl zig hier niemant van het hout bediende. Den nagt bragten wy in ’t bosch door, zeer gekweld wordende van muggen en woudluizen, en zonder te kunnen slapen uit vrees voor de Slangen.
Den 26. trokken wy in de vroegte verder door het woud langs de Hudson. Hier was wel een oude weg die naar Fort Nicholson ging, dog hy was zo bewassen dat wy werk hadden hem te ontdekken.
Fort Nicholson.
Het Fort Nicholson was ene plaats op de oostzyde der Hudson, daar voorheen ene houte Vesting gestaan had. Wy kwamen ’er een weinig voor den middag aan, en rustten ’er een wyl uit. Tot het begin van den laatsten oorlog hield zig hier de Overste Lydius op, voornamelyk om enen sterken handel te dryven met de Fransche Wilden. Dog in den oorlog leiden zy zyn huis aan kolen, en ontnamen hem zynen Zoon. De Vesting lag op ene vlakte; dog de plaats was nu met hout bewassen. Het Fort werd in ’t jaar 1709. by gelegenheid van den oorlog met de Franschen aangelegd, en was zo genoemd naar den toenmaligen dapperen Generaal Nicholson. Het was veeleer een magazyn voor het Fort Anne dan ene vesting. Toen in ’t jaar 1711. de aanslag ter zee der Engelschen tegens Kanada mislukte, staken zy het zelven in brand. De grond scheen hier vry goed. De Hudson stroomde hier digt voorby.
Vertrek van daar.
Wat na den middag gingen wy weder op reis. Tot nog toe waren wy den oosteroever der Hudson gevolgd, en hadden het regt op het noorden aangehouden, dog nu veranderden wy van weg, nemende dien oostnoordoost of noordoostwaards aan, dwars door de bosschen en de woestenyen heen, om de Rivier Woodcreek te bereiken, en dus te water naar Fort Frederic te kunnen komen. Het land dat wy nu doorwandelden was meest vlak en laag. Hierendaar zag men een beekje, die egter meest droog waren. Ook zag men enige kleine hoogtens, dog gene bergen of stenen. Overal was het land met hout bedekt. De bomen stonden digt by malkander, en gaven dus ene treffelyke schaduw. Dog dit genoegen wierd door de ontelbare menigtens van muggen gestoord, waarvan de bosschen vol waren. Men vond hier vele planten, die egter ver van malkanderen stonden, byna als in onze bosschen daar het vee ze vernield heeft, schoon hier noit vee geweest was. De grond lag overal dik met bladeren. Op andere plaatsen wies ’er veel mos. Het aardryk was doorgaans zeer goed, en bestond uit ene dikke tuinaarde, dewelke den planten enen goeden wasdom verschafte. Dus scheen het een zeer vrugtbaar land [69]te moeten worden als het wel bebouwd werd. Dog men vond hier weinig lopend water.
Wy namen ons nagtverblyf in de woesteny by een beekje, op dat wy geen gebrek aan water zouden hebben, het welk men in dit jaargetyde in de bosschen niet overal vond. Dog de muggen, de Punchins en woudluizen plaagden ons zeer. Behalven dat dreef ons de vrees voor de Slangen en nog meer voor de Wilden den slaap uit de ogen.
Punchins.
Punchins, gelyk ze de Hollanders noemen, zyn een klein soort van muggen,54 die men hier zeer veel aantreft. Zy zyn zeer klein, en hebben grauwe vleugels met zwarte spikkeltjes. Dezen waren tienmaal erger dan de grote muggen, want men konde ze wegens hare kleinte kwalyk zien, men vond ze overal, en zy waren niet bang. Zy veroorzaakten ene pyn ter plaatse waar zy gestoken hadden als of men zig gebrand had.
Des nagts hoorden wy grote bomen van zelven omvallen, schoon het zo stil was dat ’er zig geen blad bewoog. Dit vallen maakte een schrikkelyk gekraak in de stilte.
Voortreis.
Den 27. zetteden wy onzen togt in de vroegte voort. Het land bleef al even als gisteren gesteld, alleen zagen wy enige heuvels. ’s Morgens hoorden wy zeer duidelyk het geluid van enen Waterval in de Hudson.
Hindernissen.
Overal lagen vele bomen, die door den wind omgesmeten of van ouderdom omgevallen waren. Dog daar waren ’er genen omgehouwen dewyl het land niet bewoond is. Deze omgevallene bomen belemden onzen togt schrikkelyk, dewyl zy de doorgangen toestopten, en de Ratelslangen gedurende de hette van den dag zig daar het meest onthielden.
Fort Anne.
Om twee uur na den middag kwamen wy by ’t Fort Anne aan. Het legt aan de Rivier Woodcreek, die hier by haren oorsprong niet meer als een beekje is. Wy bleven hier den gehelen dag en den volgenden, om ene schuit van bast te laten maken, dewyl wy anders onmogelyk de Rivier af te Fort St. Frederic komen konden. Gelukkig was het ook dat wy hier waren, aangezien een van onze Wegwyzers ziek wierd, en niet in staat geweest zou zyn te voet verder te reizen, en zyn pakkadie te dragen. Was hy nog zieker geworden zo zouden wy hier hebben moeten blyven, dog die zouden ons zeer kwalyk gekomen zyn, nadien wy ons in ene woesteny bevonden, daar wy genen nieuwen voorraad zouden hebben kunnen krygen, en in den tyd van drie of vier dagen by gene menschen konden komen. Nu kon de zieke uitrusten en herstellen.
By ’t Fort Anne vonden wy ene menigte van Muizen van het gemene soort. Misschien zyn dezen wel afkomelingen van die welken met den [70]voorraad voor de Bezetting, toen de Vesting nog in wezen was, herwaards gebragt zyn.
Hier stonden enige Appel- en Pruimbomen. Zonder twyffel zyn zy hier geplant geworden, toen de Vesting nog in staat was.
Olmen.
De Amerikaansche Olmen wiessen hier in menigte. Daar zyn twee soorten van. Het ene wordt de Witte Olm genoemd, om dat de boom van binnen wit is. Dit soort was talryker dan het andere, dat men den Roden Olm noemt, om dat het hout roodagtig is. Van den bast des Schuiten van bast. Witten Olms maakte men de hier gebruikelyke bastschuiten, om dat die bast zagter is als die van andere bomen. Met den schors van den Hikory nait men den bast der Olmen t’zamen, en met die van den Roden Olm maakt men de einden van de schuit digt. Men klopt den bast tusschen twee stenen, of by gebrek van die tusschen twee stukken houts.
Het maken der schuit nam anderhalven dag weg. Om zulk ene schuit te maken zoekt men enen dikken, hogen, en zo veel als men kan, met weinig takken beladen Olm uit, die enen gladden bast heeft. Men houwt hem voorzigtig om, om den bast niet in ’t vallen te beschadigen. Sommigen klimmen op den boom, en scheiden den bast van den boom af, om hem des te minder te kwetsen. Zo deed onze schuitemaker dit maal. Men snydt met een mes den bast aan de ene zyde des booms regt door, zo lang als men de schuit maken wil. Aan beide de einden van de gemaakte snede, snydt men den bast van den stam af, ten einde hy dus te gemakkelyker zig afzonderen late. Dan schilt men den bast van den boom af, zorgdragende dat ’er geen gat in kome. Dit schillen gaat gemakkelyk in zyn werk in den tyd dat de boom vol saps is, en in andere jaargetyden legt men den boom voor ’t vuur om het afschillen te bevorderen. Den afgescheidenen bast spreidt men op den grond uit, zo dat de binnenzyde naar om laag legt. Om denzelven des te gelyker uittespreiden legt men ’er blokken en stenen op, die hem plat drukken. Dan buigt men de delen die de kanten der schuit maken moeten voorzigtig opwaards om het boord te krygen. Omtrent twee ellen van een slaat men stokken in den grond, volgens de kromme lyn, welke de zyden der schuit beschryven moeten, om daar mede den bast die ’t boord maken moet te ondersteunen. Men buigt dan de zyden in de gedaante welke de schuit moet hebben, en dan worden de stokken digter by malkander of verder van een gezet. Om de ribben van de schuit te maken neemt men dikke takken van den Hikory, dewyl dit hout zagt en buigzaam is. Men snydt die in platte stukken, enen duim dik, en buigt ze dan zo als ribben wezen moeten. Vervolgens worden zy dwars op den bodem der schuit gelegd, omtrent een span van malkander. De bovenranden van het boord worden van twee dunne latten gemaakt, die men tegens malkander legt, zynde zy plat [71]op de plaats daar zy tegens malkander moeten komen. Tusschen deze latten steekt men den bovensten rand van den bast, en nait dien tusschen dezelven met draden van zagten bast of wortelen vast. Dog eer dit geschiedt steekt men de einden der ribben ook tusschen de latten. Dit gedaan zynde wordt alles wel t’zamen genaid. De latten worden naar de kromte die het boord hebben moet gebogen, en komen aan het voor en agtereinde van de schuit by malkander, waar zy zelfs met touwen t’zamen wel vast gebonden worden. Op dat de schuit van boven niet te wyd worde, spant men ’er drie of vier banden over heen van het ene boord tot het andere, omtrent dertig of veertig duim van malkander. Deze banden zyn meest van Hikory. Men steekt ze met de einden digt onder de boordlatten door den bast heen, buigt ze over de latten in de hoogte, en dan worden zy over het middelste van de schuit heen t’zamen met touwen wel vast gemaakt. Aan de voor en agterstevenen maakt men den bast met den aan stukken gestotenen bast van den Roden Olm, die ’er dan als werk uitziet, digt, dat ’er geen water door kome. Over de ribben in de schuit legt men andere stukken bast, om over te gaan, want anders zoude men ligt met den voet of andersins een gat in den dunnen bast van den bodem stoten kunnen. Om des te zekerder te zyn, heeft men gaarn ene dunne plank of twee om ze op den bodem te leggen. De binnenzyde van den bast komt nu aan de buitenzyde der schuit, als zynde glad, zo dat het vaartuig des te ligter door het water loopt. Het gaat niet altyd zo spoedig met dezen scheepsbouw, want somtyds gebeurt het dat als men den bast van enen boom af geschild heeft, men ’er of kwade steken en gaten in ontdekt, of dien zo dun en gebrekkelyk bevindt, dat men ’er zyn leven niet op wagen durft. Dan moet men enen anderen boom zoeken. En het gebeurt wel dat men verscheiden Olmen schillen moet voor dat men enen goeden bast bekomt. Dit is ene korte beschryving van dit soort van vaartuigen. Het gene voor ons vervaardigd wierd was zo groot dat ’er vier menschen met ons goed in konden, het welk nog iets meer bedroeg dan de zwaarte van een mensch.
Onder het roeyen met zulke schuiten moet men alle mogelyke voorzigtigheid gebruiken, om niet op enen scherpen tak van enen onder water leggenden boom of enen paal te stoten, waardoor, als men wat sterk roeide, de halve schuit zou kunnen scheuren, het welk in diep water zeer gevaarlyk zyn zoude, vooral als de schuit nog daarenboven op den tak of den paal bleef vastzitten. Ook moet men zeer voorzigtig zyn in het instappen van deze gevaarlyke vaartuigen. Men trekt uit voorzorg gemeenlyk de schoenen uit, want anders, en vooral als men ’er met enen lugtigen sprong wilde in komen, zoude men ligt met de hakken door den [72]bodem heen trappen, het welk ook zeer gevaarlyk zyn zoude, vooral indien het kwam te gebeuren digt by ene rots, nevens welke het water zeer diep was; en zulke plaatsen zyn ’er veel op de Rivieren en Meren dezes Lands.
Muggen.
Nergens hadden wy in Amerika zo veel Muggen55 gezien als hier. Zy waren zo vinnig op bloed dat wy des nagts geen oog konden toedoen, schoon wy vuur rondom ons heen hadden gemaakt. Ook vond Woudluizen. men hier zeer veel Woudluizen,56 zelfs meer dan wy nog hadden ontmoet. Men was nauwlyks op den grond gaan zitten, of een gantsch heir van dezelven zat op de klederen. Wy leden van dit ongedierte niet minder dan van de Muggen. Zy waren zelfs gevaarlyk, omdat zy in de oren kruipende, zig daar invreten, en ’er bezwaarlyk uittekrygen zyn. Daar zyn voorbeelden dat zy de oren ter dikte ener vuist hebben doen zwellen. Meer hier van kan men vinden in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1754.57
De Wipperiwill liet zig byna den gehelen nagt aan alle kanten horen. Ook vlogen ’er vele Vuurvliegen door het hout.
Fort Anne.
Fort Anne, waar wy ons thans nedergeslagen hadden, is zo naar Koningin Anna genoemd, want in haren tyd diende het tot ene Vesting tegens de Franschen. Het legt aan de westzyde der Woodcreek, die hier maar een beekje van enen vadem breedte is, en nu zo ondiep was dat men ze doorwaden kon. Het was even als Saratoga en Fort Nicholson gebouwd. Alles was van hout. Het diende alleenlyk maar tegens stropende partyen. Het lag op ene hoogte, die schuinsch tegens de Woodcreek afliep. Het land hieromstreeks is ten dele vlak, ten dele bergagtig, en ten dele moerassig. De grond is louter aarde; en men vindt niet enen steen. Het Fort werd door den Generaal Nicholson in ’t jaar 1709. aangelegd, maar in ’t jaar 1711. wierd het, even als Saratoga en Fort Nicholson, door de Engelschen zelven verbrand. Dit gebeurde met de volgende omstandigheden. In ’t jaar 1711. besloten de Engelschen Kanada te water en te land gelykelyk aantetasten. Ene sterke vloot zeilde de Rivier van St. Laurence op om Quebec te belegeren, en de Generaal Nicholson, die zeer voor de onderneming geyverd had, toog met een sterk heir naar Montreal, om die plaats op den zelven tyd aantetasten. Dog een groot deel der vloot had het ongeluk op de Rivier schipbreuk te lyden, en was dus gedwongen terug te keren. De Generaal Nicholson kreeg hier van tyding, en men raadde hem insgelyks terugtetrekken. De Kapitein Butter, die Kommandant was van het Fort Mohawk gedurende myn verblyf in Amerika, verhaalde my, dat hy in ’t jaar 1711. zig ook by ’t Fort Anne bevonden had, en dat de [73]Generaal Nicholson ook van gedagte geweest was de schuiten de Woodcreek af te laten zakken, toen hy narigt kreeg van het ongeluk der vlote overgekomen. De Generaal wierd over deze tyding zo moeilyk, dat hy zyne zwarte pruik in stukken zogt te scheuren, dog, die te sterk zynde, had hy ze op den grond gesmeten, en ze met voeten getrapt, uitroepende, schelmery, schelmery, verradery, verradery! Daarop deed hy het Fort in brand steken, en trok af. Men zag de stukken der verbrande palissades nog in den grond steken. Ik vroeg myne wegwyzers hoe het kwam dat de Engelschen, zo veel kosten gedaan hebbende om het Fort aanteleggen, het zo zonder bedenking vernield hadden, en zy antwoordden in hunne eenvouwdigheid dat het alleen daarom geschied was om nog eens gelegenheid te hebben van de Kroon geld aftetroggelen, ten einde op nieuws het te herbouwen; want als men dit wilde doen moest de Regering ene grote somme schieten, welke die genen, wien het werk zou worden aanvertrouwd, ten groten dele in hunne zakken zouden kunnen steken, en het overige besteden tot het maken van een armhartig Fort. Daar waren, zeiden zy, by den laatsten oorlog vele voorname lieden te Albany geweest welken hunnen armen nabestaanden hadden geweten het leveren van brood en krygsbehoeftens te doen opdragen, waardoor dezelven tot zulken staat gekomen waren, dat zy nu onder de rykste lieden van Albany geteld werden.
De hette was dien dag ongemeen sterk, vooral na den middag, wanneer het geheel stil wierd. Wy hielden ons op ter plaatse waar het Fort gestaan had. De plaats was klein, en niet beschaduwd, dog rondom van bomen omgeven, zo dat de zon de lugt als kon doen branden. Het was des namiddags zo warm als op de zweetbank in een warm bad.58 Noit heb ik zulk ene hette gevoeld. Ik kon nauwlyks adem [74]halen. Als ik naar de vally ging, en op den kant van de Woodcreek was, kwam het my voor een weinig draaglyker te zyn. Maar op de hoogte was het in de schaduw al zo benauwd als in de zon. Ik beproefde my wat te verkwikken door met den hoed te wayen, dog dit maakte my het adem halen byna nog bezwaarlyker. De grootste baat vond ik als ik in ene beschaduwde plaats wat water uit de beek voor my in de lugt smeet. Myne Reisgezellen werden ook geheel afgemat, dog vonden die benauwdheid by het ademen niet als ik. Tegens den avond wierd het wat koelder.
Voortreis.
Den 29. zetteden wy des morgens onzen togt voort, zynde nu onze schuit eindelyk gereed. Onze voorraad, die begon te minderen, deed ons zeer denken om voort te trekken, want dewyl wy door deze wildernissen alles op den rug dragen moesten, konden wy niet veel medenemen; en egter aten wy allen smakelyk. Dewyl ’er weinig water op de Woodcreek was, en daarenboven verscheiden’ omgevallen bomen over haar heen lagen, liet ik onze Wegwyzers de schuit de Rivier af arbeiden, en wandelde met Jungström langs den oever. Het land was aan beide zyden zo laag dat het in ’t voor- en najaar zekerlyk moet onder water staan. De bomen, die van meer dan een soort waren, stonden ondigt, en tusschen dezelven was veel gras. De schaduw van het geboomte zoude ons zeer aangenaam geweest zyn hadden de Muggen ons genoegen niet zeer verminderd. De grond was zeer vet.
Beverdammen.
Wat lager verhinderden de dammen door de Bevers in het water gemaakt onze reis niet weinig. Zy hadden allerlei takken t’zamen gesleept, en daarvan dammen dwars in den stroom gemaakt, waar zy slyk en klei tusschen gestopt hadden, zo dat ’er het water niet doorkonde. Zy hadden de takken zo net afgebeten dat men gedagt zoude hebben dat ze met een byl waren afgehouwen. Het gras daar omstreeks hadden zy plat getrapt. Wy vonden den enen Beverdam voor en den anderen na; het welk ons zeer ophield, want wy moesten eerst ene opening in de dammen maken, eer wy ’er met de schuit door konden. Wy zagen door het gras grote wegen lopen, die zonder twyffel van [75]de Bevers gemaakt waren, welken daar de bomen zullen hebben langs gesleept.
De Woodcreek.
Toen de stroom wat ruimer wierd gingen wy in de schuit zitten, en voeren hem af. Hy was niet boven de drie vadem breed. Op sommige plaatsen had hy niet boven enen vadem wydte, en hy was dikwyls zo ondiep dat de schuit grond raakte. Dog op anderen had hy meer dan enen vadem waters. Somtyds was ’er veel, somtyds weinig strooms. In ’t eerst waren de kanten laag, naderhand verheven. Hier en daar zag men ene rots. Wy merkten op dat het water diep was overal daar men rotsen vernam. De rotsen bestonden uit enen grauwen kwarts vermengd met enen grauwen kalksteen, leggenden in beddingen. Het water was zeer helder. Hier en daar liepen paden van den stroom landwaards, zynde van de Bevers, of van andere dieren, die hier kwamen drinken, gemaakt. Na omtrent drie Eng. mylen gevaren te hebben kwamen wy op ene plaats daar nog een vuur te branden lag, en dagten toen weinig dat wy den vorigen nagt nauwlyks den dood ontsnapt waren, gelyk wy dezen avond vernamen. Verscheidene bomen, dwars over den stroom, en vele Beverdammen, verhinderden ons spoed te maken.
Gevaar waar in de Schryver was.
Tegens den avond ontmoetten wy enen Franschen Sergeant met vyf man, zynden van den Kommandant van Fort St. Frederic afgezonden, om drie Engelschen naar Saratoga te geleiden, en ze des noods tegens zes Fransche Amerikanen te beschermen, die op de Engelschen te loeren lagen, om zig over den dood van den Broeder van enen dezer Wilden te wreken, die in den laatsten kryg door de Engelschen was doodgeschoten, op die zelve plaats daar nu de Wilden de Engelschen wilden waarnemen. De vrede was wel alreeds gesloten; dog alzo die in Kanada nog niet uitgeroepen was, zo meenden de Wilden regt te hebben dus te werk te gaan. Zy gingen in stilte, tegens het verbod van den Gouverneur van Montreal aan, weg, en begaven zig naar de Engelsche planteryen. Wy erkenden de voorzorg des Hemels voor ons in opzigt dezer bloeddorstige Barbaren. Den gantschen dag zagen wy dat het gras langs den stroom was plat getreden, zo dat ’er binnen kort menschen moesten langs gegaan zyn. Dog wy vermoedden geen gevaar, denkende dat alles in rust en vrede was. Wy hoorden naderhand dat het deze wraakzugtige Wilden waren geweest die het gras hadden neergetrapt en het vuur aangelegd, dat wy nog brandende gevonden hadden. De gewone weg dien zy hadden moeten nemen was juist dezelve dien wy langs gekomen waren; dog zy waren gemakshalven langs enen ongebaanden weg oostwaards gegaan. Zonder dat hadden zy ons onfeilbaar aangetroffen, en, daar zy ons voor Engelschen zouden hebben aangezien, zouden zy ons ligt hebben kunnen [76]overvallen en doodschieten. Wy waren niet weinig aangedaan toen wy van de Franschen hoorden in welk een gevaar wy geweest waren. Hier bleven wy den nagt over. En schoon de Franschen ons sterk raadden van niet voort te reizen, maar liever met hun naar de naaste Engelsche Bezitting terug, en van daar verder naar Fort St. Frederic te gaan, besloot ik egter om onder de bescherming van God onze reis den volgenden dag te vervolgen.
Duiven.
Wy zagen dezen dag zeer vele wilde Duiven, welken somtyds des winters in zo verbazende menigte naar de Engelsche volkplantingen zuidwaards afkomen. Zy vlogen met grote hopen in de wildernissen. Zy nestelden in de bomen, en maakten daar den gehelen nagt over een groot geraas en gekir. De Franschen schoten ’er velen van, en deelden ons mede van de vangst. Toen wy ze openden vonden wy zeer veel Olmzaden in de kroppen. Wy zagen hier weder de voorzorg in van den alwyzen Schepper. De zaden van den Roodbloemigen Ahorn, die hier veel wast, worden in Mai ryp, en vallen dan in grote menigte af. Zy dienen in dien tyd tot onderhoud dezer duiven. Daar op komen de zaden van den Olm tot rypheid, die haar dan tot voedsel dienen, tot den tyd toe dat ’er weer andere zaden ryp zyn. Het vleesch dezer Duiven is het lekkerste van alle gevogelte.
Omvallende bomen.
Alle avonden en nagten hoorden wy bomen kraken en vallen, schoon het dood stil was. Waar dit van daan kome weet ik niet. Zou wel de dauw of iets anders de aarde aan den voet der bomen des nagts losmaken? Of zoude het komen van het overwigt van takken aan de ene zyde? Zoude ’er wel misschien des nagts zo vele wilde Duiven aan enen kant van enen boom komen zitten, dat hy daarvan omvalt? Misschien begint de boom eerst allengskens naar ene zyde overtehellen, tot dat hy eindelyk omstort. Als het wait houdt men het gevaarlyk in de bosschen te zyn, van wegen de menigte van omvallende bomen. En al is het stil zo loopt men dog gevaar. Wy zagen in deze wouden gantsche streken waar de bomen door de stormen waren omver gesmeten, leggende allen in ene rigting.
Thee.
De Thee, die wy uit China krygen, wordt van sommigen hoog geschat, van anderen veragt. Ik denk dat wy ’er niet by verliezen zouden al hadden wy nog Thee nog Koffi; ook zou ons dit veel gelds besparen. Egter moet ik tot lof der Thee zeggen, dat zy des zomers by het reizen door grote wildernissen, daar men nog wyn nog enigen anderen drank kan mede voeren, zeer wel te pas komt, vooral daar het water meest vol van Insekten of bedorven is. Dan is het goed het op te koken, en ’er thee in te doen. Ik kan niet beschryven hoe verkwikkelyk [77]zy dan is voor den verhitten Reiziger. Zy is op zulke reizen byna al zo noodzakelyk als eten.59
Den 30. des morgens gaven wy onze schuit den Franschen over, om ’er hunnen voorraad in te vervoeren, want wy konden ze niet langer gebruiken ter oorzake der menigte bomen, die de Franschen met voordagt in den laatsten oorlog in de Woodcreek gesmeten hadden, om den Engelschen het invallen in Kanada te beletten. Zy integendeel stonden ons toe ene van hunne basten schuiten te nemen, die zy omtrent zes Eng. mylen verder terug gelaten hadden. Wy zetteden dan in ’t eerst onze reis te voet langs den oever voort. Het land was gelyk, hier en daar had het maar enige dalen. Overal was het met zwaar hout bewassen, de meeste bomen waren Beuken, Olmen, Amerikaansche Linden, en Suikerahornen. Het geboomte stond niet digt, en de grond was vet.
De Landsdouw.
Eindelyk kwamen wy op de plaats daar de schuiten der Franschen lagen, wy namen ’er ene van, en voeren ’er den stroom, die nu ongevaar agt of negen vadem breed wordt, mede af. Het land was aan weerskanten gelyk en niet zeer hoog. Hier en daar zagen wy enen berg, welks stenen uit enen grauwen kwarts, met fyne korrelen van enen grauwen spaath vermengd, bestonden. Ook waren ’er zwarte strepen in, dog zo fyn dat ik niet zien konde waaruit zy zamengesteld waren. De bergen bestonden uit beddingen, elke omtrent een vierde van ene el dik. De beddingen lagen noord en zuid, dog niet horizontaal, maar wat lager naar het noorden. Verder weg zag men ter zyde der Rivier hoge en steile bergen, ten dele vol houts. Op andere plaatsen waren de oevers veenagtig, en dreunden onder de voeten, gelykende veel naar de kanten van moerassen die men wil droog maken. Waar het land leeg was vond men niet eenen steen. Het was, waar gene bergen waren, met hoge Olmen, Amerikaansche Linden, Suikerahornen, Beuken, Hikory, enige Waterbeuken en Witte Walnootbomen bewassen.
Ter linkerhand zagen wy ene oude vervallen’ Vesting, bestaande uit op malkander gestapelde stenen. Dog niemant wist te zeggen of zy van de Wilden dan van Europers aangelegd was.
De Schryver verdwaalt.
Wy hadden den gantschen namiddag groten spoed gemaakt, niet twyffelende of wy waren op den regten weg; dog wy bedrogen ons. Tegens den avond vonden wy dat het gras in ’t water met de toppen tegens ons stond, ten teken dat wy tegens stroom voeren, daar, zo [78]wy op den regten weg waren, wy den stroom mede hadden moeten hebben. Ook merkten wy, uit de dwars over het water leggende bomen, dat ’er niemant binnen korten kon door gevaren zyn, en zagen de voetstappen niet der Franschen die, als zy ’er waren heen gekomen, de schuiten over het land zouden hebben moeten voortbrengen. Eindelyk zagen wy ook stukken houts ons te gemoet dryven, zo dat het zeker was dat wy den stroom tegen hadden. Wy wierden dan duidelyk gewaar dat wy ten minsten twaalf Eng. mylen ver verkeerd geroeid waren. Dus waren wy tot ons leedwezen genoodzaakt tot diep in den nagt terug te roeyen. Wy verbeeldden ons dikwyls uit angst, dat het niet missen kon of de Wilden, die uit waren gegaan om Engelschen te vermoorden, moesten ons vinden. Met al ons roeyen evenwel waren wy niet in staat dien dag weder op de plaats te komen daar wy het regt Kanaal gemist hadden.
De oevers gaven tegens den avond enen zeer lieflyken geur. Wy hadden egter den tyd niet te onderzoeken welke bloemen dien reuk veroorzaakten, dog het zullen waarschynlyk die van de Asclepias Syriaca en het Apocynum Androsæmifolium geweest zyn.
Ook rook men de Muskusratten sterk tegens den avond. Zy hadden hunne holen in de kanten van het water.
Vrees voor de Wilden.
Den nagt bragten wy op een Eiland door, daar ons de heiren van voor de Muggen gene rust lieten. Wy dorsten geen vuur maken om ze te verdryven, uit vreze van de Wilden daar door tot ons te trekken. Het geen onze bekommering nog zeer vergrootte was, dat wy des nagts de honden der Amerikanen, schoon ver van ons af, in de bosschen hoorden blaffen.
Landsdouwe.
Den 1. Juli gingen wy met het aanbreken van den dag op reis, en moesten ene goede wyl roeyen eer wy op de plaats kwamen daar wy ons den vorigen dag bedrogen hadden. Het land daar wy langs voeren was het magerste ’t welk men zou kunnen zien. Men zag niets anders dan den enen hemelhogen berg na den anderen. Zy waren met hout overwassen, steil en glibberig op de kanten, zo dat wy grote moeite hadden om ene plaats te vinden daar wy aan land komen konden, om ons eten klaar te maken. Aan beide de zyden der Rivier stond het land, dat vlak was, onder water. Om die reden wordt deze gehele oord enige mylen ver, door de Hollanders te Albany, de verdronkene landen genoemd. Enigen der bergen leggen zuid-zuid-west en noord-noordoost. De oever, waar de Rivier tegens de bergen stiet, was ene loodregte steilte, vol van grote en kleine stenen. Enige mylen lang liep de Rivier van ’t zuiden naar ’t noorden.
Den gantschen dag woei het uit het noorden, en ons tegen, zo dat wy moeite hadden voorttekomen. Ieder van ons roeide uit alle [79]magt, want by ons ontbyt was ons eten geheel opgeraakt. De Rivier was hier wel ene Eng. myl breed, dog wierd somtyds weer smalder; meest was zy egter wyd, en had op de kanten hoge bergen.
Des avonds om zes uur kwamen wy aan ene landengte omtrent twaalf Eng. mylen van Fort St. Frederic. Agter deze landengte wordt de Rivier tot ene ruime bai. Dewyl wy vermoeid waren en den wind steeds sterk tegen hadden, konden wy dien dag niet verder komen. Dus moesten wy hier ons nagtverblyf kiezen, ongeagt den honger die ons moest voortdryven.
Het was ene byzonder gunstige schikking van God dat wy op onze reis de Fransche Soldaten ontmoetten, en van hun ene basten schuit kregen om voorttekomen. Het gebeurt nauwlyks eens in drie jaren dat de Franschen dezen weg nemen als zy naar Albany willen. Zy gaan meest over het Meer St. Sacrement,60 welke weg nader en veel beter is. Dus verwonderden zig alle menschen dat zy dezen weg gekozen hadden. Indien wy hunne grote basten schuit niet gekregen, en ons met de onze hadden moeten behelpen, zoude het ’er met ons misselyk hebben uitgezien. Want ons met zo slegt een vaartuig op zo groot een water, als deze bai is, te wagen, zoude de uiterste roekeloosheid geweest zyn. En zo wy op stilte hadden gewagt, waren wy van honger gestorven. Want daar wy geen schietgeweer by ons hadden, en ’er ook in deze woestenyen weinig wild is, zo zouden wy van kikkers en slangen hebben moeten leven, van de welken, en inzonderheid van de laatsten, ’er hier ene bystere menigte is. Ik kan noit aan deze reis denken zonder met den grootsten eerbied de gunstiger schikking van den genadigen Schepper te erkennen.
Den 2. gingen wy weder in de vroegte op reis, zelfs nog by maneschyn, uit vrees van weder den wind tegen te krygen als wy sammelden. Wy roeiden allen zo sterk als wy konden, en kwamen om agt uur Fort St. Frederic. des morgens gelukkig te Fort St. Frederic aan, het welk van de Engelschen Crownpoint genoemd wordt. Wy werden zeer gunstiglyk van den Kommandant, den Heer Lusignan, ontvangen. Hy was een man van omtrent vyftig jaren oud, zeer aangenaam, en in de wetenschappen wel ervaren. Hy had deze Landen nauwkeurig doorreisd, en bezat dus vele kundigheden aangaande den toestand derzelven.
Droogte.
Ik hoorde dat gedurende dezen gehelen zomer ene grote droogte geheerscht had, en dat ’er sedert de lente geen regen gevallen was. Deze droogte had den wasdom der planten zeer vertraagd. Op de hoogtens was alles verdord. Kleine bomen, die nevens rotsen stonden waarop de zon sterk brandde, hadden droge bladeren. Op de akkers stond het [80]koorn bedroefd slegt. De weit was nog niet gezet, en de erwten bloeiden nog niet. De grond was op vele plaatsen zo gereten, dat kleine slangen zig in de spleten gemakkelyk verstoppen konden.
Dennebosschen.
In dezen oord vindt men zware bosschen zo wel van Rode en Witte, als van Zwarte Dennen. Dog voorheen waren zy nog uitgestrekter. Het dikwyls ontstaan van brand in de bosschen, het welk de Wilden veeltyds veroorzaaken, heeft de bosschen zeer verminderd. Op de jagt zynde leggen de Amerikanen dikwyls grote vuren aan, welken by droogte door den wind zig niet zelden uitbreiden.
Men heeft hier te lande grote pogingen gedaan ter bevordering der Natuurlyke Historie, en nauwlyks heeft men zig ergens meer dan hier daartoe bevlytigd. Dit heeft men den yver van een enig Man te danken. Men ziet hieruit wat enen luister en wat enen opgang de wetenschappen in een Land daarvan ontvangen als de eerste lieden smaak en liefhebbery voor dezelven hebben. De Kommandant vertoonde my een papier dat hy van den Gouverneur Generaal van Kanada, den Marquis de la Galissonière, ontvangen had. Het was die zelve Heer, die enige jaren daarna, als Admiraal der Fransche vloot, den Admiraal Byng deed wyken, en dus de verovering van Minorka bevorderde. In dat papier wierden vele bomen en planten, die in Noord Amerika wassen, en wegens hun nut verdienen aangekweekt te worden, opgenoemd. Van sommigen, als by voorbeeld de Polygala Senega, of de Ratelslangwortel, gelyk zy by de Engelschen genoemd wordt, vond men ’er beschryvingen in. By verscheidenen werd de plaats aangewezen waar zy wassen. Wyders wordt ’er in gevorderd, dat men allerlei zaden en wortelen verzamelen zoude. Om dit te bevorderen vindt men ’er in hoe dit het best werkstellig gemaakt, hoe de zaden en wortels het best bewaard en naar Parys gezonden konnen worden, om daar voorttekomen. Men vordert ’er stalen in van allerlei delfstoffen, en noemt verscheiden’ plaatsen op in de Fransche volkplantingen, waar men nuttige of merkwaardige soorten van stenen, van aarde of van delfstoffen gevonden heeft. Ook wordt aangewezen hoe verscheiden’ aanmerkingen en verzamelingen aangaande het Dierenryk te maken zyn. Te gelyk word geëischt, dat men op allerlei mogelyke wyzen onderzoeken zoude waartoe en hoe zig de Wilden van zekere kruiden en andere natuurlyke voortbrengsels, ’t zy in de geneeskonst of anders, bedienen. Dit nuttige geschrift was op bevel van den Marquis de la Galissonière door den koninglyken Geneesheer te Quebec, den Heer Gaultier opgesteld, en naderhand door den Markgraaf zelven met eigen’ hand verbeterd en vermeerderd. Hy deed ’er vervolgens vele afschriften van maken, en die ter hand stellen aan alle de Officieren in de Bezettingen, en alle Geleerden, vooral die hier te lande meenden te reizen. [81]Den Officieren wordt bevolen die Soldaten en anderen by den Gouverneur bekend te maken, die ene byzondere vlyt in het ontdekken en verzamelen van kruiden en andere zaken tonen zouden, op dat hy ze by openvallende plaatsen en andere gelegenheden, tot de diensten waartoe zy geschikt waren bevorderen, of op ene andere wys belonen mogte. Ik merkte ook dat hier by de voornaamste lieden ene veel grotere liefhebbery voor de Natuurlyke Historie plaats had dan in de Engelsche Volkplantingen, waar men met de wetenschappen in ’t algemeen den spot dreef, en maar dagt om zig te verryken.61 Men klaagde hier dat velen, die zig op de Natuurlyke Historie toeleiden, verzuimden by de Wilden te vernemen welk gebruik men in de Geneeskonst van vele gewassen maken konde.