1 Deze drie stippen zyn den meesten Insekten eigen, en moeten by gevolg niet voor kentekens van een byzonder soort worden gehouden. Men noemt ze Stemmata, en zy zyn een soort van ogen, dienende om in de verte te zien, gelyk hunne andere ogen dienen om naby zynde voorwerpen te beschouwen. F. ↑
2 Het is een stuk dat onder de Natuurkundigen in verschil staat, of de Zwaluwen, wanneer zy in de noordelyke landen verdwynen, naar warmer gewesten verhuizen, dan of zy in holle bomen en gaten in rotsen kruipen, en daar den winter ongevoelig doorbrengen, dan eindelyk of zy zig onder water verbergen en met den aanvang der lente weder te voorschyn komen. De twee eerste gevoelens hebben de meeste goedkeuring verworven, het laatste is by velen als een spreukje uitgejouwd. Maar de Natuurlyke Historie, gelyk alle andere Historien, steunt niet altyd op ene innerlyke waarschynlykheid, dog op daden, gegrond op het getuigenis van geloofwaardige lieden. Men heeft zelden Zwaluwen in ’t water zien wegduiken; Zwaluwen zyn niet met zulke werktuigen geschapen als kikkers en hagedissen, die des winters ongevoelig zyn; by gevolg kunnen de Zwaluwen des winters niet onderwater leven.—Zulk ene wys van redeneren, denk ik, zou ons te ver voeren in vele gevallen; want, schoon men niet wel begrypt hoe Zwaluwen onder water leven kunnen, zoude het egter waar kunnen zyn. Hagedissen en kikkers zyn dieren al te zeer van de Zwaluwen verschillende, dan dat de laatsten van een diergelyk maaksel als de eersten zyn zouden. De beer en de bergrot zyn in den winter in enen gevoellozen staat, en hebben egter gene werktuigen gelyk de kikkers en hagedisssen, en niemant twyffelt ’er aan dat zy in de ruwste lugtstreken in enen staat van gevoelloosheid zyn. De bewoonders der Alpes graven de hollen der marmotten op, en vinden ze in enen gevoellozen staat, zo dat zy hun den hals afsnyden kunnen zonder dat de dieren het minste teken van leven geven. Dog als men den slapenden marmot in een warm vertrek brengt en voor het vuur plaatst, wordt hy levendig. Derhalven moet de vraag door daden worden beslist, en die ontbreken hier niet. Dr. Wallerius, die beroemde Zweedsche scheikundige, schreef in ’t jaar 1748. den 6. Sept. O. S. aan den Heer Klein, Geheimschryver der stad Dantzig, dat hy meer dan eens de Zwaluwen op het riet zig had zien verzamelen, tot dat zy allen in ’t water wegzonken, na dat zy, als ware het, een kwartier lang een doodlied gezongen hadden. Ook getuigt hy dat hy ene Zwaluw gezien heeft die in den winter met een net uit een poel gehaald was, zynde, gelyk dit in de noorder landen gewoonlyk is, onder het ys gezonken, welke in ene warme kamer gebragt zynde by zig kwam, begon te vliegen, dog kort daarna stierf.
De Heer Klein vervoegde zig aan sommige algemene Pagters in de landen des Konings van Pruissen, in wier landstreken vele wateren waren, welker visschery een deel uitmaakte van hunne inkomsten, en die het voordeligst in den winter is onder het ys, geschiedende met netten die meer dan twee of driehonderd vademen zig uitstrekken, zo dat zy dikwyls met werktuigen van wegens hunne zwaarte, moeten worden opgehaald. Nu alle de volgende personen [5]ondervraagd zynde hebben voor de wethouderschap onder ede het volgende betuigd. I. De Moeder der Gravin van Lehndorf zeide, dat zy enen klomp van Zwaluwen gezien had, gehaald uit het Frisch Haff, een Meer dat by Pillau gemeenschap heeft met de Oostzee, welken, in een matiglyk warm vertrek gebragt zynde levendig wierden en begonnen te vliegen. II. De Graaf van Schlieben gaf een bezegeld getuigschrift, behelzende, dat des winters in het Meer, behorende aan zyn Landgoed van Gerdauen, visschende, hy verscheiden Zwaluwen in het net kreeg, waarvan hy ’er ene opnam, ze in een warm vertrek bragt, alwaar zy, een half uur gelegen hebbende, zig begon te bewegen, en een half uur daarna herom te vliegen. III. De Amptman Witkowski betuigde, dat in het jaar 1740. drie Zwaluwen in een net opgehaald wierden in het grote Meer te Didlacken. In het jaar 1741. kreeg hy twee Zwaluwen uit een ander deel van het Meer en bragt ze naar huis, dewyl zy in zyn byzyn gevangen waren. Na den tyd van een uur wierden zy allen in ene warme kamer levendig, vlogen, en stierven drie uren daarna. IV. De Amptman Bonke zeide, dat hy, het Landgoed Kleskow in pagt hebbende, negen Zwaluwen in een net van onder het ys had zien ophalen, die hy allen in ene warme kamer bragt, waar hy duidelyk zag hoe zy allengskens bykwamen, dog zy stierven allen kort daarna. Ene andere reis kreeg zyn volk weder enige Zwaluwen in een net, dog hy deed ze weder in ’t water smyten. V. Andries Rutta, een Visscher te Oletsko, getuigde in ’t jaar 1747. dat tweeëntwintig jaar geleden hy in een net twee Zwaluwen optrok van onder het ys van daan, die in ene warme kamer bykwamen. VI. Jakob Kosiulo, ook een Visscher te Stradauen, betuigde dat in ’t jaar 1736. hy in een net van onder, het ys op het Meer te Ratski ene dood schynende Zwaluw optrok, die binnen een half uur in een warm vertrek bykwam, dog een kwartier uurs daarna zwak wierd en kort daarop overleed. VII. Ik kan my zelven onder de ooggetuigen rekenen van deze vreemde stelling in de Natuurlyke Historie. In het jaar 1735. in den winter, zag ik, een kleine jonge zynde, verscheiden’ Zwaluwen door enen Visscher uit de Weissel in myn vaders huis brengen, waarvan ’er twee in een warme kamer zynde gebragt bykwamen, en aan ’t vliegen gingen. Ik zag dat ze verscheiden’ malen op den kacchel gingen zitten, en het heugt my dat zy den zelven morgen nog stierven, en dat ik ze dood in myne handen had.
In het jaar 1754. na den dood van mynen Oom Godefried Wolf, Kapitein in het Regiment Poolsche Gardes te voet, een van wiens erfgenamen ik zelf was, bestierde ik ten behoeven myner medeërfgenamen verscheiden landgoederen, geheten de Starosty van Dirschau in Poolsch Pruissen, die myn overleden Oom van den Koning had gepagt. In Januari beval ik onder het ys van het Meer van Lybsbau te visschen, en in myne tegenwoordigheid wierden ’er [6]verscheiden Zwaluwen opgehaald, welken de Visscher weer in ’t water smeet, uitgenomen ene, die ik zelf in huis bragt, hetwelk vyf mylen van daar lag, waar zy bykwam, dog kort daaraan overleed. Dit zyn daden bevestigd door lieden van den hoogsten rang, waarvan sommigen openbare ampten bekleedden, of door anderen, die, schoon van minder aanzien, dezelven met eden bevestigd hebben. Het is onmogelyk te onderstellen, dat alle deze lieden zonder onderscheid belang gehad zouden hebben van ene onwaarheid als ene gebeurde zaak optegeven. Het is dan zeer waarschynlyk, of liever het is onbetwistbaar waar, dat in de noordelyke landen de Zwaluwen gedurende den winter zig in het water verbergen, en daar in enen staat van gevoelloosheid blyven tot dat de warmte in de lente ze weder levendig maakt. Derhalven, dunkt my, moest de stelling dus worden voorgesteld, “de Zwaluwen in Spanje, Italie, Frankryk, en misschien sommigen in Engeland, verhuizen naar warmer lugtstreken. Anderen in Engeland, sommigen in Duitschland en andere gematigde gewesten, begeven zig in spleten en holen in de bergen en klippen, en blyven daar in enen staat van ongevoeligheid. In de kouder landen verbergen zy zig in ’t water, en blyven daar den winter over zonder gevoel onder het ys.” Dog daar zyn enige tegenwerpingen tegen dit laatste gevoelen, die wy moeten oplossen. Men zegt, hoe komt het dat de visschen en andere viervoetige waterdieren de Zwaluwen onder het water niet opvreten? Het antwoord is gereed. De Zwaluwen kiezen alleen tot haar winterverblyf zulke plaatsen die digt by ’t riet zyn, zo dat zy tusschen het zelve in nederzinkende bevryd zyn voor de gulzigheid harer vyanden. Anderen werpen tegen; waarom haalt men gene Zwaluwen uit waters daarmen gedurig met netten in vischt? Ik denk, dat het zo even gegeven antwoord ook op deze vraag past. De Visschers dragen zorg met hunne netten die plaatsen te vermyden waar veel riet staat, uit vrees van in het zelve vastteraken en de netten te scheuren; en dus is de legging der Zwaluwen onder ’t water oorzaak dat zy zelden in haar winterverblyf gestoord worden. Wat deze mening nog verder beveiligt is, dat men noit in Pruissen Zwaluwen uit het water gehaald heeft als in dat gedeelte van het net dat langs het riet ging, en somtyds zaten de Zwaluwen met hare poten vast aan het riet wanneer zy met het net wierden opgetrokken. En wat de zwarigheid aangaat hoe zy zo lang onder water kunnen zyn zonder te verrotten, schynt het my toe, dat ’er een wezenlyk onderscheid is tusschen dieren die in ’t water versmoord zyn en zulken die daar gevoelloos in leggen. Daar zyn voorbeelden van dingen die lang onder water zyn geweest; waarby men de scherpe koude dier landen voegen kan, die de verrotting belet. Wie zou gedagt hebben dat men slakken en polypes in stukken snyden kon, en dat zy de afgesneden stukken van hun lichaam wederom konden voortbrengen, indien dit niet ene daad was? Men behoort de Natuurlyke [7]historie te beoeffenen als zynde ene verzameling van daden, en niet als de Historie van onze gissingen en meningen. De Natuur is op ene oneindige wys verscheiden, en de Voorzienigheid heeft den aard der dieren en hunne huishouding zeer onderscheiden gemaakt, en alles geschikt naar de verschillende jaargetyden en lugtstreken. Ik oordeelde dezen langen buitenstap nodig en te verschonen te zyn, des te meer omdat deze grote voorstanders der Natuurlyke Historie, de Heren Collinson en Pennant, beiden hebben beweerd, dat het onmogelyk was dat de Zwaluwen onder ’t water zouden in ’t leven blyven. Ik eerbiedige de geheugenis en de assche van den enen, en agte de vriendschap van den anderen ene eer voor my te zyn, dog ik ben verzekerd dat de waarheid altyd by hun boven hunne eigene meningen geschat geworden is, en dat zy altyd gereed waren om ene zedige tegenspraak te dulden, wanneer zy opregtelyk wordt voorgesteld, met inzigt om de waarheid te bevorderen, en met gevoelens van eerbied en dankbaarheid, gelyk ik in dit geval ben doende. F. ↑
6 Dit Currants moet wel onderscheiden worden van het Currants dat men in Engeland heeft, en ’t welk het Ribes rubrum is. F. ↑
7 Caprimulgus minor Americanus Catesby Nat. Hist. of Carolina vol. 3. t. 16. Edwards’s Nat. Hist. of Birds t. 63. ↑
12 Malus Sylvestris, floribus odoratis. Gronov. Fl. Virg. p. 55. Pyrus coronaria. Linn. Sp. Pl. p. 480. ↑
13 Dit kan zo zyn in de noordelyker landen van Europa dan de Nederlanden, dog daar gebeurt het dikwyls dat de vorst den bloeisem vernielt. ↑
15 Azalea erecta, foliis ovatis, integris, alternis, flore luteo, piloso, præcoci. Cold. Ebor. 25. ↑
16 Linnæus noemt dezen Kikker Rana boans. Syst. Nat. T. 1. p. 358. Catesby Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 72. heeft hem afgebeeld en beschreven onder den naam van Rana maxima Americana aquatica. ↑
17 Cypressus thyoides. Linn. Sp. Pl. p. 1422. Cypressus Americana, fructu minimo. Miller’s Gard. Diction. ↑
21 Warglo; Felis Lynx, Linn. De Zweden maken gewag van twee soorten van Lynxen, het ene Warglo of de Wolflynx, en het ander Kattlo of de Katlynx genaamd. De Duitschers maken het zelve onderscheid, en noemen het eerste Wolf-luchs, en het andere Katz-luchs. Het eerste soort is het zwaarste, bruinrood, gemengd met wit en grauw op den rug, en wit naar den buik toe aan met bruine vlakken. Het laatste soort is kleinder, zyn huid is wat witagtiger en meer gespikkeld. F. ↑
25 Men heeft by ene herhaalde ondervinding bevonden, dat het byzondere kenmerk ’t welk Linnæus gebruikt om de soorten der Slangen te onderscheiden, ontleend van derzelver scuta abdominalia en caudalia, of squamæ subcaudales, in Slangen van het zelve soort grotelyks verschilt, zo dat ’er dikwyls een verschil plaats heeft van tien of meer. Somtyds is het gehele getal der schilden een behulp om het soort uittevinden, mits men verdagt zy of de Slang ook by geval haren staart verloren hebbe en die weder aangegroeid zy, in welk geval men zig van dit kenmerk niet kan bedienen. Dit kenmerk is zo zeker en goed niet als men wel wenschen zoude; dog de tekens ontleend uit de kleur, vlakken of strepen, en diergelyken, zyn ook niet standvastig; en derhalven is het beter zig aan een onvolmaakt kenmerk te houden dan ’er geen te hebben. De tyd en ene grondiger kennis van dit gedierte zullen misschien deszelfs natuurlyke kenmerken nader en zekerder doen vaststellen. F. ↑
26 Deze aanmerkingen werpen ook ene grote zwarigheid op de uitlegging dezer zaak, hier boven I. D. bl. 137. in ene Aantekening door den Heer Forster gegeven, welke uitlegging anders niet onaannemelyk scheen. ↑
27 Dat onder de sterke dranken de Rum de minst schadelyke is, komt voornamelyk van hare balsemagtige eigenschap, die zy van de suiker krygt, welke de brandende kragt, allen sterken dranken eigen, matiger. Hoe ouder de Rum is zoo veel te meer wordt deze brandende eigenschap verminderd. Dit is onlangs, volgens de ontwyfelbaarste gronden der Scheikunde, door den Heer Dossie, met duidelyke proeven, bewezen, F. ↑
28 De New Yorksche Steuren, die ik dit jaar overgebragt heb gezien, hadden korte stompe neuzen, daar de Engelschen lange snoeten hebben. F. ↑
29 De Heer Kalm bedriegt zig als hy denkt dat op de toppen dezer bergen niets wil wassen van wege de kragt der zonne aldaar, dewyl het algemeen bekend, en op de ondervinding gegrond is, dat de zon zo grote uitwerking niet maakt op de toppen der bergen als in de dalen, en de koude verhindert dikwyls het hout op de toppen der bergen te wassen. ↑
40 Waterpoplar; Populus glaudulis variis basi foliorum adnexis, foliis cordato-deltoidibus, acuminatis, serrato-angulosis, utrimque glabris. Is dit de Populus heterophylla van Linnæus? F. ↑
41 Sedert dat de Engelschen ook meester van Kanada zyn moet hierin noodwendig verandering gekomen zyn. ↑
43 Deze Reis gaf de Heer Kalm uit gedurende den nu laatsten oorlog tusschen de Franschen en Engelschen. ↑
45 De Heer Forster wil niet geloven dat de Fransche Zendelingen het beter dan de Engelschen gemaakt hebben; en ik denk het zelve met hem. “De Heer Kalm,” zegt hy, “schynt hier niet wel onderrigt te wezen. De Fransche Geestelyken hebben enige arme Amerikanen tot hunnen Godsdienst en hunne belangen overgehaald. Dog uit het gedrag dezer Bekeerden in verscheiden oorlogen tusschen de Franschen en Engelschen bleek het, dat zy tot de gruwelykste wreedheden bekwaam waren, en zelfs meer dan hunne Heidensche Landsgenoten; en dus schynen zy eer bedorven dan bekeerd te zyn. Integendeel, de Engelschen hebben den Bybel in de taal van de Wilden van Virginie overgezet, en ’er velen van tot de ware kennis van God gebragt. En tegenswoordig hebben de Amerikaansche liefdescholen, onder het opzigt van den Heer Eleazar Wheelock, velen van de Wilden tot den waren God getrokken. De Maatschappy ter verbreiding van het Euangelium onder de Heidenen zendt alle jaren op hare eigene kosten, verscheiden’ Zendelingen onder de Amerikanen. Ook zyn de Moravische Broederen zeer yverig in het bekeren der Heidenen. Zo dat, indien de Heer Kalm dit alles wat nauwkeuriger had gadeslagen, hy veel gunstiger van den yver der Engelschen ter uitbreiding van het Euangelium zoude geoordeeld hebben.” ↑
50 Dit schynt ene nieuwe waarneming te zyn. Ten minsten, Linnæus, Buffon en Sarrasin beweren dat de Muskusratten alleen van den Acoras, een riet, en andere wortels leven. F. ↑
53 Dit is de woordelyke vertaling van het Zweedsche woord, Jätte-grytor. Zie de Verhandeling der Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1743. bl. 122. en hierboven I. D. bl. 54. en 55. ↑
58 In Zweden en in Rusland is het de gewoonte onder allerlei soorten van menschen van alle week ten minsten eens te baden, het welk geschiedt door middel van ene kamer warm gemaakt door een kacchel, en dat tot zulk enen graad dat menschen die ’er niet aan gewend zyn ’er van stikken zouden. De hette wordt daar gemeenlyk vergroot door den heten waassem veroorzaakt door het smyten van gloeyende stenen in water. In deze baden baadt het gemene volk van beide geslagten in Rusland dooreen, gelyk de Romeinen deden, van de welken, gelyk Plutarchus in ’t leven van Cato aantekent, de Grieken deze onbeschaafde en onbetamelyke gewoonte ontleend hebben, die zo algemeen werd, dat de Keizers Adriaan en Marcus Antoninus genoodzaakt waren ’er wetten tegen te maken, die egter niet werden in agt genomen; want wy vinden dat de Kerkvergadering van Laodicea een verbod tegens deze ergerlyke [74]gewoonte heeft gegeven. En dit niettegenstaande vinden wy kort daaraan dat lieden van allerlei staat, zelfs Priesters en Monniken, te gelyk met de vrouwen in ’t bad gingen. Van daar is waarschynlyk deze gewoonte naar Rusland overgegaan, toen het Christendom in dat Land wierd ingevoerd. Digt by het bad in Rusland is gemeenlyk een water, waarin het volk zig dompelt als zy door en door heet zyn, en in den winter rollen zy zig in de sneuw; en des zaterdags ziet men gewoonlyk voor het bad een deel mans en vrouwen geheel nakend, hebbende ieder enen bondel met roeden in de hand, waarmede zy malkander in het bad vriendelyk den rug kwispelen. F. ↑
59 De Heer Forster tekent hier aan, dat hy op zyne reizen in de Woestenyen boven de Rivier de Volga gelegenheid gehad heeft deze nuttigheid der Thee ook te ondervinden. ↑
61 “Hier, zegt de Heer Forster, schynt de Heer Kalm Dr. Colden, Dr. Franklin, en den Heer Bartram, te vergeten, die in Noord Amerika de natuur zo zorgvuldig hebben nagespoord. Hoe zoude zonder de vlyt der Engelschen in dit Werelddeel de planten die daar voortkomen zo menigvuldig wezen in de tuinen van Engeland? De nieuwe uitgaaf van het Systema van Linnæus toont genoeg aan dat de Engelschen in Amerika zelfs veel meer dan de Franschen hebben toegebragt ter bevordering der Natuurlyke Historie. In de andere takken der wetenschappen overtreffen de Engelschen in Amerika de Franschen in Kanada zeer ver, getuigen zo vele instellingen en opgeregte boekeryen ter bevordering der geleerdheid, die men in de Engelsche Volkplantingen vindt, en waarvan de Franschen in Kanada weinig wisten voor dat dat Land in de handen der Engelschen viel. Om niet te spreken van de voortbrengsels van verscheiden in Amerika geborene geesten.” ↑
62 Het Land der Illinoizen legt op de Rivier Ohio, digt by de plaats waar de Engelschen enig gebeente gevonden hebben, dat men veronderstelde van Elefanten te zyn. Zie I. D. Bl. 60. in de Aantekening. ↑
65 Marmor schistosum Linn. vol. 3. p. 40. Marmor unicolor nigrum. [87]Waller. Min. p. 61. n. 2. Lime-slates, schistus calcareus. Forster Introd. to Mineral. p. 9. ↑
71 Ook wil men dat zy een dodelyk vergift voor honden, wolven en ander vee is; waarom zy ook Hondendood genoemd wordt. Zie den nieuwen druk van Chomel Huish. Woord. op het woord Apocynum. ↑
74 Zie daar bl. 284. De Stillingia sylvatica, zegt de Heer Forster, is waarschynlyk een van deze wortelen. ↑
79 Hier tekent de Heer Forster het volgende aan. “Het schynt dat voor het toekomende de schone sex in de Engelsche Volkplantingen in Noord Amerika de verwytingen, die de Heer Kalm doet, niet zal verdienen, dewyl men berigt dat de Dames sedert malkander zoeken de loef aftesteken in het vervaardigen van het nodige voor hare huishoudingen, en dat in ’t algemeen een geest van nyverheid onder haar de overhand begint te nemen.” ↑
82 Maar zonden zy getemd zynde die voordelen die zy nu boven het tamme vee hebben, en die zy aan hunnen wilden staat moeten danken, niet verliezen? Zekerlyk, al het wilde gedierte dat tam gemaakt is geworden veraardt. F. ↑
84 Poa culmo compresso, panicula tenuissima, spiculis trifloris minimis, flosculis basi pubescentibus. Dus beschryft het de Heer Kalm. ↑
85 Tophus Tubalcaini Linn. S. N. vol 3. p. 187. n. 5. Minera ferri subaquosa nigro cærulescens, Waller Miner. p. 263. Germ. Ed. p. 340. n. 3. Zie Forster Miner. p. 48. ↑
88 Deze kalksteen schynt een mergel te zyn, of liever een soort van steenmergel; want men vindt ’er een witagtig soort van in Krimsch Tartarye, en digt by Stiva of Thebe in Griekenland, ’t welk de Turken en Tartaren gebruiken om pypenkoppen te maken. Met kan in ’t eerst gemakkelyk doorgesneden worden, dog verkrygt naderhand groter vastigheid. F. ↑
91 Gelyk het Nitrum Suillum van Linn. S. N. vol. 3. p. 86. of de Lapis Suillus prismaticus van Waller Min. p. 59. 41. De Heer Forster noemt dien steen Stink-stone. Introd. to Mineral. p. 40. ↑
92 Zie hier ene aantekening van den Engelschen Overzetter. “De Rivier St. Laurence was niet langer een voormuur tegens de overwinnende Britsche [124]vloot in den laatsten oorlog. De Vestingwerken van Quebec waren toen ook niet in staat de wakkere aanvallen van het Engelsch heir te land te wederstaan. Dit stelde de goede Franschjes in Kanada omtrent hunne gunstige gedagte aangaande de sterkte van hun land te loor. Thans zyn zy gelukkig door deze omwenteling der Fortuin, welke hen aan den Britschen Ryksstaf onderworpen heeft, wiens zoete invloeden zy thans genieten.” ↑
93 De Kruidkundigen kennen deze plant onder den naam van Panax quinquefolium, foliis ternis quinatis Linn. Mat. Med. §. 116. Spec. Plant. p. 15. 12. Gronov. Fl. Virgin. p. 147. Zie ook Catesby’s Nat. Hist. of Carol. vol. 3. p. 16. t. 16. Laffitau Gins. 51. t. 1. Charlevoix Hist. de la Nouv. France Tom. 4. p. 308. Fig. 13. en Tom. 5. p. 24. ↑
96 De Heer Osbeck schynt te twyfelen of de Europers enige winst doen met den handel in den Ginseng in China, aangezien de Chinezen de Kanadasche wortels zo hoog niet schatten als de Tartaarschen, waardoor de eersten nauwlyks half zo veel gelden als de laatsten. Zie Osbeck’s Voyage to China. Vol. 1. p. 223. F. ↑
98 Dit is het Adiantum pedatum van Linn. Sp. Pl. p. 1557. Cornutus in zyn Canadens. Plant. Historia p. 7. noemt het Adiantum Americanum, en geeft by de beschryving ene afbeelding ’er van, p. 6. ↑
103 Dit is een soort van Kool met lange ronde eetbare wortelen, die boven den grond wassen, waarin zy van Brassica Napobrassica verschilt, welker wortels onder den grond groeyen. Beide de soorten zyn gemeen in Duitschland, en de eerste in Italie. F. ↑
104 Dit schynt zeer waarschynlyk te wezen, want wy vinden in Marco Paolo, dat Kublai Khan, een van de Opvolgers van Genghis Khan, na de zuidelyke delen van China te hebben overmeesterd, ene vloot uitzond om Japan, of, gelyk zy het noemden, Nipan-gri, te veroveren; dog een geweldige storm beliep de vloot, en geen schip is er oit van te regt gekomen. Waarschynlyk wierden enigen van deze schepen op de Kust van Amerika gesmeten, die, regt over de grote Amerikaansche Meren, tusschen de 40, en 30. gr. N. legt; en het scheepsvolk zal naar alle gedagte deze gedenktekens hebben opgerigt, en de voorvaders zyn geweest van enige volken, Mozemleks genaamd, die enigsins beschaafd zyn. En ander gedeelte dezer vloot schynt op de kust van Mexiko geraakt te zyn, en den oorsprong aan het Mexikaansche Ryk gegeven te hebben, het welk, volgens de verhalen der Mexikanen zelven, zo als ons de Spanjaarden berigten, niet zeer oud is; zo dat zy nauwlyks meer dan zeven Vorsten voor Motezuma den tweden weten optenoemen, die regeerde ten tyde dat de Spaanschen onder Fernando Cortez daar in het jaar 1519. aanlandden. Gevolgelyk begon de eerste dezer Vorsten in het jaar 1270. te regeren, onderstellende dat elk van hun drieëndertig jaar en vier maanden geregeerd heeft, en men daar de zestien jaren van Motezuma bydoet, omtrent welken tyd Kublai Khan, de overweldiger van geheel China en van Japan, op den troon zat, onder wiens regering ik meen dat de gemelde ongelukkige togt op Japan werd ondernomen, die Amerika van beschaafde inwoonders zal voorzien hebben. Daar is, indien ik my niet bedrieg, ene grote overeenkomst tusschen de gedaante van de Afgodsbeelden der Mexikanen en die van [130]zulke Tartaren die den godsdienst van den Dalaï Lama aankleven, welken godsdienst Kublai Khan het eerst by de Moguls heeft ingevoerd. De Wilden van Amerika schynen enen anderen oorsprong te hebben, en zyn waarschynlyk afkomstig van de Jukaghiri en Tkhuktkhi, die in enigen der noordoostelyke delen van Asia wonen, van waar, volgens de berigten der Russen, de overtogt naar Amerika niet zeer lang is. De woestheid dier twee volken, gelyk aan die der wilde Amerikanen, de gewoonte van zig het aangezigt te beschilderen, hunne gesteldheid op sterke dranken, waarvan zig ’er de Jukaghiri enigen uit vergiftige en bedwelmende paddenstoelen weten te bereiden, welken zy van de Russen kopen, en vele andere overeenkomsten, tonen duidelyk aan dat de beide volken den zelven oorsprong hebben. De Eskimaus schynen een en het zelve volk met de Groenlanders, de Samoyeden en de Laplandens te wezen. Zuid Amerika, en byzonderlyk Peru, is waarschynlyk uit het grote onbekende Zuidland bevolkt, het welk digt by Amerika legt. F. ↑
107 Pour faire un Recollet il faut une hachette, pour un Prêtre un ciseau, mais pour un Jesuite il faut un pinceau. ↑
109 Hier volgt in ’t Hoog Duitsch wederom ene breedvoerige beschryving van de omheiningen die men in Amerika gewoon is om de akkers te maken, het welk wy als vervelend en voor onzen Lezer van geen nut hebben overgeslagen, gelyk ook de Engelsche overzetter gedaan heeft. ↑
110 “Ik heb het ene soort van dezen boom, door de Franschen Cerisier genoemd, in myn Dagboek dus beschreven;” zegt de Heer Kalm. “Cerasus [144]foliis ovatis serratis, serraturis profundis fere subulatis, fructu racemoso. Het andere dus: Cerasus foliis lanceolatis, crenato-serratis, acutis, fructu fere solitario. ↑
113 Verscheiden proeven hebben bewezen dat een vogt in een ander vogt gedompeld, [148]en dan aan de lugt om uittewaassemen bloot gesteld, zeer koud wordt; en hoe schielyker de uitwaasseming na herhaalde indompelingen voortgaat te sterker is de koude. Dit is de reden dat de wyngeest, die meer uitwaassemt dan water, ook meer verkoelt dan water, en dat de spiritus salis Ammoniaci, die nog vlugger is dan de wyngeest, ene nog groter kragt van verkoeling heeft. De uitwaasseming gelukt het best als men het vat waarin het vogt is beweegt, het aan de lugt bloot stelt, of ’er met een paar blaasbalgen op blaast. Zie de Mairan Dissert. sur la Glace; Richman in Nov. Comment. Petropol. ad ann. 1747. & 1748. p. 284. en Dr. Cullen in The Edinb. physical and literary Essays and Observations vol. 2. p. 145. F. ↑
114 Het is bekend dat alle bomen ieder jaar maar enen nieuwen kring maken, zo dat men ’er den ouderdom van den boom, en den spoed waarmede hy groeit, uit kan opmaken. F. ↑
124 Het beroemde Moose-deer is niets anders dan een Eland, want niemant kan ontkennen, dat Moose-deer van Musu of Moes afkomt, want de U op ’t laatst van dit woord spreken de Algonkins byna niet uit. Voor dat de Iroquoizen, of de Vyf Volken, zo magtig wierden als zy nu zyn, waren de Algonkins het voornaamste volk van Noord Amerika, en hunne taal was in gebruik over het grootste gedeelte van dat land. En, schoon zy byna geheel door de Iroquoizen uitgeroeid zyn, is nogthans hunne taal meer in gebruik in Kanada dan enige andere Amerikaansche taal. F. ↑
128 Vinland det goda, of het goede Wynland, is de naam dien de oude Skandinavische Zeelieden aan Amerika gaven, het welk zy lang voor Columbus tyd ontdekt hebben. Zie Torfæi Historia Vinlandiæ antiquæ, seu partis Americæ Septentrionalis. Hafniæ 1715. in 4to. F. ↑
130 Pinus foliis geminis longis; ramis triplici fasciculo foliorum terminatis, conis ovatis lævibus. Flor. Canad. ↑
132 In geheel Polen, Rusland, Turkye, en Tartarye rookt men uit pypen van een soort van steenmergel gemaakt, waaraan men lange houten stelen vast maakt; tot welk einde men gemeenlyk de jonge scheuten gebruikt van een soort van Spiræa, waarin een merg zit dat men ’er ligt kan uitdoen. Dit soort van steenmergel wordt gemeenlyk Zeeschuim genoemd, omdat het zo zagt is. De Krimsche Tartaren noemen het Kaffekil. Men maakt allerhande figuren op deze pypenkoppen, en beslaat ze dikwyls met zilver. F. ↑
135 Enigen van de zogenaamde Moravische Broeders met enige Groenlanders in Terra Labrador zynde gekomen, namen de Eskimaus de vlugt voor hen; dog een der Groenlanders riep hun toe in zyne taal. De Eskimaus hem horende roepen, en zyne taal verstaande, bleven ten eersten staan, kwamen terug, en waren blyde enen landsman gevonden te hebben; en waarheen zy zig begaven vertelden zy onder de Eskimaus dat een van hunne landslieden aangekomen was. “Dit bewyst,” zegt de Heer Forster, “dat de Eskimaus een geslagt zyn verschillende van alle de Europische Volken, dewyl de Groenlandsche taal gene overeenkomst heeft met enige Europische.” Zie over de Groenlandsche taal Hans Egede Beschryving van Oud Groenland Hoofdst. 16. en Anderson Beschryving van Ysland enz. Bl. 202. en 244. ↑
136 De Heer Forster wyst zynen Lezer, die meer van de Eskimaus begeert te weten, naar Henry Ellis’s Account of a Voyage to Hudson’s Bay by the Dobbs Galley and California. &c. en The Account of a Voyage for the Discovery of a Northwest Passage by Hudsons streights, by the Clerk of the California, twee delen in 8vo. en Crantz Historie van Groenland, welk boek in ’t Neder Duitsch is overgezet. ↑
137 De vermindering van het hout is het alleen niet waardoor de lugtsgesteldheid van een land veranderd wordt, maar de bevolking en de bebouwing zyn het voomamelyk. De Romeinen hielden de winters in Engeland en in Duitschland voor zeer gestreng; dog gelukkiglyk genieten die twee landen tegenswoordig ene veel zagtere lugt, het geen men aan de drie genoemde oorzaken moet toeschryven. By Petersburg op 60. gr. N. werd de Rivier de Neva in ’t begin van December 1765. met ys bedekt, en raakte van het zelve niet vry voor den 11. April 1766. Te Tsaritsin, leggende op 48. gr. 40. min. N. was de Rivier de Volga reeds den 26. November 1765. toegevroren, en het ys raakte los den 27. April O. S. Het is byna ongelooflyk dat op ene plaats die by de twaalf graden meer zuidwaards ligt, de koude langduriger en sterker zoude zyn dan meer noordelyk. En schoon ’er in den omtrek van Petersburg vele bosschen zyn, was daar egter de koude min gestreng en langdurig. Tsaritsin in tegendeel heeft in de nabuurschap gene bosschen op den afstand van enige honderd Eng. mylen, indien men enige enkelde bomen en wat kreupelhout langs de Volga en op de eilanden in dezelve uitzondert. Oostwaards aan vindt men gedurende vele honderd mylen niets dan ruime vlaktens zonder hout. Het omhouwen van het geboomte kan dan alleen de lugt niet zagter maken, maar het bebouwen van het land doet ’er meer toe. Op een beploegd veld smelt de sneuw altyd veel vroeger dan op een land met gras bewassen. De ontvlambare en warme deeltjes, die met de mist op een land gebragt worden, brengen veel toe om de gestrengheid der lugt te matigen; maar de uitwaassemingen van vele duizenden van menschen en vee in een wel bevolkt land, het branden van zo vele warmte veroorzakende deeltjes, en het verspreiden van dezelven door den dampkring, zyn het die uitermate veel toebrengen tot het verzagten van de lugtsgesteldheid. Honderd vierkante mylen rondom Tsaritsin bevatten zo veel bebouwd land niet als tien rondom Petersburg. Het bebouwde land is in evenredigheid met het getal van de inwoonders dier twee plaatsen, en dit maakt het grootste onderscheid in de lugtsgesteldheid. Daar is nog iets. Petersburg ligt digt aan zee, en Tsaritsin ver binnen in het land; en [183]in ’t algemeen heeft men opgemerkt dat plaatsen aan zee gelegen ene zagtere lugtsgesteldheid hebben dan anderen. Deze weinige aanmerkingen zullen, denk ik, voldoen om reden te geven van de veranderingen in de lugtsgesteldheden der landen, die, ontwyffelbaar, warmer en gematigder worden naar mate de bevolking en de landbouw toenemen. F. ↑