Verbastering der menschen in Kanada.
Men was van gedagte dat de Franschen, die in Europa geboren en naar Kanada waren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun vaderland, en ouder wierden dan die in Amerika geboren waren. Ook hield men het daar voor, dat de Europische Franschen sterker waren in het werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De afgaande koortsen, welken de Europers in Pensylvanie aankomende gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek gewend is. De Engelschen hebben dikwyls opgemerkt dat de in Amerika geborene Europeanen niet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden, of de lugt van Zuid Amerika verdragen kunnen, als zy die in Europa geboren zyn. Dit zou ook by de Franschen in Kanada even eens wezen. Als de Kanadiers naar Martinique, Domingo en andere Eilanden van Amerika, gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder naar Kanada gaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uit Frankryk naar de West Indien [82]overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden ’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden in Kanada.
Een man door de Wilden vermoord.
Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat de Wilden, die uit geweest waren om zig op de Engelschen te wreken, in hun oogmerk geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enen Engelschman vermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat de Wilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen der Engelschen voortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer moordenaren, ten oorlog tegens de Engelschen uitgetogen, gedood was. Zy sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van negen jaren, medenamen, en zo naar Kanada terug keerden. Zodra zy omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot een Hunne kleding. teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden. Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van den vermoorden Engelschman had de een den rok, de ander zyne koussen aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By ’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in de hand, en gingen ’er al dansende en zingende mede langs den oever. Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen, daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan hadden, regelregt tegens [83]het verbod van den Gouverneur van Montreal aan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy te Montreal gekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De Heer Lusignan vroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons aantroffen.
Een Geraamte gevonden.
Enige jaren geleden had men in het Land der Illinoizen een geraamte gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. De Amerikanen hadden het in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd, en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy, voor het geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier, die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was. Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen van Kanada van dit geraamte spreken.62
Beren.
De Beren zyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven aard als onze Europische gemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin. Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene menigte naar Frankryk. De Wilden maken ene olie van het Berenvet, waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt. [84]
Paardenbloemen.
De gemene Paardenbloem63 wies hier veel op de weiden en langs de wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven de Franschen de wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van de bladen te eten.
Afgedankte Soldaten.
De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden, uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.
Galium tinctorium.
Het Galium tinctorium wierd in Kanada door de Franschen Tisavo-jaune rouge genaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige tuinaarde. Met de wortelen verwen de Wilden de pinnen der stekelvarkens rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze kleur verschiet niet ligt. De Fransche Vrouwen in Kanada verwen ook met deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’t Gallium luteum.
De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.
Walvisch Geraamte.
Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen van Quebec, en ene Fransche myl van de Rivier St. Laurence gevonden, op ene plaats waar tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.
Schuiten.
De Schuiten die men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I. Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die men hier van wit Dennenhout maakt. Men roeyt ze niet, maar doet ze voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt en heen en weer beweegt;64 dog men kan daar de helft van de kragt niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt men Bateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware [85]vragten te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid. Men maakt hier teer en pek in overvloed.
Soldaten.
De Soldaten genoten hier enige voorregten die zy niet overal hebben. Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd ’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort, waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen, een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy heeft ieder vyf sols daags. Dog als zy voor den Koning werken moeten krygt ieder dertig sols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t Hospitaal, waar hy alles vry heeft. Zy konden, ook ligt verlof krygen, en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om. Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uit Frankryk naartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen, krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren. Dit doen de meesten die in Kanada geboren zyn. Als een Soldaat zyn omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands geschonken, van veertig arpents in de lengte, en drie in de breedte, als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere [86]Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden, zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uit Frankryk driehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met klei vermengde dikke tuinaarde.
Eggen.
De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.
Rotsen.
Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort. Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze verscheidenheden.
Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.
Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen, met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde alleen in kleur van den voorgaanden.
Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.
De bergen waarop het Fort St. Frederic staat, en die welken hier omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk wordt.65 Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken [87]zynde zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die men hier meest vindt zyn de volgenden:
Petrefacta.
Pectinites of Ostreæ pectines zyn het die ’t grootste getal uitmaken. Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het middelpunt naar den rand.
Versteende Ammonshoornen zyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan een Zweedsche el.
Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen waren steenplanten of witte takagtige koralen,66 anderen, dog minder in getal, waren starkoralen.67
Steenballen.
Ik moet den naam van Steenballen geven aan een soort van vreemden steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel [88]kleine gaatjes, zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.
Zand.
Onder andere soorten van Zand, die men hier op de Oevers van het Meer Champlain vindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een roodbruin of granaatkleurig zand.
Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet, wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.
Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is, dewyl het op vele plaatsen van Kanada vry gemeen is, en dit zwarte zand op meest alle de oevers der Meren en Rivieren in Kanada, schoon niet overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong hieromstreeks; want, hoewel de rotsen by Fort St. Frederic geen granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en klippen [89]gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder noordwaards in Kanada, beneden Quebec, bevatten de bergen veel granaat. Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de Rivier St. Laurence. Dit werk is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak in vinden zouden.
Apocynum androsæmifolium.
Het Apocynum androsæmifolium68 wast overvloedig op de hoogtens in de bosschen, en had thans bloeisems. De Franschen noemen het Herbe à la puce.69 Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo loopt ’er een wit melkagtig sap uit. De Franschen schreven dezer plant alle de eigenschappen toe welken ik van den Vergiftboom boven70 gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb ’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet.71
Klissen.
Het Klissenkruid72 wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting. De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.
Sison.
Het Sison Canadense wast tamelyk veel in de bosschen door geheel Noord Amerika. De Franschen noemden het Wilde Kervel, en eten het in ’t voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der beste moeskruiden die men hier in de lente had.
Katoenplant.
De van de Franschen zogenaamde Katoenplant,73 groeide hier [90]veel op de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen de Franschen in ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet, dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen in de bosschen zeer aangenaam maken. De Franschen maken suiker uit de bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de plant haren Franschen naam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral gebruikt men ze voor kinderbedden. In Kanada bloeit de plant in ’t einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.
Reis over het Meer Champlain.
Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het Meer Champlain naar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt, om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt ’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of twaalf Eng. mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is. Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer over in ene kleine Kano, die maar drie personen dragen konde, en aan land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren, dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier niets zeldzaams aan.
Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen [91]man terug om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en wandelde met Jungström het water om naar ’t Fort, dat een weg was van omtrent zeven Eng. mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen, dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en de bergen; dog op andere was de oever moerassig.
Versteende Ammonshoorns lagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen, zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen. Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan ene Zweedsche el breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.
De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten ’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze bergen van kalksteen bedekten.
De Zizania aquatica wies in de modder der beken, en stond in vollen bloei.
Ziektens der Wilden.
De ziektens, die het meest onder de Wilden heerschen, zyn rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in slegt weer te slapen leggen. De Franschen zyn ook zeer aan deze ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant verhaalde [92]dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den Heer Sarrasin op de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten. Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. Doctor Sarrasin was Koninglyke Geneesheer te Quebec en Korrespondent der Kon. Maatschappy der Wetenschappen te Parys. Hy had grote inzigten zo wel in de oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf te Quebec aan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst beoeffende, en naar Frankryk gegaan was om ’er verder in te vorderen; dog hy overleed daar.
Venuskwalen.
Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de Venusziekte hier te lande gevestigd. De Wilden zelven zyn ’er van besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat lieden, zo wel Franschen als Amerikanen, welken deze ziekte tot in ’t gebeente was doorgedrongen, door de Wilden, binnen den tyd van vyf of zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog de Franschen hebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er breedvoerig aan de Kon. Zweedsche Maatschappy, in hare Verhandelingen van het jaar 1750. verslag van gedaan.74
Lintwormen.
De ongemakken die de Lintworm75 veroorzaakt zyn in Europa wel bekend. In de Engelsche Volkplantingen in Noord Amerika was hy niet gemeen; dog hier in Kanada wierden ’er enige menschen van gekweld. Men wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen ’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.
Fort St. Frederic.
Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t Meer Champlain gelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging [93]der Woodcreek en het Meer St. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden musketschoot wyd. De Engelschen noemen deze Vesting Crownpoint. Den Franschen naam draagt zy naar den Franschen Sekretaris van staat Frederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt over de zeezaken in Frankryk had; en daar de meeste plaatsen in Kanada naar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte een Saint voor den naam Frederic gevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten. Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enen kanonschoot ver van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren, leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den laatsten oorlog hadden zig hier vele Fransche huisgezinnen, vooral van ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper in Kanada te wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of ’er ook Engelsche vaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het Meer St. Sacrement komt en het Meer Champlain, in den lossen kalksteen uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge rotsen gelegen hebben. [94]
Vertrek.
Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen zomer over tusschen Fort St. Jean en Fort St. Frederic heen en weder vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de Heer Lusignan met allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan het Fort St. Jean. In een woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.
Het Meer Champlain.
Voor den middag om elf uur gingen wy op reis. De wind was goed. Aan beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttien Eng. mylen. Agter dit gebergte behoort het land tot Nieuw Engeland. Dus maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed, dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van het Fort St. Frederic was het land aan de oostzyde bewoond, dog verder louter bosch. Omtrent tien Fransche mylen van de Vesting werd het Meer vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen middel is om te ankeren. Veertien Fransche mylen van het Fort lagen vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen, schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken, moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand. Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den 20. voeren wy des morgens met enen gunstigen [95]wind voort. De plaats daar wy overnagtten was ten halvenwege Fort St. Jean, van waar tot Fort St. Frederic men eenenveertig Fr. mylen te water rekent. Het gebergte was ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer een Zweedsche myl breed, dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.
Hier en daar zag men aan den oever Wilden in schuiten van bast. Dog geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het water springen. Deze Amerikanen leiden ene byzondere levenswys. Een gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd; zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke in Europa als de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.
Omtrent tien Fr. mylen eer wy aan Fort St. Jean kwamen, ontdekten wy huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten oorlog door de Franschen bewoond geweest waren. Thans waren zy sterk bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen die wy zagen sedert wy die by Fort St. Frederic verlaten hadden.
Houten Fort.
Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout bewassen. Zy had den Franschen tegens de invallen der Wilden gediend. Men verzekerde ons dat vele Franschen in dezen oord door dezelven waren omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen man onder de Franschen rekent, nadien alle jaren vele mans op hunne reizen, die zy ondernemen om met de Wilden handel te dryven, van dezelven vermoord worden.
Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken oever staan. De oord was voor den kryg van Franschen bewoond geweest, die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agt Fr. mylen van Fort St. Jean. De Engelschen en hunne Amerikanen hadden hier de meeste huizen verbrand.
Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor dezen bediende men zig maar van grote zogenaamde Bateaux om voorraad te vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en [96]de dieptens gemeten om met het zelve tusschen Fort St. Frederic en Fort St. Jean te varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog naderhand, tot Fort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar zagen wy huizen op den oever. De Kapitein had Ottervellen in de kajuit hangen, die volkomen naar de Europischen geleken. Van deze Otters zoude men ’er velen in Kanada vinden.
De vellen van Zeehonden worden hier veel gebruikt om koffers te overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had ’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk aan die men in Noorwegen en Zweden vindt. Het gemene volk was hier gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den Zeeboezem beneden Quebec, die, even als de Zweedschen, met grauwe en zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de Rivier St. Laurence zo hoog op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier in Kanada bespeurd. De Franschen noemen ze Zeewolven.76
Ongodsdienstigheid der Engelschen en Hollanders.
De Franschen zyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den uiterlyken Godsdienst dan de Engelschen en Hollanders. Op de Jagten der twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of ’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog op dit Fransche Jagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed op de knien leggende. In Fort St. Frederic kwam ook de gantsche Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat de gebeden in ’t Latyn gedaan werden, het geen weinigen verstonden.
Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje. Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en noordnoordoost.
Op sommige plaatsen van Kanada zyn grote streken lands die byzondere personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertig arpents lang, en drie breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar ene zekere som77 jaarlyks te betalen. [97]
Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee vadem waters.
Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy by Fort St. Jean aan.
Fort St. Jean.
Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door de Franschen in het jaar 1743. aan de west zyde van den mond van het Meer Champlain digt aan ’t water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en de krygsgereedschappen, die jaarlyks van Montreal naar Fort St. Frederic gezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamde Bateaux over komen kan. Voorheen was het Fort Chamblan, dat vier Fr. mylen lager legt, een magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg van Montreal naar Fort Chamblan over land, en langer was. Fort St. Jean legt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat een arpent gronds. Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan palissades, gemaakt van ’t hout der Thuya, het welk hier gehouden wordt der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was de Ridder De Gannes, een aangenaam man, en zwager van den Heer Lusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.
Marengoins.
De Franschen in Kanada geven den naam van Marengoins aan de Muggen, enen naam die men wil dat van de Wilden ontleend is. Van dit ongedierte waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt het Fort der Marengoins zou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt [98]en het water afgeleid werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.
Ratelslangen.
De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt der Franschen, hier, nog verder noordwaards, by Quebec of Montreal, niet te vinden, en het gebergte om Fort St. Frederic is hare uiterste grenspaal aan dezen kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men vinden in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1752.
Den 22. Juli kwamen hier paarden aan van Prairie om ons aftehalen, welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal van Kanada, den Marquis La Galissonière, geschreven te Quebec den 15. Juli, als van den Vice Gouverneur te Montreal, den Baron De Longueuil, van den 21. van die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van het Fransche Hof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den Kommandant toegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het geschut de gezondheden der Koningen van Frankryk en van Zweden, zo wel als van den Gouverneur en anderen.
Vertrek.
Den 23 des morgens gingen wy op reis naar Prairie, om verders naar Montreal te komen. Men rekende van hier tot aan Prairie zes Fr. mylen te land, en van daar tot Montreal langs de Rivier St. Laurence derde half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter regterhand de Rivier St. Jean. Dus noemt men den mond van het Meer Champlain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen ook de Champlain Rivier geheten wordt. Na ene Fr. myl ver gereden te hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort kwamen. Men moet aanmerken dat Fort St. Jean in den verleden’ zomer eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die elk daags dertig Sols kregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na dat wy drie Fr. mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden, [99]en niet ver van Fort Champlain af lagen. Ook kon men den hogen berg, die vlak by Montreal legt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande voomamelyk uit Pynbomen met van onder verzilverde bladen.78 Het land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.
Verder, ongevaar vier Fr. mylen van Fort St. Jean, bekwam het land een ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de Rivier St. Laurence toe was in myn oog een van de schoonste die ik in Noord Amerika gezien heb.
Prairie.
Omtrent den middag kwamen wy te Prairie aan, leggende op ene hoogte aan de Rivier St. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig was het land rondom te bezigtigen.
Prairie de la Magdelene is een klein vlek, gelegen aan den oostelyken oever der Rivier St. Laurence, derdehalve Fr. myl van Montreal, dat men hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het land rondom Prairie is vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en weilanden. De St. Laurence is hier ruim anderhalve Fr. myl breed. De huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades omringd, voorheen tegens de stroperyen der Wilden daar gesteld. Buiten de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield zig een Priester en een Kapitein, dien men Kommandant noemde. De koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In de St. Laurence is zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat de Nyl door zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze overstromingen [100]niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het verstoppen der Rivier door ’t ys.
De Zizania aquatica wast veel in een beekje, dat een weinig beneden Prairie loopt.
Voortreis.
Den 24. Juli stapten wy in een bateau om langs de St. Laurence naar Montreal te varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de Jagten niet hoger dan tot Montreal komen kunnen, uitgenomen in ’t voorjaar, wanneer zy dikwyls tot boven Prairie kunnen opvaren. Van Prairie af ziet men de Stad Montreal zeer duidelyk leggen. By onze aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk nieuwsgierig was Zweden te zien, een volk daar zy van te voren niets van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook waren wy de eerste Zweden die men wist dat oit te Montreal zig vertoond hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het huis van den Gouverneur te komen. De Baron De Longueuil was nog Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uit Frankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben my in alles vry te houden, en op kosten des Konings van Frankryk hier te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne terugkomst van Quebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen verwagten.
Levenswys.
De levenswys der Franschen in Amerika is van die der Engelschen in dat werelddeel even zo zeer verschillend als zy in Europa is. De vrouwen waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna gelyk onze Zweedsche vrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen komt, als wilden zy daarin de Amerikaansche vrouwlieden navolgen. De hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre de Engelsche vrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen.79 [101]Dog de Kanadasche vrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder de Engelschen en Hollanders verkeerd hadden, by de welken het schrobben en wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf, hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen. Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.
Enigen, die met de Wilden, welken omtrent vyftig Fr. mylen van de Hudsonsbay afwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer naar ’t zuiden vindt.
Witte Patryzen.
Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by de Hudsonsbay vindt, worden van de Franschen Witte Patryzen genoemd. Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men in Zweden Sneuwhoenders80 heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten, zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het vleesch zou wel smakend zyn. Uit Edward’s Natuurlyke Historie der Vogels81 blykt het dat de Sneuwhoenders aan de Hudsonsbay zeer gemeen zyn.
Hazen.
Aan de Hudsonsbay zyn ook vele Hazen. Men vindt ’er ook veel in Kanada, waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als in Zweden. [102]
Konsten.
Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als wel behoorde. De Engelschen zyn hierin den Franschen veel voor. Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat in Kanada de meeste Werklieden maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig zelven geleerd had.
Vliegen.
Men heeft my verhaald dat de gemene Huisvliegen voor honderdvyftig jaren hier niet bekend geweest zyn. De Wilden bevestigden het zelve, en zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschen Saratoga en Crownpoint in de wildernissen altyd ene menigte van die vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten; en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger geweest en of zy wel uit Europa hier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat het Fort Anne hier stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen de Engelschen zig daar ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de wildernissen lokken.
Wilde Koeyen.
Wild Rundvee treft men overvloedig in de zuiderdelen van Kanada aan, en het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land der Illinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte als Philadelphia, is ’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou in Frankryk niet zo hoog als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. De Wilden maken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men in Europa de ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn dan de Europischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel. Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om dat zy zo veel [103]sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd, als het Land der Illinoizen wat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal vallen ze te temmen.82 Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit soort van Rundvee gesproken.
De Vrede afgekondigd.
Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschen Frankryk en Engeland afgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere lieden van aanzien by den Gouverneur.
Eiland Magdalene.
Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein Eiland, Magdalene genoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak over de Stad in de St. Laurence aan den oostelyken oever. De Gouverneur had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men ’er enen molendam had behoeven te maken.
Geboomte.
De Rhus glabra wast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.
De Sassafras is hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden, maar wel meer Zuidwaards. Fort Anne was de noordlykste plaats daar deze boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog. Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het ook by Fort Anne, Fort Nicholson, [104]en Oswego. Het zal dan vergeefsche moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.
De Rode Moerbezien had men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. Om Montreal wassen zy niet in ’t wild. Meer als twintig Eng. mylen ten noorden van Albany vindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam by Saratoga of men ’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.
De Waterbeuken waren hier ook geplant en hoog geworden. De Franschen noemen dezen boom Katoenboom.83 Men vond hem nergens in ’t wild aan de St. Laurence, nog noordelyker dan Fort St. Frederic.
De Rode Ceder stond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.
Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die zig een jaar in Frankryk had opgehouden, en die de aanstelling des Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.
Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit wandelen gingen.
Gras.
Het gras omstreeks van Montreal bestond byna geheel uit een soort van Poa.84 Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.
Pruimen.
De wilde Pruimenbomen wiessen in menigte op de hoogtens langs de beken buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken ze in.
Aalbessen.
Men zag vele zwarte Aalbessen in ’t wild wassen. De bessen waren [105]Peen. ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk. Peen groeiden ’er overal in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aan Amerika eigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er genen in het Land der Iroquoizen gevonden heb. Ook zoude men ze hier te lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waar Europische planteryen geweest zyn.
De Gouverneur.
De Gouverneur Generaal van Kanada houdt zyn verblyf te Quebec, dog hy komt dikwyls te Montreal, en brengt ’er niet zelden den winter door. Maar des zomers is hy meest te Quebec, vermits daar dan de schepen aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden. Als hy te Montreal is woont hy op het zo genaamde Slot, het welk een groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur Generaal Vaudreuil gebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning voor eene zekere som verhuurt. De Generaal De la Galissonière houdt meer van Montreal als van Quebec; ook legt de eerste plaats veel aangenamer.
Geld.
Men heeft in Kanada byna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen andere munt dan enige kleine Fransche Sols, uit koper met een weinig zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalve Sol. De Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong. De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur van Quebec of de Kommissaris te Montreal, wanneer ’er betalingen moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In October staat het den houderen vry dezelven den Intendant te Quebec of den Kommissaris te Montreal te brengen, en ’er wisselbrieven op Frankryk voor te nemen. De Koninglyke schatkist in Frankryk voldoet dan deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar in Frankryk van doen zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’ sommen, gelyk onze Bankbriefjes in Zweden. Sommigen zyn van nog minder dan ene Livre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uit Frankryk aankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven op Frankryk te verruilen. Deze Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de straffen, die hierop [106]staan, en niet zelden des misdadigers leven in gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en twee livres niet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten vallen. Een Sol is de laagste munt in Kanada, en omtrent zo veel als een Penny in de Engelsche Volkplantingen. Ene Livre, of een Franc houdt twintig Sols, en drie Livres maken een Ecu.