De oogst was nu op handen, en ik zag overal het volk wakker op het land aan ’t werk. De Weit en den Haver had men reeds ene week geleden begonnen te mayen.

Het gezigt voor Quebec op de Rivier was zeer schoon. De Stad lag hoog, en men zag alle de gebouwen zeer wel. De schepen leverden ene fraye vertoning op. Het kruidmagazyn stak boven alle de gebouwen uit.

Het land dat wy voorby voeren streelde het oog niet minder. De St. Laurence liep hier byna geheel van ’t zuiden naar het noorden. Aan beide zyden vertoonde zig ruime bebouwde landeryen, dog meer aan de west- dan aan de oostzyde. De kanten der Rivier waren hoog en steil. Ene menigte van door dalen van malkander afgescheidene heuvels, uitgestrekte akkers, die nu van het koorn wit waren, en voortreffelyke bosschen, maakten het gezigt aan beide zyden zeer aangenaam. Hier en daar zag men ene kerk van steen staan. Ook smeet zig nu en dan een beekje van de hoogte in den stroom. Waar de beken enige kragt van water hadden waren ’er molens op gebouwd.

Isle d’Orleans.

Na anderhalve Fr. myl ver geroeid te zyn kwamen wy aan Isle d’Orleans, een eiland van omtrent zeven en ene halve Fr. mylen lang, en twee breed. Het legt midden in de St. Laurence. Het Eiland is hoog, de oevers zyn steil, en boschryk. Op sommige plaatsen waren zy egter vry van hout en digt aan den oever bebouwd. Het Eiland is zelf wel bebouwd, en men zag niet anders dan fraye stenen huizen, grote akkers, weilanden, bosschen van bomen die hun blad vallen laten, en enige stenen kerken.

Wy volgden den westelyken tak der Rivier, dewyl dit de kortste weg is. Dezen tak schattede men op een vierde van ene Fr. myl breedte. Dog de schepen durven dezen weg niet nemen, ten dele van wegen de zandbanken die hier nevens de uitstekken van het land leggen, ten dele wegens de ondiepte, en ten dele van wegen de klippen en stenen die onder water leggen, maar houden zig altyd aan de oostzyde des Eilands. Het land bleef de zelve gedaante als voor dezen behouden. Op het vaste land bestonden de hoogtens overal uit de meermalen genoemde zwarte kalkleyen. De huizen der Boeren waren meest overal van [159]dien steen opgemetseld, en van buiten gewit. Hier en daar egter stonden huizen van anderen steen. Ene ry van tien hoge bergen, die westwaards van de Rivier lag, en zig meest van ’t zuiden naar het noorden strekt, begon allengskens de St. Laurence te naderen, zo dat zy, die by Quebec wel twee mylen van de Rivier af lagen, negen Fr. mylen verder byna vlak aan den oever kwamen. Merendeels waren deze bergen met hout bewassen, dog op sommige plaatsen waren de meeste bomen verbrand. Omtrent zeven en ene halve Fr. myl van Quebec legt aan de westzyde der Rivier, beneden aan den oever, ene kerk, die St. Anne genoemd wordt. Zodra de schepen, die uit Frankryk of elders anders van daan komen, deze kerk in ’t gezigt krygen, lossen zy hun geschut tot een teken van vreugde dat zy nu niets meer op de St. Laurence te dugten hebben, en nu het gevaar der menigvuldige zandbanken te boven zyn. Het water in de Rivier was overal bleek rood en troebel, schoon men het meer dan zes vadem diep rekende. Een weinig beneden St. Anne viel aan de westzyde der Rivier een stroom in dezelve, die La grande Rivière120 genoemd wordt. Deze Rivier stroomde zo hevig dat het water byna tot in het midden van den tak der St. Laurence tusschen ’t vaste land en het Eiland zynen loop behield.

Omtrent ten twee uur na den middag begon de vloed, ook hadden wy den wind sterk tegen, zo dat het ons onmogelyk was verder te komen, zo lang tot dat het weer begon te ebben. Wy namen dan onzen intrek op ene boerdery, toebehorende aan de Priesters van Quebec, nevens ene fraye kerk, St. Joachim toegewyd. Wy hadden dezen dag agt Fr. mylen afgelegd. Wy werden zeer vriendelyk ontvangen. Al het omleggende land is van den Koning aan het Seminarium te Quebec geschonken geworden, dat het den boeren verhuurd heeft. Hier bevonden zig nu twee Priesters, en verscheiden jongelingen, welken zy in ’t lezen en schryven en in ’t Latyn onderwezen. Dezen worden meest tot den geestelyken stand geschikt. Vlak over deze plaats lag de noordelykste hoek van de Isle d’Orleans.

De tuinen te Montreal en te Quebec zyn vol van rode Aalbessen. Zy zyn oorspronglyk uit Europa, dog tierden hier byzonder wel. De boompjes waren vol van bessen.

Veel wilde wyngaarden121 wiessen ’er in de bosschen. Ook had men ze door geheel Kanada in de tuinen en by de zomerhuisjes geplant. Deze zomerhuisjes waren alleen van latten gemaakt, en werden van alle kanten door de zware bladeren der wyngaarden bedekt, zo dat ’er de zon niet door kon dringen, en zy des zomers zeer koel en aangenaam waren. De wind dwong ons den nagt over te St. Joachim [160]te verblyven. Den 30. zetteden wy onze reis tegens den wind op voort. By St. Joachim begint de Rivier als de vloed hoog komt brak te worden, en hoe meer men naar beneden komt des te zouter wordt zy. Wy zagen in ’t eerst aan de westzyde der Rivier voortreffelyke landeryen, die egter zeer laag lagen, dog kort daarop kwamen de hoge bergen tot aan het water. De oever hield toen op uit kalkleyen te bestaan, en veranderde in enen uit glinstersteen en kwarts vermengden kalkagtigen rotssteen.122 De glinstersteen was zwart, en de kwarts ten dele helder grauw. Deze stoffen waren zo wel onder malkanderen vermengd dat men ze met het oog kwalyk, dog met het werktuig in ’t geheel niet van een scheiden kon. De breedte der Rivier was byna drie Fr. mylen. Men toonde my hier en daar hoe bezwaarlyk de schepen de regte doorvaart vinden konden, welke nu aan dezen dan aan genen kant der Rivier lag.

Wy kregen een zeer gevaarlyk stuk wegs, ter langte van vyf Fr. mylen, dewyl de gantsche westeroever der Rivier uit hoge en steile bergen bestaat, zo dat indien ons een storm overvallen had wy nergens voet aan land zouden hebben kunnen zetten, uitgenomen dat op twee of drie plaatsen smalle openingen in de bergen waren daar men des noods de schuit zou hebben kunnen bergen, dog dan moest men in den storm die nauwtens juist weten te treffen, anders moest men onfeilbaar op de klippen omkomen. Deze bergen waren of geheel kaal, of met zeer ondigt staande dennen bewassen. Op sommige plaatsen egter waren kloven, in de welken de bomen digt op een stonden en ook hoger opschoten. Dit vertoonde zig van verre als of ’er onder op de rots hagen geplant waren. Wat verder kwamen wy een kerkje voorby, om het welke heen enige boerderyen lagen. De plaats werd Petite Rivière genoemd, en de Ingezetenen hield men voor zeer arm, het welk ook niet onwaarschynlyk was. Zy hadden niet meer lands om te bebouwen dan het geen tusschen de Rivier en ’t gebergte lag, het welk op zyn breedst niet boven de drie snaphaanschoten bedroeg. Omtrent zeventien Fr. mylen van Quebec werd het water zo zout dat niemant het drinken kon. Om deze reden hadden onze roeyers zig van enen ketel met frisch bronwater voorzien. Eindelyk kwamen wy des avonds om vyf uur in Baïe St. Paul, waar wy ons verblyf by de Priesters namen, die daar een groot gebouw bezaten, en ons zeer verpligtend ontvingen.

Baïe St. Paul.

Baïe St. Paul is een klein Kersspel, agttien Fr. mylen van Quebec, aan enen waterboezem, even weinig van de Rivier af, gelegen. De grond is ’er laag en vlak, van alle kanten door hoge bergen omringd, uitgenomen alleen op ene plaats aan den kant der Rivier. De boerderyen [161]lagen ieder op zig zelve. De kerk is ene der eersten die hier te lande gebouwd werden, het geen ook genoeg uit hare slegte bouworde blykt. De muren bestonden uit balken, staande over einde omtrent ene el van malkander, en op de balken rustte het dak. Tusschen de balken had men de muren van zwarte kalklei opgetrokken. Het dak was plat. In de kerk was een klein koor, en ene houten sakristy. Zy had genen toren; maar daar was ene klok op het dak, hangende in de open lugt. Het gehele land behoort den Geestelyken. De Ingezetenen leven merendeels van den landbouw en het branden van Teer, die te Quebec verkoft wordt.

Dewyl het land laag en aan enen waterboezem gelegen is, zoude men ligtelyk vermoeden dat de grond eertyds water geweest, en door de slibben, welken kleine daar langs lopende beekjes, en by stormig weder de Rivier zelve, aangevoerd hebben, voortgebragt was. Een groot deel der gewassen die men hier vindt zyn ook zeeplanten, als de Salicornia, de Glaux, het Pisum maritimum, en anderen. Dog de Inwoonders verzekerden my allen dat zy onder ’t graven noit mossel- of andere schelpen gevonden hadden. Het zelve antwoord had ik ook reeds van anderen, die noordwaards van Quebec op de lage gronden woonden, gekregen, welken betuigden noit iets anders dan verscheidene soorten van zand en aarde gevonden te hebben.

Het is zonderling, dat ’er byna altyd een andere wind op de Bai dan op de Rivier wait. Dit wordt van de hoge bergen, waarmede de Bai rondom, uitgenomen aan den kant der Rivier, omgeven, is veroorzaakt. Als dan de wind van dien kant op de Bai komt, stuit hy tegens de bergen wederom, en moet dus ene andere streek krygen. Dus kan ’er op de Rivier of op het vlakke veld een noorden, en hier een zuiden wind wayen.

Zand.

Op den oever der Rivier zag ik drie soorten van zand leggen. Het ene was een helder grof zand, dat uit hoekige kwartskorrels bestond, en op de stranden gemeen is. Het andere was een zeer fyn zwart zand, gelyk ik voorheen in menigte op den oever van het Meer Champlain gevonden had, en door geheel Kanada tamelyk gemeen is. De zeilsteen trekt byna alle deze korrels aan. Het derde was een granaatkleurig insgelyks zeer fyn zand, ontstaande, naar alle gedagten, uit de granaatkleurige zandkorrels, welken men zeer overvloedig in alle de stenen en bergen hieromstreeks vindt; het zy dan dat dit zand ontstaan is uit stenen welken uit malkander gevallen of door het water afgeslepen zyn, of dat dit zand zelf aan deze stenen het bestaan gegeven heeft. Ik vond in ’t vervolg van deze Reis dikwyls op de oevers van dit zwarte en van dit granaatagtige zand; dog het meest van het zwarte.

Den 31. Aug. zag men des morgens als enen zwaren rook van de [162]bergen om hoog ryzen; en de lugt was zo vol van Muggen dat men zig niet wist te bergen. Vooral was dit gedierte lastig in het hout. Zy waren wat kleinder als de Zweedsche Muggen. Dog by Fort St. Jean heb ik Muggen van het zelve soort als de onzen gezien, zelfs een weinig groter, byna gelyk onze Tipula hortorum. Dezen waren meer dan bloeddorstig. Ik troostte my met de gedagte dat haar tyd haast voorby zyn zoude.

Na den middag voeren wy verder de St. Larence af naar de plaats daar men zilver of looderts vinden zou. Wat beneden Baie St. Paul kwamen wy een uitstek lands voorby, dat geheel en al uit enen grauwen, tamelyk digten, en in beddingen leggenden kalksteen bestond. Hy scheen maar ene verscheidenheid van de zwarte kalklei te wezen. De lagen waren niet horizontaal, maar byna loodregt, neigende noordwaards naar beneden. Elke laag was ene halve el of iets meer dik. De steen doorgebroken zynde rook als stinksteen. Wy hielden ons, gelyk den voorgaanden dag, aan de westelyken oever, die uit niet anders dan steile klippen bestond. De Rivier was nu maar drie Fr. mylen breed. Hierendaar zag men in de rotsen strepen van enen sneuwwitten, fynen, lossen en byna doorschynenden Spaath. Op verscheiden’ plaatsen lagen stenen in de Rivier, zo groot als gehele huizen, welken voor enige jaren in de lente van de rotsen waren afgerold. Men kan de plaats nog duidelyk zien waar zy voorheen gezeten hebben. Op vele plaatsen zag men Aalkasten in de Rivier, diergelyken wy reeds beschreven hebben.123

Algonkinsche taal.

Om den tyd te verkorten tekende ik enige woorden van de Algonkinsche taal op, die ik van enen Vader Jesuiet leerde, die zig lang onder de Algonkins had opgehouden. Zy noemen het water Mukuman, het hoofd Ustigon, het lichaam Wihas, den voet Ukhita, ene schuit Ush, een schip Nabikoan, het vuur Skute, hoi Maskusu, het water Nypi, enen haas Whabus, enen marter Whabistanis, enen eland Musu124, een rendier Attikku, ene muis Mawitulsis. Deze Jesuiet meende grond te hebben om te geloven, dat, als enig Amerikaansch volk zynen oorsprong aan de Tartaren schuldig is, dat byzonderlyk ten opzigte der Algonkins plaats heeft, want hunne taal wordt overal in Noord Amerika [163]ver ten westen van Kanada, naar den kant van Tartaryen toe, gesproken. Deze taal wordt als zeer woordenryk opgegeven, by voorbeeld, om te zeggen ik ga op ’t ys gebruikt men een geheel ander woord dan om te zeggen ik ga op het land, en ik ga op enen berg.

Terre d’Eboulement.

Des avonds laat kwamen wy te Terre d’Eboulement aan, dat tweeëntwintig Fr. mylen van Quebec af legt, en de laatste plaats aan de westzyde der St. Laurence is die bebouwd en van Franschen bewoond wordt. Verder is het land zo vol bergen, dat het onbewoonbaar is, dewyl ’er geen enkeld stuk lands gevonden wordt dat men zou kunnen bebouwen. Een klein kerkje staat onder aan den oever.

Hier wassen gene Walnootbomen meer, van wat soort ook. By Baie St. Paul vond men nog twee of drie van die Walnootbomen die de Engelschen Butter-nut-trees noemen; dog zy waren de enigen welken men in den gehelen omtrek ziet. Ook willen gene Eiken hier, of verder noordwaards, wassen.

Granen.

Weit werd hier veel gezaid. De aarde is hier tamelyk vrugtbaar, en geeft dikwyls vier- of zesentwintig voor een, dog gemeenlyk tien of twaalf. Het brood was hier witter dan ik nog in Kanada gezien had.

Men zait ook veel Haver, en hy neemt beter op dan de weit. Ook worden hier veel Erwten geteeld. Zy vermenigvuldigen zig het meest van alle granen. Daar zyn voorbeelden dat zy honderd voor een gegeven hebben.

Vogels.

Vogels zyn hier niet veel; en die hier des zomers zyn trekken in den herfst weg. Des winters ziet men hier niets dan Sneuwvogels, Patryzen, en Ravens. Zelfs de Krayen durven hier den winter niet aftewagten.

De Bulkikker is hier op vele plaatsen te vinden, gelyk ook de Vuurvliegen.

In plaats van kaarssen brandt men hier overal olie van Bruinvisschen in de lampen. By gebrek van deze olie gebruikt men traan van Robben.

Hier bevond zig ene vrouw die digt by haar negenenvyftigste jaar en egter zwanger was. Zy had sedert agttien jaar de stonden niet gehad. In ’t jaar 1748. kreeg zy de kinderziekte; en nu was zy zwanger en zeer dik. Zy was welvarende, en zeide dat zy het kind voelde bewegen. Men bragt haar om de vreemdheid der zaak by den Heer Gaulthier, die van ons gezelschap was.

Den 1. September des morgens om half agt uren vertrokken wy van hier, de Rivier nog verder afvarende. Het land by Terre d’Eboulement was [164]hoog, en bestond uit heuvels van loutere aarde, welken als in drie of vier verdiepingen boven malkander lagen, en allen bebouwd waren.

Aardbeving van 1663.

Deze oord leed veel schade van de zware Aardbeving des jaars 1663. van de welke Pere Charlevoix125 spreekt. Verscheiden heuvels tuimelden omver, en vele akkers die op de lager heuvels lagen wierden vernield. Men vertoonde my enige kleine eilandtjes in de Rivier, welken by die gelegenheid ontstaan waren.

Op de heuvels lagen hierendaar stukken van zwarte Kalklei. Wy hadden ter zyde gedurende agt of meer Fr. mylen zeer hoge grauwe bergen gehad, bestaande uit enen rotssteen, die uit enen purperen en waterkleurigen kwarts, enen ligtgrauwen kalksteen, en enen zwarten glimsteen, door malkander vermengd, bestonden. Zy kwamen met hunne voeten in de Rivier. Men konde op dezelven gene kalklei gewaar worden; dog nu begon die zig wederom te laten vinden.

Zwaluwen126 vlogen ’er in menigte herom. De Rivier wierd hier vier Fr. mylen breed geschat.

Ter zyde der Rivier zag men twee Fr. mylen ver diergelyke verhogingen van heuvelen gelyk by Terre d’Eboulement. Dog wat verder kwamen ’er hoge en verdrietige bergen in de plaats.

Verscheiden’ groter en kleinder Beken stortten zig van de steile oevers, die somtyds enige vademen hoog, en nu uit rots, dan uit aarde bestonden, in de Rivier, met zulk een gedruisch, af, dat men het van verre horen konde.

Mineraal water.

In ene dezer beken, die over enen kalkstenigen berg liep, vond men een mineraal water. Het rook vry sterk naar zwavel, was zeer helder, en veranderde niet van kleur door de galappelen. Als men het in enen zuiveren zilveren beker giet, schynt de beker verguld te wezen, en ’er bleef ene karmozynagtige stof op den bodem. Stenen en hout in dit water leggende werden met een soort van slym overtrokken, die van boven ligt grauw en van onderen aan den steen of het hout gantsch zwart was. Deze slym beet niet sterk op de tong, dog smaakte byna als olie van tabak. De handen roken van deze slym, als men ze aantastte, den gantschen dag zo sterk naar zwavel, als waren zy ’er mede besmeerd.

Op de hoogte van de oppervlakte van het water vond men veel kalkleyen. Zy lagen in beddingen, niet horizontaal, maar naast malkander, een weinig naar ’t westzuidwesten hellende. Elke laag was omtrent tien of vyftien duim dik. Boven aan, daar de lugt ’er by kwam, waren zy in kleine blaadtjes geschilferd, dog van binnen digt gesloten. Sommigen helden wat naar ’t grauwe. [165]

Cap aux oyes.

Om den middag kwamen wy by Cap aux Oyes aan, welke naam misschien oorspronglyk is van de wilde Ganzen, die de Franschen daar op hunne aankomst zullen hebben aangetroffen. Tegenswoordig zag men ’er niet enen vogel, behalven enen Raaf. Hier zouden wy de bewuste aderen van metaal onderzoeken. Dog het waren niet anders dan smalle strepen van enen fynen witten Spaath, waarin enige weinige korrels van looderts lagen. Cap aux Oyes werd van enigen twee- van anderen vyfentwintig Fr. mylen van Quebec gerekend. Ik zag met groot genoegen dat de meeste gewassen die men hier vond de zelven zyn die ook in Zweden voortkomen. Tot ene proeve zal ik ’er enigen aantekenen.

Het Zandriet, of de Arundo arenaria van Linnæus, wies hier veel in ’t zand, en deed het vast leggen.

Zweedsche planten.

Het Elymus arenarius was ook overvloedig op de oevers. De Franschen noemen deze twee planten Zeerogge.127 Deze planten wassen menigvuldig op de kusten van Newfoundland en van Noord Amerika. De plaatsen daar het staat zien ’er van verre uit als koornlanden. En dit kan tot ene verklaring dienen van het geen in de oude Noordsche Geschiedboeken van Vinland det goda gezegd wordt, dat daar namelyk de Weit van zelve groeit.128

Het Zeeweegbree of de Plantago maritima kwam hier ook veel voor. De Franschen eten op zee de bladeren van dit gewas in soep of als salade. Het kan ook als Zeevenkel129 ingemaakt worden.

De Arbutus uva ursi van Linnæus wast hier in overvloed. De Wilden, de Franschen, de Engelschen, en de Hollanders noemen het Sagakhomi. Men mengde de bladeren ’er van met de tabak.

De Myrica Gale, in Zweden Porss genaamd, was hier ook overvloedig. De Franschen noemen het Laurier, ook wel Poivrier. Men doet de bladeren in de soep, om ’er enen goeden smaak aan te geven.

De Bunias Cakile wierd ’er ook genoeg gevonden. By gebrek van brood vermengt men er den gestampten wortel van met meel.

De Borbus, de Jeneverboom, de Linnæa, en vele andere Zweedsche planten en bomen, wiessen hier in menigte.

Baie St. Paul.

Wy keerden nog dezen dag naar Baie St. Paul terug. Een grote Rob zwom de schuit enigen tyd na, dog was te ver om geschoten te kunnen worden.

Den 2. September gingen wy de zilver- of loodaderen bezigtigen. Zy leggen een weinig bezyden de molens van Baie St. Paul, die den Priesteren [166]toebehoren. De berg bestond, gelyk de meeste anderen hieromstreeks, uit enen rotssteen, t’zamengesteld uit enen witten of ligt grauwen kalksteen, enen roodagtigen kwarts, en enen zwarten glimsteen. De kalksteen had de overhand, en was zo fyn dat men de korrels niet zien kon. Dog hy bruischt sterk op met sterk water. Daarop volgen in menigte de kwartsdelen, die ook uit kleine korrels bestaan, welken verspreid leggen, en vonken geven als men ze met staal slaat. Dan komen de zwarte glimsteendelen, en het minst in getal zyn de doorschynende deeltjes van kwarts. Ook vindt men ’er enige kleine spaatkorrels in. Alle deze soorten zyn wel door een vermengd, uitgenomen dat de glimsteen enige aders maakt. De steen is zeer hard, dog wordt in den zonneschyn en de opene lugt week, en kan dan gewreven worden, en dan zyn zyne delen niet te onderkennen. De berg was vol van loodregte spleten, waarin de loodaderen van ’t oostzuidoosten naar het west noordwesten liepen. Het was als of ’er scheuren in den berg gekomen waren, die vervolgens vol waren geraakt van een soort van steen, waarin het looderts werd voortgebragt. De steen waarin het looderts zit is een zagte, witte, dikwyls byna doorschynende spaath, die ligt kan bewerkt worden. Ook zyn ’er enige strepen in van enen sneuwwitten kalksteen, en meest altyd aderen van enen groenen steen gelyk als kwarts. In dezen spaath waren verscheiden’ spleten, en hy ging in zulke stukken als de kwarts van een, maar is veel weker, geeft geen vuur met het staal, bruischt niet op met zure zouten, en is niet glad. Hy scheen volkomen een soort te zyn van Wallerius’s Glasspaath. Somtyds zyn ’er kleine stukjes van enen grauwen kwarts in, die door ’t staal geslagen sterke vonken geven. In deze stenen legt het looderts, gemeenlyk in klompjes, ter grootte van ene erwt, dog somtyds in stukken van de grootte eens duims in ’t vierkant. Het erts is zeer helder, en maakt kleine teerlingen uit. Het was niet ryk, uitgenomen op enige plaatsen. De aderen van den weken spaath en andere stenen zyn zeer smal, en gemeenlyk van tien tot vyftien duimen; op ene plaats alleen tweeëntwintig en enen halven duim breed. Het beekje dat over den berg naar de molens liep sneed zo diep in den berg, dat van den top des bergs tot op den grond van ’t beekje toe het ene diepte maakte van zes vademen. Ik onderzogt hier de aderen, en vond dat zy altyd de zelve wydte hielden, zonder dat zy by den bodem van het beekje breder dan boven op den berg waren. Hieruit is ligt optemaken, dat het der moeite niet waard zyn zoude hier mynen aanteleggen. Daar zyn drie of vier van deze aderen hieromtrent op enigen afstand van malkander, dog allen van dezelve hoedanigheid. Zy lopen meest loodregt, somtyds alleen een weinig schuinsch. Als men van dezen gemelden groenen steen enige stukken in het water legt, wordt ’er een groot deel van den witten spaath en den kalksteen van verteerd, [167]dog de groene steen blyft ongeschonden. Het gedeelte van de aderen dat naar de lugt toegekeerd is was altyd ruw, dewyl de lugt, de zon, en de regen den spaath zeer ontbonden hadden; dog de groene steen wist daar niets van. Somtyds vindt men in deze aderen grote diepe gaten vol van bergkristal. Het meeste zilver- of looderts is te vinden naast den rots of zelfs op de zyden der aderen. Hierendaar zyn in den spaath kleine korrels van Pyrites, die ene schone goudkleur hebben. Als men den groenen steen tot poeder stampt en op ene gloeyende schup goit, brandt hy met ene blauwe vlam. Sommigen meenden dan enen zwavelreuk te vernemen; dog dien konde ik noit ruiken, schoon ik mynen reuk zeer wel had. Als deze steen gloeyend wordt verliest hy zyne groene kleur, en word witagtig. Dog hy bruischt niet op met sterk water.

Zwavelbronnen.

De Zwavelbronnen, indien ik ze dus noemen mag, zyn aan den voet van den berg, waarin het lood- en zilvererts gevonden wordt. Hier voegen zig verscheiden’ bronnen t’zamen, en maken een klein beekje. Het water in het zelve was met een dun vlies bedekt, en liet overal ene witagtige melige stof zitten, welke sterk naar zwavel rook. Het hout waaraan deze stof zit geeft gedroogd, en in ’t vuur geworpen zynde, ene blauwe vlam en enen zwavelreuk. Het water verandert niet door de galappelen van kleur: ook verandert het de kleur niet van het blauwe papier dat men ’er in legt. Het schuimt niet sterk met de zeep. Het zilver wordt ’er zwart in. In den tyd van drie uren was ook een mes ’er zwart in geworden. Het rook onaangenaam, en, zo als men zeide, nog sterker by regenagtig weder. Thans lag ’er ene menigte van krekels in. De Ingezetenen gebruikten dit water als een middel tegens de schurft.

Des namiddags gingen wy enen anderen ader bezien, dien men als zilvererts bevattenden had opgegeven. Deze ligt omtrent een vierde van ene myl noordoost van Baie St. Paul, digt by een uitstek lands, genaamd Cap au Corbeau, vlak aan den oever der St. Laurence. De berg bestaat uit enen ligt roden spaath, enen zwarten glimmer, enen bleken kalksteen, purpere kwartskorrels, en wat doorschynenden kwarts. Somtyds is de rode spaath het voornaamste, en legt in lange strepen van kleine harde korrels. Somtyds heeft de fyne glimsteen de overhand. Deze twee steensoorten lopen in verwisselende strepen. De witte kalksteen, die uit byna onzigtbare deeltjes bestaat, is ’er onder vermengd. De kwartskorrels vertonen zig hierendaar, en maken somtyds gehele strepen. Zy zyn zo groot als een speldekop, rond, glinsterend, en geven vuur met het staal. Alle deze stenen zyn zeer hard, en de bergen by het water bestonden ’er geheel uit. Somtyds leggen zy in byna loodregte beddingen, van tien of vyftien duim dik. Deze bergen bevatten zeer smalle aders van enen witten, en somtyds groenagtigen, fynen, half doorschynenden, [168]weken spaath, die ligt tot gruis valt. In dezen spaath vindt men dikwyls spikkels die ’er omtrent uitzien als het Zincum sterile. Nu en dan, dog zelden, is ’er een korreltje looderts. De bergen langs den oever bestaan somtyds uit enen zwarten fynen hoornsteen, en enen yzerkleurigen kalksteen. In dat geval is de hoornsteen altyd drie of viermaal meerder in hoeveelheid dan de kalksteen.

Hier in de nabuurschap is insgelyks ene Zwavelbron, van juist dezelve hoedanigheden als die ik reeds beschreven heb. De Typha latifolia wast in de bron zelve, en tiert zeer wel. Een Sorberboom stond ’er vlak by, welks bessen van ene bleke gele kleur waren; daar die van alle de andere bomen van dit soort donker rood zyn.

Teer.

Men brandt by Baie St. Paul veel Teer. Wy kwamen ene plaats voorby waar men des zomers Teer brandt. Zy was even gelyk die wy in Oost Bothnie hebben, uitgenomen dat deze alleen iets kleinder was. Egter zeide men dat ’er hier somtyds zeer veel van gemaakt wordt. De Teer komt alleen van den roden Pynboom.130 De andere soorten deugen ’er niet toe, want zy geven byna niets, ten minsten niet in vergelyking van de moeite die ’er toe vereischt wordt. Men gebruikt hier toe de wortels, die men opgraaft, en omtrent een stuk van den stam ter lengte van enen vadem. Het overige wordt weggeworpen. Deze wortels zyn zeer vol van hars. Zy wisten hier nog de konst niet, ten minsten gebruikten zy ze niet, om door middel van den boom te schillen, meerder hars naar ene der zyden van den boom te trekken. De Teertonnen waren pas half zo groot als by ons. Een ton houdt vyfenveertig potten, en wierd nu te Quebec voor vyfentwintig Francs verkoft.

Zand.

Het zand op den oever der St. Laurence bestond op sommige plaatsen uit een soort van parelzand. De korrels waren van kwarts, klein en half doorschynend. Sommigen waren rond, anderen langwerpig, ligtgrauw of geheel wit. Op andere plaatsen bestond het uit zwarte deeltjes van glimsteen. Ook waren ’er plaatsen waar streken van granaatzand lagen.

Bergen.

Den 4. September gaven de bergen wederom enen zwaren nevel als den rook ener koolbrandery van zig. Deze bergen waren zeer hoog. Ik vroeg verscheiden’ lieden die veel door Kanada gereisd hadden, of zy ergens in dat Land zo hoge bergen hadden ontmoet dat de sneuw op derzelver toppen nimmer smolt. Dog het antwoord was neen. Somtyds blyft wel de sneuw op de hoogtens, by voorbeeld op die welken tusschen Kanada en Nieuw Engeland zyn, tot diep in den zomer leggen; dog zy smelt altyd wanneer de warmte wat sterk wordt. [169]

Vlas.

Elke landman had zo veel vlas gezaid als hy voor zyn gebruik nodig had. Men had het sedert enigen tyd te rotten gelegd, ten dele op de landen daar het gewassen was, en ten dele op de weiden. Het vlas was dit jaar overal tamelyk kort uitgevallen.

Yzererts.

Yzererts wordt in dezen oord op vele plaatsen gevonden. Omtrent ene Zweedsche myl van Baie St. Paul landwaards in is een gehele berg louter yzererts. Het gantsche land daaromheen, dat met zwaar hout bedekt was, en daar vele beken van verschillende grootte doorliepen, scheen voor het aanleggen van yzerwerken zeer bekwaam te zyn. Dog dewyl de Kroon zo veel verlies by het yzerwerk van Trois Rivières had geleden dorst niemant iets van dien aard te wagen.

Terugreis.

Den 5. September gingen wy ’s morgens vroeg weder op reis naar Quebec. Wy zetteden onze reis des middags voort en wierden ’er van ene zware donderbui overvallen. Wy waren toen juist over Petite Rivière, ook begon het te ebben, zo dat wy alles tegen hadden. Dit bewoog ons aan land te stappen om onder dak te komen.

Petite Riviere.

Petite Riviere is een klein vlek, dat aan den oever der St. Laurence legt. Het wordt zo genoemd om dat ’er een beekje voorbystroomt. De huizen waren van steen en stonden verstroid. ’Er was ene kleine stenen kerk. Ten westen vlak aan het vlek lagen zeer hoge bergen, welken maakten dat de zon hier een uur of drie vroeger dan op andere plaatsen onderging. Een ander ongemak heeft men hier, bestaande daarin dat de St. Laurence aan den oostkant alle jaren een stuk van het land wegneemt, zo dat te vrezen is dat zy allengskens al het land hier, dat niet veel meer dan enen musketschoot breed is, wegspoelen zal. Voor ’t overige zag men hier in alle de huizen ene menigte van kinderen.

De kalkleyen op de hoogtens waren hier van tweeërlei soorten. Het ene was van de zwarte leyen, gelyk als die waarop Quebec staat. Het andere was meest zwart, en somtyds ligt grauw, schynende maar ene verscheidenheid van het eerste soort te wezen. Men noemde het hier Kalksteen. Het grootste onderscheid tusschen die beiden was dat het laatste soort ligt kon doorgesneden worden, gebrand zynde enen goeden kalk gaf, en in de lugt niet zo ligt in schyven viel. De muren der huizen waren geheel en al van deze leyen gebouwd, en met den kalk uit dezelven gemetseld. Zo was het ook met de schoorstenen; waar men alleen den haard van andere stenen gemaakt had. De bergen by Petite Rivière bestonden geheel en al uit denzelven grauwen rots dien ik van de loodertsen sprekende beschreven heb. Dog de voeten der bergen waren van een dezer soorten van leyen. Ook staat ’er een groot deel van de grauwe rotsen in Kanada op enen grond van een dezer soorten van kalkleyen, gelyk ook de grauwe rotsen in West Gothland in Zweden doen. [170]

Aal en Bruinvisschen.

Omtrent het einde van September en de gantsche maand van October worden hier veel Alen en Bruinvisschen gevangen. De Aal komt dan uit zee de Rivier op, en uit de binnenlandsche Zeen de Rivier af zwemmen. De wys waarop zy gevangen worden heb ik reeds beschreven.131 De Aal wordt door de Bruinvisschen gevolgd, die ’er op azen. Men ving ook ene grote menigte van de laatsten. Hoe meer Alen ’er zyn des te meer Bruinvisschen vangt men. Dit geschiedt op deze wys. Als het ebt zwemmen de Bruinvisschen gemeenlyk langs de kanten de Rivier af, en verslinden de Alen die zy daar dan vinden. Om deze reden steekt men takken met de bladen ’er aan in ’t water in de gedaante van enen boog, welks benen zig tegens den wal keren, latende nogthans enen doorgang langs denzelven. De takken staan omtrent twee voet van malkander. Als de Bruinvisschen ’er tusschen komen, en het geruisch horen dat het water tegens de bladeren maakt, worden zy bang, en willen terugkeren. Ondertusschen is het water zo veel gevallen dat zy by het terugkeren op een van de benen van den boog komen, waar zy op nieuws door het geruisch van het water tegens de bladeren verschrikt worden. In deze vergelegenheid zwemmen zy voor en agterwaards, zo lang tot dat het water geheel is weggelopen, zo dat zy op den grond blyven leggen, daar men ze doodt. Zy geven ene goede hoeveelheid van traan.

Nevens den oever der Rivier lag ene grauwe klei, vol van roestkleurige spleten en wormgaten. Deze gaten waren klein, liepen regt naar beneden, en konden ene middelmatige speld doorlaten. De kanten derzelven waren ook van die zelve kleur en half versteend; zo dat als de klei door het water weggespoeld was die gaten ’er uitzagen als kokeragtige pypstelen.

Des middags van den 6. September verlieten wy Petite Rivière, en gingen op weg naar St. Joachim, tusschen welke twee plaatsen de oever uit bergen bestaat die vooruitsteken, waar tusschen enige kleine inhammen zyn. Men heeft opgemerkt dat, al is het te Petite Rivière nog zo stil, het altyd op deze bergen wait. En als het te Petite Rivière enigsins wait, zo is het niet raadzaam met ene schuit naar Quebec te gaan, omdat dan by deze bergen de wind zo sterk en de golven zo zwaar zyn, dat men daar niet buiten groot gevaar is. Wy hadden thans gelegenheid dit zelven te ondervinden, want tusschen de bergen in de inhammen was het water stil, dog zo dra wy omtrent een der uitstekken kwamen, die de bergen maken, zo werden de baren zo geweldig, en de wind kreeg zo veel kragt, dat twee mannen het roer vasthouden moesten, en de mast verscheiden malen brak. Ook deed de stroom by deze uitstekken de golven nog te sterker gaan. [171]

Den 7. September zetteden wy onze reis van St. Joachim voort. Men gebruikt hier in plaats van tintel zeer veel den zwam van bomen. Die van den Suikerahorn wordt het best gehouden, dan die van den Roden Ahorn, en op dezen volgt die van den Suikerberk. By gebrek van dezen gebruikt men ook dien van den Populierboom.

Buiten de Thuya, den Taxus, en verscheiden’ soorten van Dennen, vindt men hier geen geboomte dat ’s winters zyn blad behoudt. De Thuya wordt geoordeeld het slegts tegens de verrotting te bestaan, daarop volgt de Pynboom, dien men hier Perusse noemt.

Kaas.

Kaas wordt hier op verscheiden’ plaatsen gemaakt. Die van Isle d’Orleans komt wordt voor de beste gehouden. Zy waren klein, dun en rond. De vier wegen een pond. Twaalf ’er van kon men voor dertig Sols kopen. Een pond gezoute boter kostte te Quebec tien Sols, en de varsche boter vyftien Sols. Voorheen kon men hier een pond boter voor vier Sols kopen.

De akkers gingen afhellende naar de Rivier. Zy werden by beurten bezaid en braak gelaten. De bezaide akkers waren geel van het koorn, en de anderen groen van het onkruid, het welk men den zomer over gerust wassen liet, zonder het land omteploegen, en het diende tot voeder voor het vee.

De beste hoepels om tonnen maakte men hier van den Esschenboom, en by gebrek van dien van de Thuya, de jonge Berken, den Kerssenboom, en anderen.

Gesteldheid der hoogtens.

De heuvels nevens de Rivier aan de westzyde over Isle d’Orleans waren zeer hoog en tamelyk steil. Zy bestonden op de meeste plaatsen uit zwarte kalklei. Hierendaar egter was ’er een die uit rots bestond, die op ’t eerste gezigt ’er als een zandsteen uitzag, en uit enen grauwen kwarts, enen roodagtigen kalksteen, een weinig grauwen kalksteen, en enige weinige ligtgrauwe zandkorrels t’zamengesteld was. De deeltjes waren in dezen steen klein en sterk vermengd. De steen was helder rood met grauw vermengd en zeer hard. Hy legt in beddingen boven malkander, welken omtrent een vierde el dik waren. Aanmerkelyk is het dat ’er verheven’ en holle deuken op zyn van Pectinites; en men vindt zelfs de versteende schalen der Pectinites op de oppervlakte van den steen, dog binnen in is ’er geen zweemsel van verstening te bespeuren. Alle deze deuken en versteende schalen zyn niet meer dan enen duim in de lengte en in de breedte. De kwartsdeeltjes die in den steen zyn geven vuur tegens het staal, en de kalksteendeeltjes bruischen zeer op in ’t sterk water. De bovenste en de onderste oppervlakte der beddingen bestaan uit kalksteen, en het binnenste uit kwarts. Men houwt veel van deze stenen om ’er mede te bouwen, te bestraten, en trappen van te maken. Veel wordt ’er van naar Quebec gezonden. Het is zonderling dat ’er in [172]dezen steen versteningen gevonden worden, en niet in de zwarte kalkleyen.

De vrouwen verwden hier het wollen garen geel met het zaad van de Myrica gale, welke hier Poivrier genaamd wordt, en overvloedig op natte plaatsen wast.

Des avonds gingen de Heer Gaulthier en ik om den hogen waterval by Montmorenci te bezigtigen. Vlak aan de Rivier was het land hoog, gelyk, en tot weiden gemaakt. Wat verder wordt het heuvelagtig; de grond is daar bedekt met ene mulle aarde, en met koorn bebouwd. Dog hierendaar op steile plaatsen, of waar een beekje liep, bestonden de heuvels alleen uit zwarte kalklei, die op vele plaatsen zo tot gruis geraakt was dat men ze voor aarde zou hebben aangezien. Als men enigen van de grootste stukken doorbrak roken zy gelyk stinksteen. Op meer verheven’ plaatsen was de aarde van ene bleek rode verw, en dit was ook de kleur der leyen.

Waterval by Montmorenci.

De waterval by Montmorenci is een van de hoogsten die ik oit zag. De stroom waarin hy legt is niet zeer breed, en valt van den steilen kant eens bergs af, die uit zwarte kalklei bestaat. De val is digt by enen kleinen inham in de Rivier. Beide de zyden van den inham bestaan alleenlyk uit zwarte kalklei, die egter zeer afgemolmd is, zo dat de zyden niet steil zyn. By den val zelven is de leiberg geheel steil, en men kan ’er nauwlyks zonder verbaasdheid het water van zien af storten. De regen van de vorige dagen had het water op de Rivier vermeerderd, het welk den waterval een nog te grootscher aanschyn gaf. De breedte van den val is niet boven de vyf of zes vadem. Zyne hoogte werd van ons by gissing op tusschen honderdentien en honderdentwintig voet geschat: en op onze wederkomst te Quebec vonden wy onze gissing door verscheiden Heren bekragtigd, die den val nauwkeurig gemeten, en zyne hoogte byna juist zo gevonden hadden als wy ze gisten te zyn. Het volk hieromstreeks woonagtig maakte zyne hoogte veel te groot, hem driehonderd voet gevende. Vader Charlevoix is integendeel al te karig als hy den waterval maar veertig voet geeft. Onder aan den val is altyd een digte nevel, die zig meer dan een snaphaanschoot over het water van den inham uitbreidt. Digt op het water was hy het sterkst. Men was hier als in enen gestadigen regen, die sterker of minder sterk is naar dat men den val nadert. Wy wilden met den man die ons den weg wees digt by het afstortend water komen om alles des te nauwer te onderzoeken, en te zien hoe de steen agter het water ’er uitzag, dog een onverwagte wind joeg ons schielyk zulken nevel op het lyf dat wy in een ogenblik zo doornat waren als of wy een half uur in ene stortvlaag geweest waren. Dus zagen wy ons genoodzaakt hals over kop terug te lopen, en waren blyde ’er uit te zyn. Het geraas van [173]den Waterval wordt somtyds te Quebec gehoord, dat ’er twee Fr. mylen zuidwaards van daan legt; en dit is dan een teken van enen noordoosten wind. Op andere tyden hoort men het in de dorpen die een goed stuk wegs meer naar het noorden leggen; en dat wordt voor een teken gehouden van enen zuidwesten wind of van regen. De zwarte kalklei die de zyden van den val uitmaakt legt in byna loodregt aflopende beddingen. In deze kalklei vonden wy de volgende soorten van steen.

Het Gypsum amiantiforme. Dit legt met dunne schyven in de spleten van de kalklei. De kleur was sneuwwit. Ik heb het in verscheiden’ delen van Kanada in die zelve kalkleyen gevonden.

Pierre a Calumet. Dit is de Fransche naam van enen steen, waaruit hier te lande byna alle de tabakspypen gemaakt worden. Hy legt in beddingen van onderscheiden dikte tusschen de kalklei. Ik heb stukken gezien omtrent vyftien duim dik; dog de meesten zyn tusschen de vier en de vyf duim. Als de steen lang in de lugt of in den zonneschyn blyft bloot leggen, verkrygt hy ene gele kleur, dog van binnen is hy grauw. Het is een zo vaste kalksteen, dat zyne deeltjes met het nakend oog niet te onderkennen zyn. Hy is tamelyk week, en laat zig wel behouwen. Hoe weker de stukken zyn des te beter worden zy gehouden voor tabakspypen. Ik heb sommigen van deze stenen van buiten in dunne schyven zien schilferen als zy in de zon lagen. Alle de tabakspypenkoppen, die in Kanada van het gemene volk gebruikt worden, zyn van dezen steen, en op verschillende wyzen versierd. Vele Heren gebruiken ook dit soort van pypen, vooral als zy op reis zyn. De Amerikanen hebben reeds vele euwen lang dezen steen tot dat einde gebruikt, en het de Europers geleerd. Deze koppen zyn natuurlyk van ene bleke grauwe kleur, dog men maakt ze zwart terwyl zy nog nieuw zyn. Men besmeert den gehelen kop met vet, houdt hem dan boven ene brandende kaars of een vuur, en dus wordt hy door den rook en het vet t’zamen zwart. De zwartheid wordt nog door het gebruiken vermeerderd. De pypenstelen zyn altyd van hout, en worden door middel van ene kleine koperen keten, die door een gat in den kop heen gaat, aan den zelven vastgemaakt, om voor te komen dat hy ’er af valle.132 [174]

Steenkolen.

Steenkolen waren hier om heen niet te vinden. In een naburig dorp wierd my ’er een stuk van vertoond, dat men zeide op de heuvels digt by den waterval gevonden te zyn.

Koortsen.

Des nagts kwamen wy te Quebec aan. De Heer Gaulthier zeide my dat allerlei afgaande Koortsen in die plaats zeer ongemeen waren; dog omtrent Fort St. Frederic en Fort Detroit, ene Fransche volkplanting tusschen het Meer Erie en het Meer Hudson, op 43. gr. N. gaan zy sterk in zwang. Het gene ik boven aangaande de Engelschen heb aangemerkt, dat zy zo oud hier te lande niet worden als in Europa, wierd van allen toegestemd ook omtrent de Franschen in Kanada plaats te hebben. Men schreef dit toe aan de zware ongemakken welken men hier door het reizen moest uitstaan. In Kanada is het iets meer dan zeldzaams een mensch van honderd jaren te zien; dog nu en dan vond men ’er nog wel een van tagtig jaar.

Yskelders.

Sommigen van de voornaamste lieden bedienen zig van yskelders om hunne dranken des zomers koel, en het vleesch goed te houden. Deze yskelders zyn gemeenlyk van steen onder het huis gebouwd. De muren zyn met hout bekleed, dewyl het ys by steen zo goed niet blyft. Des winters vult men den kelder met sneuw, die men plat trapt, en ’er vervolgens water overheen giet. Dan zet men de deur en alles open om de koude binnen te laten. Men heeft de gewoonte van des zomers een stuk ys in den drank te leggen om hem te verkoelen.

Zout.

Al het Zout dat hier gebruikt wordt komt uit Frankryk. Men heeft hier wel zout uit het zeewater gemaakt, dog, om dat Frankryk alleen den handel in het zout voor zig behouden wil, heeft men hier van afgezien.

Eskimaus.

De Eskimaus zyn een soort van wilde Amerikanen, die in Labrador tusschen de Hudsonbai en den uitersten mond der St. Laurence wonen, dog alleen aan de kust en niet ver binnen ’s lands. Ik heb noit gelegenheid gehad ’er enen van te zien; dog ik heb verscheiden Franschen gesproken, die deze menschen dikwyls gezien, en ze met hunne vaartuigen aan boord gehad hadden. Volgens het eenparig verhaal van dezen, wil ik kortelyk het een en ander van dit volk aantekenen.

De Eskimaus zyn in kleur en taal geheel van de overige Amerikanen onderscheiden. Zy zyn byna zo blank als de Europeanen, en hebben kleine ogen. De manspersonen hebben baarden. De Amerikanen integendeel zyn koperkleurig en baardeloos. In hunne taal kan men enige Europische woorden ontdekken. Zy wonen in holen onder den grond, of in grotten in de bergen, of wel in hutjes van zoden boven den grond gemaakt. Zy zayen of planten niet het minste, en leven alleen van allerhande visschen, walvisschen, robben133 en walrussen.134 Somtyds [175]vangen zy ook landdieren. Zy eten de meeste spyzen rauw. Hun drank is water, en men heeft hen dikwyls zeewater zien drinken, dat zo zout was als de sterkste pekel.135

Hunne schoenen, koussen, broeken en vesten zyn van robbenvellen gemaakt, die wel toebereid, en met zenuwen van walvisschen, welken zig als garen laten drayen, genaid worden, en dat wel zo dat zy met hunne klederen, de welken zy de hairige zyde buiten dragen, in ’t water kunnen gaan zonder dat hunne onderklederen nat worden. Onder deze bovenklederen hebben zy hembden, vesten en andere klederen, die ook van zeehondenvellen gemaakt, dog egter zo wel bereid zyn dat zy volmaakt zagt en week zyn. Ik heb een vrouwenkleed van dit volk gezien, zynde een muts, jak en rok alles uit een stuk, insgelyks een robbenvel, en zo wel bereid dat het geheel zagt en buigzaam was. De hairen waren buitenwaards gekeerd. De rok had van agteren enen langen sleep omtrent een vierde van el breed. Van voren kwam de rok niet eens ter helfte van het been. Daaronder dragen zy broeken en koussen aan malkander genaid. Het hembd was van een zeer buigzaam robbenvel. De vrouwen der Eskimaus worden gezegd ’er veel beter uittezien dan die der Amerikanen. Dog de mans zyn ’er zeer yverzugtig omtrent.

Men heeft my ook ene van hune schuiten vertoond. Zy was van buiten geheel van vellen gemaakt, waar men het hair afgedaan, en de zyde daar het hair gezeten had naar buiten gekeerd had. Het vel was zo glad als perkament. De schuit was byna agt ellen lang; dog zeer smal en spits aan de beide stevens. Van binnen lagen dunne planken, die de schuit hare gedaante geven moesten. Van boven was zy geheel en al met vellen bedekt, uitgenomen dat op enigen afstand van het ene steven een gat gesneden is, zo dat ’er een volwassen mensch in zitten en roeyen kan, houdende de benen onder het vel in ’t schuitje. Het gat had de gedaante van enen afgesnedenen halven cirkel, welks middellyn naar het grootste stuk van de schuit gekeerd was. De kanten van het gat waren met hout beslagen, en daar een buigzaam in een gerold vel aan vast, waarin boven [176]banden door staken. Als de Eskimau met zulk een schuitje varen zal, steekt hy de benen en de dyen onder het vel, gaat op den grond der schuit zitten, trekt het vel wel om zyn lyf t’zamen, en bindt de banden zorgvuldig om zyn middel vast. Dan mogen de golven by stormig weder over het schuitje heen slaan, geen droppel kan ’er in komen. Ook is de man door zyne klederen van vellen voor het nat beveiligd. Hy heeft een riem in de hand, die aan beide de einden een blad heeft, waarmede hy en roeit en by storm het vaartuig in evenwigt houdt. De bladen van de riem zyn vry smal. Daar kan maar een mensch in zulk een schuitje zitten. Men heeft dikwyls gezien dat een enkelde Eskimau met zulk een vaartuigje by den geweldigsten storm zonder het minste gevaar ver in zee ging, daar de grote schepen werks genoeg hadden zig zelven te redden. Die schuitjes dryven op het water als blazen. Zy weten ’er schielyk mede te roeyen. Men zeide my dat deze schuiten niet altyd de zelve gedaante hadden. Zy hebben ook groter schuiten van hout, met vellen bedekt, waarin enige personen zitten kunnen, en in de welken de vrouwen gemeenlyk op zee varen.

Hunne wapenen zyn boog en pylen, spiessen en harpoenen. Met de laatsten doden zy walvisschen en andere grote zeedieren. De punten der pylen en harpoenen zyn somtyds van yzer, somtyds van benen of tanden van walrussen. De pylkokers waren van robbenvel. De naalden, daar zy hunne klederen mede nayen, zyn ook somtyds van yzer, somtyds van allerlei benen. Al het yzer ’t welk zy gebruiken krygen zy op de ene of de andere wys van de Europeanen.

Somtyds komen zy op de schepen der Europers, om messen en ander yzertuig interuilen. Dog voor de Europeanen, ten zy zy sterk zyn, is het niet raadzaam in hun land te komen, dewyl zy een argdenkend en verraderlyk volk zyn, dat gene vreemdelingen by zig dulden wil. Als zy zig te zwak oordelen vlugten zy op de aannadering der Europeanen weg, dog als zy sterker zyn slaan zy alles dood, zonder iemant te sparen. Om deze reden laat men niet meer van dit volk aan boord komen dan men denkt over te kunnen. Op hunne kusten schipbreuk te lyden en levendig den wal te bereiken, is al zo goed als in ’t midden van de zee te zinken. Dit heeft menige Europeaan ondervonden. De schepen en boten der Europers, die hun in handen vallen, hakken zy in stukken, halen ’er de spykers en al het yzer uit, en maken ’er messen, naalden, punten van pylen en spiessen, en diergelyke dingen van. Zelden gebruiken zy vuur als om te smeden en vellen te bereiden, want het meest eten zy hunne spyzen rauw. Aan boord van een schip zullen zy het niet wagen van iets te proeven dat hun wordt aangeboden, ten zy ze zien dat het scheepsvolk ’er van eet. Noit hadden de Franschen enen Eskimau kunnen bewegen enen slok [177]brandewyn te nemen, schoon de andere Wilden op niets zo zeer gesteld zyn. Waarschynlyk komt dit van hun mistrouwen op anderen voort, denkende zy dat het een vergift is. Ook hebben zy dat misschien zo geheel niet mis. Zy dragen gene oorringen, nog beschilderen zig het aangezigt, gelyk de andere Amerikanen doen. Zy hebben van overoude tyden af honden met spitse opstaande oren gehad. Dezen gebruiken zy niet alleen om te jagen, maar ook in plaats van paarden, om ’s winters hun goed op sleden over het ys te trekken. Ander tam vee hebben zy niet. Rendieren zyn ’er wel in hun land; dog men weet niet dat zy oit van de Eskimaus of van andere Wilden getemd zyn geworden. De Franschen in Kanada, die enigermate naburen van dit volk zyn, hebben gene moeite gespaard om enen handel met hun te vestigen, en ze tot enen wat vriendelykeren omgang met andere volken te brengen. Ten dien einde ligteden de Franschen enige kinderen van hun, leerden ze lezen, en bragten ze zorgvuldig op. Hun inzigt was ze naar de Eskimaus terug te zenden, op dat deze kinderen hun vertellen mogten hoe vriendelyk en gevallig men met hun had omgegaan, ten einde dus dit volk wat betere gedagten van de Franschen te geven. Dog ongelukkiglyk stierven de kinderen aan de kinderziekte, en de gehele aanslag liep te niet. Ook twyffelden velen of men, zo de kinderen al in ’t leven gebleven waren, ’er veel by zoude gewonnen hebben. Voorheen had men al eens enen Eskimau opgeligt, en hem alle mogelyke beleefdheden en vermaken aangedaan. Hy had ook het Fransch tamelyk wel geleerd, en een groot genoegen in de levenswys der Franschen getoond. Dog naderhand by de zynen wedergekomen zynde, is hy zo weinig in staat geweest hun een gunstig gevoelen voor de Franschen inteboezemen, dat kort na zyne wederkomst zyne eigene nabestaanden hem, als enen halven Franschman en vreemdeling, doodsloegen. Dit wreed gedrag der Eskimaus omtrent andere volken maakt dat de andere Wilden, wanneer zy hen in handen krygen, hun noit kwartier geven, en altyd zonder mededogen ombrengen, schoon zy anders nog wel hunne vyanden sparen, en de gemaakte gevangenen onder de hunnen inlyven.

Taal der Eskimaus.

Ten gevallen van zulken die vermaak hebben van sommige talen met malkander te vergelyken, wil ik hier enige woorden uit de taal der Eskimaus, die my de Jesuiet Saint Pie medegedeeld heeft, invoegen. Een Kombuk, twee Tigal, drie Re, vier Missilagat; water Sillalokto; regen Killaluk; de hemel Taktuk, of Nabugaksche; de zon Schikonak of Sakaknak; de maan Takok; een ei Manneguk; een schuit Kagak; een riem Pautik; een mes Schavie; een hond Mekke of Tunilok; een boog Petiksik; een pyl Katso; het hoofd Niakkok; een [178]oor Tschiu; het oog Killik of Schik; het hair Nutschad; een tand Ukak; een voet Hikat. Enigen menen dat de Eskimaus van den zelven oorsprong zyn als de Groenlanders of de Skralingers, en dat ’er tusschen de talen dier volken ene grote verwantschap is.136

Pruimenbomen.

De Pruimenbomen, die men uit Frankryk te Quebec overgebragt heeft, slagen daar zeer wel. Dit jaar begonnen zy eerst in September te bloeyen. Men zeide dat zy weinig van de koude leden.

Lof van den Marquis de la Galissonière.

De Marquis de la Galissonière is een van de drie Heren die boven alle anderen by de Fransche Zeemagt in den laatsten oorlog groot aanzien verworven hebben. Die drie Heren zyn de genoemde Marquis, de Marquis de la Jonquière en de l’Etendure. De eerste was nu boven de vyftig jaar oud, klein van gestalte, een weinig geboccheld, dog voor ’t overige een bevallig man. Hy was hier enigen tyd als Gouverneur Generaal geweest, en vertrok naar Frankryk nog deze maand. Ik heb alreeds iets van dezen Heer gezegd; dog als ik aan zyne verdienste denk, kan ik hem noit zynen verdienden lof geven. Hy was tot verwondering toe in alle wetenschappen, dog byzonderlyk in de Natuurlyke Historie ervaren, in de welke hy zo ver gevorderd was, dat als hy over dezelve sprak het was als of onze grote Linnæus onder ene andere gedaante het woord voerde. Als hy van het gebruik redeneerde dat men van de Natuurlyke Historie ten voordele der maatschappy maken kon, stond ik verbaasd hoe hy alle zyne redenen uit de Staat- de Wis- en de Natuurkunde wist te ontlenen. Ik moet bekennen dat myn omgang met dien Heer my zeer veel ligt in vele stukken heeft gegeven. Hy gaf my verscheiden manieren aan de hand op welken men de Natuurlyke Historie ten nutte der Zamenleving, en om een volk met opzigt op zyne afgunstige naburen magtig te maken, kan aanwenden. Noit heeft de Natuurlyke Historie in dit land enen zo groten bevorderaar gehad; en het is twyffelagtig of zy hier oit zyns gelyken hebben zal. Zo dra hy Gouverneur Generaal geworden was nam hy die maatregels, die ik boven heb opgegeven, ter bevordering der Natuurlyke Historie. Als hy menschen ontmoette die enigen tyd op ene zekere plaats gevestigd waren geweest, of gereisd hadden, vooral als het geweest was in ver afgelegen’ oorden, verzuimde hy noit hen nauwkeurig aangaande bomen, planten, dieren en andere zaken te ondervragen. Hy onderzogt [179]dan ook wat gebruik de Inlanders van de voortbrengsels der natuur maakten; hoe het ging met den landbouw en de huishouding; wat meren, rivieren en wegen ’er waren, en vele andere zaken van die natuur. Zulken die hem duidelyker begrippen van zaken dan de overigen schenen te hebben moesten hem breedvoerige berigten aangaande dezelven geven. Hy schreef zelf alle de berigten op die hy kreeg. En door deze oplettendheid, zo ongemeen onder lieden van dien rang, kreeg hy kennis zelfs van de afgelegenste gewesten van Amerika. De Priesters en de Kommandanten der Forten waren dikwyls versteld over de vragen die hy hun deed, wanneer zy hem hunne opwagting kwamen maken; want dan zeide hy hun dikwyls dat digt by zulken berg, by zulk een meer, waar zy dikwyls op de jagt waren, deze en gene zeldzame bomen, gewassen, aardens, ertsen, en diergelyken gevonden werden. Dit maakte dat sommigen zig verbeeldden dat hy ene meer dan menschelyke kennis bezat, dewyl hy alle de zeldzaamheden van plaatsen wist te melden, die somtyds twee honderd Zweedsche mylen van Quebec lagen, en daar hy noit geweest was. Noit werd ’er een beter staatsman gevonden dan hy was; en geen mensch kan oit beter maatregels nemen om de welvaart van een land te vergroten dan hy deed. Kanada kende nauwlyks den schat dien het in den persoon van dien Heer bezat, toen het hem verloor; de Koning had te zeer zynen dienst t’huis van noden, en konde hem zo ver van de hand niet laten. Hy vertrok naar Frankryk met ene verzameling van natuurlyke zeldzaamheden, en vele laden met aarde, waarin allerhande nuttige planten en boompjes lagen.

Zwarte Kalkleyen.

Verscheiden’ malen heb ik gewag gemaakt van Zwarte Kalkleyen hier wil ik ze nauwkeuriger beschryven. Niet alleen de berg waarop Quebec staat, maar ook de heuvels langs de St. Laurence, ter lengte van vele mylen boven en beneden Quebec, bestaan ’er uit. Omtrent ene el beneden den grond is deze steen vry digt en zonder spleet, zo dat niemant hem voor ene lei zou aanzien. Hy legt in beddingen, van drie en vier, tot twintig duimen en meer dik. In den berg waarop Quebec staat leggen de beddingen niet horizontaal maar schuinsch en zelfs byna loodregt, de bovenste kanten naar het noordwesten en de ondersten naar het zuidoosten gekeerd. Dit maakt dat de kanten dezer beddingen altyd boven den grond uitsteken, en de schoenen aan stukken snyden. Ik heb ook enige lagen gezien die noordwaards afhelden, schoon byna loodregt gelyk de anderen. Ook heb ik horizontale beddingen ontmoet. De beddingen zyn van malkander door kleine tusschenwydtens afgescheiden, de welken gemeenlyk opgevuld zyn met het Gypsum amiantiforme, dat men somtyds met een mes los kan maken, als de boven leggende bedding van lei is weggenomen, en dan ziet het ’er uit als een dun wit blad. De groter tusschenwydtens zyn meest opgevuld met doorschynend kwartskrystal [180]van onderscheiden’ grootte. Op sommige plaatsen vond men in den berg ongelooflyk veel van dit krystal, waarom de zuidoosterpunt van den berg Pointe de Diamant genoemd wordt. De smalle reten die door dezen steen gaan, lopen gemeenlyk met regte hoeken; de tusschenwydtens tusschen deze reten waren niet altyd de zelven. Die kant van de bedding die tegens de andere bedding gekeerd is is dikwyls met een fyn, zwart, glinsterend vlies bedekt, dat veel naar zeker soort van hoornsteen gelykt. Men vindt ’er veeltyds gele pyrites in, dog altyd in kleine korrels. Ik vond ’er noit versteningen, deuken, of andere stenen in, behalven die ik reeds zo even genoemd heb. De berg waarop Quebec legt bestaat louter van den top af tot beneden toe uit kalklei. Deze steen gebroken of geschraapt wordende geeft enen reuk even gelyk de stinksteen. Dat voor de lugt bloot legt valt in kleine stukken, verliest zyne zwartheid, en wordt bleek rood. Byna alle de openbare en andere gebouwen in Quebec zyn van dezen steen, gelyk ook de muren rondom de stad, de kloosters, en de tuinen. Men kan hem ligt de gedaante geven die men wil. Dog hy heeft de eigenschap van in dunne blaadtjes te splyten, evenwydig met de bedding waaruit de steen genomen is, indien hy een jaar of meer in de open lugt leggen blyft. Egter doet dit geen nadeel aan de muren, want men legt met voordagt de stenen zo dat de spleten altyd horizontaal lopen, en de bovenste stenen op de onderste drukken, zo dat zy niet dan aan den buitenkant wat afschilferen kunnen. Hoe ouder de huizen worden des te dunner worden de schilfers.

Lugtsgesteldheid te Quebec.

Om mynen Lezer enigermate een denkbeeld van de lugtsgesteldheid te doen krygen, ten einde hy over het verschil van warmte en koude in de verschillende jaargetyen oordelen konne, zal ik hier kortelyk voor een jaar een uittreksel geven uit de waarnemingen van den Heer Gaulthier. Hy heeft my een afschrift van die waarnemingen ter hand gesteld, die hy van het begin der maand October in het jaar 1744. tot het einde van September 1746. gemaakt had. De waarnemingen met den Thermometer gedaan zal ik agter laten, ter oorzake ik van de zelven niet voldaan ben. Hy had zig van den Thermometer van De la Hire bediend, op welken men by ene sterke vorst, wanneer het kwikzilver tot in den bol zakt, de graden der koude niet waarnemen kan. De waarnemingen wierden het gehele jaar niet vroeger gemaakt dan des morgens tusschen zeven en agt uur. Des middags waren zy tusschen twee en drie uur gemaakt. Op de meeste dagen waren die van namiddags weggelaten. Behalven dat, hing de Thermometer in een half open staand venster, en kon dus de juiste gesteldheid der lugt niet aanwyzen. Men volgt hier in de waarnemingen den nieuwen styl. [181]

Het Jaar 1745.

Januari. Den 29. geraakte de St. Laurence voor Quebec toe met ys. In de waarnemingen der vorige jaren was aangetekend dat zy dikwyls in ’t begin van Januari en zelfs van December toegelegen heeft.

Februari. In deze maand is niets merkwaardigs voorgevallen.

Maart. Deze winter wierd gezegd een van de allerzagtsten te wezen. De aller oudste menschen konden zig genen diergelyken herinneren. De sneuw had maar anderhalven of twee voet dik gelegen. Het ys op de St. Laurence voor Quebec was maar twee voet dik. Den 21. had men een onweer, waarby een soldaat van den blixem getroffen wierd. Den 19. en 20. begon men insnydingen in den Suikerahorn te maken, om het sap ’er aftetappen, waaruit men suiker maakt.

April. Op de eerste dagen dezer maand, en naderhand vervolgens nu en dan gedurende de gehele maand door, was men bezig met het sap uit de Suikerahornen te tappen. Den 7. begonnen de tuinlieden hunne groentebedden klaar te maken. Den 20. brak het ys voor Quebec en dreef weg. De waarnemingen van het volgende jaar wyzen aan dat dat anders zelden gebeurt, want dikwyls legt de Rivier voor Quebec tot den 10. Mai toe. Den 22. en 23. viel ’er veel sneuw. Den 25. maakte men by St. Joachim een begin met zayen. Dien dag vernam men ook enige Zwaluwen. Den 29. was men overal aan ’t zayen. Sedert den 23. was de scheepvaart vry op de Rivier.

Mai. Den 3. was het ’s morgens zo koud dat de Thermometer van Celsius vier graden onder het vriespunt stond. Het graan leed ’er egter geen nadeel van. Den 16. had men overal gedaan met het voorjaarszaad in den grond te brengen. Den 5. stonden de Sanguinaria, de Narcissus, en de violet in bloei. Den 17. begonnen de bladen aan de kerssen-, appel- en lindebomen uittekomen. De aardbessen bloeiden reeds. Den 29. stonden de wilde kerssenbomen in bloei. Den 26. was de bloeisem van de Fransche appel-, kerssen- en pruimenbomen al uit.

Juni. Den 5. waren alle de bomen groen. De appelbomen waren in vollen bloei. Den 22. at men rype aardbessen. Men had aangetekend dat het weder toen volmaakt goed voor de vrugten was.

Juli. Het koorn begon den 12. zyne airen te laten zien, en den 21. had het reeds overal airen. Men moet hier zig herinneren dat ’er hier te lande niets als zomerkoorn wast. Het koorn was kort daarop in bloei. De hoibouw begon den 22. De gantsche maand was het weder zeer schoon.

Augustus. Den 12. had men te Montreal rype peren en meloenen. Den 20. was het graan rondom die Stad ryp, en men maakte toestel tot [182]den oogst. Den 22. begon men te Quebec de weit te mayen. Den 30. en 31. was des morgens de grond berypt.

September. Den 24. en 25. was de oogst van allerlei graan geeindigd. Men had deze maand ene menigte van meloenen, watermeloenen, komkommers en schone pruimen. De appelen en peren waren ook al ryp, het geen alle jaar zo vroeg niet geschiedt. De laatste dagen der maand begon men de landen omteploegen. Onder de waarnemingen rakende deze maand vond men aangetekend. “De oude lieden zeggen dat men voorheen het koorn niet voor den 15. of 16. September mayen kon, somtyds wel eens den 12. en dat het noit vroeger ryp wierd. Ook dat het noit tot zulk ene volkomene rypheid plegt te komen als nu. Maar sedert dat ’er veel bosschen omgehouwen en veel landeryen bebouwd geworden zyn, hebben de zonnestralen meer gelegenheid bekomen hare werking te doen, zo dat het graan nu vroeger ryp wordt.”137 Verders wierd aangemerkt dat de hete zomers [183]in Kanada altyd zeer vrugtbaar zyn, en dat dan nog zelfs nauwlyks het tiende gedeelte van het koorn tot volmaakte rypheid komt.

October. Deze gehele maand beploegde men de braaklanden. Het weder was zeer schoon. Des nagts vroor het verscheiden reizen. Het sneuwde den 28. Tegen het einde der maand begonnen de bladeren van het geboomte te vallen.

November. Tot den 10. hield men aan met ploegen. Dien dag waren reeds alle de bomen kaal. Tot den 18. liep het vee buiten, dog moest nu en dan enen dag van wegen het slegt weder te huis blyven. Den 16. had men donder en blixem. Den 24. vernam men nog geen ys op de St. Laurence.

December. Hier wierd aangetekend dat deze herfst veel zagter was geweest dan de voorgaanden. Den 1. ging ’er nog een schip naar Frankryk onder zeil. Den 15. begon de Rivier vol met ys te raken; dog in het midden bleef zy nog open. Dog op de Charles was het ys zo dik dat men ’er met geladen wagens en paarden overreed. Den 26. raakte het ys op de St. Laurence door den zwaren regen weg. Den 28. wierd wederom een gedeelte van de Rivier met ys bedekt.

In ’t vervolg van deze Waarnemingen wierd aangetekend dat de winter ook van de zagtsten geweest is.


Vertrek van Quebec.

Den 11. September ging ik van Quebec met enen goeden wind op reis. De Gouverneur Generaal, Marquis de la Jonquière, die my ook met velerhande gunstbewyzen overladen had, had enen van ’s Konings boten met zeven man geschikt om my naar Montreal te brengen. In ’t midden van den boot was een groot blauw kleed, waaronder wy vry voor den regen waren. De gehele reis geschiedde op kosten van den Koning van Frankryk. Wy lagen dien dag drie Fr. mylen af.

Den 12. vervolgden wy onzen togt den gehelen dag. De Mais van het kleinder soort, dat binnen drie maanden ryp wordt, was nu ryp. Men trok ze uit den grond en hing ze in de lugt te drogen.