Het weder was thans omtrent zo gesteld als in Zweden in ’t begin van Augustus, zo dat de herfst in het noorden van Kanada ene maand later dan in het midden van Zweden schynt intevallen.
By elke boerdery vond men enen moestuin, waarin zeer veel uyens wiessen, welken de Fransche Boeren op de vastendagen veel gebruikten. [184]Egter kan ik niet zeggen, dat de Franschen zo buitenmate stipt waren in het onderhouden der vasten, want verscheiden’ van myn roeyers aten gerust dezen dag, schoon enen vrydag, vleesch. En dit heb ik in ’t vervolg dikwyls meer gezien. Het gemene volk in Kanada eet zo veel uyen dat zy ’er geweldig van stinken. Men vond ook veel kawoerden in die tuinen, die op meer dan ene wys gegeten werden. Het meest sneed men ze naar de langte midden door, en hield het binnenste voor het vuur om te braden. Het buitenste werd weggesmeten. De ryken deden ’er wat suiker over. Peen, salade, bonen, komkommers, en rode aalbessen waren ook in die tuinen te vinden.
Tabak.
Ieder Boer had ook by zyn huis meer of min Tabak geplant, naar dat zyn huishouden sterk was. Het gemene volk rookt zeer sterk. Zelfs liepen jongens van tien of twaalf jaren met de pyp in den mond. Ook mogten de aanzienlyke lieden wel een pypje. In ’t noorden van Kanada gebruikte men de tabak meest zuiver, maar verder opwaards, en omstreeks van Montreal, nam men den binnensten schors van den Roden Kornoeljeboom,138 sloeg ze in stukken, en mengde ze onder de tabak, om die wat minder sterk te maken. Ook gebruikten ryken en anderen veel snuiftabak. De meeste tabak, die men hier gebruikte, was in ’t land gewassen. Sommigen agtten die boven de Virginische; dog die genen welken voor kenders gaan wilden gaven de andere den voorrang.
Modes.
Schoon de meeste volken van Europa de modes der Franschen gewoon zyn natevolgen, zag ik dog integendeel dat de Franschen in Kanada zig in vele stukken naar de gebruiken der Wilden, met welken zy dagelyks omgaan, schikten. Zy gebruikten de zelve tabakspypen, schoenen, koussebanden, en gordels als de Amerikanen. Zy volgden hen na in ’t voeren van den oorlog. Zy gebruikten hunne basten schuiten, en roeiden die op de zelve wys. In plaats van koussen wonden zy een stuk doeks om de benen. En zo ging het met veel andere dingen. Als men in het huis van enen Boer intreedt, staat hy op, neemt den hoed of de muts af om te groeten, verzoekt dat men ga zitten, en dekt zig weder. Boeren. Monsieur en Madame zyn titels die men zo wel enen Boer en zyn wyf als den eersten luiden geeft. De Boeren, en vooral de vrouwlieden, gingen in huis met schoenen, die uit een stuk uitgehold hout bestonden, hebbende de gedaante van muilen. De Boerenjongens, en zelfs de ouden, hadden meest enen staart in ’t hair. Byna allen hadden zy in huis, en somtyds ook op reis, rode wollen mutsen op het hoofd.
Het voornaamste eten der Boeren was melk. Boter zag men zelden, en die men ’er vindt is van zuren room gemaakt. Dus was zy niet zo goed als de Engelsche, en smaakte dikwyls naar talk. De Franschen [185]hielden veel van melk, die zy des vrydags en zaterdags in plaats van vleesch gebruikten. Dog zy wisten ze niet op zo velerhande manieren als wy gereed te maken. Op andere dan vastendagen at men hier niet minder vleesch dan by de Engelschen, want buiten de soepen en het nageregt komt ’er byna niets dan vleesch op tafel, dat op velerlei wyzen toebereid wordt.
Wy bragten den nagt in een boerenhuis door digt by een Riviertje, Petite Rivière genaamd, dat zig hier in de St. Laurence werpt. Men rekende van hier zestien Fr. mylen tot Quebec, en tien tot Trois Rivières. De ebbe en vloed waren hier tamelyk sterk. Deze was de laatste plaats aan dezen kant, waar ik de hoogtens naast de Rivier ten dele uit de meermaal gemelde kalklei zag bestaan. Verder op begonnen zy louter van aarde te zyn. De ligtgevende vliegen vlogen des avonds in de bosschen, dog niet zeer talryk. De Franschen noemden ze Mouches à feu.
Huizen.
De Huizen waren hier omstreeks van hout. De vertrekken waren tamelyk groot. Het dak van binnen rustte op twee, drie of vier dikke sparren, naar de grootte van ’t gebouw. De reten waren met klei besmeerd. De vensters waren van papier. De schoorsteen was in ’t midden der kamer gemetseld. Het geen voor den schoorsteen was diende voor de keuken. Agter den schoorsteen sliep en ontving men bezoek. Somtyds stond ’er een yzeren kacchel agter den schoorsteen.
Den 13. reisden wy voort. By Champlain, vyf Fr. mylen van Trois Rivières, bestonden de steile hoogtens langs de Rivier uit ene gele en somtyds okeragtige zandige stofaarde, uit de welke ene menigte van kleine stroompjes uitliepen. Het water in dezelven was meest vol van geel oker, ten bewyze dat hier wel van ’t zelve soort van yzererts, als men by Trois Rivières heeft, ligt. Het was zonderling dat men hier zulke menigte van kleine stroompjes vond, dewyl het land geheel vlak en de zomer een van de droogsten was. Langs de Rivier was het land ter breedte van ene Eng. myl bebouwd; dog daar agter volgden zware bosschen en lage landen. Het bosch, de vogtigheid vergaderende en het water belettende uittewaassemen, dwingt het onder den grond door enen uitloop te zoeken. Op den oever lag veel zwart yzerzand.
Tegens den avond kwamen wy te Trois Rivières, daar wy ons niet langer ophielden dan tot dat wy de brieven, die wy van Quebec medegebragt hadden, hadden overgegeven. Wy voeren nog ene Fr. myl verder eer wy ons nagtverblyf namen.
Oude lieden.
Wy zagen dezen dag drie zeer oude lieden. De een was een Jesuiet, genaamd Joseph Aubery, die als Zendeling by de bekeerde Wilden te St. François was, Hy had dezen zomer het vyftigste jaar zyner bediening [186]vervuld. Hy ging derhalven naar Quebec om zyne gelofte als Jesuiet te vernieuwen, en scheen nog frisch en levendig te zyn. De anderen waren de menschen by welken wy overnagtten. De man was over de tagtig jaar en de vrouw niet veel jonger. Zy hadden reeds eenenvyftig jaar t’zamengeleefd. Zy waren nog geheel vergenoegd, gezond en vriendelyk. De oude man zeide dat hy onder anderen in ’t jaar 1690. in Quebec was, toen het door de Engelschen belegerd werd. De Bisschop had by die gelegenheid in zyn bisschoppelyk gewaad met den sabel in de hand de soldaten aangemoedigd.
Hette en koude.
Hy oordeelde dat de winters in zyne kindschheid veel gestrenger waren dan nu, en dat ’er toen veel meer sneuw viel. Het heugde hem nog dat op St. Jan de kawoerden en de komkommers bevroren waren. Ook waren de zomers tegenswoordig veel warmer. Dertig jaren geleden was ’er een zo gestrenge winter in Kanada geweest dat ’er vele vogels dood gevroren waren; dog het jaargetal kon hy zig niet te binnen brengen. In ’t algemeen wierd gezegd dat de zomers van 1748. en 1749. warmer waren dan in vele jaren te voren.
Grond.
De grond werd hier voor tamelyk vrugtbaar gehouden. De Weit gaf negen of tien voor een. Dog in de jeugd van dezen man, toen men de vetste gronden kiezen kon, gaf zy dikwyls meer dan twintig voor een. Rogge werd weinig gezaid, ook weinig Garst, en maar alleen voor het vee. Zy klaagden evenwel dat zy by elken slegten oogst dikwyls genoodzaakt waren garstenbrood te eten.
Den 14. gingen wy vroeg op reis. Na twee Fr. mylen gezeild te hebben kwamen wy op Lac St. Pierre, dat wy overstaken. Verscheiden waterplanten, die in de Zweedsche meren gemeen zyn, lagen hier in ’t water. Dit meer zegt men vriest ’s winters zo sterk toe dat ’er honderd geladen wagens te gelyk over ryden kunnen.
Wy vonden somtyds op de waterplanten een soort van Kreeft, gelykende veel naar ene krabbe, en niet groter dan twee meetkundige lynen in de langte en ene in de dikte. Hy was bleek van kleur trekkende wat naar het groene.
De Pontederia cordata wies overvloedig aan de kanten van een lang smal water, op de zelve plaatsen als by ons de Nymphææ of waterlelies. Een hoop varkens waadde diep in ’t water, en dook dikwyls met het grootste deel van ’t lyf onder, om de wortelen op te wroeten en te eten.
Zodra wy Lac St. Pierre over waren veranderde het land geheel van aanzien. Het wierd de schoonste oord dien men zien kon. De eilanden en het land aan weerskanten zagen ’er als nette lustplaatsen uit; en dit duurde tot by Montreal. [187]
Langs de Rivier hadden alle de Boeren schuiten, die uit stammen waren uitgehold, dog evenwel zeer frai en net gemaakt, zo dat zy volkomen naar schuiten geleken. Ik zag maar een enige bastenschuit.
Den 15. zetteden wy onze reis reeds in den vroegen morgen voort. De stroom was ons tegen en zo sterk, dat wy op sommige plaatsen de Roeyers moesten doen aan land gaan en ons voorttrekken.
Montreal.
Om vier uur na den middag kwamen wy te Montreal aan. Men rekende dat onze reis zeer gelukkig geweest was, dewyl men dikwyls, wegens den stroom en de veranderlykheid van den wind, twee weken tusschen Quebec en Montreal onder weg is.
Wyngaarden.
Verscheiden’ menschen te Montreal hadden wyngaarden, die uit Frankryk gekomen waren, in hunne tuinen geplant. Men vond ’er twee soorten van; het ene met bleek groene of byna witte, het ander met donker rode druiven. Uit de witten, zeide men, werd de witte, uit de roden de rode wyn gemaakt. Des winters moet men hier de wyngaarden met mist toedekken. De druiven begonnen nu ryp te worden. De witten waren het meest gevorderd. Men maakte ’er hier genen wyn van. Zy worden zo groot niet als in Frankryk.
Watermeloenen.
Men teelde hier ook veel Watermeloenen. Geen Boer was ’er byna die ’er genen had. In de steden en daaromstreeks worden zy vooral sterk aangekweekt. Egter waren zy zeldzaam in het noordelyk gedeelte van Kanada. De Wilden planten ze ook veel. Dog of zy dit in oude tyden ook gedaan hebben is onzeker. Een oude Iroquois te Oneida heeft my gezeid dat zy ze van de Europeanen gekregen hadden. Integendeel verzekerden my vele Franschen dat de Illinoizen reeds ’er veel van hadden toen zy in hun land kwamen, en dat zy daar van onheuglyke tyden geplant geworden waren. Dog ik kan my niet te binnen brengen dat de eerste Europeanen, die in Noord Amerika kwamen, van watermeloenen gewagen wanneer zy van de spyzen der Wilden spreken. Hoe heet de zomers in die delen van Noord Amerika die ik doorreisd heb zyn, kan men daaruit opmaken, dat men daar de watermeloenen in ’t voorjaar maar op het open veld zait, zonder ze oit te dekken, en dat zy egter vroeg genoeg ryp worden. Men vindt ’er hier twee verscheidenheden van, de ene rood en de andere wit van binnen. De eerste is gemeender meer naar ’t zuiden by de Illinoizen en by de Engelschen, de twede vindt men meer in Kanada. Men zait ze in het voorjaar, als ’er gene koude meer te verwagten is, in ene goede vette aarde, dog ver van malkander, uit hoofde dat zy haar loof ver uit schieten, en derhalven ene grote ruimte vorderen, zullen zy wel vrugtbaar zyn. Te Montreal waren zy nu meest ryp; maar in de Engelsche Volkplantingen zyn zy het al in Juli en Augustus. Gemeenlyk vorderen zy minder tyd om ryp te worden [188]als de gemene meloenen. De Kanadaschen zyn zelden zo zoet als die meer naar ’t zuiden vallen. Misschien komt dat van de sterkere hette. Die van New York werden voor de lekkersten gehouden.
De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant in Kanada, te Albany en in New York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn. De Franschen zeggen dat als menschen, die in Kanada geboren zyn, in ’t Land der Illinoizen komen, en daar enige malen van de watermeloenen eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven de Illinoizen hen waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. De Illinoizen zelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met deze spys verkouden. In Kanada bewaart men ze op plaatsen die matig warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. De Engelschen bewaren ze een gedeelte van den winter over in droge kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. In Pensylvanie, waar de grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. De Iroquoizen noemen ze Onoheserakahtie.
Kawoerden.
Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte, kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door de Engelschen en de Franschen overal geplant. In Kanada maakten zy met de uyens by de Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder de Engelschen was ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden bepoot had. De Zweden, Duitschers en Hollanders teelden ’er ook zeer veel. De Wilden leefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meer Squashes dan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor de aankomst der Europers al gehad hadden. Ook gewagen de eerste Europische Reisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys der Wilden. De Franschen noemden ze Citrouilles en de Engelschen Pumpkins. In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten [189]is, worden zy op den kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude mistbedden. In Kanada worden zy in ’t begin van September ryp; dog in de Engelsche Volkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men ’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit geschiedde nu te Montreal in het midden van September N. S. Dog in Pensylvanie heb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan. Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in kamers daar gestookt wordt.
Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. De Wilden koken ze zo heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop. Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. De Franschen en Engelschen snyden ze in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel. Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die ’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er de Wilden dus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden, welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men kookt ze alleen of met ander eten. De Wilden eten ze op die wys toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben de Europeanen van hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet kwalyk bevallen. In Montreal wierden zy ook wel dus ingemaakt. Men snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit, en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope. Daarop maakt men het met anjelieren, cinnamomum, wat citroenschillen en syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de kawoerden van de syroop doortrokken zyn. [190]
Graan.
Het graan dat dit jaar in Kanada gewassen was wierd doorgaans voor het beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het in New York slegt uit. Voor ’t overige was de herfst in Kanada zeer schoon.
Handel met de Wilden.
Kanada dryft enen sterken handel met de Wilden; en deze was voorheen de enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er verscheiden’ andere waren, behalven die men van de Amerikanen bekomt, die van daar verzonden worden. De Wilden, die hier het naast rondom wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop. Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren den Engelschen verkopen zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde de Franschen zelven naar hen toe reizen. Montreal in zonderheid dryft dezen handel sterk. Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op reis naar de Wilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen zulke waren met zig die zy weten dat onder de Wilden gewild zyn. Geld nemen zy weinig mede, want dit wordt by de Amerikanen niet geagt. Zy houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van de Franschen die op deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.
De volgende waren zyn het voornamelyk die onder de Wilden enen goeden aftrek vinden.
Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle de Wilden, die het voordeel der vuurwapenen boven den boog van de Europers geleerd hebben, en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn de Europers aantetasten. Geen van de Wilden weet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat van de Europeanen laten doen. In ’t begin dat de Europers eerst in Noord Amerika kwamen droegen zy langen tyd zorg van den Amerikanen geen schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die de Franschen met de Engelschen en Hollanders voerden, deelden zy hunnen Amerikaanschen bondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen vyanden des te sterker afbreuk te doen. De Franschen zeide dat de Hollanders van Albany de eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642. den [191]Wilden schietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve geleerd hadden. Dus hadden zig de Franschen genoodzaakt gezien den met hen in verbond staanden Amerikanen insgelyks vuurwapenen te geven, dewyl die zeiden anders tegens de Hollanders en de Wilden van derzelver party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan. Maar die van Albany beweerden daarentegen dat de Franschen de eersten geweest waren die den Wilden schietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig anders te zwak bevonden om den Engelschen en Hollanderen het hoofd te bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat de Wilden tegenswoordig schietgeweer gebruiken ’t welk zy van de Europeanen krygen, en waarmede zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te gelyk is het waar, dat deze handel den Europeanen alle jaren grote winsten aanbrengt.
Kleden van wit Laken, of grof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk men wel voor dekens op de bedden gebruikt. De Wilden dragen zulke kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel. Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode strepen.
Blauw of rood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.
Linnen Hembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen. Als een Wilde eens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot dat het geheel en al versleten is.
Laken om om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk de Russen doen.
Bylen, Messen, Scharen, Naalden, en stalen Vuurslagen. Deze werktuigen vindt men thans overal by de Wilden. Zy kopen ze allen van de Europeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen van been, waarvan men ’er in Kanada weinig meer vindt.
Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde, of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende stenen in het water werpende om het te doen koken.
Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.
Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden, [192]en een deel van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde, die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van de Europeanen vermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men vertelde, dat de Franschen in ’t eerst voor twee of driemaal zo veel van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten hoop van allerlei pelteryen kregen.
Spaansch groen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken nemen zy het roet dat onder de ketels zit.
Spiegels. De Wilden zyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.
Brandglazen. Dit is in het oog der Wilden een zeer noodzakelyk huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt kunnen komen.
Tabak kopen de Wilden die wat ver naar het noorden wonen, waar geen Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat de Wilden, hoe verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.
Wampums, of zo als zy ’t noemen Porcellein. Zy worden van een zeker soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.
Glazen Kralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen intelasschen.
Koper en yzerdraad om verscheiden’ dingen van te maken.
Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden den Wilden brandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig nagekomen.
Dit zyn de voornaamste waren die de Franschen den Wilden toevoeren, en die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.
De waren die zy van de Wilden terug brengen, zonder den voorraad dien men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten. Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken [193]die uit de zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het duurst.
Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende dieren aangebragt. Bevers, Elanden139, Rendieren140, Wolflynxen141 en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters, dog hun vel is ros en niet goed. De Pichou du Nord zal misschien dat dier zyn ’t welk zig by de Hudsonsbai ophoudt, en door de Engelschen Wolverene genoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.
Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten, Reën, Otters, Pichoux du sud, van de welken Vader Charlevoix142 gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten, Rakoons, Katlynxen, en anderen.
Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver over land dragen. Dikwyls worden zy van de Wilden mishandeld en zelfs omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen, en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten. Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei hunner jaren weg, en maken dat de menschen in Kanada niet oud kunnen worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden, die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in het land onder de Wilden neder, trouwen daar, en keren noit te rug.
De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. te Montreal waren, heeft my de Heer Couagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield, medegedeeld. Zy waren als volgt.
Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier in Kanada gekoft en naar Europa verzonden worden. Ik heb ze van enen der voomaamste Kooplieden in Montreal gekregen.
Koper.
Ik kreeg den 22. September een stuk louter Koper, dat van Lac Superieur gekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden [195]kan. Vader Charlevoix144 spreekt ’er van in zyne Beschryving van Nieuw Frankryk. Een van de Jesuieten te Montreal, die zelf ter plaatse geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse de Wilden dat daar eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door ’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene zekere menigte by malkander te vinden.
Looderts.
De Opperste van de Priesters te Montreal gaf my ook dien dag een stuk Looderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. De Wilden daaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water opbruischt.
Rode Aarde.
Ook kreeg ik enige roodbruine Aarde, die gevonden was by Lac des deux Montagnes, enige mylen van Montreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes vermengd zyn.
Vrouwen.
Men vindt twederlei soort van Vrouwen in Kanada. Het eerste bestaat uit zulken die in Frankryk geboren en herwaards overgekomen zyn, het twede uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het bevallige dat der Fransche natie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die van Quebec en in die van Montreal. Die van Quebec geven die in Frankryk geboren waren nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder naar Frankryk keren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig door den hoogmoed der Wilden te hebben laten besmetten, en verstoken te zyn van de Fransche wellevendheid. [196]Het geen ik boven van de vrouwen van Montreal gezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien. Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen. Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt. Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden in Frankryk reeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeft uitgediend. Noit heb ik zo zeer als te Montreal gezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt, en belacchelyk schynt. In Kanada hoort men geen Fransch spreken dan van geboren Franschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs de Wilden houden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed om Fransch te spreken, en dwingen de Franschen om hunne taal te gebruiken. Hier komt het natuurlyk uit voort dat de fyne oren der Kanadasche vrouwen niet zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede, hoe hem de vrouwen in Kanada bevallen, en of zy schoonder dan in zyn land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid tusschen de vrouwen van Quebec en Montreal was; die van de laatste plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die te Quebec kwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die van Montreal minder. De ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren te Quebec niet zeer arbeidzaam. Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen, en met ondertusschen [197]koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen, het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de heren onderhoudt. Te Montreal zyn de meisjes zo wild niet, en werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen, kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor de meisjes te Montreal spytig dat die van Quebec merendeels eerder aan den man raken dan zy, dewyl verscheiden Fransche jonge heren, die met de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen, een geluk dat den meisjes van Montreal zelden gebeurt, dewyl die heren daar weinig komen.
Reis naar Saut au Recollet.
Den 23. Sept. ging ik naar Saut au Recollet, drie Fr. mylen noordwaards van Montreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen. Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een weinig voor dat ik te Saut au Recollet kwam eindigden de bosschen, en het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon vergeleken worden.
Kalkovens.
Omtrent ene Fr. myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.
De Kalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig [198]naar zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eiland Montreal, zo dat in het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de kalk zelf konden gebroken worden.
Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen. Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol van Pectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna uit niets anders dan vlak by een leggende Pectinites bestonden. Dezen steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden, en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet heeft.
Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het hout van de Thuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.
Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op de velden.
De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden Ahorn, de Rhus glabra, het Polygonum sagittatum, en de Varen, begonnen thans ’er geelagtig uit te zien.
Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den middag kwam ik te Saut au Recollet aan.
Saut au Recollet.
Saut au Recollet is een klein kerspel, leggende aan enen arm van [199]de St. Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland van Montreal en Isle de Jesus doorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik, Nicolas Viel geheten, had. Hy was met enen bekeerden Huron in een schuitje gegaan om naar Quebec te varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat de Wilden met voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken; maar de Wilden zwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik, dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden, verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen een dorp van Hurons geweest was, die tot den Christelyken godsdienst bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst der Franschen hier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de stad Montreal lag. Dog de Franschen bewogen hen wegtetrekken, en hun het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die ’er nu staat is voor de Wilden gebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren hunnen godsdienst verrigt. Toen de Franschen op het eiland Montreal menigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en overreedden derhalven de Wilden hun ook deze plaats te verkopen, en zig verder heen te begeven. Naderhand hebben de Franschen, de Wilden, om hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig by Lac des deux Montagnes nedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye stenenen kerk hebben. De kerk te Saut au Recollet was van hout, zag ’er oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat was, en van de Franschen gebruikt werd. Men had reeds een deel steens aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te bouwen.
De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander werk.
Vogtigheid.
Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.
Akkers.
De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar, anderen [200]stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig. De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men het vee vyf maanden op stal voeden moet.
Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die in Kanada gezaid wordt, zomerkoorn is. By Quebec gebeurt het somtyds dat, als de zomer niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd verzekerd dat sommigen op Isle de Jesus in den herfst weit zayen, die beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.
Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit weinig kostte.
Beuken.
In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren. Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed smaakten.
Zoutbron.
Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron, zeven Fr. mylen van hier by de Rivière d’Assomption, van welker water men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met het Luneburgsche overeenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.
Vrugtbomen.
Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeks Montreal. Ik heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. By Quebec willen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook vriezen die bomen by Montreal somtyds dood. Pruimbomen zyn hier overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen [201]groeyen drie soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uit Frankryk overgebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden. Kastanje-, moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.
Landeryen.
Gantsch Kanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats waarop Quebec en Trois Rivières staan den Koning; dog die waarop Montreal gebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de Priesters van de order van St. Sulpicius te Montreal in eigendom. Zy hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drie Arpents in de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben moeten tot twee Ecus betalen. De huren zyn op deze wys het gehele land door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel als de andere. De Bisschop van Kanada heeft geen land. De kerken worden op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning van Frankryk gene inkomsten uit Kanada.
Molens.
De Priesters van Montreal hebben hier enen molen. Het vierde van dat ’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het Eiland Montreal enen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de Priesters en de Inwoonders van Montreal zyn de laatsten verpligt al hun koorn op de molens der eersten te laten malen.
Suiker.
Men kookt in Kanada veel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in de Verhandelingen der Koninglyke Maatschappy voor ’t jaar 1751. beschreven.
Terugreis naar Montreal.
Den 26. September keerde ik weer terug naar Montreal. Alles begon ’er nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen [202]aan, welken nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten van Asteres, witten en blauwen, de Solidagines, ’t Achillea millefolium, de Prunella vulgaris, de Carduus crispus, de Oenothera biennis, de Rudbeckia triloba, de Viola Canadensis, de Gentiana Saponaria.
De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het geboomte.
Spys der Wilden.
Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder de Wilden gereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten, dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch. Daarentegen planten die Wilden, welken meer zuidwaards wonen, mais, verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden, squashes, watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de aankomst der Europers gehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort de Zizania aquatica, die de Franschen Folle avoine noemen, welke overvloedig in hunne meren en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien, acimine145, chinquapins146, hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven, braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen, als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst der Europers hier niet bekend geweest zyn; en dat de Wilden, schoon zy de voordelen voor hunne ogen zien, die de Europeanen van deze granen trekken, en zy zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite willen doen om dezelven aantekweken.
Bevers.
Van Bevers wordt ’er ene grote menigte in Noord Amerika gevonden. Zy maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. De Wilden leven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch. [203]Zeker is het, dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat zy alle jaren sterk vernield worden, en dat de Wilden tegenswoordig genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te verwonderen. Voor de aankomst der Europeanen vingen ’er de Wilden niet meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naar Europa, welker voornaamste lading uit bevervellen bestaat. De Franschen en de Engelschen zoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door de Wilden rykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei wyzen te verdelgen. Oude menschen in Kanada zeiden dat in hunne kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet alleen rondom Montreal, maar overal in de nabuurschap. Dog tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.
Het vleesch der bevers wordt niet alleen van de Wilden, maar ook van de Europeanen, inzonderheid de Franschen op hunne vastendagen, veel gegeten, want de Roomschen hebben, gelyk velen uit de Ouden, den bever onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.
Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft men bevers gevangen die wit waren.
Wyn.
Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van sparreboom147 een Bier, dat des zomers gedronken wordt. [204]Dog dit Bier wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rode Fransche wyn wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan men opmaken hoe veel Frankryk jaarlyks voor zyne wynen uit Kanada trekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik, en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken, die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een oxhoofd, of Barrique, tweehonderd en vyftig Francs, of tweehonderd Ecus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.
Prys van verscheiden’ dingen.
De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een middelmatig paard kostte 40. Francs en meer, een goed paard 100. Francs. Een koe werd gekost voor 50. Francs; dog voorheen had men ’er ene voor 10. Ecus kunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6. Livres. Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15. Francs. De Heer Couagne zeide dat hy by de Wilden een varken van 400. pond gezien had. Een hoen kostte 10. of 12. Sols, en een kalkoen 20. Een minot weit wierd voorheen voor een Ecu, dog nu voor 40. Sols verkoft. De mais had denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy door hen die onder de Wilden gingen reizen opgekoft wierd. Een minot haver kostte somtyds 15. of 20. Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30. De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men gemeenlyk 8. of 10. Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16. Sols. Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3. Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot 20. Sols.
Handwerken.
Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wil Frankryk dat voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit de Franschen hier te lande, zo wel als de Wilden hunne bondgenoten, in grote vergelegenheid.
Huwelyken.
Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming [205]van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af. Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.
Reisje over het Eiland Montreal.
Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eiland Montreal, om het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten zag men den hogen berg, die ten westen van Montreal legt, en die van beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep de St. Laurence, die hier zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die by Fort Chamblais, en enigen die by het Meer Champlain leggen, in ’t gezigt. Zy keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen vond. Omtrent ene Fr. myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyf Arpents van malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de zuiderdelen van Kanada gaan zig hier door arbeiden.
Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren byna altyd van hout.
De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het zuiden te trekken.
Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De vorst van tusschen den 1. en 2. October had ene grote verandering aan vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten [206]nu sterk hun blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van de Amerikaansche linden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp; en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.
De Oenothera biennis wies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en braaklanden. Een oude Franschman, die my begeleide, meende dat deze plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.
Soeurs de Congregation.
Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, worden Soeurs de congregation genoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’ plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters naar het platte land gezonden worden, was te Montreal. Als ene Juffrouw onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier duizend Livres begrootten.
La Chine.
La Chine was een frai Kerspel, drie Fr. mylen zuidwest van Montreal, op het Eiland van dien naam, aan de St. Laurence gelegen. De hofsteden lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyf Arpents van malkander. Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de Heer Salée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren weg, dan de gewone is, door de St. Laurence naar China te vinden, van niets anders sprak dan van den korten weg naar China. Dog toen hy hier gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in duigen, zo dat hy noit in China kwam. Deze plaats kreeg hier van daan spotsgewyze den naam van La Chine.
Terug reis naar Montreal.
Des avonds van den 2. October keerde ik naar Montreal te rug. [207]
Regeering van Kanada.
De Gouverneur Generaal te Quebec is de voornaamste persoon in Kanada, die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt de Intendant te Quebec, en dan de Gouverneur van Montreal, en op dien die van Trois Rivières. De Intendant heeft een groot vermogen. Hy schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Des niettemin kan hy de zaak tot nauwer onderzoek naar Frankryk overbrengen. In elke van de twee Hoofdsteden is de Gouverneur de eerste persoon, dan een Luitenant Generaal, daarna een Major, en na hem de Kapiteins. De Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is. Als hy te Montreal of te Trois Rivières komt, houdt voor dien tyd het gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naar Montreal, en merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid te Quebec voert daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur van Montreal zo lang te Quebec zyne stede vervullen. En als de Gouverneur van Montreal uit de stad is, gebiedt daar de Major der plaats.
Schepen uit Frankryk.
Alle jaren komt ’er uit Frankryk een of meer van ’s Konings schepen in Kanada, om nieuwe Soldaten, in plaats der verstorvenen, of zulken die den dienst verlaten hebben, te brengen. Geen jaar gaat ’er voorby dat niet honderd of honderd en vyftig mannen worden overgezonden. By die gelegenheid worden ’er ook vele lieden, die zig aan ’t invoeren van verbodene waren in Frankryk hebben schuldig gemaakt, herwaards gezonden. Voor dezen werden deze misdadigen op de galyen gebannen, dog tegenswoordig zendt men ze naar de Volkplantingen. Zo dra zy hier aankomen zyn zy vry, en kunnen zulk ene levenswys kiezen als zy willen, dog mogen zonder ’s Konings verlof niet weer naar Frankryk keren. Men laadt op de schepen ene menigte van koopwaren voor ’s Konings rekening, Tollen. om ze onder de Wilden nu en dan uittedelen. De Inwoonders van Kanada betalen den Koning genoegzaam niets. In ’t jaar 1748. begon ’er een tol van drie ten honderd gevorderd te worden van alles wat uit Frankryk herwaards gevoerd werd, zo wel als ene zekere som voor al het bontwerk dat van hier naar Frankryk werd gezonden. Dog van het geen van hier naar ene van de Fransche Volkplantingen, of van daar herwaards wordt gebragt, betaalt men niets. De Kooplieden van alle de Fransche plaatsen hebben vryheid schepen en goederen hier naar toe te zenden; en die van Quebec mogen insgelyks hunne koopwaren naar alle Fransche plaatsen [208]voeren. Dog die van Quebec hebben gemeenlyk weinig schepen, dewyl het scheepsvolk hier te hoge soldy eischt, waarom de Kooplieden in Frankryk zelven hunne goederen hier naar toe zenden. De steden in Frankryk die den meesten handel op Kanada dryven zyn Rochelle en Bourdeaux, en na die Marseille, Nantes, Havre de Grace, St. Malo en anderen. De Koningsschepen, die jaarlyks op Kanada varen, komen of van Brest of van Rochefort. Dog naar de Fransche eilanden in de West Indien zenden de Kooplieden van Quebec zelven schepen met meel, weit, erwten, houtwaren, en diergelyken. De muren om Montreal werden, omtrent het jaar 1738. op ’s Konings kosten gebouwd, dog onder beding dat de stad den Koning van tyd tot tyd het geld terug betalen zou. Thans deed zy daarvan jaarlyks zes duizend Livres af, waarvan de Priesters tweeduizend Livres, en het overige de andere Inwoonders opbragten. Te Quebec heeft de Koning de muren op zyn eigen kosten doen opbouwen, zonder de Inwoonders daarmede te willen belasten, aangezien den tol, dien zy betalen moeten, waarvan gesproken is. De handel in Bevervellen behoort alleen der Indische Maatschappy in Frankryk toe, en niemant buiten hare bedienden mag dien dryven. Dog in ander bontwerk heeft ieder vryheid te handelen. Boven in het land zyn verscheiden’ plaatsen, Les Postes genaamd, waar de Franschen hunne pakhuizen hebben. De Koning heeft gene andere Vestingen in Kanada, als Quebec, Fort Chamblais, Fort St. Jean, Fort St. Frederic, Montreal, Frontenac en Niagara. De andere plaatsen behoren aan byzondere personen en kooplieden. De Koning dryft te Niagara zelf den handel. Ieder mag niet naar de Wilden reizen om handel te dryven, maar moet daartoe verlof hebben van den Gouverneur Generaal, voor welk verlof men ene zekere som betalen moet, naar mate ’er op de plaats waar men wil gaan handelen meer of min winst te doen is. Een Koopman die ene schuit met vier of vyf man, geladen met allerlei waren uitrust, moet vyf- of zeshonderd Livres betalen. Ja, zelfs zyn ’er plaatsen, voor de welken men tot duizend Livres betalen moet. Dikwyls kan men, hoe veel men ook biede, geen verlof krygen, wanneer namelyk de Gouverneur Generaal zulk ene plaats voor enen zyner vrienden schikt. De Gouverneur Generaal trekt wel dit geld, dog het is een gebruik dat hy ’er de helft van aan de armen geeft. Maar of dit altyd zo nauwkeurig wordt in agt genomen, is my onbekend.