Vertrek van Upsal.
Ik vertrok den 16. October 1747 van Upsal, met my nemende den Tuinier Lars Jungstrom, enen man die zig in de kennis der bomen en planten zeer geoeffend had, en daarenboven de tekenkonst en de werktuigkunde verstond. Ook geloof ik niet dat oit iemant hem in onvermoeidheid op de reis en in trouw overtreffen kan. Wy spoedden ons van Upsal naar Gothenburg. Hier hield ons een aanhoudende tegenwind tot den 11. December op. Dien dag gingen wy onder zeil; dog een gevaarlyke storm dwong ons te Gromstad in Noorwegen intelopen, van waar ik een togtje naar Christiansand deed. Den 8. Februari 1748. gingen wy weder onder zeil naar Engeland, en bereikten Londen den 17. derzelver maand. Dog wy konden gene gelegenheid vinden om naar Amerika op reis te gaan voor de maand Augustus. Den tyd van ons verblyf in Engeland besteedden wy om enige delen van dat Ryk te bezien. Eindelyk gingen wy den 5. Augustus aan boord van de Mary Gally, Kapitein Lawson, bestemd naar Philadelphia in Noord Amerika. Om zes uren na den middag ligtten wy het anker van voor Gravesend, en zeilden een goed eind de Theems af eer wy het anker vallen lieten.
Vertrek uit Engeland.
Wy bereikten den 6. na enige uren zeilens den mond der Theems, wendden naar het Kanaal, houdende gestadig de kust van Kent in ’t gezigt, die wy somtyds onder ’t laveren zeer naby kwamen. Zy bestaat uit hoge en genoegzaam loodregt steile krytbergen, waarin men vele bedden van vuurstenen ontdekken kan. Op deze bergen leggen voortreffelyke akkers, meest van weit, dewelke reeds begon ryp te worden.
Deal.
Om zes uren des avonds kwamen wy voor Deal ten anker, ene kleine [2]Stad of een vlek, gelegen aan het inkomen ener Bai, welke, voor de zuiden en oosten winden openleggende, gene zeer goede Haven maakt. De Schepen voorzien zig hier gemeenlyk van voorraad. Deze handel, de visschery, en de kapery in den laatsten oorlog, hebben de inwoonders merkelyk verrykt. De Schepen die naar Londen willen nemen hier lootsen in.
Logworms.
Den volgenden dag zag ik ene menigte van Visschers, by ebbende zee, naar sommige ondiepe plaatsen varen, waar men een fyn zand op den bodem vindt, om een soort van Zeewormen1 te vangen, die onder ’t zand hun verblyf hebben, somtyds agttien duimen diep, en welken de Visschers uit het zand graven met ene kleine drietandige yzeren vork. Deze wormen, hier Logworms geheten, gebruikt men tot een aas voor de visschen.
Het Kanaal.
Den 8. Augustus, ’s morgens om drie uren, volgden wy den stroom het Kanaal in, voeren voorby Dover, en zagen duidelyk de gedagte van den vermaarden Camden in zyn Britannia bevestigd, dat op die plaats Engeland voorheen door ene landengte aan Frankryk en Vlaanderen vast geweest is. Beide de kusten maken hier tegen overmalkander twee uitstekende punten; beiden bestaan uit het zelve soort van krytbergen, die dezelve gedaante hebben, zo dat men de Engelsche kust kennende, en naderhand de Fransche naderende, zonder te weten waar men was, dezelven voor de Engelsche kust nemen zou.2
Dungness, enz.
Van den 9. tot den 12. Augustus dreven wy voor stroom en zeilden by beurten door het Kanaal voorby Dungness, Fairlight, het Eiland Wight, Portsmouth, Portland, en Bolthead.
De Bai van Biskaye.
Den 13. geraakten wy buiten ’t Kanaal, en kwamen in de Bai van Biskaye.
Zware Golven.
Den 14. hadden wy tegenwind, het welk het stampen van ’t Schip vermeerderde, want men merkt in ’t algemeen aan, dat in de Bai van Biskaye de zwaarste en breedste baren gaan, van gelyke grootte als in de zee tusschen Europa en Amerika; zy zyn dikwyls ene halve Engelsche myl breed en hoog naar evenredigheid. De Oost en Noord Zee integendeel hebben korte en gebroken golven.
Wanneer ’er een beest aan boord geslagt wordt, hangt het bootsvolk [3]enige varsche stukken enigen tyd in zee, het welk het vleesch, zegt men, goed houdt.
Kleinder Golven.
Den 15. begonnen de golven wat zagter te gaan, en een schuim, dat zig ’er op vertoonde, wierd gehouden by stil weder een voorbode te zyn, dat zy enige dagen agtermalkanderen in den zelven toestand blyven zullen.
Omtrent den middag stak een noordoosten koeltje op, ’t welk nadenmiddag aanwakkerde, en ons ene fraije vertoning gaf, dewyl de zware golven het water naar ene streek dreven, en de noordoosten wind de baren in ene geheel andere rigting boog. Door het geweldig slaan van de ene tegens de andere baar, konden wy merken dat wy door enen sterken stroom voeren, welks streek de Kapitein niet bepalen kon.
Aanmerking.
Van den 16. tot den 21. bleef dezelve gunstige koelte aanhouden tot ons groot genoegen en onze verwondering, want de Kapitein merkte aan, dat het iets zeer ongewoons is, enen oosten of noordoosten wind tusschen Europa en de Azores, welken het Scheepsvolk de Wester Eilanden noemt, langer den twee dagen aan een te ontmoeten, dewyl de gewone wind hier de westen is. Dog aan gene zyde der Azores waijen allerhande winden, vooral om dit jaargetyde, ook houden daar de westen winden niet lang aan; waarom de Zeelieden rekenen, dat als zy de Azores voorby zyn, zy de helft van den weg tusschen Europa en Amerika hebben afgedaan, schoon het inderdaad nog maar een derde van den weg is. Men krygt deze Eilanden zelden in ’t gezigt, want men houdt ’er van af ter oorzaak van de gevaarlyke verborgen klippen, die ’er rondom heen leggen.
Tekens aangaande den wind.
Den 22. Augustus verzekerde ons de Kapitein omtrent den middag, dat wy binnen vierentwintig uren enen zuidwesten wind hebben zouden. Ik vroeg hem de reden van deze voorzegging, en hy wees op zekere wolken in ’t zuidwesten, welker spitsen zig naar ’t noordwesten keerden, en zeide my dat zy veroorzaakt wierden door enen wind komenden uit de overgestelde streek. Ik hoorde dat wy thans omtrent halfweg van Pensylvanie waren.
Den 23. omtrent ’s morgens ten zeven uren ontstond de verwagte zuidwesten wind, en versnelde onze vaart zo zeer, dat wy omtrent agt Engelsche mylen wegs in een uur afleiden. Dog den volgenden dag ging de wind leggen en was ons tegen, zo dat wy nauwlyks iets vorderden. Men voorzei ons een stormpje, dewyl de bovenste wolken zeer dun en als in strepen verdeeld waren, gelyk uitgekamde wol of garen, het welk men altyd voor een teken van storm houdt. De strekking van deze wolken was noordoost en zuidwest, volgens de streek van den wind dien wy hadden. Tegen den nagt ging de wind leggen, en wy hadden [4]ene volmaakte stilte, het welk een teken is van ene aanstaande verandering van wind.
Den 25. en 26. ontstond de westen wind en wierd hoe langer hoe sterker, zo dat de Zee op ons dek sloeg. Den morgen van den 27. kregen wy enen beteren wind, die verscheiden streken doorliep, en tegen den avond enen storm gaf uit het noordoosten.
Waarnemingen.
De Kapitein deelde my ene waarneming mede, die op ene langdurige ondervinding gegrond was. Namelyk, dat, schoon de winden in den Atlantischen Oceaan dikwyls veranderen, vooral des zomers, egter de gemeenste wind de westen is; en dit is de reden dat de overtogt uit Amerika naar Europa gemeenlyk in korter tyd geschiedt, dan van Europa naar Amerika. Behalven dat zyn de winden in den Atlantischen Oceaan gedurende den Zomer zeer aan sommige oorden bepaald, zo dat het op de ene plaats kan stormen en op den afstand van enige mylen geheel stil zyn. ’s Winters zyn de winden veel standvastiger, strekken zig verder uit, en zyn heviger; zo dat dan dezelve wind langen tyd over den gehelen Oceaan regeert, en zwaarder golven doet gaan dan des Zomers.
Den 30. Augustus, den nagt te voren enige zware weerligten gezien dog geen donder gehoord hebbende, vroeg ik den Kapitein, of hy my daar enige reden van geven konde. Hy zeide my, dat dit verschynsel zeer gemeen en een gevolg van ene voorgaande hette in de lugt was; maar dat, wanneer men het in den winter zag weerligten, voorzigtige Zeelieden gewoon waren zeil te minderen, dewyl zy binnen weinig uren enen geweldigen storm verwagten. Even zo is het ook als in deze wateren om dit Jaargetyde zig een wolk in ’t noordwesten komt opdoen, want de ondervinding doet hen dan ook enen gewissen storm te gemoet zien.
Den 1. September hadden wy tegenwind; den 2. liep de wind noordelyk, was ons den 3. weder tegen, en den 4. en 5. was hy goed. Wy bevonden ons den 5. op 40. graden 3. minuten Noorderbreedte en tusschen 53 en 54 graden West van Londen.
Behalven de golven die met den wind voortgingen, ontmoetten wy ’er den 4. en 5. die uit het zuidwesten kwamen, het welk de Kapitein aanmerkte als een teken van enen voorbyzynden storm, naar den zuidwester hoek in de nabuurschap.
Den 8. September waren wy op de hoogte van 38. gr. 24. min. N. en omtrent 65. gr. W. van Londen. Wy ontmoetten met tamelyken wind de zwaarste golven die wy op den gantschen togt hadden, waaruit de Kapitein opmaakte, dat hier de scheiding wezen moest tusschen den Oceaan en de Amerikaansche Zeeboezems, en kort daaraan kregen wy kleine baren, schoon de wind even sterk bleef. [5]
Kleur van ’t Zeewater.
Den 9. wierden wy gewaar dat op sommige plaatsen de kleur van ’t water, dat tot nog toe van een donker blauw geweest was, wat bleker wierd. Somtyds troffen wy lange dog smalle strepen aan, omtrent van twaalf of veertien vademen in de breedte, waar het water helder groen, en daardoor van het overige geheel onderscheiden was. Men schryft dit toe aan het zand der zee of aan een zeker wier.
Den 12. ontdekten wy met stilte een zeil, dat wy voor enen Spaanschen Vrybuiter hielden, dus wy niet weinig in angst waren; dog wy zagen het zelve Schip enige dagen na ons te Philadelphia aankomen, hebbende het Scheepsvolk van hetzelve de zelve vrees voor ons als wy voor hun gehad.
Het Schip stoot.
Kapitein Lawson, die den meesten tyd van de reis het bed om ziekte had moeten houden, zeide ons dat wy niet ver van Amerika konden wezen; dog de Stuurman was van ene andere mening, en men vernam den volgenden dag des avonds nog geen Land van de grote mast; ook vond men geen grond op de diepte van verscheiden vademen. Dus moest het de Kapitein opgeven. Wy vervolgden dan des nagts langzaam onze reis. Om drie uren des morgens beval de Kapitein het lood uittewerpen, en de matroos riep ten eersten tien vadem, waarop een geweldig, geschreuw aan boord ontstond. De Stuurman peilde zelf, dan tien dan veertien vadem, maar hoe hy gemeten heeft weet ik niet, want een ogenblik nadat hy veertien vadem geroepen had stiet het Schip, en daarop kreeg het agtermalkander nog vier zeer hevige stoten. De onsteltenis was onbeschryflyk. Het was nu ’s morgens om half vyf, ’t was nog donker, schoon de maan een weinig ligt gaf. Daar waren meer dan tagtig menschen aan boord, en wy hadden maar enen boot. Gelukkiglyk geraakten wy weder los. Wy wendden, en ontkwamen dus het gevaar. Toen het dag wierd zagen wy het vaste Land van Amerika voor ons. De kust ziet ’er witagtig uit, is laag, en wat hoger op met dennebomen bedekt. Wy wierden gewaar dat de bank, waarop wy gestoten hadden, vlak over Arkadie in Maryland lag, op 37. gr. 50. min. N. omtrent ene kleine Zweedsche myl van de kust.
Aankomst in Amerika.
Wy volgden de kust van Maryland, die wy steeds in ’t gezigt hielden; dog Kaap Hinlopen dien avond niet kunnende bereiken, daar wy enen loots dagten intenemen, kruisten wy den gantschen nagt voor de Bai van Dellaware. Wy verwagtten regen, om dat het zo donker was, maar na den ondergang der Zon viel ’er alleen een zware dauw, zo dat onze klederen, zo wel als enige boeken, die ’t Scheepsvolk op ’t dek had laten leggen, zo nat wierden als of ’er water op gegoten was. De Engelschen voorspellen hieruit in Engeland [6]ene zware hitte voor den volgenden dag, en dit, zeide de Kapitein, had ook plaats in Amerika.
De Kust.
Den 14. zetteden wy met eenen gunstigen wind onze reis voort; wy hadden aan bakboord altyd land. De Kust was laag en bedekt met een fyn wit zand. Dieper landwaards in was het vol van dennebomen. Om half agt des morgens kwam de loots aan boord, die van zelven van Kaap Hinlopen gekomen was. Dit is een uitstek lands ten westen der Bai van Dellaware, waarop een Dorp legt. Het land behoort hier geheel tot Pensylvanie, dog het geen ten oosten de Bai is tot New Jersey. Van Kaap Hinlopen tot Philadelphia rekent men honderd en vyftig Engelsche mylen, dog van den mond der Dellaware af maar negentig. Wy staken de Bai over, hebbende nu vier en dan elf vadem waters. Hier leggen verscheiden banken, waarop menig Schip verongelukt is.
Scheepstimmerhout.
De Oever was landwaards in met schone Bomen bedekt, en de Loots zo wel als de Stuurman, die te Philadelphia geboren was, verzekerden, dat het land hierom heen vol is van het schoonste Scheepstimmerhout. De Engelschen, vooral de Kooplieden, laten in deze Volkplantingen zeer veel Schepen bouwen. Dit geschiedt gemeenlyk des Winters, zo dat de Schepen met het Voorjaar in Zee kunnen gaan.
De Dellaware.
Een weinig na den middag kwamen wy aan den mond der Dellaware, daar wel drie mylen breed, dog die hoe langer hoe smaller wordt, zo dat zy voor Philadelphia nauwlyks ene Engelsche myl breedte heeft. Zy ontspringt veel hoger landwaards in. Het land was laag, en op den Oever met zware Eiken en andere Bomen bedekt. Tusschen de Bosschen vertoonden zig Akkers, Landhoeven, en Weiden voorzien van vee. Hier en daar stonden Hoibergen. De wind voerde ons van het strand enen aangenamen reuk toe, ontstaan uit het gemaide gras en andere kruiden.
Newcastle.
Wy zeilden vry diep in den nagt de Rivier op, en voeren by het vallen van den avond voorby Newcastle, ene kleine Stad, op den westelyken Oever der Dellaware. Zy is de oudste Stad van het gehele Land, en is door de Hollanders aangelegd. Zy heeft minder handel dan Philadelphia, schoon zy boven die plaats vele voordelen heeft, waar onder dit geen van de minsten is, dat de Rivier voor haar zelden toevriest, daar zig voor Philadelphia elken Winter het Ys vastzet, zo dat ’er de Scheepvaart voor enige weken door afgebroken wordt. Maar rondom Philadelphia is het Land zeer sterk bebouwd, en de meeste waren vlieten daar te zamen.
Voorgaande bezitters.
De Hollanders drongen zig hier uit nyd in, ten tyde dat het Land Zweden nog toekwam. Het gelukte hen den Zweden allengskens den [7]voet te ligten. Het kwam zelfs tot enen openlyken kryg, waarin de Hollanders den zegen behaalden. Dog hunne vreugd was van korten duur; want enige jaren daaraan namen hun de Engelschen het Land weer af. Wy wierpen het anker een weinig later.
Chester.
Den 15. Sept. voeren wy al hoger den stroom op. Het Land was aan beide de Oevers byna overal bewoond, dog de Landhoeven lagen tamelyk wyd van malkander. Om agt uren des morgens zeilden wy voorby Chester, ene kleine Stad op den westelyken Oever der Rivier. De Stuurman wees ons al de plaatsen aan waar nog Zweden woonden.
Philadelphia.
Eindelyk kwamen wy om tien uren te Philadelphia, na tusschen Gravesend en deze plaats nog niet een en veertig volle dagen onderweg geweest te zyn. Onze reis werd voor zeer gelukkig gehouden, want men brengt anders in den Winter dikwyls veertien, ja negentien en meer weken, in den overtogt door. Wy hadden weinig stormen en veel schoon weder gehad. Kapitein Lawson verklaarde het noit zo gezien te hebben. De Zee sloeg noit over de kajuit heen, en de vensters bleven altyd open. Verscheiden Duitschers, die aan boord waren, sliepen op het dek. En Kapitein Lawson’s vriendelykheid, die hy niet groter aan enen bloedvriend had kunnen betonen, vermeerderde my zeer het aangename van de reis.
Natuurkundige waarnemingen.
Wy hadden op reis verscheiden aanmerkingen gemaakt rakende de Natuurlyke Historie.3 Wy zagen den 16. en 17. Aug. een soort van Zeewier, Fucus by Linnæus, dat veel geleek naar ene rist uyens, zo dik als een vuist, en wit van kleur. Digt by Amerika en in de Amerikaansche Golf ontmoetten wy den 11. Sept. nog verscheiden soorten van wier, een van welke soorten het Scheepsvolk Rockweed noemde. Een ander zag ’er uit als een snoer parelen, en een ander was wit, omtrent een voet lang, smal, overal even breed en regt. Van den 24. Aug. tot den 11. Sept. zagen wy geen ander wier, dan het geen gemeenlyk Golfwier genoemd wordt,4 om dat men veronderstelt dat het uit de Golf van Florida komt. Anderen noemen het Sargazo, en Linnæus Fucus natans. De steel is zeer teder, rondagtig hoekig, van een donker groen; het heeft verscheiden takken, en ieder tak heeft vele bladeren staande op ene ry, zeer dun, getand, en ene of anderhalve lyn breed, zo dat zy veel gelyken naar de bladen van het Yslandsch mos; de kleur is geelagtig groen. [8]De vrugt heeft veel gelykenis naar de onrype Jeneverbes, is rond, groenagtig geel, glad van buiten, en wast onder de bladen op korte steeltjes van twee of drie lynen lengte; onder ieder blad zyn van een tot drie bessen; ik zag ’er noit meer aan. Sommige bessen waren klein, en doorgesneden zynde geheel hol, en bestonden alleen uit ene dunne schil. Dit scheen de plant des te bekwamer te maken om op ’t water te dryven. De bladeren worden aan ’t einde der takken al smaller en smaller. De bovenste zyde is glad, de beneden zyde heeft ribben;5 en hier vindt men dunne worteltjes, twee, drie of vier lynen lang. Men zeide my dat dit Golfwier, gedroogd en tot poeder gestoten, barende Vrouwen gegeven wierd. Ook bediende men ’er zig van in koortsen; dog waarom en op welke wyze, kon ik niet te weten komen. Wat meer zuidwaards is de Zee op sommige plaatsen vele mylen ver geheel van dit Zeegras bedekt. Veel kleine gepunte hoorns en Hoornwier vindt men op dit gewas; en zelden ontmoet men ’er ene rist van waarin niet enige kleine garnaal of een klein krabje, by Linnæus Cancer minutus, gevonden worde. Ik vergaderde ’er agt van de laatsten en drie van de eersten, en zettede ze in een glas met water. De garnaaltjes bewogen zig zo gauw als alen, rondom in ’t glas, maar somtyds langzaam en hielden zig stil op den grond of aan den kant van ’t glas. Wanneer ’er een der kleine krabjes by kwam, namen zy het by de voorste pootjes, doodden het, en aten ’t op. Dezen vermydden daarom hunne vyanden. De krabjes geleken veel naar de garnalen; zy zwommen altyd op ene zyde, de zyden en de staart zig beurtelings bewegende. Zy konden hunne voorpoten in den mond steken; de sprieten waren in gedurige beweging. ’s Morgens daaraan vond ik alle de krabben opgegeten van de garnalen. Als deze laatsten op den grond van ’t glas waren, kwamen zy dikwyls, met ene beweging gelyk die van ene Waterluis of de Podura van Linnæus, in een ogenblik boven op het water. In ’t zwemmen bewogen zy al hun poten digt by een, en zodra zy die stil hielden zonken zy. De overgebleven garnalen bewaarde ik in sterk water, en ’t verlies van myn krabjes werd haast geboet door anderen, die men menigvuldig in de Bossen van ’t Zeewier vind. Ik wys den Lezer naar een ander Werk, dat ik voor heb uittegeven, waar ik deze Dieren nauwkeuriger beschryven zal. Op sommige plaatsen zagen wy ene krab zo groot als ene vuist, welke zwom door de gestadige beweging van hare poten, die zy zodra niet stil hield of het Dier begon te zinken. Eens zag ik enen groten kreeft, zwemmenden op de oppervlakte van het water.
Blubbers.
Wy vonden drie soorten van de Medusæ van Linnæus, by de [9]Engelschen Blubbers genaamd. De eerste is de Medusa Aurita; zy is rond, purperagtig, opent zig gelyk een zak, waar, als ware het, drie witte kringen binnen in zyn; hare grootte verschilt van een tot zes duimen middellyns. Zy hebben die stekende en brandende eigenschap niet die de andere Medusæ bezitten, gelyk by voorbeeld die welken men op de Kust van Noorwegen en in den Oceaan vindt. Dezen vonden wy voornamelyk in het Kanaal en de Bai van Biskaye.
Na meer dan de helft van den Oceaan te zyn doorgelopen ontmoetten wy een ander soort van Blubbers, bekend onder ’t Zeevolk by den naam van het Spaansche of Portugeesche Oorlogschip. Zy zien ’er uit als ene grote blaas, of als de longen van een Beest, plat op beide de zyden, omtrent zes duim over ’t kruis, schoon purperrood van kleur; en wanneer men ze met de blote hand aanraakt veroorzaken zy ene groter branding dan enige andere Medusæ. Zy worden dikwyls van de golven het onderste boven gekeerd, dog regten zig in een ogenblik weer op, met het spitse eind naar boven.
In de Amerikaansche Golf zagen wy behalven dit nog een ander soort, het welk het Zeevolk genen anderen naam gaf dan dien van Blubber. Het was van de grootte van een tinnen bord, bruin in ’t midden. De rand was ligter van kleur, en in ene gedurige beweging.
De Ganzemossel.
Den 30. Aug. zag ik in den Oceaan een stuk houts dryven geheel bedekt met de Ganzemossel, de Lepas anatifera van Linnæus.6 In ’t Kanaal zag ik in ’t gezigt van ’t Eiland Wight verscheiden witte Kapellen, zeer gelyk aan de Koolkapel, de Papilio brassicæ van Linnæus. Zy gingen noit zitten, en wy verwonderden ons dat zy zig zo ver van land waagden.
Vliegen.
Sommige gemene Vliegen bleven in onze kajuit de gehele reis over in ’t leven; en gevolglyk kan men niet beslissen of dit soort ook oorspronglyk aan Amerika eigen, dan door de Europeanen derwaards medegebragt is.
Bruinvisschen.
Den Delphinus Phocœna van Linnæus, by de Zeelieden het Zeevarken geheten,7 ontmoetten wy eerst in het Kanaal, en vervolgens [10]overal aan deze zyde de Azores; maar voorby die Eilanden ziet men hem zelden, tot dat men op de Kust van Amerika komt, daar wy hem in den mond der Dellaware menigvuldig zagen. Zy verschynen altyd in scholen, zomtyds meer dan honderd sterk. Zy zwemmen zeer snel; en schoon zy veel langs het Schip zwommen, als hadden ze vermaak in ’t bruisschen van het water tegens het Schip, verdwenen zy in een ogenblik daarna. Zy hebben de lengte van vier tot agt voeten; hun snoet gelykt naar de snep van een Gans; de buik is wit. Somtyds springen ze vier voet in de hoogte en van vier tot agt voet in de langte uit het water; maar hun geblaas toont dat hun dit moeite kost. De Matrozen tragtten dikwyls te vergeefs hun van den boeg met een harpoen te treffen, dog hun gauwigheid was groter dan de handigheid van ’t bootsvolk.
De Bottelnose.
Een ander Visch van het soort der Zeevarkens,8 welken wy ontmoetten, wordt by de Engelsche Matrozen Bottlenose genoemd, en zwemt in grote scholen. Men doodt hem dikwyls met den harpoen, en eet hem. Hy is somtyds ruim twaalf voet lang. Van gedaante en wys van zwemmen gelykt hy zeer naar het Zeevarken. Men vindt ze overal, van het Kanaal af tot in Amerika toe.
Andere visschen.
Enen Walvisch zagen wy op enigen afstand water spuiten.
Een grote Hai volgde het Schip enen korten tyd, en was schielyk uit het gezigt, zonder dat wy in staat waren te bepalen tot welk soort hy behoorde. Dit was de enige Visch van het kraakbenige geslagt, dien wy zagen.
Van het Beenagtige zagen wy ’er velen aan gindsche zyde der Azores, dog genen aan deze zyde dier Eilanden. Enen zagen wy op enigen afstand die zeer groot was. De Matrozen noemden hem Albecor; het is de Scomber Thynnus van Linnæus.
De Dolphin.
De Dolphin der Engelschen is de Dorado der Portugezen en de Coryphæna Hippuris van Linnæus. Hy is omtrent twee en een halven voet lang, by den kop zes duimen dik en drie duim breed. Hy wordt van den kop naar den staart toe aan smalder, waar zyn dikte over ’t kruis anderhalven, en zyn breedte pas enen duim is. Digt by ’t hoofd is hy van een schoon zilveragtig groen, maar by den staart donker blauw. De buik is wit, somtyds gemengd met een donker geel. Op [11]de zyden vindt men enige ronde ligt bruine vlakken. Hy heeft zes, en niet zeven vinnen, gelyk men dagt; twee op de borst, twee aan den buik, ene aan den staart strekkende tot aan den aars, en ene langs den gehelen rug van een frai blauw. Hunne beweging in het water digt by het Schip was niet snel, en gaf gelegenheid ze met den harpoen of met een angel, waar men een stuk ingewand, een klein Vischje, of enen vliegenden Visch, aan deed, te vangen.
De vliegende Visch is hun voornaamste voedsel; en de vrees voor den Dolphin dwingt dien zyn natuurlyk element te verlaten, en in de lugt zyne veiligheid te zoeken. De Dorado springt somtyds een vadem hoog uit het water, en houdt veel van by stukken houts of tonnen, die in zee dryven, te zwemmen. Men kookt of fruit hem, en eet hem met boter, wanneer hy tamelyk goed, dog wat droog van smaak is. In den buik van enen dezer visschen vonden wy verscheiden andere visschen, byzonderlyk een visch Ostracion geheten, die nog leefde, moetende het ogenblik te voren eerst ingezwolgen zyn. Hy had blauwe ogen, en was twee duim lang. Nog vonden wy ’er een ander klein vischje, een zeldzaam zeeinsekt, en enen vliegenden visch in. Alle dezen, nog niet verteerd en geheel onbeschadigd zynde, heb ik in sterk water bewaard.
Vliegende Visschen.
De Vliegende visch, Exocœtus volitans by Linnæus, zwemt altyd by grote scholen, somtyds van meer dan honderd stuks, allen te gelyk uit het water opvliegende, wanneer zy door andere visschen, inzonderheid den Dolphin gejaagd worden. Zy verheffen zig wel een vadem hoog uit het water, wanneer zy van het hoogste van een golf afvliegen; en men zegt dat ze somtyds op het dek der Schepen vallen. De grootste afstand dien zy in de lugt blyven is een goede snaphaanschoot, en dien doen zy af in minder dan ene halve minuut. Ik vond dat zy altyd tegens den wind in vlogen; en schoon my hier in het bootsvolk tegensprak, bewerende dat zy in allerhande strekkingen hunne vlugt namen, wierd ik in myne mening bevestigd door de ondervinding gedurende de gantsche reis.
De Bonito.
Wy zagen insgelyks den visch genoemd Bonito, Scomber Pelamys by Linnæus. Zy zwommen ook in scholen, jagt makende op kleine visschen, welke jagt een geluid in ’t water maakte als dat van enen waterval, vermits zy als in een lichaam op een gedrongen zwemmen. Dog zy hielden zig altyd buiten ’t bereik van het harpoen.
Uit die Dieren welken op ’t land en in ’t water leven, ontmoetten wy tweemalen ene Schilpad. Zy waren beiden omtrent twee voet in de middellyn.
Vogels.
Vogels ziet men genoeg in de Atlantische Zee, maar meerder Zee- dan Landvogels. [12]
De Stormverkondiger, by de Engelschen Petrel, by Linnæus Procellaria Pelagica, verzelde ons van het Kanaal af tot in Amerika. Gantsche vlugten van dezelven waren gestadig rondom het Schip, voor al daar de Zee, door het Schip gesneden, ene gelyke oppervlakte maakte; alwaar zy schenen neer te vallen, hoewel ze altyd aan ’t vliegen bleven. Zy pikken op alles wat buiten boord valt, of bekyken het ten minsten. Kleine vischjes schynen hun voornaamste voedsel te wezen. By dag maken zy geen geluid, maar schreuwen des nagts geweldig. Men houdt ze voor voorbodens van storm, dus het bootsvolk hun gezelschap niet gaarne heeft en ze Heksen noemt; maar men ziet ze niet minder by schoon weder als anders, zonder dat ’er storm opvolgt. ’T kwam my voor, en men zeide my dat het ook zo was, dat zy somtyds langer dan een half uur onder water bleven. Zy gelyken naar Zwaluwen; en ’t was als of zy iets van de oppervlakte des waters oppikten.
De Shearwater der Engelschen, by Linnæus Procellaria Puffinus, is een andere Zeevogel, dien wy overal op onze reis zagen van het Kanaal af tot op de Kust van Amerika. Hy heeft de grootte en gedaante byna van een Zeemeuw of een End. De rug is bruin. Hy heeft gemeenlyk om den hals een witten ring. Zyn vlugt is zonderling en langzaam. Wy zagen duidelyk sommigen van deze vogels op visch azen.
Den Phaëton Æthereus van Linnæus, anders den Keerkringvogel, zagen wy het eerst omtrent den 50. gr. N. en 49. of 50. gr. ten west. van Londen. Hy is van gedaante als een Meeuw, en heeft twee lange vederen in zyn staart, die hem genoeg van alle andere vogels onderkennen doen. Hy vliegt dikwyls zeer hoog.
De gemene Meuw, by Linnæus Larus canus, zagen wy op de hoogte van Ierland.
De Zeezwaluw, by Linnæus Sterna, schoon wat donkerder van kleur dan de gemene, vonden wy menigvuldig zodra wy op 41. gr. N. en 47. gr. ten westen van Londen waren. Somtyds waren het troepen van enige honderden, waarvan er enigen op het Schip kwamen zitten.
In de Amerikaansche Golf zagen wy enen Zeevogel digt by het Schip, dien ’t bootsvolk een Zeehen noemde.
Landvogels ziet men nu en dan, en somtyds zeer ver van land, zo dat men dikwyls moeite heeft te begrypen hoe zy zo ver komen. Den 18. Aug. kwam ’er een vogeltje op ’t Schip zitten, gelykende volmaaktelyk ene Mees, by Linnæus Parus major.
Den 4. Sept. vlogen ’er enige Landvogels rondom het Schip, die de Strandzwaluwen, by Linnæus Hirundines ripariæ, zeer gelyk zyn. [13]Zy kwamen somtyds op de zeilen zitten. Op den rug waren ze grys-bruin, op de borst wit, de staart was een weinig verdeeld. Een zware regenbui dreef ze van ons van daan. Den 2. Sept. zworf ene zwaluw tegens den avond rondom het Schip, en kwam somwylen op de mast zitten. Zy scheen zeer vermoeid te zyn. Enige malen kwam zy aan de vensters der kajuit, als zogt zy daar hare toevlugt.
Den 10. Sept. zettede zig een grote vogel, dien wy voor een Uil hielden, op onze zeilen. Het zelve deed ook een klein vogeltje.
Den 12. kwam ’er een Boomspegt op ons want zitten. Zyn rug was grauw gespikkeld. Een andere landvogel uit het mosschengeslagt kwam ook ene toevlugt by ons zoeken.
Zeevuur.
In het Kanaal en in den Oceaan zagen wy des nagts het water ligt geven, vooral daar het in beweging werd gebragt; somtyds zwom een enkelde vonk meer dan een gehele minuut lang voor datze verdween. Men ziet dit het meest gedurende of kort na enen storm uit het noorden. Dikwyls is de zee als ware het vol vuurs; en deze blinkende vonken zetten zig niet zelden tegens de masten of de zeilen. Somtyds heeft dit ligt niet de gedaante van vonken, maar gelykt eer naar het ligt dat verrot hout geeft.9
Het Theemswater, dat onzen voorraad van varsch water uitmaakte, wordt gehouden voor het beste, dat men hebben kan. In eiken tonnen opgesloten wordt het schielyk een weinig stinkende en bezinkt, dog die kwade reuk gaat ’er schielyk af, wanneer men het in grote stenen kruiken twee uren lang in de open lugt laat staan. Dikwyls vatten de dampen welken uit een ton komen, die lang toegeweest is, vuur, als ’er een kaars by komt wanneer men de ton opent; en het Theemswater wordt geagt dit meer te hebben dan enig ander, schoon my gezegd wierd dat het met alle ander water even eens is.
Vervolg van het Dagverhaal.
Maar om den draad van het verhaal weer optevatten. Zodra wy ’t anker voor Philadelphia hadden gesmeten, kwamen velen van de Inwoonders aan boord, om te horen of ’er ook brieven voor hun waren. Ik ging met den Kapitein aan den wal. Eer hy ’t boord verliet, beval hy den Onderstuurman striktelyk, van genen der Duitsche Vlugtelingen naar land te laten gaan, voor hy zyne vragt, of zelfs, of iemant anders voor hem, betaald, of dat hem iemant gekoft had.
Brieven van voorschryving.
By myn vertrek van Londen had ik brieven van voorschryving gekregen van de Heren Abraham Spalding, Peter Collinson, Doctor Mitchell en anderen aan hunne Vrienden alhier. Dus was het my ligt kennissen [14]te maken. De Heer Benjamin Franklin, aan wien Pensylvanie voor hare welvaart, en de geleerde wereld voor zyne nieuwe ontdekkingen in de Elektriciteit, zo grote verpligting hebben, was de eerste die my bekend deed worden. Hy gaf my alle nodige onderrigtingen, en bewees my alle mogelyke diensten.
De Landsgestelte.
Ik ging, vergezeld van den Heer Jakob Bengtson, een lid van den Zweedschen Kerkeraad, en den Schilder Gustavus Hesselius, om de Stad en het land te zien. Ik bevond my in ene nieuwe wereld. Waar ik op den grond myne ogen sloeg vond ik planten die ik niet kende. Wanneer ik enen boom zag, moest ik blyven staan, en vragen hoe hy heette. De eerste plant die myn ogen trof was een Andropogon, of een soort van gras; en het gras is dat stuk der Kruidkunde waarin ik altyd het grootste vermaak vond. Ik schrikte als ik bedagt dat ik zo veel nieuwe en onbekende stukken der Natuurlyke Historie in order brengen moest. In ’t eerst bezag ik alleen de planten, zonder het te wagen my in een nauwkeuriger onderzoek in te laten.
Ik nam by een Winkelier, die een Quaker was, myn intrek. Ik ontmoette daar in huis goede en eerlyke menschen, gelyk my de meesten van die sekte schenen te zyn. Ik had hier, nevens mynen Jungstrom, kamer, ligt, bed, oppassing en driemaal eten, indien wy wilden, voor twintig schellingen, naar den loop van ’t Pensylvanisch geld, in de week. Maar brand, waschgeld en wyn, moest buiten dat betaald worden.
Beschryving van Philadelphia.
Eer ik verder myne reis verhale, wil ik ene korte beschryving geven van de Stad Philadelphia, van de welke ik in ’t vervolg dikwyls gewagen zal.
Philadelphia, de hoofdstad van Pensylvanie, een Landschap dat voorheen een deel van Nieuw Zweden uitmaakte, is ene der voornaamste steden van Noord Amerika, en naast Boston de grootste. Zy legt genoegzaam in ’t midden der Engelsche Volkplantingen, op de breedte van 29. gr. en omtrent 50. min. N. en de lengte van 75. gr. West van Londen.
Deze Stad werd in den Jare 1683. of zo als anderen willen 1682. door den bekenden Quaker William Pen het eerst aangelegd, die dit gantsche Land van Koning Karel den II. van Engeland ten geschenk verkreeg, nadien Zweden van zyn regt op het zelve had afgestaan. Zy moest, volgens Pens ontwerp op een punt leggen, dat de Rivieren Dellaware en Skulkill by hare t’zamenvoeging maken, in ene vierkante gedaante, en twee Engelsche mylen lang en ene breed zyn. De oostzyde moest tegens de Dellaware en de westzyde tegens de Skulkill geraakt hebben. Men had werkelyk op beide de [15]Rivieren begonnen te bouwen. Agt hoofdstraten, ieder twee Eng. mylen lang, en zestien dwarsstraten, elke van ene myl, werden afgestoken, allen lynregt, en zeer breed. De oord was toen genoegzaam ene volkomene woesteny, bedekt met zware bosschen, en hoorde drie Zweedsche Broeders, Svensson genoemd, toe, die ’er zig hadden neergezet. Zy verlieten met tegenzin de plaats wegens hare voordelige legging. Dog op ’t laatst bewoog Pen ’er hun toe, die hun enige mylen verder tweemaal zo veel gronds gaf dan zy bewoond hadden. In ’t vervolg heeft Pen zelf, en zyne opvolgers na hem, den gegevenen grond merkelyk ingekort, onder voorgeven dat de Svenssons zig meer toegeëigend hadden, dan hun was toegestaan.
Maar voor zulk ene uitgestrekte plaats, als de Stad volgens het ontwerp wezen moest, was het onmogelyk een genoegzaam getal van Ingezetenen te vinden. Het ontwerp derhalven van op de Skulkill te bouwen wierd ter zyde gelegd, tot dat ’er beter kans zoude zyn om het te vervullen, en men bouwde alleen langs de Dellaware. Deze Rivier, die langs de oostzyde der Stad stroomt, brengt haren handel groot voordeel toe, en maakt een schoon gezigt. De huizen die reeds langs de Skulkill gebouwd waren, wierden allengskens naar de Dellaware verplaatst. De Stad legt in enen zeer aangenamen oord, van ’t noorden tot het zuiden langs het water. Zy is iets meer dan ene Eng. myl lang, en op sommige plaatsen ene halve myl of iets meer breed. De grond is gelyk, en bestaat uit zand gemengd met een weinig klei. De ondervinding heeft getoond dat de lugt hier zeer gezond is.
De straten zyn regelmatig, frai, en de meesten vyftig Eng. voeten breed. Archstreet is zes en zestig, en Marketstreet, welke de voornaamste straat is, waar de markt gehouden wordt, byna honderd voeten breed. Zeven lopen ’er van het noorden naar het zuiden, of naar de langte der Stad, uitgenomen ene, die langs de Rivier, ten zuiden, van de markt loopt, en Waterstreet genoemd wordt. Agt waren ’er geschikt om in ’t dwars van de ene Rivier naar de andere te gaan. Zy lopen niet volkomen oost en west, maar een weinig van die strekking af. Al de straten zyn lynregt, en maken te zamen regte hoeken op de snydingen, uitgenomen twee, die naast aan ’t water zyn. Sommigen zyn bestraat, anderen niet, en dit schynt minder noodzakelyk om dat de grond zandig is, en dus het water intrekt. Dog in de meesten is ’er een bestrating naast de huizen van gelyke stenen, volgens Engelsch gebruik, een vadem, en somtyds meer, breed, met palen op den afstand van drie of vier vadem afgezet. Op de steenen gaan de voetgangers, rytuigen en paarden moeten midden op de straat blyven. Onder de daken lopen goten [16]met pypen daaraan, zo dat de menschen die langs de straat gaan, by regen of ’t smelten der sneeuw niet kunnen bedropen worden.
De Huizen.
De huizen geven een goed aanzien, zyn gemeenlyk enige verdiepingen hoog en van gebakken of gehouwen stenen gebouwd; dog de eersten worden het meest gebruikt, en worden even buiten de Stad en zeer wel gebakken. De gehouwen steen, dien men voor andere huizen gebezigd heeft, wordt in menigte in het Land gevonden, is ligt te bearbeiden, en heeft de goede eigenschap van in nat weder het vogt niet aantetrekken.10 Men brandt hier overal enen zeer goeden kalk om te metselen.
De huizen zyn met planken gedekt. Het hout neemt men van een boom dien de Zweden den Witten Jeneverboom, en de Engelschen den Witten Ceder noemen.11 De moerassen waren ’er voorheen vol van, dog tegenwoordig zyn deze bomen meest gekapt, en men heeft nog gene nieuwen geplant.12 Het hout is zeer ligt, rot niet zodra als ander hout in dit Land, maar duurt een ’s menschen leven lang, en is daarom uitmuntend voor de daken. Ook bezwaart het de muren niet. Dog velen beginnen te vrezen, dat men met den tyd deze daken zal aanzien als zynde de Stad zeer nadelig, om dat, dezelven zo ligt zynde, de meeste muren ook zeer ligt zyn opgemetseld, en dat hout nu begint te ontbreken, zo dat men in ’t toekomende genoodzaakt wezen zal gebruik te maken van zwaarder stoffen, pannen, of iets diergelyks, welke zwaarte de muren niet zullen kunnen dragen. Om deze reden hebben reeds velen sedert enigen tyd begonnen zig van pannen te bedienen.
Kerken.
Onder de openbare gebouwen zullen wy eerst spreken van de Kerken, waarvan ’er verscheidenen zyn, want God wordt hier op velerhande wyzen gediend.
De Engelsche Kerk staat in ’t noorden der Stad, een weinig van de markt af. Zy is de fraiste van allen. Zy heeft enen kleinen toren, die niet veel zeggen wil, waarin ene klok hangt om te luyen by kerktyd of begrafenissen. Ook heeft zy een uurwerk. Dit gebouw, genoemd Christ Church, wierd gestigt omtrent het laatst der voorgaande euw, dog [17]is onlangs herbouwd en verbeterd. Zy heeft twee Predikanten, die hun jaargeld grotendeels uit Engeland krygen.
De Zweedsche Kerk, anders de Kerk van Weekacko, staat in ’t zuiden der Stad, genoegzaam buiten dezelve, aan de Rivier, ’t welk hare legging de aangenaamste van al de Kerken maakt. Ik zal ’er breder van handelen wanneer ik van de Zweden hier woonagtig spreken zal.
De Duitsche Luthersche Kerk staat aan het noordwesten der Stad. By myn aankomst in Amerika had zy een klein torentje; dog het zelve gebouwd zynde voor dat de muren van de Kerk volkomen droog waren, begonnen die te zakken, zo dat men den toren in den herfst van het jaar 1750. moest afbreken. Omtrent dien tyd kreeg de gemeente een frai orgel uit Duitschland. Zy heeft maar enen Predikant, die den enen zondag in de Luthersche Kerk te Germantown, en den anderen te Philadelphia preekt. De eerste Predikant der Lutherschen alhier was de Heer Muhlenberg, die in ’t Jaar 1743. den grond voor deze Kerk gelegd heeft, en sedert van daar naar ene andere gemeente geroepen zynde, opgevolgd is door den Heer Brunholz, van Sleeswyk geboortig, die hier nog staat. Beiden zyn zy van Halle in Saxe herwaards gezonden, en hebben, door hunne byzondere gaven van stigtelyk te preken veel nuts gedaan. Kort voor dat deze Kerk gebouwd was, hadden de Duitschers genen Predikant voor hunzelven, zo dat de Zweedsche Predikant, de Heer Dylander, te Weekacko voor hun predikte. Na zynen dood in 1741. schreven zy naar Duitschland om een Predikant. Deze gemeente is thans zeer talryk, zo dat alle zondagen de Kerk zeer vol is. Zy heeft twee koren, dog geen Sakristie. Voor den altaar wordt niet gezongen, maar alles gelezen.
De Oude Presbyteriaansche Kerk is niet ver van de markt op zuidzyde van Marketstreet. Zy heeft ene middelmatige grootte, en is gebouwd in ’t jaar 1704. gelyk het opschrift in den gevel aan de noordzyde aantoont. Het dak is van buiten een halve cirkel, of maakt ten minsten enen halven zeshoek. Het gebouw zelf staat noord en zuid, want de Presbyterianen zien ’er niet op, gelyk anderen, naar welke windstreek hunne Kerken gebouwd zyn.
De Nieuwe Presbyteriaansche Kerk wierd in ’t jaar 1750. in het noordwesten der Stad, door de zogenaamde Nieuwverligten13 gebouwd. Deze Nieuwverligten zyn menschen, die uit verscheiden Godsdiensten leerlingen geworden zyn van den welbekenden Whitefield, die in de jaren 1739. en 1740. en naderhand wederom in 1744. en 1745. genoegzaam alle de Engelsche Volkplantingen doorreisde. Zyne welsprekendheid, [18]zyn ongemene yver, en andere gaven, maakten, dat hy dikwyls, vooral in de twee eerste jaren, agt, ja zelfs twintigduizend toehoorders, in ’t open veld had. Zyn inzigt met zyn reizen was geld voor een Weeshuis te verzamelen, dat in Georgie zou worden opgeregt. Hy kreeg dikwyls op ene reis zeventig ponden Sterlings by een; zelfs verzamelde hy by twee predikatien, die hy in ’t jaar 1740. op enen zondag deed, honderd en vyftig pond. De aanhangelingen van dezen man, nu de Nieuwverligten geheten, zyn tegenwoordig ene sekte van Presbyterianen. Want schoon Whitefield eigenlyk een Geestelyke van de Engelsche Kerk was, week hy allengskens af van derzelver leer; en, in ’t jaar 1744. te Boston zynde aangekomen, zintwistte hy zo lang met de Presbyterianen, tot dat hy zelf hunne gevoelens aannam. Whitefield was geen groot zintwister, en kon dus door deze doorslepene lieden geleid worden waar zy hem hebben wilden. Dit veroorzaakte ook dat gedurende zyn laatste verblyf in Amerika zyn’ toehoorders zo talryk niet waren als de eerste maal. De Nieuwverligten bouwden het eerst in 1741. een groot huis in ’t westen der Stad, om den Godsdienst daarin waartenemen. Dog alzo zy na het vertrek van Whitefield onder malkander in scheuring geraakten, behalven om nog andere redenen, wierd het gebouw in het jaar 1750. aan de Stad verkoft, en tot een school geschikt. De Nieuwverligten bouwden toen ene Kerk, die ik de Nieuwe Presbyteriaansche genoemd heb. Voor den oostelyken gevel zyn de volgende woorden in ’t Latyn in vergulde letters te lezen, Presbyteriaansche Kerk, onder Gods zegen in ’t jaar des Heren 1750. gestigt.
De Oude Duitsche Hervormde Kerk staat in het westnoordwester deel van de Stad, en gelykt veel naar de Kerk in Ladugaordslande te Stokholm. Zy is nog niet geheel af, schoon ’er al verscheiden jaren dienst in gedaan is. Deze Duitschers gingen by ’t leven van den Heer Dylander in de Zweedsche Kerk. Dog toen, na den dood van dien Heer, de Lutherschen enen Predikant uit Duitschland komen lieten, maakten de Hervormden ook toestel om ’er een van Dordrecht te ontbieden, en de eerste dien men hun zond was de Heer Slaughter, dien ik daar by myn aankomst ontmoette. Maar deze had in ’t jaar 1750. het ongenoegen, dat een ander Predikant, die nieuwlings uit Holland aangekomen was, zig, door list, zo by een gedeelte der Gemeente wist intedringen, dat meer dan de helft ’er van gewonnen werd. De twee Predikers betwistten malkanderen verscheiden zondagen den Predikstoel. Men verhaalt, dat de laatstgekomene eens des zaterdags avonds reeds op stoel ging, en ’er den gantschen nagt op bleef. De ander dus voorgekomen zynde, geraakten de beide partyen handgemeen, en klopten malkander wakker af, ten algemenen spotte en tot ergernis der gehele Stad. De [19]zaak kwam voor den Magistraat, die ze ten voordele van den Heer Slaughter uitwees.
De Nieuwe Hervormde Kerk wierd niet ver van de Oude gebouwd door de aanhangelingen van den laatst gekomenen Prediker, nadat zy in het ongelyk gesteld waren. Egter wist deze het zo ver te brengen, dat genoegzaam het gantsche gehoor van zynen tegenstrever verliep. De Quakers hebben twee kerken of zogenoemde Vergaderplaatsen,14 de ene op de markt, en de andere in het noorden der Stad. Men vindt hier, volgens ’t gebruik van deze menschen, nog altaar, nog predikstoel, nog enig ander Kerksieraad, maar alleen zitplaatsen en enige armblakers. Zy verzamelen zig elken zondag driemalen, en behalven dat nog ieder week en maand op zekere tyden. Ik zal in ’t vervolg breder van hun spreken.
De Wederdopers komen te zamen in het noordelyk gedeelte der Stad.
De Roomsgezinden bezitten tegens het zuidwesten een tamelyk groot huis, dat van binnen frai versierd is, en een orgel heeft.
De Aanhangers des Graven van Zinzendorf, anders Hernhutters, hebben een huis in het noorden der Stad gehuurd, waar zy in het Hoog Duitsch en ’t Engelsch dienst plegten te doen, niet alleen twee of driemaal ieder zondag, maar ook elken avond in de week als het donker was. Dog in den winter van 1750. werden zy genoodzaakt van hunne avondbyeenkomsten af te laten, door enige dartele jongens, die hun verscheiden malen kwamen storen, door uit een donkeren hoek, by ’t slot van elk vers, met een werktuig dat het geluid van een Koekoek maakt, waarmede de kinderen gewoon zyn te spelen, zulk een geweld onder het zingen te maken, dat de Gemeente schrikkelyk geërgerd werd.
Die van de Engelsche Kerk, de Nieuwverligten, de Quakers en de Duitsche Hervormden hebben ieder hunne begraafplaatsen buiten de Stad, en niet by hunne Kerken, schoon de eersten somtyds wel eens ene uitzondering hier van maken. De anderen begraven op hunne Kerkhoven, en de Hernhutters waar zy maar konnen. De Zwarten worden op ene zekere plaats buiten de Stad begraven.
Andere Openbare Gebouwen.
Ik ga nu over om van de overige openbare gebouwen te gewagen. Het Stadhuis, of het huis voor de Vergaderingen der Provincie, legt in het westen der Stad, is een schoon gebouw, dat het grootste sieraad van de Stad uitmaakt. Het heeft enen toren met ene klok. In het zelve komen de Afgevaardigden van het gewest gemeenlyk in October t’zamen, of wel dikwyler, indien het de nood vereischt, om over [20]’t algemene welzyn raad te plegen, en hunne kleine Parlemente of Ryksdagen te houden. Hier overzien zy de oude wetten, en maken des noods nieuwen.
Terzyde van dit gebouw staat de Boekery, die in ’t jaar 1742. eerst is aangelegd geworden, volgens een bestek van den Heer Franklin. Deze bewoog eerst de vermogendste lieden van de Stad om veertig Schellingen voor een begin te geven, en vervolgens jaarlyks tien Schellingen, om allerhande soorten van boeken te kopen. De Intekenaars hebben het regt de boeken te gebruiken. Anderen mogen ze ook voor enen zekeren tyd lenen, dog moeten een onderpand geven, en ’s weeks agt pence voor een folio, zes voor een quarto, en vier pence voor een kleinder boek betalen. Zodra de tyd dat men een boek houden mag om is, moet het ’er weder zyn, of men wordt beboet. Het geld dat op deze wys verzameld wordt, is geschikt om den Bibliothecarius te betalen en nieuwe boeken te kopen. Daar is reeds ene fraije verzameling van uitmuntende werken, meest Engelschen, verscheiden Franschen en Latynschen, dog weinigen in andere talen. De Intekenaars hadden de beleefdheid van den Bibliothecarius te bevelen my, zo lang ik hier zyn zoude, alle de boeken te lenen, die ik begeren zou, zonder enig geld ’er voor te nemen. De Boekery stond open alle zaterdagen ’snamiddags van vier tot agt uren. Behalven de boeken is ’er ene ruime verzameling van natuurlyke zeldzaamheden en van wiskundige en natuurkundige werktuigen. Verscheiden andere kleine boekeryen zyn ’er in de Stad aangelegd, op den zelven, of byna den zelven voet als deze.
Het Raadhuis15 staat in het midden van Marketstreet, ten westen der Markt. Het is een frai gebouw, met een klein torentje, waarin een klok is. Rondom en onder het zelve wordt eigenlyk de markt iedere week gehouden.
De Akademie staat in het westen der Stad. Het was voorheen, gelyk gemeld is, ene verzamelplaats voor de aanhangers van Whitefield; maar zy verkoften het in ’t jaar 1750. en het wierd tot ene Akademie, of liever tot een school geschikt. De jeugd wordt hier alleen in zulke dingen onderwezen, die zy by ons in de lage scholen leert; maar men denkt hier met den tyd zulke lessen te zullen geven, als eigenlyk aan ene Akademie passen.
Op het einde van den laatsten oorlog wierd hier op de zuidzyde der Stad aan de Rivier ene schans aangelegd, om den Franschen en Spaanschen Kapers het landen te beletten. Dog dit geschiedde niet dan na een hevigen twist. De Quakers verwierpen alle vestingwerken, als strydende met hunnen Godsdienst, die den Christen allen [21]kryg verbiedt, het zy aanvallenden of verwerenden, maar alleen wil dat men op God vertrouwen zal. Men wisselde verscheiden schriften voor en tegen. Dog de vyandlyke Kapers enige vaartuigen de Stad toebehorende hebbende weggenomen, vonden de meeste, zo niet alle de Quakers, het raadzaam de versterking, ten minsten door geld te schieten, te bevorderen.
Lugtsgesteldheid.
Onder alle de voordelen dezer Stad is hare aangename lugtgesteldheid het voornaamste. De Winter is niet zeer gestreng en tamelyk kort, en de Zomer niet te heet. Het land rondom brengt allerhande akkervrugten in grote menigte voort. De September en October zyn hier gelyk aan het begin van Augustus in Zweden, en de eerste dagen van Februari zyn veeltyds al zo aangenaam als het laatst van April en het begin van Mai in Zweden is. Zelfs zyn de koudste dagen in sommige Winters niet kouder dan de laatste herfstdagen in het midden van Zweden en het zuiden van Finland.
Philadelphia heeft schoon en helder water. Want schoon ’er in de Stad gene bronnen zyn, vindt men in ieder huis enen put, en op de straat zyn ’er ook verscheiden, die zeer goed water geven om te drinken, te wasschen, te koken, en voor ander gebruik. Gemeenlyk moet men veertig voet diep graven eer men water vindt. Het water der Dellaware is ook goed. Maar by het maken van putten begaat men dikwyls enen misslag, die het water op verscheiden plaatsen der Stad bederft. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben hier verder van te gewagen.
De Dellaware.
De Dellaware bevordert den Koophandel uitermate. Het is ene der grootste Rivieren van de Wereld.16 Zy is drie Eng. mylen breed aan haren mond, twee mylen voor de Stad Wilmington, en drie vierden van ene myl voor Philadelphia, het welk tusschen de negentig en de honderd mylen van Zee, of van de plaats waar zig de Dellaware in den zeeboezem van dien naam stort, aflegt. Egter is zy nergens minder dan vyf of zes vadem diep, dus de grote Schepen tot voor de Stad kunnen komen, en naast aan de brug op vyf vadem ankeren. Hier is het water niet meer brak. Dit maakt dat al de wormen, die op Zee aan het Schip gekomen zyn, en ’er gaten in gemaakt hebben, sterven of afvallen, zodra het hier enigen tyd gelegen heeft.
Het enige ongemak, waaraan de handel hier onderworpen is, is dat de Rivier alle Winters ene maand of meer toevriest. Gedurende [22]dien tyd is de vaart gestopt. Dit gebeurt niet te Boston, te New-York, en op andere plaatsen digter aan Zee.
De vloed doet zig zelfs nog dertig Eng. mylen boven de Stad te Trenton bemerken. Het verschil van hoog en laag water te Philadelphia is agt voet.
De watervallen, die by Trenton in de Dellaware en een weinig boven Philadelphia in de Skulkill zyn, maken die Rivieren meer landwaards in onbruikbaar om goederen naar of van Philadelphia te voeren. Men moet dan daartoe Wagens of Karren gebruiken. Men heeft al op middelen gedagt om beide die Rivieren, ten minsten voor grote Schuiten, vaarbaar te maken.
Scheepstimmerwerven.
Alle jaren worden ’er verscheiden Schepen gebouwd van Amerikaansch eikenhout op de werven, die in en nevens de Stad aangelegd zyn. Dog zy kunnen in deugd en duurzaamheid by die welken van Europisch eikenhout gebouwd zyn niet vergeleken worden.
De Stad dryft enen zwaren handel, zo wel met de Inwoonders van het Land, als naar andere gewesten, vooral op de West Indien, of Zuid Amerika, de Antilles, naar Engeland, Ierland, Portugal, en verscheidene Engelsche Volkplantingen in Noord Amerika. Dog gene andere dan Engelsche Schepen mogen in de Haven komen.
Koophandel.
Philadelphia trekt de grootste winst uit haren handel op de West Indien, waar heen de Inwoonders dagelyks ene menigte van meel, boter, vleesch, en andere eetwaren, timmerhout, planken, en diergelyken zenden. Daar tegen ontvangen zy suiker, syroop, rum, indigo, mahoganyhout, en andere waren, of baar geld. Het regte Mahoganyhout, ’t welk in Jamaika valt, is tegenwoordig meest al weg.
Naar Engeland worden ten dele waren die in de West Indien vallen, ten dele die het Land voortbrengt, gezonden. Tot de laatsten behoren allerlei hout, inzonderheid zwart walnotenhout, en eiken planken voor den Scheepsbouw, gehele hier gebouwde Schepen, yzer, pelteryen, en teer. De teer word eigenlyk te New-Jersey gemaakt, zo dat de bosschen in dat gewest meest weg zyn. Eindelyk zendt men ook veel baar geld naar Engeland. Hier voor krygt men daar van daan allerlei daar gemaakte goederen, fyne en grove lakens, linnens, yzer- en ander metalenwerken, en Oost Indische waren. Want men moet aanmerken dat Engeland Philadelphia van byna alle de handwerken en stoffen voorziet, die daar gebruikt worden.
Naar Ierland gaat jaarlyks een grote menigte van lynzaad, te gelyk met verscheiden hier gebouwde Schepen. Portugal trekt koorn, meel en ongemaalde mais. Spanje ook enig koorn. Maar [23]al het geld dat men uit die landen krygt moet ten eersten naar Engeland ter betaling der waren die men van daar trekt, en die veel meer bedragen dan dit geld.
Dog om te nauwkeuriger te tonen wat de Stad en het gantsche Landschap jaarlyks uit Engeland ontvangen heeft, zal ik hier een getrouw uittreksel uit de Engelsche Tolboeken invoegen, dat ik van den Ingenieur Lewis Evans te Philadelphia gekregen heb. Deze Heer had iemant zyner vrienden te Londen verzogt hem ene lyst te zenden van alles wat in verscheiden jaren uit Engeland naar Pensylvanie gezonden was. Hy kreeg die lyst, en schoon de waren ’er niet op waren uitgedrukt, is derzelver waarde in geld berekend. Diergelyke uittreksels uit de Tolboeken heeft men voor alle de Amerikaansche Provincien gemaakt, om daardoor het Parlement in Engeland te overtuigen, dat deze gewesten meer waren uit het Ryk getrokken hebben, sedert zy hun geld in briefjes veranderd hebben.
Ik heb het uittreksel uit het oorspronglyke zelf afgeschreven. Alleen moet men daarop aanmerken, dat het met Kersmis van het jaar 1722. begint en eindigt om dien zelven tyd in 1747. Deze tafel begrypt de waren niet die jaarlyks, in grote menigte, uit Schotland en Ierland naar Pensylvanie gezonden worden, waaronder byzonderlyk veel linnen is.
✳ ✳ ✳ ✳
✳ ✳ ✳
✳ ✳
✳
[24]