1 Lumbrici. De Ridder Linnæus heeft dezen Worm beschreven in zyne Westgothische Reisbeschryving Bl. 109. en in zyne Fauna Suecica No. 1279. afgebeeld. 

2 Deze gedagte heeft ook de Heer Buffon bevestigd in zyne Histoire Naturelle

3 In de Hoogduitsche Uitgaaf vindt men die aanmerkingen hier en daar verspreid. Wy hebben, op het voetspoor van den Engelschen Vertaalder, het gevoeglyker gedagt, dezelve hier by malkander te geven. 

4 Gulfweed. 

5 Nervi longitudinales. 

6 Zie de Uitgezogte Verhandelingen. 2. D. bl. 576. 

7 De Italianen noemen dezen Visch Porcopesce, waarvan daan de Engelschen Porpesse, en de Duitschers Purpoisen gemaakt hebben. De meeste volken van Europa noemen hem Zeezwyn. In de Duitsche Zee heet hy Schwein, by de Hollanders Zeevarken of Bruinvisch; by de Zweden, Denen en Noorwegers, Marsuin, waarvan de Franschen Marsouin gemaakt hebben. De Yslanders noemen hem Suinhual, dat is Zwynwalvisch. De Sklavonische volken zeggen Swinia Morskaya. Of deze algemene benaming daar van daan komt dat hy in ’t zand der Zee wroet om Zandwormen en ander aas te vinden gelyk het Varken, dan om dat hy zo spekagtig is, is onzeker. F. 

8 De Heer Kalm vergist zig zekerlyk als hy den Bottlenose, den Bottelneus, tot het geslagt der Bruinvisschen brengt. Hy heeft geen tanden, gelyk alle die tot dat geslagt behoren hebben. En derhalven hoort hy onder de Walvisschen van het eerste of tandeloze soort. Zie Pennant’s British Zoology vol. 3. p. 40. Misschien zou men hem gevoeglyk noemen de Balæna ampullata. F. 

9 Hierover kan men nazien de Uitgezogte Verhandelingen D. 6. Bl. 405, en D. 7. bl. 106. en 255. 

10 Dit is niet al te wysgerig uitgedrukt. Geen steen trekt het vogt uit de lugt tot zig, ten zy bezwangerd met zoutdeeltjes. Maar als de steen kouder is dan de lugt, verdikt hy het vocht van de lugt op zyn oppervlakte. De pooragtige stenen slorpen het vogt terstonds in, maar zy die geslotener zyn, gelyk het marmer, behouden ’t op hun oppervlakte, totdat het door uitwaasseming verdwynt. F. 

11 Cupressus thyoides Linn. 

12 Evenwel gebruikt men nu, meer dan twintig jaar na dat dit geschreven is, dit hout in Pensylvanie, en heeft ’er genoeg van om het naar de West Indische Eilanden uittevoeren. F. 

13 Newlights. 

14 Meetings. 

15 The Court-House. 

16 Hier schynt de Schryver om verscheiden Rivieren die veel groter zyn niet te denken. F. 

17 Muscicapa Carolinensis. Linn. 

18 Linn. Platanus Occidentalis. Catesby Nat. Hist. of Carolina, vol. 1. p. 56. t. 56. 

19 Diospyros Virginiana Linn. Spec. plant. 

20 Linnæus gewaagt maar van een soort van Nyssa, namelyk de Nyssa aquatica. De Heer Kalm noemt den naam niet van het soort. Maar indien de zyne niet een verschillend soort is, moet het ten minsten ene verscheidenheid zyn; dewyl deze, volgens hem, op de bergen, en de aquatica in ’t water groeit. 

21 Is dit de Juglans Baccata van Linnæus? F. 

22 Dit soort vindt men niet in Linnæi Spec. Plant. F. 

23 Juglans nigra. 

24 In Miller’s Tuinwoordeboek hiet zy Ketmia Indica, folio ficus, fructu pentagono recurvo esculento, graciliori & longiori

25 Capsicum annuum Linn. 

26 Rhus glabra, of Rhus foliis pinnatis serratis lanceolatis, utrimque nudis

27 Linnæus noemt hem Rhus Vernix Spec. Plant. 

28 Rhus radicans Linn. Spec. Pl. 

29 Nitrum Chrystallus montana Linn. Syst. Nat. Chrystallus hexagona, pellucida, non colorata. Waller. Mineral. Crystallus montana, colourless crystal. Forster’s Introd. to Mineralogy p. 13. 

30 Pyrites cubicus. Marchasitæ hexaedricæ tesselares. Waller. Mineral. p. 211. Pyrites crystallinus Linn. Syst. Nat. Marcasitæ vel crystalli pyritacei, Marcasites. Forster’s Introd. to Mineral. p. 39. 

31 Of Moskovisch glas, Mica membranacea by Linn. Syst. Nat. V. 3. p. 58. Mica membranacea pellucidissima flexilis alba, by Wallerius Min. p. 120. Vitrum Ruthenicum, vitrum Mariæ by Forster Intr. to Min. p. 18. 

32 Dit is bevestigd geworden sedert dat Kaap Breton in de handen der Engelschen is. Men zegt dat de beddingen der Kolen het gantsche Eiland doorlopen; zo dat men hiervan daan enen groten overvloed zou kunnen krygen, indien de Regering het oorbaar agtte ze te laten graven. F. 

33 Rubus occidentalis Linn. 

34 Phytolacca decandra. Linn. Syst. Nat. 

35 Groundsquirrel, by de Engelschen; Sciurus striatus by Linn. Syst. Nat. 

36 Sciurus cinereus Linn. Syst. Nat. 

37 Ursus cauda elongata, in de Verhand. van 1747. Ursus lotor in ’t Syst. Nat. 

38 Anemone Hepatica. Linn. Fl. Suec. 

39 Viola martia Linn. Fl. Su. 

40 Perennes. 

41 Juniperus Virginiana Linn. Spec. Pl. 

42 Dit schynt een volksspreukje te zyn. Ook beweren sommige Reizigers dat de Beren niet verscheurende zyn. Dog dit kan men t’zamen overeenbrengen. In Europa heeft men drie soorten van Beren, een daarvan is verscheurend, de anderen leven van gras. De grote bruine Beren worden voor vleeschvretend gehouden, de zwarten niet. Zo ’er nu van beide de soorten in Noord Amerika zyn, kan men ligt de verhalen overeenbrengen. 

43 Plantago latifolia glabra. Linn. Fl. Suec. 

44 Chenopodium album, folio sinuato. 

45 Verbena communis flore excoeruleo. 

46 Quartzum hyalinum Linn. Syst. Nat. Quartzum pellucidum Waller. Min. 

47 Mimosa; Sensitiva

48 De Heer Forster tekent hier op aan: “In Zweden en het noorden van Duitschland worden zekere ronde holen in de Rivieren, wier bed steen- of rotsagtig is, door het draijen van het water op ene en de zelve plaats daarin gemaakt, Reuzepotten genoemd. Van deze holen vindt men ook gewaagd in Grosley’s New observations on Italy Vol. 1. p. 8. 

49 Hoe ver dit verstaan moet worden, kan men opmaken uit de Bekendmakingen gesteld aan ’t hoofd van ieder nieuw deel van de Philosophical Transactions F. 

50 Arum Virginicum. 

51 Deze wormen zyn de popjes van den Oestrus, of Paardevlieg, die hare eitjes in ’t hair van ’t vee legt. De eitjes zynde uitgekomen, maken de popjes grote holen, waarin zy blyven tot dat zy veranderen. In ’t zuiden van Rusland gebruikt men ten zelven einde een afkooksel van Veratrum of witten Nieswortel. F. 

52 Phytolacca decandra. 

53 Life everlasting. 

54 Foliis calycinis

55 De beenderen van Elefanten worden niet alleen in Rusland, maar ook in het Zwitsersche Canton Basel, in ’t gebied van den Markgraaf van Bareuth, en op andere plaatsen gevonden, gelyk men zien kan in de Protogæa van den beroemden Leibnitz. Onlangs heeft men digt by de Rivier de Ohio een groot getal van Elefants tanden en geraamtens ontdekt, en zeer grote kiezen, nog in hunne kaakbenen zittende, zyn in het Britsch Museum te zien. De Heer Littleton, Bisschop van Carlisle, heeft ook verscheiden tanden met de kaakbenen in het Museum der Koninglyke Maatschappy geplaatst, die uit Peru gekomen [61]waren. Op de Rivieren Khatunga en Indighirka in Siberie heeft men ene ontzaglyke menigte van Elefants tanden en beenderen gevonden, die daar door de sterke vorst voor bederf bewaard worden, terwyl in de korte zomers van maar enige weken daar weinig regen valt; dus deze tanden gemeenlyk zo frisch zyn, en in Rusland zo menigvuldig gebruikt worden als het gemene yvoor, aangezien ’er zo grote menigte van wordt aangevoerd. Sommigen van deze tanden zyn agt voeten lang, en wegen drie honderd ponden. Men heeft kiezen gevonden van negen duim middellyns. Maar de kiezen by de Ohio gevonden zyn nog aanmerkelyker, vermits derzelver toppen veel gelyken naar die van vleeschvretende dieren, daar die der Elefanten, welken tegenwoordig van gras leven, gantsch andere toppen hebben. Livius, ’t is waar, maakt een onderscheid tusschen Afrikaansche en Asiatische Elefanten, en merkt aan dat de eersten kleinder zyn dan de laatsten; dog men heeft nimmer onderzogt of de tanden van die twee soorten zo veel verschillen. Dit verschil tusschen de gegraven Elefants kiezen en die welken men in de Elefanten vindt, zo wel als de plaatsen waar die geraamtens gevonden worden, als Siberie, Duitschland en Amerika, waar tegenswoordig gene Elefanten zyn, dit alles opent een wyd veld voor gissingen naar de wys hoe deze dieren op die plaatsen gekomen zyn, waar men nu hunne geraamtens ontmoet. Misschien heeft de Zondvloed hunne lyken derwaards gevoerd. Ook is het strydig nog met de reden, nog met de geschiedenissen, nog met de openbaring, te geloven, dat deze geraamtens overblyfsels zyn van dieren, die op de aarde geleefd hebben voor de schepping, waarvan Moses gewaagt, de welke men kan aanzien als maar ene zekere verandering in de Schepselen, waardoor ze bekwaam gemaakt wierden voor hunnen tegenswoordigen staat, waarin zy zullen blyven tot dat de omstandigheden ene nieuwe verandering vorderen zullen. En dan zal onze aardbol door ene nieuwe schepping of omkering geschikter worden gemaakt voor zynen nieuwen toestand, en bevolkt met nieuwe soorten van dieren, geschikt naar dien toestand. Ieder, die gewoon is natedenken, zal vinden dat dit bestek een zeer verheven denkbeeld geeft van den Schepper, en zyne huishouding met de Schepselen. F. Wy wvzen nopens dit onderwerp onzen Lezer naar een frai stukje te vinden in de Nieuwe Vaderlandsche Letteroeffeningen 3. Deel. bl. 7, van ’t Mengelwerk

56 Acer Saccharinum, foliis quinque partito-palmatis acuminato-dentatis Linn. Sp. Pl. 

57 Laurus Sassafras Linn. In de Uitgezogte Verhandelingen 7. D. bl. 364. vindt men enige waarnemingen omtrent dien boom. 

58 In de Reis van den Heer Osbeck naar China 1. D. wordt in ene aanmerking ene beschryving gegeven van dit soort van land, ’t welk de Zweden Swedjeland noemen; waar aangemerkt wordt, dat de bomen, dus verbrand zynde, derzelver asch ene mist oplevert genoegzaam voor drie jaren, waarna men het land weer woest laat leggen, tot dat, twintig of meer jaren daaraan, een nieuw gewas van bomen tot tamelyke hoogte gekomen is, welken de boeren dan weder verbranden, en het land op nieuws drie jaren bebouwen. F. 

59 Picus pileatus Linn. 

60 De geleerde Dr. Wallerius, in zyne Mineralog. §. 8. in de aantekening op het woord Humus communis atra, zegt, dat sommigen van mening [68]zyn, dat de mulle tuinaarde van onzen aardkloot by trappen vergroot wordt door het jaarlyksch rotten der planten, byzonderlyk op zulke plaatsen die sedert den Zondvloed onbebouwd gelegen hebben, en dat dus in honderd jaar een halve duim van tuinaarde wierd voortgebragt. Dog hy merkt te gelyk aan, dat deze waarneming niet juist is, dewyl die aarde gemeenlyk niet dieper is dan een voet, en ’er sedert den Zondvloed meer dan 2400. jaren voorby zyn, ja zelfs, volgens de Tydrekening der H. Schrift, meer dan 4000. jaren. Behalven dat merkt hy aan, dat de mulle aarde altyd hoe langer hoe gepakter wordt waar zy bedekt legt voor sneeuw en regen; en waar zy bloot legt voor den regen wordt zy naar lager plaatsen gevoerd, en gevolglyk wast zy aan of neemt zy af naar de gelegenheid der plaatsen. Nog meer. De gewassen komen het best voort daar deze aarde gevonden wordt. Maar, dewyl ’er gewassen over den gehelen aardbodem geweest zyn reeds sedert den Zondvloed, moeten zy overal ene mulle aarde gehad hebben om in te groeyen. Gevolgelyk is het zeer waarschynlyk dat ’er zulk ene mulle aarde geweest moet zyn van den eersten oorsprong van den aardkloot af. Daar zyn nog andere redenen die my doen twyffelen aan het toenemen van deze vrugtbare aarde. In Rusland aan deze zyde der Volga, leggen hoge en ruim uitgestrekte vlaktens, welken genoegzaam van den Zondvloed af onbebouwd gelegen hebben. Want wy weten uit de Geschiedenissen dat de Scythen, de Sarmaten, de Hunnen en de Mogols, na malkanderen, in ’t bezit van die landen geweest zyn, welken allen wandelende volken geweest zyn, die genen akkerbouw oeffenden. Het land is sedert onheuglyke tyden zonder hout geweest, en ’er kan ook geen hout wassen, om dat de zwervende Inwoonders alle voorjaren het droge gras in brand steken, het welk ik in ’t laatst van Mai gevonden heb dat tot myn middel reikte. Nu, deze grote woeste landen zag ik overal bedekt met ten minsten twee voet tuinaarde, ja, op sommige plaatsen vier voet. Dan, volgens de voorgaande rekening van enen halven duim ieder honderd jaar, zou dit, in ’t eerste geval als ’er twee voet mulle aarde was, 4800. jaar, en in ’t twede als ’er vier voet was, 9600. jaar geven. Hieruit blykt dat deze veronderstelling van den aanwas der mulle vette aarde op genen goeden grond steunt. De scheikundige ontbinding der planten wyst aan, dat zy bestaan uit water, aarde, een zuur en een alkalisch zout, olie, en een ontvlambaar beginsel, onafhangelyk van de olie. Deze stoffen moeten ieder jaar in de nieuwe planten indringen, om hare zelfstandigheid uittemaken, en worden, als ware het, tot nieuwe planten herschapen, na dat ze vry geraakt zyn van ’t lichaam der plant van het voorgaande jaar, ’t zy door verrotting, ’t zy door het verbranden derzelver. De vette mulle aarde, scheikundig onderzogt, heeft dezelve eigenschappen. Een zuur zout en een brandbaar beginsel zyn overvloedig in de lugt, en kunnen dus gemakkelyk aan de mulle aarde teruggegeven worden, en dus in de nieuwe planten komen. Het water komt insgelyks van den regen en de sneeuw uit den dampkring; alkalische en oliagtige deeltjes, of een soort van zeep, alleen ontbreken ’er nog aan; welken, wanneer zy, gevoegd by de voorgaanden, aan ene mulle aarde worden medegedeeld, ene zeer goede tuinaarde zullen voortbrengen. Nu, deze beginsels worden voortgebragt uit verrotting [69]of verbranding van groeibare of dierlyke zelfsstandigheden, en zyn de grote bevorderaars der groeying.

Maar de grote vraag is, van waar deze voor de groeying zo noodzakelyke beginsels oorspronglyk gekomen zyn. Te zeggen, dat zy van verrotte planten gekomen zyn, is de zelve vraag op nieuws te doen. Daar is dan niets op, dan te stellen dat zy oorspronglyk van den groten Schepper van het Heelal zyn voortgebragt, en met die eigenschappen voorzien, welken hen bekwaam maken om door verschillende mengingen nieuwe lichamen voort te brengen. En wanneer zy door de vogtigheid in de zaden der planten worden ingebragt, ontzwagtelen zy de zaadtjes, en brengen een nieuw wezen voort, bekwaam om de dierlyke schepping te voeden. ’T is klaar, dat de Heer Kalm zag op de gemelde mening van het toenemen der mulle tuinaarde; en dit gaf my gelegenheid om deze grote vraag, waarvan de Landbouw, de nuttigste der konsten, zo zeer afhangt, eens voortestellen. F. 

61 Hedera quinquefolia Linn. Sp. Pl. 

62 Liquidambar Styraciflua Linn. 

63 Nasturtium hortense. 

64 Wormseed. 

65 Jerusalem Oak. 

66 Acer rubrum. 

67 Curled Mapple by de Engelschen

68 Prunus Virginiana Linn. Sp. Pl. 

69 By Tournefort

70 Spanish Needles. 

71 Formica rubra, antenna longitudine corporis, Linn. Faun. Su. 

72 Gelyk de Oesterschelpen een dierlyk voortbrengsel van de zee zyn, en derzelver holtens vol van deeltjes van zeewater, vervliegt wel het nat, dog het zout blyft over. Als nu de schelp verbrand en de kalk gebluscht wordt, vermengt zig het zout met den kalk, en hoe droog ook het geen niet zulken kalk gemetseld is wordt, trekken egter altyd de zoutdeeltjes de vogtigheid der lugt aan en veroorzaken het zweten der muren. F. 

73 Hoe zorgvuldig ook de Heer Kalm ware om dit gedierte het verspreiden te beletten, verzekert ons egter de Heer Linnæus in zyn Syst. Nat. dat de zuidelyke delen van Europa alreeds ’er van besmet zyn. Scopoli spreekt ’er van onder zyne Insecta Carniolica p. 63. en Geoffroy heeft ’er in zyne Insectes de Paris Vol. 1. p. 267. t. 4. t. 9. ene afbeelding van gegeven. F. 

74 Diss. de Noxa Insectorum. Amoen. Acad. Vol. 3. p. 347.