Vee.

Al het vee dat men hier kweekt is oorspronglyk uit Europa. De [47]Wilden hadden noit enig vee; en nog geven zy ’er niet om. Ook veraardt het vee hier allengskens, en wordt kleiner. De ossen, paarden, schapen en varkens zyn in Engeland groter; en ’t zyn dezen evenwel die herwaards zyn overgebragt. Het eerste geslagt neemt een weinig af, en het derde of vierde is reeds van die grootte welke hier het vee gemeenlyk heeft. De lugtsgesteldheid, de grond en het voedzel zullen hier elk het zyne te zamen toe doen.

Vroegtydigheid der Inboorlingen.

Het is ook aanmerkelyk, het geen men eenparig van de Inboorlingen des Lands zegt, namelyk dat zy gemeenlyk eerder tot hunne rype jaren komen, eerder verstand krygen, dog ook eerder oud worden, dan in Europa. Het is hier niet zeldzaam kleine kinderen te zien, die op de gedane vragen zo levendige en aardige antwoorden weten te geven, dat men ’er niet genoeg over kan verwonderd staan, ja zo als of zy oude menschen waren. Dog zy komen noit tot de jaren waartoe de Europeanen wel geraken. En ’er is hier geen voorbeeld dat een inboorling tagtig of negentig jaar bereikt heeft. Dog ik spreek alleen van zulken die uit Europa oorspronglyk zyn; want de Wilden, of de eerste inwoonders van het land, worden dikwyls zeer oud. Maar dit is tegenwoordig onder hen ook zeldzamer dan voor dezen. Men kan het sterk brandewyn drinken, dat zy van de Europeanen geleerd hebben, als ene hoofdoorzaak hier van aanmerken. Die in Europa geboren zynde, zig hier nedergezet hebben, bereiken ook gemeenlyk hogere jaren, dan die van Europische Ouders hier te lande geboren zyn. In den laatsten oorlog heeft men ook ondervonden, dat de menschen in Amerika geboren zo wel de ongemakken van den oorlog, by belegeringen en lange togten, niet uithouden als die uit Europa komen, maar in menigte sterven. Zy kunnen zig aan gene vreemde lugtstreek gewennen. De Vrouwen houden hier ook vroeger op te baren als in Europa, na haar veertigste of vyfenveertigste jaar zyn zy gemeenlyk niet meer vrugtbaar, en sommigen reeds na haar dertigste. Ik vernam naar de oorzaak hiervan, dog men wist ’er de ware niet van aantewyzen. Enigen schreven dit toe aan den overvloed dien men hier heeft. Anderen aan de onbestendigheid van het weder, gelovende dat ’er bezwaarlyk een land in de wereld te vinden is daar het weder op denzelven dag zo dikwyls verandert als hier. Op de zwaarste hette volgt somtyds binnen weinige uren ene gevoelige koude. Ja, het weder verandert den zelven dag dikwyls vier, vyf en zesmalen.

En der bomen.

Met de bomen is het hier even eens als met de menschen gelegen. De Schepen van Amerikaansch hout gebouwd zyn niet te vergelyken met die welken in Europa getimmerd worden. Dit erkent men eenparig. Een schip hier gebouwd deugt niet veel meer zo dra ’t een jaar of twaalf oud is; en vindt men ’er een ouder dat nog bruikbaar is, zo word het voor een wonder gehouden. [48]Het is niet gemakkelyk de reden hiervan uittevinden. Enigen gaven de schuld hier van aan het hout, anderen aan de manier van bouwen, om dat men zig hier meest van nieuw gehakt hout bedient, dat nog niet volkomen droog is. Ik denk dat beide deze oorzaken t’zamenlopen, want ik vond eikebomen, die op zyn best twaalf jaren gehakt waren geweest, welken met enen harden bast overtrokken waren, onder den welken het hout byna verrot en tot een meel geworden was, zo dat men ’t tusschen de vingers tot poeder wryven kon. Hoe lang daarentegen duren onze eiken stammen niet eer zy vermolmen?

Des avonds keerden wy naar Philadelphia terug.

Hazen.

Hazen zyn ’er eigenlyk in dit land niet, maar wel een soort van dieren, die tusschen onze Hazen en de Konynen een middelsoort zyn, en in de kool- en raaplanden ene schrikkelyke verwoesting aanregten.

Waarom vele planten hier zo laat bloeijen.

Velen hebben zig verwonderd, dat de planten, die uit Noord Amerika naar Europa gevoerd en daar geplant worden, grotendeels zo laat bloeijen, en zelden rype vrugten voortbrengen voor dat de vorst ze overvalt, daar het uit de Reisbeschryvingen bekend is, dat in Pensylvanie, en nog meer in New York, in Nieuw Engeland en in Kanada, de winters wel zo gestreng als in Zweden, en gestrenger dan in ’t Europisch Engeland zyn. Het wierd my door verscheiden verstandige lieden opgelegd dit te onderzoeken; maar in plaats van te antwoorden, wil ik hier enige aanmerkingen opgeven, die ik over de lugtstreek en de gewassen van Noord Amerika gemaakt heb, en het mynen Lezer overlaten zelf daar gevolgen uittetrekken.

Het is waar, dat de winter in Pensylvanie, en nog meer in de noordelyker Landschappen, al zo gestreng als in Zweden, en bygevolg veel kouder dan in Engeland en de zuidelyker landen van Europa is. Ik vond dat in Pensylvanie, het welk nog meer dan twintig graden zuidelyker legt dan verscheiden landschappen van Zweden, de Thermometer van den Heer Celsius des winters tot op 24. gr. onder het punt van vorst viel; en die winter was, zo als men my verzekerde, niet buitengewoon koud. Dit konde ik daaruit ook opmaken, dat de Dellaware, ten tyde ik daar was, niet zo sterk toevroor dat men ’er te Philadelphia over ryden kon, het welk dikwyls genoeg gebeurt. Als men nu de breedte van de Rivier overweegt, en dat het gewoonlyk verschil van eb en vloed daar agt voeten bedraagt, zal men ligt beseffen, dat ’er een gestrenge vorst vereischt moet worden om de Dellaware met zo sterk een ys te bedekken.

Dog het is te gelyk waar, dat, zo de winters hier somtyds hard zyn, zy niet lang duren. Men kan zeggen dat zy in Pensylvanie [49]zelden meer dan twee maanden, en somtyds niet boven ene maand aanhouden; want het is iets zeer ongewoons als zy drie maanden duren, en dan wordt het in de Koeranten als iets byzonders aangetekend. Digter by den Pool zyn de winters wat langer, en in de Noordelykste delen zullen zy onze Zweedschen in lengte niets toegeven. De waarnemingen aangaande het weder, die ik in myn verblyf in Amerika dagelyks voor alle maanden gemaakt heb, en die ik hier agter zal invoegen, zullen hier meer ligts omtrent geven.

Des zomers is de hitte hier doorgaans zwaar en aanhoudend. Ik beken dat ik den Thermometer te Aobo byna zo hoog heb zien ryzen als in Pensylvanie, dog dit onderscheid was ’er in, dat, zo de Thermometer van Celsius in Finland in twee of drie jaren misschien eens tot den 30. gr. boven het vriespunt ryst, dezelve niet alleen in Pensylvanie, maar ook in New York, te Albany, en in een groot deel van Kanada, meest dagelyks, drie maanden lang, tot dien graad, zo nog niet hoger, stygt. Te Philadelphia is hy in de zomers, die ik daar heb doorgebragt, twee- of driemaal tot 36. gr. gestegen. Men kan dan zeggen dat in Pensylvanie een groot deel van April, Mai, en de volgende maanden tot October toe, aan de maanden van Juni en Juli in Zweden gelyk zyn. Ene zo sterke en aanhoudende hette moet noodzakelyk grote uitwerkingen voortbrengen. Aan deze doordringende en langdurige warmte moet men het ook toeschryven dat de gemene meloenen, de watermeloenen, en de pompoenen van velerlei soorten op het open veld gezaid worden, en zonder enige bedekking of glazen in Juli volkomen ryp zyn, dat de kerssen te Philadelphia den 25. Mai reeds goed zyn, en dat men dikwyls in Pensylvanie de weit in ’t midden van Juli mait.

De gantsche maand van September, en de halve maand van October, ofwel geheel October, maken in Pensylvanie het aangenaamste jaargetyde uit. De vroegere zomermaanden zyn al te heet. Dezen zyn gelyk in warmte aan onzen Juli en half Augustus. Ook staan in September de meeste gewassen in den besten bloei, en velen beginnen al diep in die maand eerst te bloeyen. En ik twyffel niet of dit onvergelyke jaargetyde, geholpen door enen helderen hemel en enen matiglyk warmen zonneschyn, doet hier veel toe. Maar schoon de gewassen zo laat eerst beginnen, krygen zy dog hunne volkomenheid voor dat het grootste deel van October verlopen is. Dog waarom ze zo laat in den herfst eerst voortkomen, is iets dat ik niet kan beantwoorden, en vraag veel liever, waarom bloeyen de Centaurea Jacea, de Gentiana, de Amarella en het Centaureum van Linnæus in Zweden eerst op het laatst van den zomer? Waarom vertonen [50]het Leverkruid,38 de violier,39 het Daphne Mezereum, en andere planten zig reeds in de lente in allen haren luister? Het heeft den Schepper van alle dingen behaagd de zaak dus vast te stellen. Wat weder het te Philadelphia in die maanden is, kunnen myne waarnemingen aanwyzen. Ik heb omtrent dezelven alle zorgvuldigheid aangewend, en, zoveel ik kon, vermyd, den Thermometer op zulke plaatsen te hangen, waar hem de zonnestralen of lynregt of door weeromkaatsing verwarmen konden.

Daar zyn nog in Pensylvanie onder de wilde gewassen enigen, die niet alle jaren hun zaad tot rypheid brengen voor dat de koude invalt. Hiertoe behoren enige soorten van de Gentiana, van Asteres en anderen. Dog de wysheid des Scheppers heeft het een naar het ander geschikt. Byna alle die gewassen welken de eigenschap hebben van zo laat hunne bloemen voort te brengen zyn overblyvende,40 of zulken die by gebrek van zaad door uitspruitsels kunnen voortgeplant worden. Veelligt kan men egter van deze vertraging in de planten ene natuurlyke oorzaak opgeven. Voor dat de Europeanen herwaards kwamen werd het Land door wilde volken bewoond, die geen of weinig land bebouwden, dog zig voornamelyk van de jagt en de visschery geneerden. De bosschen wierden dan niet aangeraakt; alleen verteerde het vuur, by toeval in de wouden ontstoken, ’er een gedeelte van. Ook vonden de eerste hier aanlandende Europeanen al het land met zware bosschen bedekt. Hieruit volgt, dat, als men de grote bomen, en de gewassen die in of aan ’t water staan, uitzondert, de overigen merendeels enige duizend jaren lang in de schaduw, onder of tusschen ’t geboomte hebben moeten groeyen, en dit maakt dat zy natuurlyk tot die behoren welken boschryke en schaduwagtige oorden vereischen. Nu laten de bomen hier in den herfst hunne bladeren in zulk ene menigte vallen, dat zy den grond onder zig vier of vyf duim dik bedekken. Dit loof blyft tot diep in den volgenden zomer leggen eer het vergaat. Het moet dan de planten, die onder het zelve wassen, zeer vertragen. Daarby berooft het ze van die weinige zonnestralen, welken ’t geboomte nog doorlaat. Deze omstandigheden t’zamengenomen maken dat de gewassen veel later bloeyen, dan zy anders doen zouden. En zou men niet zeggen konnen, dat zy op deze wys de hebbelykheid aangenomen hebben van zo laat voort te komen, zo dat zy nu enen langen tyd nodig hebben om zig te gewennen spoediger te groeyen? [51]

Den 24. Sept. bragten wy door met planten te verzamelen, en de zeldzaamsten in het Kruidboek te leggen.

Versteend hout.

Den 25. schonk my de Heer Hesselius een klein stuk versteend hout, dat men hier in den grond gevonden had. Het was vier duimen lang, enen duim breed, en drie lynen dik. Men kon zeer duidelyk zien dat het voorheen hout geweest was, want daar men het glad gemaakt had kon men alle de langwerpige draden onderkennen, zo dat het scheen een glad gesneden stuk eiken hout te wezen. Het was een stuk van enen groteren brok. Men hield het hier voor een stuk Hikory. Ik kreeg naderhand van anderen meer daar van. De Heer Lewis Evans verhaalde my, dat men op de grenzen van Virginie in den grond een groot blok van versteenden Hikory gevonden had, waaraan men de schors nog onderkennen konde, die egter ook steen geworden was.

De Heer J. Bartram.

De Heer John Bartram is een Engelschman die omtrent vier Eng. mylen van Philadelphia op het land woont. Hy is zeer ervaren in de Natuurkunde en de Natuurlyke Historie, en schynt voor die wetenschappen regt geboren te zyn. In zyne jeugd heeft hy gene gelegenheid gehad van regelmatig te studeren. Maar door zyne vlyt en enen onvermoeiden arbeid is hy, zonder vreemde wegwyzing, zo ver in het Latyn gekomen, dat hy al de boeken in die taal lezen en verstaan kan, zelfs die waarin men veel kruidkundige konstwoorden vindt. Hy heeft gedurende verscheiden jaren dan naar het ene nu naar het andere gewest van Amerika gereisd, alleen met inzigt om allerlei weinig bekende planten te verzamelen. Hy heeft ’er sommigen van in zynen tuin geplant, en vele zaden of frissche wortels naar Engeland gezonden. Men is hem voor de kennis aan verscheiden’ der zeldzaamste gewassen verpligt, die hy het eerst gevonden heeft. Dog men kan hem van traagheid en nalatigheid beschuldigen, daar hy verzuimd heeft zyne velerhande en aanmerkelyke waarnemingen op ’t papier te brengen. Zyne vrienden te Londen verzogten hem eens hun een kort begrip zyner reizen toe te zenden, en zy waren, ’t is waar, met een goed oogmerk, dog met geen genoegzame omzigtigheid, zeer haastig om het afgedwongene handschrift ter drukpers te bezorgen. Daardoor benadeelden zy den Man merkelyk, want, daar hy niet houdt van het geen hy weet aantetekenen, vond men zyn werk mager in nieuwe ontdekkingen. Dog men zou hem groot ongelyk doen hem hiernaar te beoordelen. Hy heeft in dat werk niet het duizendste deel van het geen hy weet, vooral aangaande Noord Amerika, gezet. Ik ben hem zeer verpligt; want hy bezat de pryslyke eigenschap van het geen hy wist anderen wel te willen mededelen. Ik wilde van hem gewagen, op dat men my niet mogt konden verwyten, dat ik my zelven had [52]willen toeeigenen het geen ik van hem geleerd heb, en zynen naam verzwygen.

Mosselen.

In de kleiputten, ten noordwesten der Stad, waaruit men aarde voor de tegelbakkery haalt en die thans vol water stonden, wierden vele Mosselen gevonden. Zy schenen daar door den vloed, langs een beekje dat in de putten komt, heen gevoerd te zyn, want deze putten zyn maar onlangs gemaakt. Somtyds gaan de arme jongens uit de Stad in het water om de mosselen te zoeken, waar voor zy kopers genoeg vinden, alzo zy voor ene lekkerny gehouden worden.

De Cratægus crus galli van Linnæus is een soort van Hagedoorn, en wordt, aan sommige oorden daar men de regte Hagedoorn niet heeft, voor hagen gebruikt. De bessen zyn rood, en hebben de grootte, den smaak en de gedaante als onze hagedoornbessen. Dog deze boom schynt niet de beste hagen te geven, want hy was zyn blad al kwyt, schoon de andere bomen nog allen groen waren. Anders heeft hy ontzaglyk lange doornen, van wel twee of drie duim. Men maakte ’er een gering gebruik van. Iedere bes heeft twee korrels.

De Eiken.

De Heer Bartram verzekerde my dat de Amerikaansche Eiken op ver na zo duurzaam niet zyn als de Europischen. Om die reden worden de Schuiten, die langs de Hudson Rivier de waren van de bovenlanden afvoeren, van twederlei hout gemaakt. Voor het deel dat altyd onder het water is neemt men den zwarten Eik; voor het andere dat nu onder dan boven ’t water is, en des te meer voor het vergaan bloot staat, gebruikt men den zogenaamden Roden Ceder,41 welks hout van byna alle de bomen des lands voor het duurzaamste gehouden wordt. De kiel maakt men deswegens van zwarten Eik, dewyl dit een tai hout is. Want daar de stroom zeer vol van stenen is, en de vaartuigen dikwyls stoten, geeft het eikenhout mede, en bekomt dus zo ligt geen scheuren. De Ceder zou daartoe niet deugen, om dat hy te hard is en ligt in stukken springen zou. Ook vergaat het eikenhout zo ligt niet als het altyd onder water blyft.

Peren.

Men kan hier in den herfst goede Peren kopen; dog men zeide overal dat die vrugt in dit Land niet wel slagen wilde.

De Ratelslang.

Al wat ik aangaande de Ratelslang by myn verblyf in Amerika heb opgemerkt, staat in de Verhandelingen van de Koninglyke Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor de jaren 1752. en 1753. werwaards ik den Lezer wyze.

Beren.

Beren worden ’er hoger op in het Land in tamelyke menigte gevonden, en doen dikwyls schade. De Heer Bartram verhaalde my, [53]dat als een Beer enen Os gevangen heeft, hy hem een gat in de huid byt, en daar zo lang met al zyn kragten inblaast, tot dat het beest geheel opzwelt en sterft, want de lugt zet zig tusschen het vleesch en ’t vel kragtig uit42. Een oude Zweed, een man van een en negentig jaren, vertelde dat in zyne kindschheid hier ongemeen veel Beren geweest zyn, dog zy deden het vee zelden schade. Als men ’er enen geschoten had leefde men met zyn vleesch als met dat van een zwyn. Het was zeer goed van smaak. Aan de Rivier Morris maakt men van het Berevleesch hammen. Tegenwoordig vindt men omstreeks Philadelphia en in geheel Pensylvanie weinig Beren, vermits zy allengskens uitgeroeid zyn. In Virginie doodt men ze op verscheidenerlei wyzen; en hun vleesch eten zo wel de Ryken als de Armen, om dat men denkt dat het ruim zo goed is als varkens vleesch. Op vele plaatsen van dat Landschap, waar men gene varkens houden kan, om dat ’er zoo veel Beren zyn, jaagt men op die dieren, om hun vleesch in plaats van varkens vleesch te gebruiken. Men wil dat de Amerikaansche Beren zo boosaardig en gevaarlyk niet zyn als de Europischen.

Weegbree.

Den 26. Sept. zagen wy het Weegbree43 in overvloed op de wegen, in de weiden en in de boomgaarden wassen. De Heer Bartram had deze plant op zyn reizen dikwyls aangetroffen. Egter wist hy niet of zy tot de Amerikaansche gewassen behoorde, dan of ze uit Europa overgebragt was. Deze twyffeling was daaruit by hem ontstaan, dat de Wilden, die van oudsher grote kennis hadden gehad van de gewassen des lands, beweerden, dat voor de komst der Europeanen deze plant in ’t land niet wies. Zy noemen haar daarom ook den Engelschmans voet; want daar de Europers heen gingen, zeggen zy, daar wies deze plant in zyne voetstappen.

Andere gewassen.

De Ganzevoet met uitgesneden bladeren44 stond rykelyk in de tuinen, dog zy was zeldzaam by de huizen, op de wegen, en koornvelden. Dit schynt te bewyzen, dat zy ook niet oorspronglyk uit Amerika is, maar met andere zaden uit Europa is overgevoerd. Het zelve denkt men van het Tanacetum vulgare, ’t welk hier en daar aan de hagen, op de wegen, en om de huizen wies. [54]

Het gemene Yzerkruid met blauwe bloemen45 wierd my door den Heer Bartram getoond, staande niet ver van zyn huis op ene vlakte by Philadelphia. Dit was de enige plaats waar het in Amerika te vinden is. En dus moet het te gelyk met andere zaden uit Europa zyn overgekomen.

Beddingen van aarde.

De Heer Bartram was voornemens een huis te Philadelphia te doen bouwen. Men was bezig met een kelder te graven. Ik bemerkte daar de volgende beddingen. De bovenste lugtige aarde was ene tuinaarde, maar enen halven voet dik, en donker bruin. Daar onder lag ene klei, sterk met een zeker zand vermengd, zo dat het meest zand was, ter diepte van agt voeten. Dit zag ’er steenkleur uit. Daarop volgden kleine keizelsteentjes, zo groot als een vingerlid, vermengd met grof zand. De stenen bestonden uit een deel donkeren en uit een deel helderen quarts,46 waren van buiten geheel glad en rond, en lagen een halve el hoog. Eindelyk kwam de met zand vermengde steenkleurige klei weer boven. Hoe diep deze reikte, kon men niet bepalen. Zoude ook de Rivier zig voorheen tot hier toe uitgestrekt en de beddingen gemaakt hebben?

Zeeschelpen in de aarde.

De Heer Bartram had niet alleen oesterschelpen in menigte op het veld gevonden, maar had ook mosselschalen en andere schelpen die ongetwyffeld tot de zee behoren, meer dan honderd Eng. mylen ver van de zee af aangetroffen. Zelfs had hy ze op de bergen waargenomen, die de Engelsche planteryen van de woonplaatsen der Wilden afscheiden.

De Blauwe Bergen.

Dit gebergte, by de Engelschen de Blauwe Bergen genoemd, is vry hoog en strekt zig in ene keten uit van het Noorden naar het Zuiden, of van Kanada naar Karolina. Op sommige plaatsen zyn openingen, die met voordagt schynen gemaakt te zyn, om aan de grote stromen uit de hoger landen enen doortogt te geven. De Heer Bartram verzekerde dat de lugt op deze bergen genoegzaam altyd kouder was dan in de dalen.

De Cassia Chamæcrista wies op de paden door de bosschen, en somtyds ook op onbebouwde akkers, vooral als zy met klein hout bezet waren. Haar blad gelykt veel naar die van sensitiva47, en heeft de zelve eigenschap, van zig op ’t aanroeren t’zamen te trekken.

De Krayen zyn hier weinig van de Zweedschen onderscheiden; dog haar geschreuw is zo grof niet, maar wat meer kirrende.

Reuzepotten.

Heer Bartram verhaalde, dat hy, op zyne reizen naar de noordelyke [55]Volkplantingen, by de Rivieren zekere holen in de bergen ontdekt had, welken, volgens zyne beschryving diergelyke Reuzepotten moeten geweest zyn, gelyk men in Zweden vindt, en ik ’er enigen van in de Verhandelingen der Koninglyke Maatschappy beschreven heb.48 Hy had over dit onderwerp enige brieven aan de Koninglyke Maatschappy geschreven. Enigen beweerden dat deze holen door de Wilden gemaakt waren, om in tyd van oorlog hun koorn en andere goederen te bergen. Dog dit gevoelen zogt hy te wederleggen. Volgens hem waren zy op deze wys ontstaan. Wanneer zig des winters het ys vastzet, blyven ’er vele keizelsteentjes inzitten. Als dan in de lente de sneuw smelt, zo zwelt het water in de Rivieren zo sterk, dat het hoger komt dan de plaatsen daar nu deze gaten gevonden worden. Het ys moet gevolgelyk ook zo hoog komen; en dan gebeurt het dikwyls dat enigen der keizelstenen, die in het ys vastgevroren waren, uit het ys zelve op den berg vallen, en daarna door het water in ene kloof of kleine ongelykheid van den grond gevoerd worden. Het water drait deze steentjes vervolgens in die kloven rond, en holt ze dus, allengskens hoe meer, uit. Het water slypt te gelyk, door zyne kringswyze beweging, den steen glad, en helpt het hol rond maken. ’T is zeker, dat door dit drayen en stoten de steen hiertoe op het laatst onbekwaam wordt; dog de stroom werpt alle voorjaren weder andere stenen in derzelver plaats, die even op de zelve weder rond gedraid worden. Het gene dus van de bergen of de stenen afgeslepen wordt is een meer of min grof zand, ’t welk door het water, wanneer het hoog staat, en zyne golven in de holen staat, weg gevoerd wordt. Dit waren de gedagten van den Heer Bartram. De Londensche Maatschappy had dezelve goedgekeurd.49 De aanmerkingen, die ik by myn verblyf te Landfort in ’t jaar 1743. gemaakt heb, tonen dat ik toen van ’t zelve gevoelen was. Ik heb het zelve in enen brief aan de Koninglyke Maatschappy, die onder hare ongedrukte schriften bewaard wordt, verder ontwikkeld. Evenwel is ’er grote reden om te twyffelen of alle de holtens van dit soort op deze wys wel ontstaan zyn.

Moerbeziebomen.

Van de Moerbeziebomen treft men hier verscheiden soorten aan, die [56]in Noord en Zuid Amerika in de bosschen wassen. Hier zyn de roden zeer menigvuldig. De Heer Bartram verzekerde egter dat hy de witten ook in ’t veld gezien had, schoon zy zeldzamer zyn. Ik vroeg, waarom men hier gene zydefabrieken aanlag, daar hier de moerbeziebomen zo wel tierden; dog het antwoord was dat de daglonen ’er te duur toe waren. Een manspersoon wint dagelyks drie Eng. schellingen en meer, en de vrouwlieden winnen naar evenredigheid. Dus dagt men dat het telen van allerlei koorn, hennip en vlas, beter betaald werd, en zo veel oppassens niet vorderde als het kweken van zydewormen. Dat evenwel de zydewormen hier wel voort willen, en dat deze moerbeziebomen zeer goed voor hun zyn, bleek uit de proeven door enen Gouverneur van Konnektikut, dat nog noordelyker dan New York legt, genomen. Deze fokte zo vele zydewormen aan, dat zy hem met zyn huisgezin van hunne zyde kleedden.

Wyngaarden.

Verscheiden soorten van Wyngaarden wassen hier ook. Zy omwinden op zeer vele plaatsen de bomen, zo dat zy ze byna geheel bedekken, en ’er aan de zyden by neer hangen. Dit maakt omtrent de zelve vertoning als wanneer by ons de hopranken tegens de bomen opklimmen. Ik vroeg ook, waarom men hier gene wynbergen aanleide en uit de wilde druiven wyn maakte, dog ik kreeg het zelve antwoord, als omtrent de zydefabrieken. De menschen willen te duur betaald zyn. Dus was het voordeliger zig op den akkerbouw boven al toeteleggen. Dog de voornaamste oorzaak is wel deze, dat de wyn, die uit de Amerikaansche druiven geperst wordt, zuur en scherp is, en in lang zo aangenaam niet smaakt als de Europische.

Het Arum.

De Virginische Kalfsvoet50 wast op natte plaatsen. De Heer Bartram verhaalde, dat de Wilden den steel der bloem en de bessen kookten, en als iets lekkers aten. Zo lang de bessen nog rood zyn zyn zy scherp en wreed, dog dit gaat ’er in het koken af.

Sarothra.

De Sarothra Gentianoides wast overvloedig buiten Philadelphia op de velden, onder ’t hout, in ene droge zandige aarde. Zy geleek onze blauwbessestruiken zeer wel als zy eerst beginnen groen te worden en de spitsen der bladeren nog rood zyn. De Heer Bartram had deze plant aan Doctor Dillenius gezonden, dog deze wist niet tot welk een soort hy ze brengen moest. Men wil dat zy wondhelend is, en dit heeft de Heer Bartram zelf ondervonden, toen hy, eens van ’t paard gevallen en daarvan geslagen zynde, de beide dyen zwaar gekneusd had. Hy kookte de Sarothra, en lag ze op de gekneusde plaatsen. De pyn, die in ’t eerst zeer heftig geweest was, verdween spoedig, en hy was binnen kort volkomen hersteld. [57]

Lorkeboom.

In het Kruidkundig Woordenboek van den Heer Miller gelezen hebbende, dat de Heer Peter Collinson in zynen hof enen Lorkeboom gehad had van een byzonder soort, die hem uit Amerika gezonden was, vroeg ik den Heer Bartram of die boom by hem bekend was. Hy antwoordde my, dat hy zelf dien boom aan den Heer Collinson gezonden had; dog dat hy in ’t oostelyke deel van Jersey in ’t wild groeide; dog dat hy hem anders nergens in de Engelsche Volkplantingen voorgekomen was. Hy is daarin van de andere Lorkebomen onderscheiden dat zyn zaadhuisjes veel kleinder zyn. Dog ik heb naderhand dezen boom in grote menigte in Kanada gezien.

Appelbomen.

De Heer Bartram dagt dat de Appelboom uit Europa herwaards overgevoerd was, dog hy hield de Persik voor ene Amerikaansche vrugt, die daar in ’t wild wast. Anderen daarentegen meenden dat de Europeanen ze mede gebragt hadden. Dog de Franschen in Kanada zeiden dat de Persiken in menigte omstreeks de Rivier de Missisippi in ’t wild gevonden wierden.

De Mispelboom.

De Persimon der Engelschen, Dyospyrus Virginiana by Linnæus, noemen de Zweden Mispelboom. Hy wast op de meeste vogtige plaatsen. Ik heb reeds boven gezegd dat de vrugten van dezen boom, eer dat ze volkomen ryp zyn, bitter en t’zamentrekkend waren, dog wanneer ze volkomen hare rypte hebben, het geen niet eer geschiedt dan wanneer de vorst ze aangedaan heeft, zyn zy zeer aangenaam om te eten. Men eet ze zeldzaam anders dan rauw. Dog uit een groot boek, behelzende ene beschryving van Virginie, onder het woord Persimon, kan men zien dat de Mispelen op meer dan ene wys bereid worden. De Heer Bartram verhaalde, dat men ze hier tot een schoteltje op het nageregt gebruikte, en dat ’er menschen waren die ’er enen zeer aangenamen wyn uit maakten. By hem waren ’er verscheiden op den grond gevallen, die door de zonnestralen byna ryp geworden waren. Wy proefden ’er enigen van, en ik moet bekennen, dat zy gelyk hebben die zeggen dat zy aangenaam zyn. Zy verdienen onder de smakelykste vrugten van dit land gerekend te worden, wanneer de vorst haar scherpte heeft weggenomen.

Wolkruid.

Het Verbascum Thapsus, of grote witte Wolkruid, staat overal in menigte, op de wegen, aan de tuinen, in droge gronden, op hoge weiden, die enen zandigen bodem hebben. De Zweden noemden het Tabak der Wilden; egter erkenden zy niet te weten of de Amerikanen dit kruid als Tabak gebruikten. De Zweden plegten in hete koortsen de bladeren ’er van om de armen en voeten der zieken te binden. Men maakte ook een thee van de bladen tegens den buikloop. Ook zeide my een Zweed, dat men den wortel in water [58]kookte, en het dan in de wonden van het vee spoot, dat vol van wormen was, waardoor de wormen stierven en ’er uit vielen.51

Het gras.

Den 28. Sept. hadden de tusschen de bosschen gelegen, afgemaide weilanden nog een levendig groen gras. In tegendeel op zulke weiden, die tegens de hoogtens, in ’t vlakke veld, en zeer voor de zonne bloot lagen, zag het gras ’er bruin en droog uit. Verscheiden menschen uit Virginie verhaalden my dat daar, wegens de grote hette, de weiden ’er meest altyd bruin en verbrand uit zagen. Dus heeft men daar het vermaak niet, gelyk in Europa, van de weiden met een schoon groen bekleed te zien.

Nagtschaduw.

De Amerikaansche Nachtschaduw52 wast overvloedig onder het geboomte en op kleine heuvelen. Hare zwarte bessen waren reeds ryp. Wy bemerkten dat kleine blauwe vogeltjes, van de grootte als onze Emberiza citrinella uit de bomen op de Nagtschaduw kwamen vliegen en hare bladeren aten.

Tegens den avond ging ik naar het Landgoed van den Heer Bartram.

Gnaphalium.

Het Gnaphalium margaritaceum staat in verbazende menigte op alle onbebouwde velden, heuvels, en anders. Men vind deze plant van verschillende langte naar mate van den grond. Somtyds heeft zy veel en somtyds weinig takken. De reuk is sterk dog lieflyk. De Engelschen noemen ze het Euwige leven,53 om dat hare bloemen, die grotendeels uit droge, glinsterende, zilveragtige blaadjes54 bestaan, niet veranderen als ze gedroogd worden. Deze plant was thans overal in haren vollen bloei; hoewel ’er waren die al hare bloemen verloren en begonnen hadden haar zaad te stroijen. De Engelsche vrouwen vergaderden veel van deze plant, plukten ze met den steel af, en zetteden ze, met andere schone bloemen, die zy van de velden of uit de tuinen hadden, in potten, tot een sieraad voor de kamers. In ’t algemeen waren zy daar zeer op gesteld van den gehelen zomer over, allerlei zo voor het oog als den reuk aangename bloemen onder of op den schoorsteen, ook wel op de tafel of in de vensterbanken te hebben. Het Gnaphalium hielden zy den winter in hare kamers over, om dat de bloemen [59]’er van niets veranderen. De Heer Bartram verhaalde my nog een ander gebruik van deze plant; te weten, men bedient zig van een afkooksel van de bloem en den steel, of van de plant zelve in enen zak gebonden, om ’er kneuzingen mede te bestryken.

Wilde hennip.

In plaats van vlas gebruiken vele menschen hier een soort van het Apocynum cannabinum van Linnæus. Men bereidde den steel gelyk het hennip en het vlas. Men spint het en weeft ’er allerlei goed van. Men wil dat de Wilden, van overoude tyden af, zakken, vischnetten, en diergelyke dingen ’er van gemaakt hebben.

Aanwas van het land.

Ik vroeg den Heer Bartram of hy ook opgemerkt had of de zee lager geworden was, en voorheen plaatsen bedekt had die nu land waren. Hy zeide my, dat naar zyne waarnemingen het grootste deel van dit Land, vele mylen ver, voorheen moest onder water gestaan hebben. De redenen voor dit gevoelen waren dezen.

I. In ’t graven op de Blauwe Bergen, die meer dan drie honderd Eng. mylen van de zee af zyn, had men hier en daar losse mossel-, oester- en andere schelpen gevonden; welken men insgelyks in de vallyen tusschen die bergen ontmoet.

II. Men vind daar ook in kalkstenen, vuurstenen en anderen, ene verbazende menigte van versteende mosselschelpen. Hy verzekerde dat het nauwlyks te geloven was hoe vele duizenden daarvan in de verschillende soorten van stenen, waaruit het gebergte bestond, zaten.

III. Even zulke schelpen graaft men geheel en onveranderd op in Virginie, Maryland, New York en Pensylvanie.

IV. By ’t graven naar wellen, niet alleen te Philadelphia, maar ook op andere plaatsen, ter diepte van agttien voeten, zyn stammen, wortelen van bomen, ja zelfs eikenbladeren, voor ’t groter deel nog onverrot gevonden.

V. De vetste en beste aarde legt hier in de dalen. Dezen worden gemeenlyk door enen kleinen stroom of ene beek doorsneden. Aan derzelver afdalende zyde ryst merendeels een berg, die, waar ’er het water tusschen door vliet, ’er uitziet, als of hy met voordagt zo doorgraven was. De vallyen waren, dagt de Heer Bartram, voorheen allen meren geweest, en het water had allengskens de bergen uitgehold, en ’er zig enen weg door gemaakt. De menigte van modder, dien men in ’t water vindt, en die eertyds op den grond van het meer gelegen had, was, naar zyn oordeel de aarde van de tegenwoordige landen, die zulk ene vrugtbaarheid bezit. Zulke dalen en doorgesneden’ bergen vindt men hier te lande zeer veel. Dusdanig is de zonderlinge opening tusschen twee bergen, door de welke een rivier op de grenzen van Pensylvanie en New York doorstroomt. Men zegt hier schertsgewyze, dat [60]de Duivel die opening gemaakt heeft om uit het ene landschap in het andere te komen.

VI. Men kan aan de Blauwe Bergen duidelyk bespeuren dat zy voorheen ten dele onder water zyn geweest, want velen van dezelven zyn op ene zonderlinge wys afgebroken, dog de hoogsten niet.

VII. Wanneer men de Wilden zegt dat ’er op deze hoge bergen mosselschelpen gevonden worden, en dat men daaruit opmaakt dat de zee voor dezen daarover heen gegaan heeft, antwoorden zy, dat dit hun niet verwonderbaar voorkomt, vermits ’er onder hun ene overlevering is, dat de zee in oude tyden rondom deze bergen gestaan heeft.

VIII. Het water in de Rivieren en de poelen neemt ook af. Molens, die zestien jaar geleden op de Rivieren gebouwd waren, en waters genoeg hadden, hebben nu zo weinig water dat zy niet malen konnen, ten zy na enen zwaren regen, of in ’t voorjaar als de sneuw smelt. Dit afnemen van het water komt daarvan daan, dat ’er thans zo veel land bebouwd wordt, en ’er zo vele bosschen zyn uitgeroeid.

IX. Het strand neemt ook jaarlyks toe. Dit komt van de grote menigte van zand, ’t welk de golven uit den bodem der zee op het strand werpen.

De Heer Bartram agtte dat het opmerking verdiende, dat de schelpen, die op de noordelyke gebergtens versteend gevonden worden, van een soort zyn diergelyken men in de zee op die Poolshoogte vindt, en niet gezien worden voor dat men in Zuid Karolina komt. Hierin meende hy grond te vinden om de mening van Dr. Thomas Burnet te verdedigen, dat namelyk de aarde voor den zondvloed ene andere neiging jegens de zon gehad heeft. Bewyzen dit ook niet, zeide hy, de zware beenderen, die men in Siberie vindt en voor Elefants beenderen houdt? Tegenwoordig kunnen die dieren in zulk een koud land niet in ’t leven blyven. Maar indien volgens Burnets stelling de zon voorheen gantsch anders ten opzigte der verscheiden landen van den aardbodem gestaan heeft, kan men ligt begrypen dat de Elefant in Siberie heeft geleefd.55 Egter [61]schynt het dat van dit alles verscheiden oorzaken kunnen worden opgegeven. Hiertoe behoort de algemene Zondvloed, de aanwas van land, het welk een zuiver werk van den tyd is, en de veranderingen in den loop der rivieren, die by het smelten der sneuw of in grote overstromingen hare oude beddingen verlaten en zig nieuwe maken.

Reuzepotten.

Op enigen afstand van het huis van den Heer Bartram loopt een beekje door het bosch, het welk over ene rots henen stroomt. Hier toonde my myne opmerkzame Geleider verscheidene kleine zo genaamde Reuzepotten. En wy konden duidelyk zien dat zy op die wys, welke ik boven beschreven heb, moeten ontstaan zyn. Want als wy de hand in die holen staken, bemerkten wy dat ’er vele keizelsteentjes inzaten, die van [62]buiten zo glad en rond waren als of ze gedraid waren. En diergelyke stenen vonden wy in elk gat.

Planten.

De Heer Bartram toonde my ene menigte van planten die hy in zyn kruidboek verzameld had. Onder dezelven waren de volgenden, die ook in de noordelyke delen van Europa wassen, van de welken hy of de gehele plant bewaard had, of alleen de takken.

De Betula alba, of de gemene Berkeboom.

De Betula nana, een soort van Berk, dat op lage plaatsen tegens de hoogtens aan wast.

Het Comarum palustre, of Watervyfvingerkruid, groeijende in de weiden tusschen de heuvelen in New Jersey.

De Gentiana lutea of de Gele Kruiswortel, voortkomende op de velden digt by de bergen. Hy gelykt veel naar den onzen, maar heeft zo veel bloemen niet onder elk blad.

De Linnæa borealis; deze wast op de bergen in Kanada. Zy kruipt langs den grond.

De Myrica Gale; omstreeks de Rivier Susquehanna op natte gronden.

De Potentilla fruticosa, wordende gevonden in moerassige streken en lage weiden tusschen de Dellaware en de Rivier van New York.

De Trientalis Europæa, wassende op de Catshills.

Het Triglochin maritimum, voortkomende by de zoute bronnen naar den kant van ’t Land der Vyf Volken.

Een Grafzerk ontdekt.

De Heer Bartram vertoonde my enen brief uit Oost Jersey, behelzenden het volgende verhaal van ene ontdekte Amerikaansche Begraafplaats. In April 1744. was men in het graven eens kelders op enen groten steen, gelyk aan een grafzerk, gekomen, welken men ten laatsten met veel moeite boven gehaald, en vier voeten dieper ene menigte van menschebeenderen en enen gehelen koek van mais gevonden had. De koek was nog onbeschadigd, zo dat verscheidenen der omstanders uit nieuwsgierigheid ’er van proefden. Uit deze omstandigheden besloot men, dat hier een aanzienlyk persoon uit de Wilden moest begraven wezen. Want zy zyn gewoon eetwaren en andere dingen, daar de overledenen zeer veel van gehouden heeft, met hem te begraven. De steen was agt voet lang, vier voet en enige duimen op de dikste plaatsen breed, en vyftien duim aan het ene en twaalf aan het andere einde dik. Hy bestond uit een grof soort van steen, dien men hier vindt. Daar waren gene letters nog karakters op te zien.

De Mais en Squashes.

Het graan dat de Wilden het meest bouwen is de Mais. Zy bebouwen ’er kleine velden mede. Buiten dat planten zy ook ene menigte van Squashes, een soort van pompoenen of meloenen, die zy al aangekweekt hebben voor dat de Europeanen in dit Land waren. De Europische [63]Amerikanen hebben ze ook in hunne tuinen geplant, die ’er nu vol van zyn. De vrugt is aangenaam als zy wel klaar gemaakt wordt. Gemeenlyk kookt men ze, stoot ze aan stukken, en doet ’er wat peper en andere speceryen by. De Wilden zaijen ook verscheiden soorten van bonen, die zy meest van de Europeanen gekregen hebben. Maar de erwten, die zy ook bouwen, hebben zy al gekend voor dat de Europers hier waren. De Squashes behoren tot de vroege kawoerden. Zy zyn goed, maar duren niet lang. Egter heb ik ze tot vry diep in den winter zien goed houden.

Weit en Rogge.

Omtrent het laatste van September zaide men de Weit en de Rogge, en deze granen worden gemeenlyk ryp omtrent het einde van Juli. Somtyds gebeurt het wel dat men ze al in ’t midden van Juni maijen kan, zelfs zyn ’er voorbeelden dat dit in ’t begin dier maand geschiedde. De Garst en Haver. Garst en Haver wordt in April gezaid; en zy beginnen gemeenlyk tegens ’t einde van Juli. Boekweit.De Boekweit wordt gezaid in ’t midden of op ’t einde van Juli, en is omtrent het einde van September, of iets later, in staat van ingeoogst te worden. Indien men ze vroeger zait geeft zy wel bloemen, dog weinig of geen koorn.

Vee.

De Heer Bartram en anderen verzekerden my, dat het meeste rundvee dat de Engelschen hebben afkomstig is van beesten die zy de Zweden gekoft hebben, toen die nog in ’t bezit van het land waren. De Engelschen zelven, wil men, dat ’er maar weinig hebben overgebragt. De Zweden bragten hun vee herwaards uit hun Land, of koften het van de Hollanders, die toen hier gevestigd waren.

Klimop.

Digt by de Stad zag ik een Klimop of Hedera Helix tegens den muur van een stenen huis staan, het welk geheel onder het groen der bladeren onzigtbaar was. Deze plant is zekerlyk uit Europa overgebragt, want ik heb ’er nergens anders ene van in Amerika gezien. Maar in plaats van dit gewas zag ik dikwyls wilde Wyngaarden die tegens de muren opklommen.

Of de bomen en planten verbasteren als zy het noorden naderen.

Ik vroeg den Heer Bartram of hy ook opgemerkt had, dat de bomen en planten verbasteren naar mate ze meer noordwaards gevoerd worden, gelyk Catesby beweert. Hy antwoordde, dat deze mening waar was, indien men ze met onderscheid voorstelde. Daar zyn sommige bomen die beter in de zuidelyke landen voortkomen, en die verminderen naar mate men het noorden nadert. Wanneer hunne zaden door de vogels by andere toevallen naar kouder lugtstreken worden overgebragt, worden de bomen hoe langer hoe kleinder, tot dat zy op ’t laatst in ’t geheel niet meer voortwillen. Maar daar zyn ook bomen en planten, welken de wyze Schepper voor de noordelyke landen geschikt heeft, en die daar tot ene verbazende hoogte wassen. Hoe meer dezen het zuiden naderen zo veel te meer nemen zy af, tot dat zy op ’t laatst in ’t geheel [64]ophouden te groeyen. Andere planten eischen ene gematigde lugtstreek; en wanneer zy meer noord- of zuidwaards gevoerd worden, willen zy niet voort, maar nemen af. Dus zyn ’er, by voorbeeld, in Pensylvanie bomen die uitermate wel wassen, dog altyd afnemen naar mate zy verder naar het noorden of naar het zuiden gevoerd worden.

Ik heb dit naderhand op myne reizen dikwyls bekragtigd gevonden. De Sassafras, die in Pensylvanie op 40. gr. N. een tamelyk hoge en zware boom wordt, wast by Oswego en Fort Nicholson, tusschen de 43. en 44. gr. nauwlyks drie of vier voet hoog, en had nauwlyks de dikte van een pink. Het zelve had plaats omtrent den Tulpeboom. Deze wordt in Pensylvanie zo zwaar als onze grootste Eiken, maar by Oswego is hy niet meer dan twaalf voet hoog en enen arm dik. De Suikerahorn56 is een der gemeenste bomen in de bosschen van Kanada, en wordt daar zeer zwaar. Maar in de zuidelyke Landschappen, als New Jersey en Pensylvanie, wast hy alleen maar op de noordelyke zyden van de Blauwe Bergen, en op de steile heuvelen langs de rivieren, welken tegens ’t noorden gekeerd zyn. Dog hier komen ze niet tot een derde of vierde van de hoogte die zy in Kanada bereiken. Meer voorbeelden wil ik hier niet bydoen.

Muggen.

De Muggen, die ons des nagts zeer plaagden, worden hier Musquetoes genoemd. Zy zyn volkomen gelyk aan de Muggen in Zweden, alleenlyk wat kleinder, en de beschryving, die ’er de Ridder Linnæus van, in zyn Systema Naturæ en zyne Fauna Suecica, geeft, past ook zeer wel op de Amerikaanschen. Zy komen by dag of by nagt in de huizen, en wanneer men te bed is beginnen zy haar onaangenaam gebrom, naderen de menschen hoe langer hoe meer, en zuigen hun op ’t laatst zo veel bloeds af als zy kunnen. Haar beet veroorzaakt bulten by menschen van een teder gestel. Als het weder enige dagen koel is geweest verdwynen zy; maar als het verandert, en vooral na enen regen, vergaderen zy dikwyls in zulk ene menigte rondom de huizen, dat het verbazend is. De schoorstenen der Engelschen, die gene klappen hebben, geven den Muggen vryen ingang. By hete avonden begeleiden zy het vee met grote zwermen van de bosschen naar de huizen of naar de Stad, en vliegen in de huizen in, als ze maar kunnen. In ’t heetste van den zomer zyn zy zo menigvuldig op sommige plaatsen, dat de lugt ’er vol van schynt, vooral omtrent poelen en staande wateren, gelyk de Rivier Morris in New Jersey. Om die onaangename gasten door den rook te verdryven, leggen de Inwoonders vuren voor hunne huizen aan. De oude Zweden, die hier waren, zeiden dat de [65]Muggen voorheen hier nog veel menigvuldiger geweest waren; dat zy nog zeer menigvuldig langs het strand zyn, en die van Philadelphia van een vergiftiger soort zyn dan de anderen. Dit laatste bleek uit de bulten die zy maakten. In Zweden gevoelde ik noit ander ongemak van haren beet dan een weinig jeukte terwyl zy nog zogen. Maar als zy my hier des nagts staken wierd myn aangezigt zodanig met rode vlakken en bulten toegesteld, dat ik ’er zelf over beschaamd was.

Betuiningen.

Ik heb alreeds iets van de Tuinen hier te lande gebruikelyk gezegd, ik voeg ’er nu by, dat de meeste planken die overdwars gesteld worden, en waaruit de schuttingen rondom Philadelphia voornamelyk bestaan, van rood Cederhout zyn, dat hier voor duurzamer dan enig ander gehouden wordt. Maar wanneer men dat niet vinden kan, neemt men wit of zwart Eikenhout. Men houdt ook veel van de palen van rood Cederhout te hebben, of anders gebruikt men wit Eiken- of Kastanjenhout. Dog het schynt dat dit soort van hout hier niet lang goed in de aarde blyft. Ik zag palen van Kastanjenhout gemaakt, die pas een jaar oud waren, reeds van onderen grotendeels vergaan.

Sassafras.

De Sassafrasboom57 groeit hier tamelyk veel, en staat hier en daar in de bosschen, by de hagen en de tuinen. Op oude akkers, die men onbebouwd laat leggen, is hy een van de eersten die opkomen, en is zo menigvuldig als de Berkebomen in Zweden op de gronden van afgebrande bosschen.58 De Sassafras wast in ene droge losse aarde van ene bleke steenkleur, die grotendeels uit zand bestaat, vermengd met een weinig klei. Die gronden schenen vry mager te zyn. De bergen rondom Gothenburg zouden op vele plaatsen goed voor dien boom wezen, zo zy nog niet te vet zyn. Ik zag hem hier in de bosschen onder andere bomen, maar nog meer op zig zelven langs de heiningen staan. Op beide plaatsen schynt hy evenwel te tieren. Noit heb ik hem gezien op lage of natte plaatsen. Men verzamelt hier zyn bladeren, en gebruikt ze als thee. Maar het hout deugt nergens toe, want het kraakt te sterk in ’t vuur en brandt niet wel. De boom spreidt zyne wortels zeer ver uit, en uit dezelven schieten nieuwe spruiten op; dog deze scheuten zyn niet goed om te verplanten, om dat zy [66]zo weinig vezelen buiten den stamwortel hebben, dat zy zig in de aarde niet regt vastzetten kunnen. Om den Sassafrasbomen te planten moet men de bessen gebruiken, dat egter ongemakkelyk is, om dat ze de vogels al op hebben eer zy half ryp zyn. De koeyen zyn zeer gesteld op de nieuwe tedere uitspruitsels van dezen boom, en zoeken ze overal op.

De Vrouwen gebruiken den bast van dezen boom om de wol ene schone oranjekleur te geven, welke in de zon niet verschiet. Zy gebruiken pis in plaats van ajuin in ’t verwen; koken de verw in enen koperen ketel, omdat zy in enen yzeren gekookt zynde zo schoon ene kleur niet geeft. Ene Vrouw in Virginie had de bessen van den Sassafras gebruikt tegens ene pyn in enen harer voeten, die zy drie jaar lang zo sterk had gehad dat ze niet gaan kon. Men raadde haar de bessen in ene pan te braden, en de pynelyke plaatsen met de daar uit komende olie te stryken. Zy deed het, dog het deed haar braken. Egter hield zy met het middel aan, schoon zy, zo dikwyls zy het deed, ’er de zelve uitwerking van gewaar wierd. De pyn verdween op ’t laatst geheel, en zy wierd volkomen hersteld.

Spegten.

Een zwarte Spegt, met enen roden kop,59 is menigvuldig in de bosschen van Pensylvanie, en blyft ’er den winter over, gelyk ik zelf ondervonden heb. Hy wordt gerekend onder het gevogelte dat de Mais vernielt, omdat hy zig op de rype airen zet, en ze doorbyt. De Zweden noemen hem Tillkroka; maar alle andere Spegten, alleen die uitgenomen die goudgele vleugels hebben, heten zy Hackspikar. Ik zal ze allen te zamen nauwkeuriger in een byzonder werk beschryven. Alleen merk ik hier aan, dat byna al de soorten van Spegten zeer nadelig voor de Mais zyn, wanneer zy begint te rypen. Zy pikken gaten rondom de airen, waardoor de regen indringt, en het koorn doet rotten.

Reis naar Wilmington.

Ik vertrok den 3 October ’s morgens vroeg naar Wilmington, voorheen by de Zweden Christina genoemd, dertig Eng. mylen zuidwest van Philadelphia. Drie mylen van Philadelphia wierden wy over de Skulkill gezet. Het land begint hier onophoudelyk uit heuvelen en dalen te bestaan. De bergen zyn van alle kanten gloyend, en de dalen worden gedurig doorsneden van kristallyne beekjes. Het veld is grotendeels bedekt met geboomte dat ’s winters zyne bladeren laat vallen, want ik zag nauwlyks enen enkelden boom uit het geslagt der Dennen, uitgenomen enige weinige rode Ceders. Het hout was hoog, dog van onderen kaal, zo dat het een frai doorzigt aan het oog verschafte; ook kon men vry tusschen de bomen doorryden, zelfs op vele [67]plaatsen met wagens, te meer daar de grond zeer effen was. Op sommige plaatsen zag men kleine vlakke velden, waar men weiden, en koornlanden had aangelegd. Van de laatsten waren sommigen bebouwd, anderen niet. Op enige plaatsen stonden verscheiden huizen digt by malkander, maar de meesten stonden alleen. Een deel der landen was alreeds met Weit bezaid, op zyn Engelsch, zonder gruppen, maar met watervoren digt by malkander. Op anderen zag ik het volk wakker bezig om de Rogge in den grond te brengen. Digt by ieder huis was een klein veld met Turksch koorn. De Inwoonders in deze streek waren of Engelschen of Zweden.

Bomen.

Ik zag den gehelen dag verscheiden soorten van bomen, Walnootbomen van meer dan een soort vol van noten, kastanjebomen geheel bedekt met vrugten; Moerbezie-, Sassafras-, Liquidambar-, Tulp- en andere bomen.

Wyngaarden.

Verscheiden’ soorten van wyngaarden groeiden welig, en klommen op tot in toppen van de bomen, bedekkende de stammen met hunne druiftrossen en bladeren. Ik zag zelfs enige jonge Eiken, vyf of zes vadem hoog, om de welken zy zig gewonden hadden. De grond is hier, gelyk meest in deze streek, een mengsel van zand en klei, bedekt met ene ryke bovenkorst. De Wyngaarden ziet men meest op bomen, die alleen op de koornvelden staan, en daar de bosschen ophouden, en de weiden of akkers beginnen; ook langs de heiningen, waar zy hunne ranken om de bomen slaan die daar groeyen. Het bovenste droeg zelden vrugten, dewyl de winden dit verhinderen; maar het onderste is vol van trossen, die onder de bladen uithangen, en nu byna ryp waren. Zy hadden een aangenaam zuur. De Boeren verzamelen ze in menigte en verkopen ze in de Steden. Men eet ze rauw, en zet ze gemeenlyk voor wanneer men bezoek krygt.

De zwarte vette aarde.

De vette aarde scheen hier niet zeer diep te zyn, want zy had niet veel meer dan twee duimen diepte. Ik had gelegenheid dit te zien zo wel op zulke plaatsen daar gegraven was, als op anderen, waar de regenvlagen scheuren gemaakt hadden, het welk zeer gemeen hier omtrent was. De opperste aarde was donker van kleur, en die daarop volgde was bleek, Ik heb overal, waar ik in Amerika geweest ben, gevonden, dat de dikte der bovenste vette aarde op ver na niet zo groot is als sommigen rekenen. En nogthans kan men verzekerd zyn dat zy sedert den zondvloed op sommige plaatsen niet geroerd is. Ik zal hier van in ’t vervolg nader spreken60. De Datura Stramonium [68]wast omtrent alle de dorpen in overvloed. Hy wordt groter naar dat de gronden zyn. In ene vette aarde komt hy tot agt of tien voeten, [69]maar in ene magere zal hy pas zes duim hoog worden. De Datura nevens de Amerikaansche Nagtschaduw wast hier op die plaatsen digt by de tuinen, de huizen, en de wegen, waar in Zweden de Brandnetels en de Ganzevoet groeyen, welke Europische gewassen zeldzaam in Amerika zyn. Maar de Datura en de Nagtschaduw zyn hier het grootste onkruid, van de welken men geen nut ter wereld weet te trekken.

Rapen.

Hier en daar zag men een veld met rapen bezaid. Op het midden van den groten weg wierd ik ene dode zwarte slang gewaar, die vier voet en zes duim lang, en anderhalven duim dik was. Zy behoorde tot het geslagt der Adders.

Kring om de Maan.

’s Avonds laat verscheen ’er een kring om de Maan. Het volk voorspelde ’er storm of regen, ofwel beiden te gelyk, uit. Hoe kleinder de kring is des te eer verwagt men slegt weder. Dog niets van dit alles volgde ’er op; maar de kring had koude voorspeld.

Chermes alni.

Ik zag dien dag op de Elzebomen in menigte de Chermes alni op de takken zitten, welken daar door geheel wit, en op enigen afstand geheel beschimmeld schenen.

De Landsdouwe.

Ik vervolgde den 4. October myne reis in den vroegen morgen, en het land bleef ’er nog al even eens uitzien. Het was een gedurige keten van tamelyk hoge bergen, ligt van alle zyden te beklimmen, en van dalen tusschen dezelven. De grond bestond uit ene steenkleurige tuinaarde, die met klei vermengd was, en hier en daar kleine keizelsteentjes bevattede. Ik reed somtyds door bosschen van allerlei soorten van hout, en somtyds tusschen kleine velden door, daar men het hout vernield had, en die nu tot koornakkers of weiden dienden. De Landhuizen stonden op hun zelven, somtyds digt by de wegen, somtyds ’er wat van daan, zynde dan tusschen dezelven en den weg koornvelden of weiden. Sommige huizen waren van steen, twee verdiepingen hoog, [70]en gedekt met witte cederplanken. De meesten waren egter van hout, en de scheuren gevuld met klei. De schoorstenen hadden nergens klappen, waarvan men hier niet weet. De ovens waren gemeenlyk op enigen afstand van de huizen gemetseld, en waren somtyds overdekt, somtyds niet. De velden stonden ten dele met Boekweit, die nog niet gemaid was, ten dele met Mais, ten dele met Weit, die eerst gezaid was, en ten dele lagen zy braak. De Wyngaarden klommen tot op de toppen van verscheidene bomen, en hingen ’er aan beide zyden af. Anderen waren bedekt van den vyfbladigen klimop,61 die ook zeer hoog opklom. De Smilax laurifolia was altyd by den klimop, en wond zig met denzelven te gelyk om de bomen. De bladen van den klimop waren ten dezen tyde meest roodagtig, dog die van den Wyngaard waren nog groen. De bomen die met deze gewassen omwonden waren vertoonden zig van verre even gelyk die waarom by ons de Hop wast. Walnoot- en kastanjebomen kwamen overal voor, en waren vol van vrugten. De Persimon was ook menigvuldig langs de wegen en in de bosschen. Zyne vrugten, nog niet bevroren zynde, waren nog niet eetbaar, dog zy waren overvloedig. Op eenigen afstand van Wilmington trok ik over ene brug, die over een klein riviertje legt, het welk zig noordwaards in de Dellaware stort. Voor elken persoon en zyn paard betaalt men hier twee pence. Ik kwam tegens den middag te Wilmington aan.

Wilmimgton.

Wilmington is een klein Steedtje omtrent dertig Eng. mylen zuidwest van Philadelphia. Het wierd in ’t jaar 1733. aangelegd. Een deel daarvan staat op den grond van de Zweedsche Kerk, welke jaarlyks daarvoor enige inkomsten trekt, waaruit de Predikant zyn jaargeld heeft, en het overige wordt tot iets anders besteed. De huizen zyn van steen, en zien ’er wel genoeg uit; dog zy staan niet digt by malkander. Tusschen beiden zyn grote open vlekken. De Quakers hebben hier ene Vergaderplaats. De Zweedsche Kerk, waarvan straks nader, staat ene halve Eng. myl buiten de Stad. De Pastory is met de Kerk onder het zelve dak. Ene kleine Rivier, genoemd Christina-kill, loopt voorby de plaats, en valt drie mylen lager in de Dellaware. Men wil dat ze in staat is de zwaarste schepen tot voor de Stad te brengen. Zy is by haren uitloop in de Dellaware het ondiepst, en nogthans heeft ze daar twee en enen halven vadem waters. Dog hoger op is zy tot vier vadem diep. Dus kunnen de grootste schepen met hunne lading by den vloed voor de Stad komen. Voor Wilmington ziet men zeer duidelyk een groot deel der Dellaware en de schepen die ’er op zeilen. Aan beide zyden van de Christina-kill, van de schans af tot haren uitloop in de Dellaware, leggen lage weilanden, die veel [71]hoi opleveren. De Stad dryft enen aanmerkelyken handel, en zou groter wezen, indien Philadelphia en Newcastle, twee Steden die ouder zyn, haar van twee kanten niet zo na waren.

De Schans op de Christina-kill wierd dezen zomer eerst opgeworpen, op de tyding dat de Fransche en Spaansche Vrybuiters voornemens waren de Rivier optezeilen, en ene landing te ondernemen. Zy staat op de zelve plaats waar de Zweden hunne Schans hadden. By ’t opwerpen dezer versterking vond men een stuk Zweedsche zilvermunt. Men vereerde het my. Op de ene zyde stonden de wapenen van het huis van Wasa, met het omschrift, Christina D. G. De. Re. Sue. en daarnevens het jaargetal 1633. Op de onderste zyde las men de woorden, Moneta Nova Regni Suec. Ten zelven tyde ontdekte men ook ene menigte van oud yzeren huisraad. De Schans beslaat uit een plankwerk met enen aarden wal van buiten. Het kruidmagazyn is een stenen verwulf. By het opwerpen dezer Schans waren de Quakers, wier beginsels allen kryg afkeuren, even zo yverig aan ’t werk als de overigen. De vrees van zig ieder ogenblik aangetast te zien had alle gemoederen ingenomen. Velen van hun maakten zwarigheid hunne handen aan het werk te slaan, dog bevorderden het door geld te schieten, en bezorgden alles wat ’er nodig was.

Vertrek.

Den 5. October was het myn voornemen de Dellaware overtesteken en my naar New Jersey te begeven, om dat gewest te zien. Maar alzo ’er geen veer was keerde ik weer te rug naar Philadelphia. Ik volgde gedeeltelyk den groten weg, en gedeeltelyk dwaalde ik wat bezyden af, om des te beter het land te leren kennen, en waarnemingen te doen.

Mais.

Het Turksch koorn was op verscheiden’ plaatsen gezaid. Op sommigen had men de stelen een weinig onder de airen afgesneden, gedroogd en op smalle dog hoge stapels gelegd, om ’s winters tot voer voor het vee te dienen. Het onderste gedeelte van den steel had ook bladeren, maar dewyl die gemeenlyk van zelven drogen, gebruikt men die niet, om dat ’er al de kragt uit is. Dog het bovenste snydt men terwyl het nog groen is.

Landsdouwe.

De dalen tusschen de bergen hebben meest allen beekjes, dog die zyn niet breed, en wagens en paarden ryden ’er gemakkelyk door. Het water is zelden meer dan zes duim diep.

Het loof.

De bladeren van de meeste bomen waren nog volkomen groen, gelyk die van den Eik, den Kastanjeboom, de zwarte Walnoten, de Hikory, den Tulp- en Sassafrasboom. De twee laatste soorten vond men menigvuldig op de zyden van kleine boschjes op de heuvelen, op de braaklanden, by de hagen en op de wegen. De Persimon had ook nog zyn loof, schoon sommigen het al kwyt waren. De bladen [72]van de Amerikaansche Braam waren thans byna geheel rood, hoewel zy op sommige struiken nog een levendig groen hadden. De Kornoelje had reeds ook al een mengsel van bruine en bleke bladeren. Het blad van den Roden Ahorn was gantsch rood.

Chichester.

Ik zettede myne reis voort tot Chichester, een Vlek op de Dellaware, waar een Veer is. Hier worden alle jaren verscheiden kleine vaartuigen op den koop getimmerd. Men laadt hier ook veel yzer in, dat uit een yzerwerk komt wat hoger op gelegen.

Kanoos.

Kanoos zyn schuiten uit een enkeld stuk houts gemaakt, en worden het meest van de Landlieden op de Dellaware en kleine rivieren gebruikt. Ten dien einde holt men enen dikken stam uit; de Rode of Witte Ceder, de Kastanje, de Witte Eik en de Tulpboom worden hier toe het meest genomen; maar den Witten en Roden Ceder houdt men voor het best, om dat dat hout ligt dryft en wel twintig jaren duurt. Dog van dezen is de Rode Ceder nog de beste. Kanoos van Kastanjenhout gemaakt duren ook vry lang. Dog die van den Witten Eik zyn nauwlyks langer dan zes jaar goed, en zinken te diep. De Liquidambar62 is zwaar genoeg, dog niet goed om Kanoos te maken, vermits hy ’t water indrinkt. Die van Tulpebomenhout gemaakt zyn duren nauwlyks zo lang als die van wit Eikenhout. De grootte der Kanoos is verschillend volgens het gebruik dat men ’er van wil maken. Zy kunnen zes menschen voeren, die evenwel heel stil op den grond zitten moeten, om niet om te slaan. De Zweden in Pensylvanie en New Jersey hebben geen andere schuiten om mede naar Philadelphia te gaan, het welk zy gemeenlyk tweemaal ’s weeks op de marktdagen doen, schoon zy verscheiden’ mylen van de Stad afwonen, en somtyds zware stormen ontmoeten. Egter hoort men niet dat ’er zo veel ongelukken gebeuren, als men van zulk een vaartuig verwagten zou. Daar wordt veel voorzigtigheid toe vereischt om ze te regeren als het hard wait, want zy zyn smal, rond van onderen zonder kiel, en slaan dus gemakkelyk om. Om die reden waagt men het niet lang op de Dellaware te blyven als de wind wat sterk opsteekt, maar zoekt het land.

Tuinkers.

De gemene Tuinkers63 wast op vele plaatsen op de wegen naar Chichester, en komt, naar alle gedagten voort, uit de zaden die uit de tuinen hierom heen weg gevoerd worden.

Braam.

De Amerikaansche Braam is hier in overvloed. Als men een land onbebouwd laat leggen, is deze plant ene van de eersten die opkomt; zelfs heb ik ze gezien op landen die alle jaren omgeploegd en bezaid [73]wierden. Waar zy eens geworteld heeft, kan men ze niet ligt uitroeyen. Een struik schiet dikwyls vier vadem van den wortel af langs de aarde voort, maakt dan een nieuwen wortel, zo dat, als men enen struik uittrekt, men aan deszelfs beide eindens wortels vindt. Op enige oude akkers, die lang verzuimd zyn, waren zo vele struiken van dit soort, dat het zeer moeilyk en gevaarlyk was ’er op te wandelen. De bessen worden gegeten en zyn goed als ze ryp zyn. Men maakt ’er ook enen wyn van, gelyk ik al gezegd heb. Zy dienen tot niets anders.

Wormkruid.

Den 6. October zagen wy veel van het Chenopodium anthelminticum op den groten weg wassen, ook op den oever der Rivier, maar vooral op deze plaatsen in een los zand. De Engelschen noemden het Wormzaad64 of Jerusalemeik.65 Het ruikt onaangenaam. In Pensylvanie en New Jersey geeft men het zaad den kinderen tegens de wormen, en het is hiertoe uitmuntend. De plant wast daar in ’t wild.