Namen van bosschen en hout. Cortebosc, Mafferbosc, Bochout en Bocholt (Beukenhout of bosch; deze naam bestaat heden nog en is nu tot Boucquehault verfranscht), Ekhout (Eekhout, Eikenbosch), Malshout, Scapshout, Mutshout, Lantershout.
Namen van straten en wegen, dijken, putten, huizen, bruggen. Hostraet, Hostrat, Ostraet (Hoogstraat, zeer algemeen in schier al de steden en dorpen van Oud-Artesië, even als de Highstreet is in de Engelsche plaatsen). Haghestraet, Stienstraet, Witestraet, Weststraet, Weetstraet, Waghestraet; in de stad Sint-Omaars: Arkestraet (Rue d’Arques—Arques is een naburig dorp—, hedendaags Rue d’Arras genoemd), Becquestraet, zie bladzijde 118, Potestraet—Rue du Pot—, Wackestraet, Vincquestraet, enz. Mellewog, Oudewog en Oudewoghe, Scalrewoge, de weg naar Scalle, hedendaags tot Escalles verfranscht; Gisenewog, Papenwoge, Herewog; Koldic [121](Koldyk is ook de naam van eene sate of landhoeve bij den dorpe Grouw in Friesland, en deze naam komt bij de hedendaagsche Friezen ook nog veelvuldig als geslachtsnaam voor), Scardic (Schaardijk; Scharendijke is de naam van een dorp op het eiland Schouwen in Zeeland). Calkpit, Marlepit. Pit in plaats van put is nog hedendaags Westvlaamsch. Wolhus, Winthus. Het raadhuis van het stadje Ouderwijk (Audruicq) heette voor twee eeuwen nog le Landshus, Landshuis, omdat het niet enkel voor Ouderwijk diende, maar tevens voor het geheele Land van Breedenaerde, eene kleine gouw in Artesië, waar van dit stedeke middenpunt en hoofdplaats was. En zoo ook heette het raadhuis van het Land van den Hoeke, eene andere kleine gouw in dit gewest, Gyselhus.—Lenebrigge. Het dorp Hoogbrugge bij Sint-Omaars heet tegenwoordig Hautpont, maar komt in de geschriften uit vorige eeuwen als Hobrigge voor, en de ingezetenen van dat dorp als Hobrighenards, Hoogbruggenaren in onze hedendaagsche taal en spelling. Twee bruggen te, of bij Sint-Omaars heeten in oorkonden van de 14de en 15de eeuw: Lobrighe en Texbrighe.
Nog enkele Oud-Dietsche namen, uit middeleeuwsche oorkonden verzameld en allen aan plaatsen in Artesië eigen, mogen hier ten slotte een plaatsken vinden: Helde, Stapele, Stripe, Witstien, Walrichove (hof van Walrik, Germaansche mansnaam), Hongercoutre, Boffershil, Wolfham, Bontun, Riede, Knol, Brocshole, Doetlage, Stienrokkes (Steenrots), Ravenstiene, Robarsdal, Walleshouck (Walle is een mansnaam), Hasewinkel, Rambrectesgat (van Rambert, Ravenbrecht, volledige oude mansnaam), enz.
Als aanhangsel noemen wij hier nog de namen van sommige Artesische wateren, en wel eerstelijk den naam van het riviertje, dat langs de stad St. Omaars vloeiende, de grensscheiding vormt tusschen Artesië en Fransch-Vlaanderen, en dat de Aa heet. Geen oorbeeldiger Dietsche waternaam is er bekend, dan juist deze naam Aa, die eigen is aan riviertjes, stroomkes, beken, schier zonder tal, in alle landen, gewesten en gouwen van geheel Neder-Germanië, van Artesië langs de kusten van Noord- en Oostzee tot in de Oostzee-gewesten van Rusland toe. Deze naam, in de Friesche gewesten als Ee of Ie en Ye, Y voorkomende, [122]beteekent eenvoudig water, stroomend water. Een water bij het stedeke Ouderwijk (Audruicq), waarschijnlijk eene gegravene vaart, heette nog in de 17de eeuw Stavart, (Sta(de), oever? ook voorkomende in den ouden naam van eene kade te St-Omaars, namelijk Erbostade, thans Quai des Tanneurs genoemd; en vaart). Het riviertje dat tusschen Gisen (Guines) en Kales (Calais) vloeit, komt in eene middeleeuwsche oorkonde voor als Leda, in eene andere van den jare 1208 als Gisenlet, en nog anders als Ghisnenlet. De vergelijking met den naam van het rivierke Leda in Oost-Friesland, en met den naam Leie, die in Friesland tusschen Flie en Lauwers aan verschillende wateren eigen is, zoo mede aan de Vlaamsche plaatsnamen Lendelede, Lede, Ledezele, Ledeberg ligt voor de hand.
In Artesië vloeit een helder stroomke, weinig meer dan eene beek, al westwaarts kronkelend door een liefelijk dal; het verbreedt zich verder tot eenen flinken stroom, die langs de stad Boonen (Boulogne sur Mer) loopt, en de haven van deze schoone zeestad vormt. Deze rivier draagt den naam van Liane, een naam die volstrekt geen Dietsch voorkomen heeft. Toch meen ik dat ook deze naam van Dietschen oorsprong zij. Maar oude, middeleeuwsche vormen van den naam Liane zijn mij niet bekend. Zoo neme men den volgenden naamsuitleg voor anders niet als voor eene ongegronde gissing. En, men weet het, gissen doet missen. De grondslag, de oorsprong van den naam Liane dan, meen ik te vinden in den eenvoudigen, boven reeds vermelden waternaam Aa of A. In sommige Nederduitsche tongvallen wordt de naam of het woord Aa verbogen tot Ane, Aan; dezen verbogenen vorm vinden wij in de plaatsnamen Mundahn (Mond van de Aa of Aan) en Overahn, Nordahn (in de middeleeuwen Norda) en Middelstenahe (in de middeleeuwen Middelstenane), die in de Friesche gouwen van Oldenburg en van Hannover (Land Wursten) voorkomen. Het mannelijke lidwoord luidt in de gouwspraak van het Fransch, die hedendaags aan Artesië eigen is, als li. Dit lidwoord neemt wel de plaats in van het Dietsche lidwoord de, ook al blijft het hoofdwoord dat er op volgt, onvertaald. Zoo is de geslachtsnaam De Jager, De Jaghere heden ten dage in Artesië half-verfranscht [123]geworden tot Liagre (Li Jagre) en niet geheel (Le Chasseur). Zoude nu dit lidwoord ook niet het eerste gedeelte van den naam Liane zijn (Li Ane), en deze naam De Ane, De Aa, met andere woorden het water, het stroomende water beteekenen?
Al deze Artesische plaatsnamen, op de voorgaande bladzijden opgenoemd, en nog honderden dergelijken zijn (bij enkelen is dit nader aangeduid geworden) in vorm, oorsprong en beteekenis naverwant of ook volkomen gelijk aan andere namen, die in alle andere Germaansche landen, maar vooral in Vlaanderen, Friesland en Engeland voorkomen, in die landen dus, waar de bevolking oorspronkelijk geheel of ten deele van eenen zelfden stam, van eenen zelfden bloede is met die van Artesië.
De namen, op bladzijde 120 en vervolgens vermeld, zijn allen aan middeleeuwsche oorkonden ontleend, en, naar men mij in Artesië mededeelde, zijn ze daar heden ten dage onbekend; dus uitgestorven. Dit moge voor een groot gedeelte dezer namen waar zijn; dat het echter voor allen zonder onderscheid zoude gelden, meen ik te mogen betwijfelen. Immers namen over het algemeen, en bijzonderlijk plaatsnamen hebben een taai leven. En, al zijn zulke namen van velden en akkers, van dijken en vaarten, van straten en wegen niet meer in geijkten zin bekend, en al komen ze nooit meer in geschrifte voor, het eenvoudige landvolk kent ze nog wel, en gebruikt ze nog wel, zoo goed als hunne voorouders, van geslacht tot geslacht, die deze namen eerst gegeven hebben. De taalvorscher, die dus bij het van ouds ingezetene volk te lande in Artesië naar zulke Oud-Dietsche namen zoeken wil, zal dit zekerlijk niet te vergeefs doen. Zelfs in de steden vindt men nog wel zulke namen, ja, in de stad Kales (Calais), die toch nooit volkomen Dietsch is geweest, zooals de dorpen in den omtrek. Daar ter stede draagt een buurtje aan de haven, waar de visschersschepen liggen, buiten den ouden vestingwal, ter plaatse waar oudtijds het strand zich uitstrekte, den naam van Place de l’Estran, zoo als ik zelf gelezen heb op het naambordje aan het hoekhuis. Wie herkent in dit Estran niet den verfranschten vorm van ons woord strand, of strange volgens de Westvlaamsche, strân volgens de Friesche uitspraak? En, als om de Oud-Dietsche herinnering te volmaken, de tapper die in dat hoekhuis zijn bedrijft uitoefent [124](althans in 1891 uitoefende) draagt den oorbeeldigen geslachtsnaam van Barends.
Zeer bijzonder en hoogst opmerkelijk zijn sommige woordvormen die in deze Oud-Artesische namen voorkomen; zoo als wog (in verbogenen vorm woge, woghe) voor weg, en brigge voor brug. Ook mille en melle voor molen, rok voor rots, enz.
Voorbeelden van wog en brigge, in plaatsnamen, zijn op bladzijden 120 en 121 reeds genoemd. Anders en elders is dit woord wog mij nooit voorgekomen. In eene oorkonde van den jare 1286 wordt bepaaldelijk de weg die van het stedeken Gisen (Guines) naar het dorp Witzand (Wissant) voert, de Gisenewog genoemd. Men vergelijke de Gisenlet op bladzijde 122 vermeld. Dat men evenwel oudtijds het algemeen geldige Dietsche woord weg, verbogen als wege, ook wel kende in Artesië, blijkt uit oorkonden van de veertiende en vijftiende eeuw, waarin melding gemaakt wordt van den Boerwegue bij Baienghem, en van den Oudeweg bij Salperwijk (Salperwic). Aan het voorkomen dezer twee woordvormen wog en weg, nevens elkanderen, zal wel de zelfde of eene soortgelijke oorzaak ten grondslag liggen, als die is, welke het voorkomen der twee vormen ing en ink, bij den patronymicalen uitgang, heeft te weeg gebracht. Zie bladzijden 98 en 106 hiervoren.
De vormen brigge (op bladzijde 121 vermeld), Friesch bregge, brug; mille of melle, molen (in den hedendaagschen dorpsnaam Wimille, oudtijds voluit Windmille, windmolen, en in Mellewog, dat in eene oorkonde van 1286 voorkomt, en als Chemin du moulin wordt verfranscht), en rok voor rots (in Stienrokkes—meervoudsvorm, en misschien ook in Roccalf en in Brocshole = bij Rokshole, bij het hol in de rots?), deze drie ook in de oorkonde van 1286 vermeld, bieden eene zeer opmerkelijke overeenkomst, ja eene volkomene gelijkvormigheid aan met de vormen die deze drie woorden in de Engelsche taal hebben (bridge, mill en rock). Deze overeenkomst bevestigt te meer mijne meening dat de voorouders van een deel der hedendaagsche Engelschen, en die van de oorspronkelijk Germaansche bevolking van Artesië, lieden zijn geweest van eenen en den zelfden bijzonderen Sassischen volksstam, lieden die, gezamenlijk [125]uit het Oosten (dat is in dit geval, voor het naast uit Noordwestelijk Duitschland) opgetrokken en westwaarts getogen zijnde, voor een deel naar Brittannië overstaken, uit de havens van Kales en Boonen, maar voor een ander deel achter bleven in de gouw rondom deze oude, reeds door de Romeinen bezette steden.
En niet enkel met het Engelsch, ook met het Friesch leveren de Oud-Germaansche plaatsnamen van Artesië punten van overeenkomst op. Trouwens dit kan wel niet anders, waar Friesch en Engelsch beiden nog heden zoo naverwant en oudtijds uit eene zelfde bron zijn ontsproten. Deze overeenkomst vinden we, in gezamentlijken zin, in het woord aker, ook wel gespeld acre, hedendaagsch geijkt Dietsch akker, dat deel uitmaakt van sommige Oud-Artesische plaatsnamen. Dit woord, in het Friesch zoowel als in het Engelsch als eker uitgesproken, is nog heden eigen aan de taal van Friezen en Engelschen, en komt in de plaatsnamen dezer volken voor: Franeker in Friesland; Longacre in Engeland. Verder stemmen de Artesische woorden stic voor stuk, horn voor hoek, stripe voor streep, stien voor steen, enz. allen in oude plaatsnamen voorkomende, letterlijk overeen met de zelfde woordvormen in het Friesch, zooals het nog hedendaags leeft. Trouwens, in den loop dezer verhandeling hebben wij reeds meermalen gelegenheid gehad, den Lezer te wijzen op de bijzondere overeenkomst tusschen Oud-Artesisch en Friesch.
Indien men met opmerkzaamheid eene aardrijkskundige kaart van Artesië gadeslaat, valt het den Nederlander al spoedig in het oog dat een zeer groot deel der plaatsnamen, daarop vermeld, Dietsche namen zijn, gelijk hierboven breedvoerig is aangetoond. Maar nevens en tusschen deze Dietsche namen kan men ook vele namen opmerken, die een Fransch voorkomen vertoonen in hunnen vorm en in hunne spelwijze, en die door niemand voor oorspronkelijk Dietsche namen zullen worden gehouden. Werkelijk zijn dan ook eenigen van die namen, welke van jonge dagteekening zijn, en ontstaan ten tijde dat de Dietsche volkstaal in die gouw van het Artesische land reeds geheel of ten deele uitgestorven was, Fransch, behooren tot de Fransche taal. Maar anderen zijn toch oorspronkelijk Dietsch, al zien ze er in hunne hedendaags geldige vormen ook nog zoo Fransch uit. Die namen zijn eenvoudig in sterke mate veranderd, [126]verbasterd, naar de uitspraak der Fransche tonge, naar de spelwijze der Fransche penne vervormd, verdraaid, mismaakt. Reeds zijn een paar van dat soort van namen vermeld op bladzijden 102 en 115, waar medegedeeld is dat van den ouden en oorspronkelijken naam Henrickinghem heden ten dage Heuringhem is geworden, en dat Ophove tot Au Pauvre is verfranscht. De volgende Artesische plaatsnamen behooren verder nog tot deze groep: Hydrequent, de hedendaagsche naam van een dorp in Artesië, is oorspronkelijk Hildheringahem, de woonplaats der Hilderingen, der nakomelingen van Hildheri of Hilder, een volledige algemeen Oud-Germaansche mansnaam. In eene oorkonde van den jare 1286 staat deze volledige dorpsnaam in den vorm Hildrichem vermeld, een vorm die wel reeds eeniger mate versleten is, maar die nog duidelijk een Germaansch voorkomen heeft, terwijl het hedendaagsche Hydrequent volkomen onkenbaar zoude zijn, ware ’t niet dat de genoemde middeleeuwsche oorkonde ons op het goede spoor bracht ter herkenning en verklaring. Een tegenhanger van Hydrequent is de hedendaagsche naam Rinxent, mede eigen aan een Artesisch dorp. Deze naam vinden wij in eene oude oorkonde vermeld als Erningessem, en in een ander middeleeuwsch geschrift, maar van latere dagteekening, als Reningessem. De oudste vorm is de oorspronkelijkste, en doet ons dezen naam duiden als Erningeshem, Erningshem, Erning’s woonplaats. De vorm Reningessem is slechts een letterkeer van Erningessem, en Rinxent is daarvan eene verdere verbastering. Eindelijk nog Hardinxent, dat van oorsprongs wegen Hardingessem, Hardingshem, de woonplaats van den man Harding is. Erning en Harding, als samenstellende deelen van de twee laatstgenoemde plaatsnamen zijn wel patronymicale vormen, maar deden toch dienst als eenvoudige mansvóórnamen, gelijk uit hunne genitiefvormen op es uitgaande blijkt, en gelijk nog heden in Friesland voorkomt, waar Tjalling, Waling, Eling, enz. ofschoon eigentlijk patronymica zijnde, toch ook als eenvoudige mansvóórnamen dienst doen. Verder, Dohem heette in de elfde eeuw Dalhem, de woonplaats in het dal, een plaatsnaam die als Dalhem (in ’t Land van Luik), als Dalem (in Gelderland) en als Thalheim, [127]nog heden aan België, Nederland en Duitschland eigen is. Upen komt in oude oorkonden als Ophem voor, een naam die door eenen geleerden Franschman dezer eeuw terecht als „Village d’en haut” is verklaard. Het hedendaagsche Weims is ook zeer verbasterd, naardien de oorspronkelijke vorm van dezen naam is Widinghem, dat is: woonplaats der afstammelingen van Wido, Wito, Wyt, (Guido in verfranschten vorm). De mansnaam Wido is in verschillende vormen en onderscheidene afleidingen en samenstellingen zeer algemeen, vooral onder de Friezen (Wytse).—De dorpsnaam Tubersent van heden ten dage doet ook den oorspronkelijken vorm niet raden noch erkennen. Die oude, volledige vorm is Thorbodessem, Thorbodeshem, de woonplaats van den man, die den zeer ouden en schoonen mansnaam Thorbodo droeg.
Nog drie dorpsnamen zijn in Artesië, die in zoo sterke mate verbasterd en verfranscht zijn, dat niemand ze meer zoude kunnen herkennen als namen die eenen Germaanschen oorsprong hebben, dat iedereen ze voor Romaansche, voor echt Fransche namen moet houden. Dat zijn de namen Herbelle, Annezin en Fampoux. Den eerstgenoemden naam vinden wij in eene oorkonde van de elfde eeuw vermeld als Hardberg. Inderdaad ligt Herbelle op eenen heuvel of berg, die heden ten dage Roide-Mont heet.—Annezin is verbasterd van Annineshem, zooals deze dorpsnaam in oude geschriften voorkomt. De oorsprong, de beteekenis van dit Annineshem is niet recht duidelijk. Het kan oorspronkelijk Anningshem zijn, samengesteld met eenen mansnaam Anning, die een patronymicale vorm van den mansnaam Anne is, oneigenlijk gebruikt, zooals op de voorgaande bladzijde aangegeven is bij Harding en Erning, Tjalling, enz. Het kan ook beteekenen: woonplaats van Annin, ’t welk dan als een verkleinvorm van Anne gelden kan. Anne, op zich zelven, is nog heden als mansnaam bij de Friezen in volle gebruik, en sommige Friesche geslachts- en plaatsnamen zijn aan dezen mansnaam ontleend: bij voorbeeld, om van beide naamsoorten slechts eenen naam te noemen: de geslachtsnaam Annema, en de naam van het dorp Anjum, oorspronkelijk voluit Anningahem.—Fampoux eindelijk is langs de vormen Fampoel, [128]Vanpoel, Venpoel, ontstaan uit den oorspronkelijken naam Venepoel (Friesch Feanpoel, Oud-Friesch ook Faen voor veen), door eenen Artesischen geleerde van deze eeuw vrij juist vertaald als Etang de la tourbière.
Aan het slot van dit opstel willen wij nog eene bijzondere zaak hier te berde brengen, die wel de aandacht verdient der volkenkundigen, bijzonderlijk van hen, die de tochten nasporen van die volken en volksstammen uit Noordwestelijk Germanië, welke Brittanië hebben ingenomen en aldaar hunne volkplantingen hebben gevestigd.
Reeds een en andermaal is er in deze verhandeling op gewezen, dat eenige bijzondere woorden en woordvormen, die in Artesische plaatsnamen voorkomen, eveneens gevonden worden in Engelsche plaatsnamen, of anderszins eigen zijn aan de Engelsche taal. Dit betrof echter in hoofdzaak slechts eenige samenstellende deelen van die namen. Maar daar bestaat nog eene grootere overeenkomst tusschen sommige Artesische en Engelsche namen, eene overeenkomst die den geheelen naam betreft. Zoo vinden wij de volgende namen:
| In Artesië en | in Engeland. |
| Warhem. | Warham. |
| Fréthun. | Freton. |
| Hollebecque. | Holbeck. |
| Sangatte. (Zie bladz. 119). | Sandgate. |
| Inghem. | Ingham. |
| Wimille. (Zie bladz. 121). | Windmill. |
| Grisendale. | Grisdale. |
| Rattekot. | Radcot. |
| Le Wast. | Wast. |
| Appegarbe. | Applegarth. |
Het valt niet te ontkennen dat enkelen dezer namen een meer algemeen karakter hebben, en zeer wel, volkomen onafhankelijk van elkanderen, elk op zich zelven, Noord en Zuid van het Engelsche-Kanaal kunnen zijn ontstaan; bij voorbeeld: Wimille, Windmill en Sangatte, Sandgate. Toch blijft, bij de [129]andere namen, de overeenkomst opmerkelijk, en een gemeenschappelijke oorsprong blijft niet buitengesloten. In sommige patronymicale namen ligt zulk een gemeenschappelijke oorsprong nog nader voor de hand. Zie hier nog een lijstje van die overeenstemmende patronymicale plaatsnamen,
| in Artesië | en | in Engeland. |
| Alincthun. | Allington. | |
| Bazinghem. | Bassingham. | |
| Colincthun. | Collington. | |
| Hardinghem. | Hardingham. | |
| Linghem. | Lingham. | |
| Balinghem. | Ballingham. | |
| Berlinghen. | Birlingham (Nevens Berlicum, dat is voluit Berlinkheim, in Noord-Brabant en in Friesland). | |
| Elighen. | Ellingham. | |
| Eringhem. | Erringham (Nevens Erichem, dat is voluit Erinkhem, in Gelderland). | |
| Lozinghem. | Lossingham. | |
| Maninghem. | Manningham. | |
| Masinghen. | Massingham. | |
| Pelincthun. | Pallington. | |
| Todincthun. | Toddington. |
De patronymica die den grondslag van deze namen uitmaken, en die, aan den Artesischen en aan den Engelschen kant geheel de zelfden zijn, of anders zoo gelijkvormig, dat een zelfde oorsprong voor beiden aangenomen mag worden, hebben bij sommigen de meening doen ontstaan dat zoowel de Artesische als de Engelsche plaatsen, waaraan deze namen eigen zijn, juist ook door de zelfde lieden zouden zijn gesticht. Met andere woorden, dat de zelfde Hardingen, de afstammelingen van eenen zelfden aartsvader Hardo, in Artesië zoowel een hem, eene woonstede zouden hebben gevestigd, een Hardinga-hem (Hardinghem), als in Engeland (Hardingham). Ofschoon deze zaak geenszins onmogelijk, zelfs niet onwaarschijnlijk te achten is, zoo vloeit ze toch ook geenszins noodzakelijk voort uit deze gelijkheid der plaatsnamen. [130]Immers Hardo was, en is nog heden, een algemeene mansvóórnaam, die door verschillende personen te gelijker tijde gedragen werd en wordt. Zoo zijn er ook verschillende maagschappen Hardinga of Harding, Hardink, onderling niet verwant. De eene maagschap van dien naam kan in Artesië, de andere in Engeland een hem hebben gegrondvest.
Engelsche navorschers en geleerden hebben uit deze gelijkluidende of volkomen gelijke plaatsnamen nog eene andere meening afgeleid. Volgens hen zouden lieden, inwoners uit Hardingham in Engeland (om bij het eens genomen voorbeeld te blijven), als landverhuizers of volkplanters zijn uitgetogen, om in Artesië zich te vestigen. Bij hunne vestiging aldaar zouden zij dan, in herinnering aan hunne voormalige woonplaats, hunne nieuwe woonstede genoemd hebben met den zelfden naam, dien het oude hem (ham) in Engeland droeg—gelijk zulks in deze eeuw menigvuldiglijk is geschied bij de volkplantingen van Engelschen, Nederlanders en andere Europeanen in Amerika. Intusschen, de geschiedenis leert ons dat de vestiging van Sassen en andere Neder-Duitschers in Artesië reeds van zeer oude dagteekening is, en, voor een deel althans, zeer zeker ouder dan de nederzetting dier volken in Brittannië. Wij meenen dus bij onze voorstelling dezer zake te mogen volharden, gelijk die op bladzijde 107 en vervolgens hiervoren is medegedeeld. Ook komt het ons aannemelijker voor bij deze gelijke namen in Artesië en in Engeland liever te willen denken aan eene toevallige gelijkheid, ontstaan door de algemeenheid van dezen of genen mansnaam (Hardo; Ale of Alle in Alincthun en in Allington en in Allingawier in Friesland)—dan aan eenzelvigheid in den persoon van den aartsvader, ’t zij deze dan Hardo of Ale, Colo, Colle of iets anders heette.
De patronymica van bovengenoemde Artesische en Engelsche plaatsnamen, en nog talrijke anderen hier niet opgenoemd, zoo mede de mansvóórnamen, waarvan zij afgeleid zijn, komen verder nog, in verschillende onwezenlijk afwijkende vormen, bij schier alle andere Germaansche volkeren en volksstammen eveneens voor, en hebben ook daar aan een groot aantal geslachts- en plaatsnamen hunnen oorsprong gegeven. Dit alles na te sporen en uitvoerig, naar den vollen eisch, hier te vermelden, en dan [131]ook de menigerlei opmerkingen, die zich daarbij voordoen, nader hier te ontvouwen, is zeker eene aangename studie. Wil ik echter niet te veel hooi op de vork nemen, wil ik niet te veel ruimte hier beslaan, niet te veel van de belangstelling mijner Lezers vergen, dan moet ik mij bescheidenlijk met het bovenstaande vergenoegen.
Zoo kort en beknopt mogelijk dien ik echter toch ook nog een paar bladzijden te wijden aan de Germaansche mans- en vrouwen-vóórnamen en aan de Germaansche geslachtsnamen, die in Frankrijk, die vooral in de Dietsche gewesten van dat land in gebruik zijn en voorkomen.
Wat de mans- en vrouwen-vóórnamen aangaat, zoo heb ik hier niet zoo zeer het oog op die namen van Germaanschen oorsprong, die over schier geheel de beschaafde wereld verspreid zijn, en die ook in Frankrijk geenszins ontbreken, zij het dan ook in verfranschten vorm. Zulke namen (Henri, Fréderic, Albert, Bertrand, Gérard, Guillaume, Louis, Charles—dan ook Henriëtte, Adèle, Mathilde, Gertrude, Berthe, en vele dergelijken) zijn wel van Oud-Germaanschen oorsprong; ze zijn zeker nog afkomstig van de Germaansche Franken, het volk van Keizer Karel den Grooten, die voor een deel de voorvaderen zijn van het hedendaagsche Fransche volk. Maar in het bijzonder vestig ik hier de aandacht op die Oud-Dietsche, Oud-Nederlandsche namen, die, veelal min of meer versleten, of in vlei- of verkleinvorm, nog eigen zijn aan de Dietsche, de Vlaamsche bevolking van Fransch-Vlaanderen en van Artesië, die daar in de middeleeuwen, en nog in de zestiende eeuw algemeen of vrij algemeen in gebruik waren, en die ook heden nog daar leven, zij het dan niet in geijkten zin, dan toch in het dagelijksche leven, in den huiselijken en vriendschappelijken kring.
Eene uitvoerige en belangrijke verhandeling over dit onderwerp, over deze Oud-Dietsche mans- en vrouwen-vóórnamen bij de bevolking van Noordwestelijk Frankrijk, is door C. Thelu geschreven, onder den titel Noms de baptême avec leurs contractifs et diminutifs en usage chez les Flamands de France, en geplaatst in het derde deel van het tijdschrift Annales du Comité flamand de [132]France. In die verhandeling wordt een zeer groot aantal van die namen vermeld. Het is inderdaad zeer merkwaardig te zien hoe vele echt Oud-Dietsche, echt Oud-Germaansche namen daar in die Oud-Dietsche gewesten, al behooren ze sedert twee of drie eeuwen en langer tot Frankrijk, nog in gebruik gebleven zijn, of voor jaren nog in gebruik waren.
Onder deze namen treft men er aan, die men hedendaagsche Algemeen-Germaansche, ook Algemeen-Nederlandsche kan noemen, zoo wel als bijzonder Friesche namen; dat is: Oud-Germaansche namen in Frieschen vorm, zoo vlei- als verkleinvorm. Uit dit voorkomen van Friesche namen en naamsvormen onder de Dietschen van Artesië, onder de Vlamingen van Fransch- of Zee-Vlaanderen blijkt eens te meer dat een deel des volks in die gewesten, langs den zeekant gezeten, van Frieschen oorsprong is, en van Frieschen volksaard.
Als enkele voorbeelden van zulke algemeen Oud-Dietsche namen in die gewesten, vermeld ik hier de mansnamen Alart (Adelhart), Arend (Arnhold, Aernout), Bartelt (Barthold, Berchthold, Bertout), Barent (Bernhart, Bernaart), Bruyn (Bruno), Evert (Everhart, Everaart), Ewout, Franck, Gysbert, Willem, Heynrick, Huybrecht, Coenradt, Ryckaert. En de vrouwennamen Brechtje, Engeltje, Duyfken, Truy, Aaltje (Adela), Roosje, enz.
En als voorbeelden van bijzonder Friesche namen en naamsvormen in die gouwen mogen de volgenden gelden:
Mansnamen. Eppo, Agge, Bouken, Bouwen (een samengetrokken vorm van Boudewijn), Wessel, Binnert, Bonne, Boye, Cyrick (in Friesche spelling Sierk), Douwe, Egge, Eling, Eise, Feycke, Feyen, Fonger, Gabe, Gauke, Gerken, Wybe, Hille, Ide, Jelken, Jelten, Lins, Lieuw, Lyckel, Lolck, Luyt, Lolle, Monten, Menne, Bonten, Rintse, Reyn, Riemer, Romke, Wimar, Wisse, Fedde, Hayen, Ytzen, enz.
Vrouwennamen. Lamke, Nieske, Aefje en Aefken, Mintje en Minke, Itjen, Femmetje, Gepke, Wybrig, Heyltjen, Hilleken, Idtsken, Jayke, Jel, Luts, Metjen, Rix, Richtje, Walleken, Wentje, Diewertje, Swaentje, Haeske, enz. [133]
Al deze namen zijn juist zóó als ze hier vermeld staan, of anders met geringe, onwezenlijke afwijkingen in de spelling, nog heden ook onder de Friezen in volle gebruik.
De schrijver van bovengenoemde verhandeling in de Annales du Comité flamand de France heeft den Oud-Germaanschen oorsprong van deze namen niet erkend. Hij is in zijne verklaring dezer namen volkomen op eenen doolweg. In al deze namen ziet hij slechts verknoeide, verminkte, versletene, saamgetrokkene, verkleinde, in sommige gevallen ook vertaalde vormen (Minke van Charitas) van Bijbelsche en van Kerkelijke namen, uitsluitend van zulke namen die door de Roomsch-Catholyke Kerk als doopnamen voor de kinderen van de belijders harer leer, in geijkten zin erkend worden. En zoo worden in die verhandeling die volledige Bijbelsche en Kerkelijke namen dan ook steeds als de oorspronkelijke namen vermeld, nevens die Oud-Dietsche en Friesche namen en naamsvormen. De schrijver staat in deze zaak geheel op het zelfde onjuiste standpunt, waar ook het bekende lijstje van doopnamen, ten dienste der Roomsch-Catholyke geestelijken op staat; te weten, de Nomina vernacula Hollandorum et Frisiorum, adjuncta nominibus Sanctorum, quae per illa significantur, gevoegd achter het Rituale Romanum contractum et abbreviatum in usum Sacerdotem Missionum Hollandiae.
Als voorbeelden van zulke geheel averechtsche naamsafleidingen, in Thelu’s verhandeling voorkomende, wijs ik hier op gedrochtelijke verklaringen, als Cyrick (Sierk, Sigerik, Zegerijk, rijk in overwinning) van den Kerkelijken naam Cyriacus; Eppo van den Bijbelschen naam Absalon, of van den Kerkelijken, oorspronkelijk Griekschen naam Epìmachus; Douwe van David; Fecken (Fekke) van Felix; Lolka van Lucas, Hayen (Hayo) van Hyacinthus. Verder op de vrouwennamen Lamke en Nieske die beide oorspronkelijk Agnes zouden zijn; op Minke dat van Charitas zoude komen; Femmetje van Euphemia, Jel (Jeltje) van Juliana, Grets (Gretske, Graetske) van Grata, enz. Maar genoeg van dezen onzin.
In het tijdschrift De Navorscher, jaargang XX, bladzijde 251, heb ik zelf, onder den titel Friesche namen in Frankrijk op bovengenoemde verhandeling van Thelu de aandacht gevestigd, en de zaak der Friesche namen in Frankrijk nader ontvouwd, [134]en met voorbeelden gestaafd. Naar deze twee geschriften, dat van Thelu en dat van mij, verwijs ik verder den belangstellenden lezer.
Wat nu de bijzonder Dietsche geslachtsnamen aangaat, die in schoone, veelal zeer oude vormen nog heden onder de Vlamingen en de Dietschen van noordwestelijk Frankrijk voorkomen, als eene getuigenis van den alouden oorsprong des volks in die gewesten, als eene getuigenis van de nauwe verwantschap, ja van de eenzelvigheid die ons, Noord- en Zuid-Nederlanders, met dien verlatenen broederstam in Frankrijk verbindt, vereenigt—daarvan weet ik nog minder mede te deelen dan van de Oud-Dietsche mans- en vrouwen-vóórnamen in die gouwen. Ik kan hier slechts enkele Oud-Dietsche maagschapsnamen geven, die door mij, op mijne omdolingen door de straten der steden Duinkerke, Sint-Winoks-Bergen, Hazebroek, Sint-Omaars, Kales en Boonen (St. Omer, Calais en Boulogne sur Mer) van de naambordjes der huizen zijn opgeteekend. Zie hier dat lijstje:
De Poorter, Houvenaghel, Van Cauwenberghe.5 [135]
Het gaat niet aan van alle deze maagschapsnamen hier naderen uitleg, nadere verklaring wat hunne beteekenis aangaat, te geven,—al is dit onderwerp ook nog zoo aanlokkelijk voor mij, en voor den Lezer zeker niet onbelangrijk. Maar ik zoude zoodoende te veel in herhaling moeten vervallen, met ’t gene ik reeds vroeger uitvoerig heb geschreven. Met mijn werk De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem, 1888) in de hand, kan iedereen de verklaring dezer namen gemakkelijk vinden.
Het is voor iederen Vaderlander duidelijk, dat dit allen goed Oud-Dietsche, ik mag wel zeggen goed Oud-Nederlandsche namen zijn, en dat de dragers dezer namen onze volksgenooten, ja onze volle broeders in volkenkundigen zin moeten wezen. Deze schoone namen zijn grootendeels of allen ongetwijfeld van oude dagteekening; zij bieden ook in menig opzicht allerlei aanleiding tot veelvuldige beschouwingen op het gebied onzer namenkunde. [136]