1 Dat ook oudtijds, reeds in de 16de eeuw, de Franschen zoo dachten, daarvan strekt het volgende voorval ten bewijze.
Jonker Wigle van Aytta, van Swichum, lid en Voorzitter van den Raad van State, en van den Geheimen Raad ten hove te Brussel, bij Keizer Karel den Vde en later bij diens zoon, was een echte Standfries. Eens ontving hij als voorzitter van den geheimen raad, een afgezant van den Koning van Frankrijk, die over belangrijke staatszaken met hem wilde onderhandelen. Deze man, van den zelfden aard, die velen Franschen in den tegenwoordigen tijd ook nog eigen is, sprak Jonker Wigle aan in het Fransch, en bracht hem zijne boodschap over, in die taal sprekende. Jonker Wigle liet hem geheel uitspreken, en gaf den Franschman toen zijn antwoord in het Friesch, dat is, in zijne eigene moedertaal. De ambassadeur nam dit hoogst euvel op, en vroeg, in zijne Fransche opgeblazenheid geraakt, of de raadsheer met hem en met zijnen koning den spot dreef, door hem bescheid te geven in eene taal, die hij niet verstond. Maar Jonker Wigle antwoordde in kalme en eenvoudige waardigheid, en zeide: „Zijn wij dan meer gehouden, om uwe taal te spreken, als Gij de onze? Wanneer wij in Frankrijk komen, spreken wij Fransch. Het is dus ook billijk, dat Gij, als Gij hier in de Nederlanden wat te zoeken hebt, ook onze taal gebruikt. Of, zoo Gij dit niet kunt doen, spreek dan Latijn, de taal die allen volkeren gemeen is.” ↑
2 Zie mijn opstel Oude Volksliedjes, voorkomende in den Frieschen Volksalmanak voor het jaar 1887 (Leeuwarden, A. Meyer). ↑
3 Bolwerk, ook in het Engelsch bullwark, een werk of samenstel van bollen, bolen, Hoogduitsch Bohle, dat zijn zware balken, behouwen boomstammen. Dit zuiver Oud-Germaansche woord vinden wij terug in het hedendaagsche Fransche woord boulevard, breede straat, lei of laan, aangelegd ter plaatse der voormalige bolwerken of vestingswallen en muren, die de oude steden omsloten hielden. ↑
4 In Vlaanderen echter met ééne uitzondering. De naam van de hedendaagsche Westvlaamsche stad Waasten komt in oude oorkonden voor als Warnasthun (1007), als Warneston (1066–1080, 1103), in 1126 verwaalscht als Garneston, en in 1347, niet ten onrechte, als Garneri fortitudo (de veste, de versterkte, omtuinde plaats, de tuin, tun of ton van Garner of Warner) in het Latijn vertaald. Zie Ant. Verwaetermeulen, Westvlaamsche Oordnamenkunde, in het Bijblad van het tijdschrift Biekorf, Slachtmaand, 1893. De hedendaagsche Fransche naamsvorm van Waasten is nog Warneton. ↑
5 Aernout, Van Graefschepe, De Coussemaker, De Baecker (Bakker), Hase, Baert, Bernaert, Becuwe, Blavoet, Bloeme, Cappelaere, De Haene, De Rode, De Ruywe, De Smidt, De Swarte, Meneboo (elders Minneboo), Strobbel, Top, Treutenaere, Van de Walle (ook half verfranscht als Deloualle), Verstavel, De Conynck, De Meunynck (de Monnik), De Grendel, De Laeter, De Smyttere, De Vos, Goudaert, Hopsomer (een, door Franschen invloed verbasterde vorm van Opsomer, Opzomer, dat ook in Noord- en in Zuid-Nederland voorkomt), Ryngaert, Van den Abeele, Van den Kerckove, Van der Veene, Verclytte, De Schodt, De Zitter, Wayenburg, Van der Colme, Beekmans, Behaghel, Bieswal, Blanckaert, De Beyer, De Coster, De Groote, De Man, Eeckman, Goemaere, Govaere, Herreman, Hooft, Liefooghe, Lootgieter, Spillemaker, Wittevronghel, Wyckaert, Wellecomme, Vinckevleugel, Wallaert, De Broere, Cleenewerck, Schoonheere, Van de Velde, Hazewindt, Van Acker, De Stuynder, De Waegemaeker, Plaetevoet, De Grave, Raeckelboom, De Mol, Elleboode, Yserbyt, (ook verfranscht tot Iserbi), Van Hove, Oswin, De Vilder, Van Heeghe, Dagbert, Keingaert, Swyngedauw, Van Eeke, De Temmaeker, Goeneute, Van Elslandt, en nog velen meer. Hier bij valt op te merken dat door de Franschen de namen die met het lidwoord de, of met het voorzetsel van of met van de, van den, van der zijn samengesteld, in één woord schrijven; bij voorbeeld Dehaene, Deruywe, Derode, Vanderwalle, Vandenabeele, Vandenkerckove, enz. De namen krijgen op die wijze zulk een vreemd voorkomen, dat een Nederlander zelf aanvankelijk ze niet herkent. ↑