Aardrijkskunde, Volkenkunde, Taalkunde—ziedaar drie wetenschappen, die bij de Germaansche volkeren onzer dagen, bij de Duitschers met de Duitsche Zwitsers en de Duitsche Oostenrijkers, bij de Nederlanders, de Engelschen en Skandinaviërs, met groote voorliefde beoefend worden. Maar ziedaar ook drie wetenschappen, die van de hedendaagsche Romaansche volken, van de Franschen en de Walen, van de Italianen, de Spanjaarden en Portugeezen in het algemeen, juist in veel mindere mate belangstelling, beoefening en toewijding mogen ondervinden. De neiging, de smaak, de voorliefde der Germanen richt zich bij voorkeur almede op deze wetenschappen; bij de volken van Romaanschen stam is juist het tegenovergestelde het geval. Vooral bij de Franschen staan, betrekkelijker wijze gesproken, Aardrijkskunde, Volken- en Taalkunde op eenen lageren trap dan dit met andere wetenschappen onder hen het geval is. Terwijl de behoorlijk ontwikkelde Nederlander, nevens zijne moedertaal, nog drie talen, Hoogduitsch, Engelsch en Fransch spreekt, vergenoegt en bemoeit de Franschman zich met zijne eigene taal alleen, en meent, in zijnen eigenwaan en hoogmoed, dat iedere vreemdeling hem te gemoet moet komen, en zijn Fransch moet verstaan. Hij beeldt zich in, dat hij met zijne eigene taal [92]de geheele wereld door kan te recht komen.1 En, wat aardrijkskunde betreft, is het niet herhaaldelijk gebleken, onder anderen in den Fransch-Duitschen oorlog van den jare 1870, dat de vreemdeling beter den weg wist te vinden in Frankrijk, beter op de hoogte was van de gesteldheid des lands dan de Franschman zelf?
Deze onkunde heeft ten gevolge, dat de Franschen deerlijk in menig vooroordeel bevangen zijn, op aardrijkskundig, volken- en taalkundig gebied; en dat zij zich dikwijls vergissen, waar deze wetenschappen hare toepassing vinden. Hiervan kunnen getuigen de menigvuldige vooroordeelen en averechtsche inzichten die de Franschen koesteren in zake de oorspronkelijk Germaansche, en weder tot het groote Duitsche vaderland gelukkiglijk terug gekomen landen Elsate en Lotharingen, en in alles wat met deze zaak te zamen hangt. Getuigen ook de meening, vrij algemeen onder het gros der Franschen verspreid, alsof hun land en volk een zuiver afgerond en samenhangend geheel zoude uitmaken, in alle opzichten ook overal oorbeeldig Fransch zoude zijn (in den zelfden zin als Parijs oorbeeldig Fransch is), van de noorder- tot de zuidergrenzen, van de oostelijke marken tot de westelijke zeeoevers. Ja, dat nog menig land en nog menige gouw daarbuiten, eigenlijk van oorsprongs- en rechtswegen [93]Fransch zouden zijn, of zouden moeten zijn; bij voorbeeld Waalsch-België, ja misschien wel geheel Vlaamsch-België met Brussel natuurlijk daarbij, als toegift. Verder de Elsate en Lotharingen, ja misschien al het Duitsche land links van den Rijn; het Franschsprekende deel van Zwitserland, om niet te gewagen van Savoye en Nizza en Corsica, reeds wederrechtelijk (uit een volkenkundig, aardrijks- en geschiedkundig oogpunt) bij Frankrijk ingelijfd.
Het eischt maar weinig wetenschap, om deze dwaze meening, die de roemzucht der Franschen zoo streelt, te wederleggen. Reeds eene oppervlakkige, maar rechtzinnige kennis van de beginselen der drie bovengenoemde wetenschappen, waarbij dan ook de Geschiedkunde niet mag vergeten worden, is voldoende om aan te toonen dat die zaak juist andersom is, dat juist het Fransche volk uit zeer verschillende bestanddeelen samengesteld is, uit allerlei volken van verschillenden, onverwanten oorsprong is voortgesproten. Germanen van Neder- en Hoog-Duitschen bloede (Franken en Burgunden), Skandinaviërs (Noormannen), Galliërs, Kelten (Brittanniërs of Bertoenen—Brétons), Basken, deze allen en nog anderen, hebben het hedendaagsche volk van Frankrijk voortgebracht. De taalgeleerde weet aan te toonen, zoo wel uit de geijkte Fransche boeketaal, als vooral uit de onderscheidene, onderling zeer ongelijke volksspreektalen in de verschillende gewesten en gouwen van Frankrijk inheemsch, dat deze zaak inderdaad alzoo bestaat. Den volkenkundige blijkt dit zelfde uit de menigvuldige eigenaardigheden des volks hier en daar, ginds en elders in Frankrijk. Daar is inderdaad geen gedachte en geen sprake, bij den geleerde niet, en evenmin bij den eenvoudigen, maar bedachtzamen opmerker, van eene eenvormige, in zich zelve afgeronde taal, noch van een eenvormig, onverdeeld volksbestaan bij de Franschen.
Eene der bijzonderste aanwijzingen van den vreemden, onfranschen, of liever gezegd, niet romaanschen oorsprong des volks in menig Fransch gewest (immers Fransch = Frankisch is oorspronkelijk Germaansch, en wel Neder-Duitsch, Dietsch als men wil), is te vinden in de namen der steden en dorpen, der gehuchten en landhoeven, der velden en heuvels, der rivieren en beken, kortom, der plaatsnamen in het [94]algemeen, in die gouwen. Daar zijn plaatsnamen in Frankrijk, zeer veelvuldig en zeer menigvuldig, uit allerlei talen, door allerlei volkeren eerst gegeven, en sedert, ofschoon veelal op allerlei wijzen verbasterd, tot heden in gebruik gebleven, al verstaat de hedendaagsche Franschman ze geenszins. Plaatsnamen van allerlei oorsprong: van Vlaamschen, of Dietschen in het algemeen, in het Noordwesten; van Noorschen oorsprong in Normandië; van Britschen (Keltischen) oorsprong in de Bretagne en elders; van Hoogduitschen (Burgundischen) oorsprong in de gewesten van het Oosten—om van de Hoogduitsche (Rijn-Frankische en Allemannische) namen in de Elsate en in Lotharingen niet te gewagen. Ook nog elders weer van Gotischen oorsprong; van Baskischen oorsprong in het Zuid-Westen, ja zelfs van Arabische of Moorsche afkomste.
Het is eene zeer belangrijke en, naar mijne meening, ook zeer aangename studie, die Fransche plaatsnamen van vreemden, onfranschen, onromaanschen oorsprong na te sporen en in hunne oorspronkelijke beteekenis en vorm te leeren kennen. Maar het zoude ons veel te verre afleiden en wegvoeren, wilden wij deze stoffe in het algemeen hier nader ontvouwen, al ware ’t dan ook maar zeer beknoptelijk en oppervlakkig. In bescheidenheid willen wij ons bepalen tot de Germaansche namen die in het Noord-Westen van Frankrijk voorkomen. Maar ook dan nog kunnen wij niet anders als in zeer algemeenen zin deze zaak behandelen, en slechts weinige namen uit de honderdtallen die daar zijn, slechts eenigen van de bijzondersten en opmerkelijksten hier den Lezer voorstellen. Moge dit sommigen tot eenen spoorslag strekken om aan dezen tak der aardrijks-, taal- en volkenkundige wetenschap in het bijzonder hunne aandacht te wijden. Vooral voor de Vlamingen, Brabanders en Limburgers, voor alle Dietsche Belgen, goede en echte Germanen als zij van oorsprongs wegen zijn, en in hunne neigingen en gevoelens moeten wezen, vooral voor dezen is het zeer nuttig te zien hoe diep het Germanendom in de Noordwestelijke gouwen van Frankrijk is doorgedrongen.
Van dat gewest in Frankrijk, waar nog heden de Vlaamsche, de Dietsche taal in meer of mindere mate de eigenlijke, de levende volksspreektaal uitmaakt, van Fransch-Vlaanderen dus, [95]heb ik hier niet te gewagen. Immers, dat Duinkerke, Hazebroek, Grevelingen, St-Winoks-Bergen, dat Mardijk, Hondschoten, Gyvelde, Merkeghem, Boeseghem, Bollezeele, Steenvoorde, Wemaarskapel, Godewaarsvelde, enz. enz. zuiver Germaansche, oorbeeldig Vlaamsche plaatsnamen zijn, is geheel natuurlijk in een land, waar het volk Vlaamsch spreekt. En hier, waar de woorden duin en kerke, haas en broek (moeras), dijk, berg en veld, steen en kapelle nog in de volksspreektaal leven, verstaat men die namen ook grootendeels in hunne beteekenis; terwijl de woorden hem (heim, woonplaats), zele, zaal of halle, voorde, doorgangsplaats in een water, met de mansnamen Wemaar en Godewaar allen deel uitmakende van de boven vermelde plaatsnamen, slechts weinig naderen uitleg behoeven om eveneens verstaanbaar te zijn.
Eenigszins anders is het gesteld in Artesië (Artois), het gewest dat dieper in Frankrijk gelegen, aan Fransch-Vlaanderen grenst, en de steden Kales (Calais), Boonen (Boulogne-sur-Mer) en Sint-Omaars (St.-Omer) bevat, met het land daartusschen en om henen gelegen. Evenals nog heden in Fransch-Vlaanderen, zoo is ook oudtijds in dit gewest de Vlaamsche taal volksspreektaal geweest. En zij is dit zelfs nog heden aldaar in een paar dorpen, onmiddellijk aan de stad Sint-Omaars grenzende, en daarvan als het ware eene voorstad vormende. Buitendien nog, maar in zeer beperkte mate, te Ruminghem en in enkele andere dorpen, in het Oosten van Artesië, aan de grens van Fransch-Vlaanderen gelegen. Maar dit alles is van weinig beteekenis, en verliest dagelijks aanmerkelijk. In de steden Boonen en Kales heeft het Vlaamsch eigenlijk nooit rechtstreeks geheerscht, al hebben daar dan ook steeds velen gewoond, uit de omliggende dorpen afkomstig, die Vlaamsch spraken, ja, al telt Kales, voornamelijk in hare voorstad St.-Pieters-Nesse (Saint-Pierre-les-Calais) nog heden duizenden Vlaamschsprekende Vlamingen, van elders daar heen getogen. Maar in de kleine steden en in de vlekken en dorpen van Artesië was Vlaamsch van ouds de eenige, de eigenlijke volksspreektaal. Langzamerhand heeft het aanmatigende Fransch de oorspronkelijke volkstaal daar verdrongen, eerst als schrijftaal, dan als spreektaal; in de middeleeuwen beginnende uit Picardië, aan de westelijke en zuidelijke grenzen des lands, en in zijnen [96]verderfelijken loop steeds voortschrijdende naar het Noorden en Oosten, tot het in deze eeuw eindelijk de oostelijkste gouwen, het Land van den Hoeke en het Land van Breedenaarde, tusschen Kales en St.-Omaars, bemachtigde. Gelukkig nog niet volkomen.
Deze zaak in haren oorsprong en voortgang, en in de nagenoeg volkomene overwinning die zij behaald heeft, is als eene voorspiegeling van het noodlot dat het nog stand houdende, maar zoo sterk bedreigde Vlaamsch in Fransch-Vlaanderen boven het hoofd hangt. Moge dit treurig verloop ook ten spiegel strekken aan den Vlaming in Belgenland, en hem opwekken tot de uiterste trouw aan zijne edele moedertaal, en tot scherpe waakzaamheid tegen haren vijand. De Friezen, oudtijds zoo hevig door den woesten Noorman besprongen, bekampt, uitgeplunderd, vermoord, en hun land verwoest, wekten elkanderen op tot waakzaamheid tegen dien wreeden vijand, door dit rijmke:
Hâldet goede wacht tsjin da Noardera oard.
Hwent út dy grima herna komt ús alle kwea foarth.
De Vlamingen mogen dit wel omkeeren, en in dezer voegen in gedachtenis houden:
Houdt goede wacht tegen het Zuider oord,
Want uit dien zoelen hoek komt ons alle kwaad voort.
Natuurlijk zijn daar in het Fransch, gelijk het heden ten dage in Artesië gesproken wordt, nog talrijke sporen van het Vlaamsch overgebleven. Maar vooral de plaatsnamen in dat gewest zijn nog heden ten dage de levende getuigen van het Vlaamsche, het Dietsche, Germaansche wezen des volks, dat deze namen eens gegeven heeft, van den Germaanschen taaltak, waaruit zij voortgekomen zijn. Zie hier eenigen van die namen, die echter in hunne hedendaagsche geijkte schrijfwijze min of meer de teekenen vertoonen van den Franschen invloed, waar aan zij onderworpen zijn.
1. Ricmaninghen, Audinghen, Hardinghen, Maninghen, Bazinghen, Hervelinghen, Tardinghen, Wacquinghen, Leubringhen.
2. Bonningues, Peuplingue, Bessingue. [97]
3. Lottinghem, Trelinghem, Herbinghem, Hocquinghem, Bertinghem, Tatinghem, Ruminghem, Elinghem, Spanghem.
De namen, onder no. 1 gerangschikt, zijn zuivere en eenvoudige patronymica in den locativusvorm. En die, onder no. 2 vermeld, zijn ook niets anders. Bij de eersten is de letter h, als kenmerk van de Oud-Dietsche schrijfwijze, behouden gebleven. Ook in de Westvlaamsche patronymicale plaatsnamen is die h nog heden menigmaal op hare oude plaats te vinden: Poperinghe, Vlamertinghe, Elverdinghe; terwijl men oudtijds in de noordelijke Nederlandsche gewesten ook alzoo boekstaafde: Vlissinghe, Vlaerdinghen, Groeninghen. Volgens de hedendaags in de Nederlanden geldende wetten onzer taal, maar die natuurlijk in Frankrijk onbekend en van geener waarde zijn, moet men schrijven Groningen, Vlaardingen, Vlissingen, Elverdinge of Elverdingen, Poperingen, enz. En dies ook Ricmaningen of zelfs Rijkmaningen, Audingen, Bonningen, enz. De vormen Bonningues, Peuplingue, Bessingue zijn maar verfranschte vormen. Zoo ook schrijven de Franschen de Noord-Nederlandsche patronymicale plaatsnamen op deze wijze: Groningue, Harlingue, Flessingue (Vlissingen).
De plaatsnamen Lottinghem, Trelinghem, enz. onder no. 3 gerangschikt, zijn eveneens patronymicale namen; maar achter dezen is het woord hem gevoegd. Dit woord hem is anders niet als het bekende algemeen Germaansche woord, dat nog leeft als heim bij de Hoog-Duitschers, als home bij de Engelschen, als hiem bij de Friezen, ook als heem in Noord-Nederlandsche plaatsnamen, en dat eenvoudig omvredigde woonstede beteekent. Dat de oude Artesiërs, langen tijd nadat zij die hemplaatsen hadden gesticht en die hemnamen daaraan gegeven, nog zeer wel de oorspronkelijke beteekenis van dit woord kenden, en ook nog zeer wel deze plaatsnamen wisten te ontleden in hunne samenstellende deelen, en ook de oude patronymica nog verstonden, blijkt hieruit, dat de plaatsnaam Tatinghem in eene oorkonde, die in de zevende eeuw en in de Latijnsche taal is opgesteld, zeer terecht voorkomt als Tatinga villa, de hoeve, de woonplaats, de sate van de maagschap der Tatinga’s, van [98]de Tatingen, van de nakomelingen van eenen stamvader, die den naam van Tate had gedragen; een mansnaam, nog heden in de Friesche gewesten voorkomende.
Opzettelijk zijn deze twee soorten van plaatsnamen met en of hen, en met hem, hier bij elkanderen gevoegd, en wensch ik ze, als onder één hoofd, hier nader te ontleden. Immers wisselen deze twee vormen veelvuldig onderling af. Men vindt deze namen zoowel met als zonder hem geschreven; zoowel Lottinghen en Tardinghen, eenvoudige patronymica in den locativus, als Lottinghem en Tardinghem, de zelfde patronymica met hem daarachter gevoegd. Reeds van oudsher heerscht deze onbestendigheid in deze en dergelijke namen, reeds van oudsher vindt men ze nu eens zus, dan eens zoo geschreven. En in de laatste eeuwen, sedert Artesië tot Frankrijk behoort, en de Fransche taal daar als de eenige schrijftaal heerscht, is deze verwarring nog vermeerderd, omdat de Franschen, geene andere taal verstaande dan hunne eigene, geen acht slaan op de nauwkeurige spelling van namen die geworteld staan in eene andere taal; namen toch, die zij niet verstaan, niet begrijpen. Deze zelfde naam Lottinghem bij voorbeeld, heb ik in Fransche boeken, reiswijzers, zelfs op Fransche landkaarten en in aardrijkskundige werken, nu eens als Lottinghen, dan weêr als Lottinghem gevonden, ja zelfs als Lottighem. Op den muur der spoorhalle van die plaats staat echter met groote letters Lottinghem, zooals ik zelf, daar langs reizende, gezien heb; en aan deze goede en volledige spelwijze wil ik mij hier dus houden. Trouwens, het onderscheid tusschen Lottinghen en Lottinghem is gering en onwezenlijk, uit een taalkundig oogpunt.
Den lezer zij hier in herinnering gebracht dat een Oud-Germaansch patronymicon bestaat uit eenen mansnaam met het achtervoegsel ing (ink in Sassischen, inga in Frieschen vorm); b.v. Manting uit den mansnaam Mante en ing; Wilmink uit Wilm of Willem of voluit Wilhelm en ink; Hayinga uit Hayo en inga. Zulk een patronymicon geeft de afstamming te kennen van den man, wiens naam daarvan het hoofdbestanddeel uitmaakt. Manting beteekent dus zoon, of afstammeling, van Mante; Wilmink is zoon van Willem, enz. Mantgum, [99]de naam van een dorp in Friesland, oorspronkelijk voluit Mantinga-hem, beteekent: woonstede der Mantingen, der afstammelingen van Mante. De Friesche vorm zulker plaatsnamen wijkt in geringe mate, en onwezenlijk, af van de Vlaamsche gedaante. Hadden de kinderen van eenen man die Mante heette, in Vlaanderen eene woonstede, dus een Mantinga-hem gevestigd, en ware deze sate tot een dorp aangegroeid, dat dorp zoude thans Manteghem heeten. Bij de Friezen heet het nu Mantgum.
Deze wijze van naamsvorming voor de maagschappen en hunne woonplaatsen is overoud en oorbeeldig Germaansch; wij vinden haar in alle Germaansche landen terug, met hem in Vlaanderen, ham in Engeland, heim in Duitschland, met um in Friesland. En Artesië toont, ook door de talrijke patronymicale plaatsnamen, die in dat gewest gevonden worden, ten duidelijksten dat het Artesische volk oorspronkelijk een echt Germaansch, een zuiver Dietsch, een Nederlandsch volk is.
Het zoude zekerlijk te veel gevergd zijn van het geduld des vriendelijken lezers van dit opstel, en ongetwijfeld te veel ruimte innemen van de plaats die hier beschikbaar is, indien ik alle bovengenoemde patronymicale plaatsnamen van Artesië hier nader wilde ontleden. Slechts van enkelen zij mij dit vergund.
Ricmaninghen.—Het is eene zeldzaamheid, als de mansnaam, die het hoofdbestanddeel uitmaakt van eenen patronymicalen geslachts- of plaatsnaam, in zijnen oorspronkelijken en volledigen vorm daarin voorkomt. Schier altijd is die mansnaam veranderd, verbasterd, versleten, verkort, somtijds zoodanig, dat hij ter nauwer nood of in ’t geheel niet meer te herkennen is. Veelal bestond hij reeds in zulk eene veranderde gedaante, als een zoogenoemde vleinaam, toen het patronymicon van dien naam eerst gevormd werd. Maar bij den Artesischen plaatsnaam Ricmaninghen is dit niet het geval. Ricman toch, de mansnaam waarvan dat patronymicon is afgeleid, heeft nog tot op heden zijnen oorspronkelijken, volledigen vorm behouden. Ricman, Rijkman is een mansnaam die heden ten dage zeer zeldzaam onder ons geworden is. In Vlaanderen en Holland heb ik dezen naam nooit aangetroffen, oud noch nieuw. Maar [100]onder de Friezen, die veel trouwer dan eenig ander Germaansch volk hunne oude namen bewaard hebben, is hij nog heden, zij het dan ook uiterst zeldzaam, in gebruik, als Rykman. Förstemann weet in zijn Altdeutsches Namenbuch het bestaan van dezen mansnaam uit eenige oude oorkonden aan te toonen. Ook leeft hij nog heden in Holland, in de geslachtsnamen Rijkmans en Rikmenspoel; in Duitschland als maagschapsnaam, in zijne Duitsche gedaanten als Reichmann en Riechmann; en in Engeland in den plaatsnaam Rickmansworth.
Overigens is Ricman een oorbeeldig gevormde naam, bestaande uit de naamstammen ric en man, die beiden nog menigvuldig deel uitmaken van andere volledige mansnamen; b.v. van Richard of Rijkhard, Rijkaert, Rikert; van Ricolf of Rijklof; van Ricwin, van Ricbert, van Ricwold of Ricout; ook van Wilrik, Henrik, Frederik. De naamstam man leeft nog in Herman, Hartman, Mangold, Manfred. Zoo is de plaatsnaam Ricmaninghen een voorbeeld van de zeldzaam voorkomende volledige hedendaagsche naamsvormen; en het is nog zoo veel opmerkelijker, dat deze oorbeeldige en oorspronkelijke Germaansche naam in Frankrijk voorkomt, onder eene thans Fransch sprekende bevolking.
Onder al de patronymicale plaatsnamen op bladzijden 96 en 97 vermeld, is daar verder geen een, die den mansnaam, welke aan het patronymicon ten grondslag ligt, nog in volledigen of in onverbasterden vorm vertoont. De mansnaam, in Hardinghen en in Bertinghem verscholen, is nog het gemakkelijkste aan te toonen, omdat Hard of Hart en Bert mansnamen zijn, bij alle Germaansche volken bekend en in gebruik. Het zijn wel geen volledige namen; het zijn slechts halve namen, ingekorte namen, zoogenoemde naamstammen, of anders gezegd, vleivormen van volkomene namen. Hard en Bert (Bercht, Brecht) maken deel uit van vele volledige namen; bij voorbeeld van Hartman, Hartger (nog heden bij de Friezen in gebruik), van Hardewyn (Hardouin), Hartwig; van Gerhard (Gerard, Geeraert, Geert), Folkhart (Volkert, Fulkaert), enz. En van Bertwyn (Berchtwin, Bertin), Bertolf (Brechtwulf), Berthold (Bertout), Albert (Adelbrecht), Herbert, en vele dergelijken. Bij honderden zijn [101]de schoone Hard- en Bert-namen bij onze voorvaderen te vinden.
Ter verklaring van de mansnamen die aan Audinghen, Maninghen, Bonningues, Bessingue, Tatinghem, Elinghem, Spanghem ten grondslag liggen moet de bijzonder Friesche namenkunde helpen. Immers slechts onder de Friezen zijn die namen nog in wezen, of anderszins bekend gebleven, terwijl ze bij de andere Germaansche volksstammen verloren gegaan zijn. Zoo vinden wij in den plaatsnaam Elinghem het patronymicon Eling, den mansnaam Ele. Deze mansnaam, ook in zijne verkleinvormen Eelke, Eelco, Eeltje, Eeltse, Eelse, en in zijnen vrouwelijken vorm Eelkje, en tevens, oneigenlijk, in zijnen patronymicalen vorm Eling, is nog heden bij de Friezen in volle gebruik. En zeer menigvuldig zijn ook bij de Friezen de geslachts- en plaatsnamen, van Ele afgeleid; bij voorbeeld: Elinga, Elema, Eelkema, Eelcoma, Eelsma, Eeltjes, Elingsma, Elinxma, enz. En Elahusen, dorp in Friesland; Elens (voluit Elinga), gehucht bij Ulrum in Groningerland; Eelswert, gehucht bij Opwierde in Groningerland, Elinga-sate te Ferwerd in Friesland, Eelsma-state te Siksbierum in Friesland, Elema-heerd bij Godlinse in Groningerland. Ook Ehlingen, zooals een dorp heet bij Ahrweiler tusschen Bonn en Coblentz gelegen, en Elinghen een dorp bij Halle in Brabant, behooren tot de plaatsnamen, van den mansnaam Ele afgeleid. Misschien ook Elixem (Elinks-hem?) in het land van Luik; Elene in Oost-Vlaanderen; Elewijt in Brabant. De oude, oorspronkelijke vormen dezer drie laatstgenoemde Belgische plaatsnamen zijn mij onbekend; dus kan ik ze niet met zekerheid verklaren.
Wat nu den mansnaam Ele op zich zelven aangaat, deze is anders niet dan een vleivorm, in vervloeide gedaante, van Edel of Adel (Athal), deel van zoo menige volledige Oud-Germaansche mansnaam; bij voorbeeld van Athalbercht, Adelbrecht, Aelbert, Albert; (ook Elbert komt voor in de Sassische gewesten van Nederland); of van Athalwin, Alewijn, in Engeland Elwin, enz.
De Artesische plaatsnaam Spanghem is voluit Spanning-hem, Spanninga-hem, en afgeleid van eenen mansnaam [102]Span, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld, en die bij de Friezen nog langen tijd na hunne Kerstening in gebruik gebleven is. Hij leeft ook nog heden bij de Friezen in hunne geslachtsnamen Spanninga, Spans en Span, en in hunnen plaatsnaam Spannum (dat is: Spanna-hem, woonstede van Span), zooals een dorp heet in den driehoek tusschen de steden Leeuwarden, Franeker en Bolsward. Van dezen plaatsnaam is dan weêr de maagschapsnaam Spanhemius, in verlatijnschten vorm, afgeleid. Eindelijk nog Spanga (gea, verhollandscht tot ga, is het Friesche woord voor dorp), een dorp in de Friesche gouw Stellingwerf gelegen. Een ander Spanheim, abdij, ligt er nog bij Kreuznach in de Pruissische Rijn-Provincie.
Het zoude ons veel te verre afleiden, zoo wij al de overige patronymicale plaatsnamen van bladzijden 96 en 97 hier nader wilden uitleggen. Voor een deel althans vindt men de mansnamen die daar aan ten grondslag liggen, zoo mede hunnen samenhang met Friesche geslachts- en plaatsnamen aangegeven in mijne Friesche Naamlijst, die, in vereeniging met het Friesche Woordenboek, is uitgegeven bij Meyer en Schaafsma te Leeuwarden.
De overige patronymicale plaatsnamen van Artesië zijn, in de mansnamen die daarin verdoken zitten, zoodanig verbasterd, ingekort, veranderd, dat zij schier onkenbaar zijn geworden, en het bij velen de grootste ervarenheid in de Germaansche namenkunde vereischt, om ze te ontleden en te verklaren. Ja, zoo de oorspronkelijke, de volledige vormen ons, in vele gevallen, niet uit oude oorkonden bekend waren, het zoude nu onmogelijk zijn om klaarheid in deze duisternis te brengen. Immers, om een enkel voorbeeld te noemen, wie zoude met den plaatsnaam Heuringhem niet verlegen staan ter verklaring? Maar de middeleeuwsche oorkonden komen ons te hulpe, en leeren ons dat dit dorp in die tijden Henrickinghem heette. Nu wij dit weten, is de duiding van Heuringhem zeer gemakkelijk; het is het hem, de woonstede der Henrickingen, der afstammelingen of zonen van eenen man, die den volledigen Oud-Germaanschen naam Henrik of Heinric gedragen heeft.
Daar bestaat nog eene vierde groep van Germaansche patronymicale plaatsnamen in Artesië. Evenals de namen van de [103]derde afdeeling (zie bladzijde 97) patronymica zijn met het woordeken hem daar achter gevoegd, zoo zijn de namen van deze vierde groep patronymica met het woordje tun of thun als achtervoegsel. Deze plaatsnamen zijn dan: Warincthun, Todincthun, Alincthun, Olincthun, Baincthun, Verlincthun, Tourlincthun, Colincthun, Pelincthun, enz.
Dit achtervoegsel tun of thun is een zeer bijzonder en merkwaardig Oud-Germaansch woordeken. Het beteekent oorspronkelijk eene omheining, eene omvrediging gevormd van naast elkanderen geplaatste en onderling verbondene, samengevlochtene en samengehechte teenen, tinen of twijgen, die een stuk grond, eenen akker, een huis, eene landhoeve om- en insluit. Zulk eene omheining omsluit nog, op oude afbeeldingen, den leeuw van het Hollandsche wapenschild; of ook, in zinnebeeldige voorstelling, de Hollandsche Maagd, en draagt dan nog den oorspronkelijken naam van „de Hollandsche tuin”. Ook in het Hoogduitsch heeft dit woord, in den Hoogduitschen vorm zaun, nog zijne oorspronkelijke beteekenis van omheining behouden, ook als deze omheining uit palen of planken bestaat. In de Protestantsche kerken van Nederland is de ruimte rondom den predikstoel gemeenlijk met eene omheining, in de gedaante van een vierkant houten hekwerk omgeven, waar binnen de bediening van den H. Doop plaats heeft. Dien ten gevolge draagt deze omheining wel den naam van doophek. Maar in Zeeland is deze benaming niet in gebruik; daar noemt men het doophek tuun—aldus de oude en oorspronkelijke beteekenis van dit woord in stand houdende.
Overigens is in Noord-Nederland de beteekenis van dit oude woord tun verloopen en van omheining overgegaan op het omheinde. Eenen hof of eene gaarde, waar men bloemen en sierboomen, of ook vruchten en groenten kweekt, noemt men hedendaags in Holland eenen tuin, in Friesland tuun (tún), aldus pars pro toto nemende. Indien de Vlamingen dit woord in deze oneigenlijke, onredelijke beteekenis niet van de Hollanders willen overnemen, al wordt het hun ook als geijkt Nederlandsch opgedrongen, handelen zij redelijk en rechtzinnig. Het eigene Vlaamsche woord hof of gaarde, vroeger ook in Noord-Nederland [104]in volle gebruik, is beter, ouder, oorspronkelijker. Dat men zich daaraan dan houde!
Als een bewijs hoe zeer de oude beteekenis van het woordeken tun in Noord-Nederland verloren gegaan is, moge ’t volgende dienen. Daar is een overoud volksliedje, dat in de middeleeuwen in alle Nederlandsche gewesten, in alle Nederduitsche landen en gouwen, van Duinkerke en nog verder westelijk, tot Hamburg en nog verder oostelijk bekend en in veelvuldig gebruik was. Dat begint alzoo:
De koekuyt op de tune sat:
Het regende seer en hi werd nat.
Heden ten dage is dat liedeken bijna volkomen vergeten en uit der lieden harte en mond verdwenen. Slechts in weinige plaatsen van het bovengenoemde groote taalgebied kent het volk het nog. Eene van die plaatsen is de stad Bolsward in Friesland. Maar, het woord tuun, waar een vogel op zoude kunnen zitten, niet meer verstaande, zoo heeft men dit woord veranderd, en men zingt daar nu:
De koekuut op’e toren sat—enz.2
Ook in Engeland is het oude woordeken tun bewaard gebleven, zij het dan ook, door verloop van tijd, in eene eenigszins veranderde gedaante, en tevens in eene gewijzigde beteekenis. Ook in Engeland, als in Holland, heeft men pars pro toto genomen, en heeft het oude tun, thans als town, de beteekenis van stad gekregen. Namelijk stad, als eene omheinde, omtuinde, door eenen tuin (bolwerk,3 wal of muur) omringde woonstede. Eerst was de enkele sate, het enkele huis van den Germaan, ’t zij dan in Engeland of aan den vasten wal in Artesië, Vlaanderen of waar elders, omtuind; daarna twee of meer landhoeven [105]van verwante of bevriende lieden gezamentlijk. Dit gehucht (gehöfte, ge-hof-te) groeide dan aan tot een dorp, later tot eene stad, en de tun, oorspronkelijk uit teenen gevlochten, was eveneens vermeerderd, versterkt, veranderd in eene omheining van zware balken, later in eenen sterken steenen muur met torens en poorten. De oude naam tun, ton, town was evenwel gebleven, gold eerlang voor de geheele stad, en bleef ook in den naam van stad of dorp bewaard, in Engeland zoowel als in Artesië. Voorbeelden: Allington in Engeland, overeenkomende met Alincthun in Artesië. Andere plaatsnamen, in hunne patronymica eenzelvig met Allington en Alincthun, zijn nog Allincourt (Allinkhove) in de Champagne, en Alligny (Allingen) in Burgundie, Frankrijk. Verder Allingawier, dorp in Friesland; Allingasate, boerenhofstede bij het dorp Tietjerk in Friesland; Allingahuizen, gehucht bij het dorp Winsum in Groningerland; Alingewolde, de oorspronkelijke en volledige naam, zooals hij in middeneeuwsche oorkonden voorkomt, van het hedendaagsche Ayenwolde, een dorp in Oost-Friesland; Allinghausen, geh. bij Wald-Broel in Rijn-Pruissen; Alkofen, oudtijds voluit Allinchova, het hof der Allingen, een dorp in Beieren, enz. Zoo als men ziet, kinderen of afstammelingen van mannen, die Ale of Alle geheeten hebben, zijn er in alle Germaansche landen, Engeland en de Germaansche gewesten van Frankrijk niet buiten gesloten, overal geweest; en ze zijn daar blijkens de levende geslachtsnamen, in menigvuldig aantal, nog in wezen. Even zoo de plaatsnamen, naar Alle en Ale genoemd.
Maar keeren wij tot de tunnamen terug. Andere zulke namen, als plaatsnamen zoo veelvuldig in Engeland voorkomende, zijn nog Eckington, Edington, Alkington, Kensington, Bennington, Sherrington, en honderden anderen, schier allen patronymicale namen.
Hoogst opmerkelijk is het, dat plaatsnamen met het woord tun samengesteld, in andere Germaansche landen bijna geheel ontbreken, althans zoo hoogst zeldzaam zijn, dat de onvermoeide en geleerde navorscher Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch er slechts een zevental weet aan te wijzen—terwijl zulke namen juist in Engeland zoo ruimschoots en overtalrijk [106]voorkomen, en ook in Artesië, het kleine grondgebied in aanmerking genomen, betrekkelijk even talrijk zijn. Bij de Angel-Sassen maakten deze plaatsnamen wel een achtste gedeelte uit van alle namen over het geheele land van dezen volksstam verspreid. Uit dit samentreffen der tunnamen in het Angelsassische Engeland en in Artesië (terwijl wij die namen te vergeefs zoeken in het landschap Angelen (in Sleeswijk), in al de Sassische landen en gouwen van Noordwestelijk Duitschland en Oostelijk Nederland, in geheel Friesland en Vlaanderen,4 alle landen wier ingezeten ten nauwsten met de Angel-Sassen en de Artesiërs verwant waren of zijn)—uit dit samentreffen mogen wij wel besluiten, dat er eene nauwe bloedverwantschap, eene oorspronkelijke eenheid van afkomst bestaan heeft tusschen het Sassische volk dat in Engeland, en dat hetwelk in Noordwestelijk Frankrijk, aan het later zoogenoemde Litus saxonicum, dus in het hedendaagsche Artesië zich heeft neêrgezet.
En even opmerkelijk is het dat de patronymica, voorkomende in de Artesische tunnamen, met inc (ink) zijn samengesteld (Alincthun, Todincthun), terwijl de enkelvoudige patronymica (Ricmaninghen, Wacquinghen) en die welke hem tot achtervoegsel hebben (Lottinghem, Ruminghem), juist door den vorm ing zijn gekenmerkt. Hiervan is mij geene uitzondering bekend. Nu weten wij (op bladzijde 98 hiervoren is het ook reeds vermeld), dat juist de Sassische patronymicaal-vorm ink is, terwijl de Frankische ing en de Friesche inga is. De patronymica op ink zijn bijzonder eigen, zoo in geslachts- als in plaatsnamen, aan de Sassische gouwen van Nederland, terwijl ze in de Frankische en Friesche gewesten ontbreken, en door ing en inga vervangen zijn. Het ligt dus voor de hand om aan te nemen, dat het Germaansche, het Dietsche volk dat Artesië bewoont, [107]en dat de bijzonderheden zijner oorspronkelijke taal ons in de Artesische plaatsnamen heeft nagelaten, van tweeërlei stam was, van Sassischen en van Frankischen of van Frieschen bloede. En tevens dat de Sassen de tunnamen, de Franken en de Friezen daarentegen de hemnamen, met de enkelvoudige patronymicale plaatsnamen, hebben in ’t leven geroepen. Daar is niets, voor zoo verre mij bekend is, dat zich tegen deze stelling verzet; integendeel, daar is buiten dien nog veel, dat haar aannemelijk maakt. En zoo straalt hier de namenkunde, versterkt door de kennis van de eigenheden der volkstaal bij de verschillende stammen waaruit ons Dietsche volk bestaat, een verrassend licht uit op de geschiedenis van die volken in die overoude tijden, waarvan de geschiedboeken zwijgen of slechts schaars eene spaarzame getuigenis afleggen—overoude tijden, waaruit geene schriftelijke oorkonden, ter nauwernood enkele vage overleveringen bestaan. Een licht, dat ons de wegen doet kennen, die de wandelende volksstammen in dien grauwen voortijd gegaan zijn, en de landstreken die zij doorgetrokken zijn—een licht, dat de plaatsen ons doet kennen, waar zij zich eindelijk in vaste woonsteden blijvend hebben gevestigd, de Sas in zijnen tun, de Frank en de Fries in zijn hem.
Het moet ons niet verwonderen, dat wij in Artesië, even als ook in Engeland, de Sassische tun- en de Frankische en Friesche hemnamen thans naast en nevens elkanderen, als ’t ware onder elkanderen vermengd vinden. Wij weten immers, dat de benden volks, de volkplanters of landverhuizers, de uitwijkelingen die Brittannië veroverden en bevolkten, uit maagschappen, gezinnen en enkelingen van verschillenden volksaard, uit Sassen, Angelen, Jutten (of Noord-Friezen) en Friezen waren samengesteld.
Ik stel mij deze zaak aldus voor. In de vijfde eeuw voornamelijk, maar ook reeds vroeger in de derde en vierde eeuw na Christi geboorte, trokken lieden uit de verschillende volken die in Noordwestelijk Germanië waren gezeten, om lotsverbetering te erlangen, over de Noordzee naar het rijke en vruchtbare, door de Kelten slechts dun bevolkte Brittannië. Juist zoo, en om de zelfde redenen, als in deze negentiende eeuw [108]lieden uit allerlei volken van Europa naar Noord-Amerika trekken. Westwaarts was de leuze, toen zoowel als nu. Geheele benden volks trokken uit hunne oorspronkelijke woonsteden aan den zuidelijken oever der Noordzee en van de meer binnenlands gelegene heidevelden, te scheep gaande in de monden van Eider, Elve en Weser, van Eems, Lauwers en Flie, dwars over de Noordzee naar Brittannië, in die tijden het Land van Beloften. Die reize ging met groote moeilijkheden gepaard, in aanmerking genomen de kleine en gebrekkige schepen (kielen, ceola’s of tsjalken), waarmede men zich behelpen moest. Om dit bezwaar, aan dien tocht over de veelal onstuimige Noordzee verbonden, zooveel mogelijk te ontgaan, koos men den kortsten overgang, het nauwste gedeelte der zee, de plek waar de vaste wal het dichtste tot de oevers van het eiland Brittannië naderde. Met andere woorden, men koos dat gedeelte van het Engelsche Kanaal, ’t welk de Friesche en Hollandsche zeelieden van onze dagen de Haden of de Hoofden noemen, en dat in de boeken als het Nauw van Calais bekend is. Om daar te komen, moesten die uitwijkelingen uit hunne oostelijke woonsteden langs den zuidelijken oever der Noordzee west- en zuid-westwaarts voorttrekken. En zoo deden zij.
Zooals boven reeds gezegd is, bestonden die benden landverhuizers uit allerlei volk, uit leden van verschillende, maar verwante volksstammen, die elkanderen onderling, met meer of minder moeite, in ’t spreken verstaan konden. Sassen vormden zekerlijk wel het hoofdbestanddeel van deze benden, die slechts los onderling samenhingen, die slechts door den gemeenschappelijk ondernomen tocht, slechts door het gemeenschappelijke doel verbonden waren.
Op hunnen tocht door de gewesten, die heden ten dage Holland, Zeeland, Vlaanderen heeten, kwamen zij hier en daar door weinig bevolkte of geheel eenzame oorden, die hun genoegzaam levensonderhoud aanboden, en die, door verlatenheid zoowel als door vruchtbaarheid, den armen landverhuizers noopten daar voor goed te blijven. Zoo deed dan ook deze of gene maagschap, dit of dat gezin, versterkt met den een of anderen, of met meerdere bevriende enkelingen. Dit is waarschijnlijk de oorsprong, bij voorbeeld, van het dorp Sassenheim (woonstede der Sassen, eene Sassische volkplanting?) in Holland tusschen [109]Haarlem en Leiden. En tevens van de talrijke sporen van Sassen en Friezen en Sweven, die de opmerkzame navorscher nog heden in Zeeland en in West-Vlaanderen en Zee-Vlaanderen ontmoet. Zoo kwamen de landverhuizers, wier scharen onder weegs reeds aanmerkelijk gedund waren, wier aantal reeds verminderd was door de achterblijvers in Holland, Zeeland en Vlaanderen, eindelijk in het gewest, later Artesië genoemd, waar zij, in hoofdmassa, uit de overoude havens van Kales en Boonen (Calais en Boulogne sur Mer), eenen korten en gemakkelijken overtocht naar Brittannië vonden. Maar geenszins allen trokken over. Het schijnt wel, dat dit gewest van Gallië, (zoo nabij Brittanië gelegen, en in der daad, in menig opzicht, wat bodem- en luchtsgesteldheid, ligging, enz. aangaat, veel overeenkomst met het begeerde Brittenland aanbiedende) den volke bijzonderlijk behaagde, en hen tot blijven, tot duurzame vestiging noopte. In der daad, het onderscheid tusschen dit liefelijke, vruchtbare, heuvelachtige land, langs den zeeoever zich uitstrekkende, en met eene zachte luchtsgesteldheid gezegend, was groot tegenover het duistere, voor een goed deel onvruchtbare, met groote moerassen, sombere venen en met onafzienbare dorre heiden bedekte, door onophoudelijke overstroomingen van zee en van riviermonden, en door eene ruwe luchtsgesteltenis geteisterde land in Noordwestelijk Germanië en op het Kimbrische schiereiland, het erf van Friezen en Sassen en Angelen. Hier in Artesië draalden velen eer zij tot den overtocht naar Brittannië besloten, en velen bleven daar voor goed achter en vestigden zich in verspreide woonsteden, in tunnen en hemmen over het geheele land. Dit gezonde, krachtige en eenvoudiglijk levende volk vermeerderde zich weldra aanmerkelijk in zijne nieuwe woonstede, op deze vruchtbare velden, die rijkelijk levensonderhoud verschaften. Het werd het stamvolk van de Dietsche Artesiërs, die van de jaren 500 en eerder tot 1500 en later, dat geheele land overdekten, en hunne Dietsche taal alomme deden hooren, wier plaatsnamen nog heden getuigenis afleggen van den volksaard der stichters.
Sommige benden uitwijkelingen—waarschijnlijk zij die in wat lateren tijd kwamen, en Artesië reeds door hunne voorgangers [110]ingenomen en bezet vonden, trokken nog verder westwaarts voort, zonder naar Brittannië over te steken, aangelokt door het schoone en vruchtbare land van Gallië. Al verder en verder westwaarts, tot zij eindelijk in het hedendaagsche Normandië goede gelegenheid tot duurzame vestiging vonden. Daar, in de hedendaagsche Départements Calvados en La Manche vinden wij bij eenen schrijver van het jaar 843 eene gouw genoemd Otlinga Saxonica, en Gregorius van Tours meldt, dat aldaar de Saxones bajocassini wonen. Bajocassini noemt hij deze Sassen, naar de stad Bajoccas, thans Bayeux geheeten, in die Sassische gouw gelegen, even als de stad die hedendaags den zeer verbasterden naam van Caen draagt, maar oudtijds in het oorspronkelijke Germaansch Catheim of Cathem heette. Hoe langen tijd deze Sassische volksplanting in het hedendaagsche Normandië nog de oorspronkelijke Sassische volksspraak in stand heeft gehouden, is ons niet bekend. Maar de plaatsnamen in deze streek leggen nog heden ten dage eene onwederlegbare getuigenis af van den volksaard der lieden, die deze plaatsen gesticht en genoemd hebben. Als enkele voorbeelden noemen wij, behalven het bovengenoemde Cathem of Caen nog: Sassetot, Hermanville, Etreham voormaals Ouistreham genoemd, met Le Ham, Cottun, Etainhus, Heuland, Douvres, enz. Verder vele patronymicale namen als: Berengeville, Hardinvast, Thorigny, Potigny, Isigny, Cartigny, en anderen.
Sassetot beteekent: woonplaats der Sassen; tot, een aanhangsel bij plaatsnamen, dat in geheel Normandië veelvuldig voorkomt, is voluit toft, en behoort bijzonderlijk tot het Skandinavische taaleigen. Het achtervoegsel ville in Hermanville, Berengeville, Bellengreville, Bazenville, en meer andere namen in deze Oud-Sassische gouw, is geenszins het Latijnsche woord villa, het heden daagsche Fransche ville. Het is eene verbastering van het Oud-Germaansche woord wiler, hedendaagsch Hoogduitsch weiler, ’t welk een gehucht beteekent. In andere Oud-Germaansche gouwen van Frankrijk leeft dit woord eveneens nog in plaatsnamen, onder den vorm villiers; bij voorbeeld Hardivilliers. In Duitschland zijn de namen die op weiler uitgaan, nog zeer talrijk; die van de Elsate worden op verschillende wijzen verfranscht: Rappoltsweiler [111]tot Ribeauvillé, Gebweiler tot Guebwiller. Dit zelfde algemeen Germaansche aardrijkskundige woord leeft nog in België als de naam van het dorp Wilderen in Limburg. En als Wylre in Nederlandsch-Limburg, tusschen Maastricht en Aken. Verder nog Wyler, een dorp tusschen Nijmegen en Kleef, enz.—Ouistreham is oorspronkelijk Westerham, de westelijke woonplaats; Cottun of Cotun is Koetuin, omheinde plaats waar binnen men koeien houdt. Ons woord huis leeft in Etainhus (Steenhuis); Heuland is Hoogland; Douvres is De Oevers, enz.
Overigens is geheel Normandië overdekt met Germaansche plaatsnamen; echter zijn dezen niet van Sassischen of anderen Dietschen oorsprong, maar van de Noormannen afkomstig. De Noormannen, die dit deel van Gallië veroverden en bevolkten, hebben de Sassen, welke reeds sedert de derde eeuw daar zaten, ongemoeid gelaten, als zijnde een verwant Germaansch volk. Zoo vinden wij heden ten dage Noorsche namen over geheel Normandië, met uitzondering van de Sassische gouw rondom Bayeux en Caen.
Langs de geheele Fransche kust tusschen Boonen en Bayeux, en min of meer diep landwaarts in, vinden wij Germaansche plaatsnamen, waarvan het soms twijfelachtig is of zij van Noordschen (Skandinavischen), dan wel van Dietschen oorsprong zijn. Een enkel aardig voorbeeld hier van, moge den lezer voldoende zijn.
Etretat is de naam van eene badplaats op de kust van Normandië, die jaarlijks door duizenden weelderige en vermaakzoekende Parijsenaars bezocht wordt, waarvan wel niemand er aan denkt dat de namen der plaatsen, die hem daar omringen, niet Fransch, maar oorspronkelijk Germaansch, Noorsch zijn. Even als in Holland en Vlaanderen het binnenland door eene duinreeks is afgescheiden van het zeestrand, zoo neemt in Normandië eene reeks rotsen de plaats onzer duinen in. Die rotsen heeten daar, en ook in Artesië, les Falaises, een verfranscht, maar oorspronkelijk Germaansch woord, dat nog leeft in het Hoogduitsche Fels, rots, steenklip. Door de zee, door de hevige golfslag, die eeuw uit eeuw in tegen die rotsen of falaises beukt en dondert, die ze beknaagt en uitspoelt, zijn hier en daar groote holen en gaten, als poorten, in die steenklippen gemaakt. De mannen, de visscherliên, maken wel van deze zeer groote [112]en ruime gaten gebruik, om daar door heen op het strand en in zee te komen. Twee van die holen, de bijzondersten en grootsten, dragen te Etretat den zelfden naam, maar in twee talen, in gedeeltelijk Oud-Germaansch, en in Nieuw-Romaansch. De eene heet le Manneporte, en de ingezetenen van Etretat gebruiken dien naam nog dagelijks, al verstaan zij hem niet. En de andere heet le Trou à l’Homme.
Hoe aantrekkelijk de studie der Germaansche plaatsnamen in Normandië ook moge zijn, wij kunnen haar niet verder vervolgen, en keeren weêr terug naar Artesië, en naar de tunnamen, van waar wij zijn uitgegaan op onzen uitstap westwaarts.
Het laatste gedeelte dier namen, tun, genoegzaam verklaard zijnde, blijft ons het eerste gedeelte, het patronymicon, nog over. Die patronymica, Warinc, Todinc, Olinc, enz. vertoonen allen oorbeeldige Sassische vormen; maar de mansnamen Ware, Tode, Ole, waarvan zij zijn afgeleid, liggen niet zoo voor de hand. Dat zijn allen ingekorte, versletene, verbasterde namen, en ze zijn geenszins allen gereedelijk in hunne volledige, oorspronkelijke gedaanten aan te toonen. Ale, den mansnaam, waarvan eerst het patronymicon Alinc, daarna de plaatsnaam Alincthun is ontleend, hebben wij hier voren, op bladz. 105 reeds in zijn oorsprong en verband nagespeurd. Wij willen dit ook met Cole doen, met den mansnaam die aan het patronymicon Colinc, aan den plaatsnaam Colincthun ten grondslag ligt.
Een mansnaam Cole, Colen, Koolen was oudtijds in sommige Nederlandsche gewesten zeer wel bekend en in gebruik, als ingekorte vorm van den volledigen Kerkelijken naam Nicolaus. Maar daar heeft van oudsher buiten dien nog een andere, een oorspronkelijk Germaansche mansnaam Colo bestaan, die nog leeft in sommige geslachts- en plaatsnamen, hier en daar in Germaansche landen verspreid. Wat deze naam eigentlijk beteekent, en met welke andere Germaansche namen hij in verband staat, is mij niet duidelijk. En van gissingen wensch ik mij hier te onthouden. Genoeg, dat hij ook nog deel uitmaakt van de volledige mansnamen Colobert en Coloman. Veelvuldig in gebruik, en menigvuldig in samenstellingen is de [113]naam Colo niet. In Friesland leefde hij, als Kole, nog in de jaren 1500. Thans komt hij nog slechts in afgeleide geslachts- en plaatsnamen voor; te weten als Coolsma en Koolsma, ook in den enkelen vorm Cool en Kool, in Friesland; elders in de Nederlanden als Cools, Colen, Colens, Coolen; en, in verkleinvorm Kooltjes; ook Colinck als patronymicon. In Engeland als Coles. Dit zijn allen geslachtsnamen. Verder in de plaatsnamen: Coleshill, eene stad in Warwickshire, Engeland; Kohlstädt in Lippe-Detmold (Duitschland), in eene oorkonde van de 11de eeuw voorkomende als Colstidi; verder in Kölliken, in het kanton Aarau (Zwitserland), samengetrokken uit den volledigen vorm Kolinkhoven, die onder anderen in eene oorkonde van den jare 864 als Cholinchova voorkomt, enz. Eindelijk Coolskamp, een dorp in West-Vlaanderen; in eene oude oorkonde wordt deze naam als Colescamp vermeld. Maar in den naam van een ander Westvlaamsch dorp, van Coolkerke, schuilt niet deze Oud-Germaansche mansnaam. De kerk van dit dorp is aan Sint-Nicolaas gewijd, en ’t is duidelijk dat de dorpsnaam ontleend is aan den ingekorten naam van den Patroon der Parochie.
Niet alle tunnamen in het Germaansche Frankrijk zijn met patronymica samengesteld. Daar zijn nog anderen, als de opgenoemden. Cottun of de Koetuin is reeds op bladz. 111 genoemd. En verder liggen daar in Artesië nog plaatsen, die Fréthun, Offrethun, Hardenthun, Landrethun, Witerthun, Rocthun, Wadenthun heeten. Deze namen zijn ook in hun eerste lid van ontwijfelbaar Germaanschen oorsprong. Bij het grootste deel dezer namen zal ook wel een mansnaam, op zich zelven en niet als patronymicon, ten grondslag liggen. Oude namen vinden wij hier terug, die ons evenzeer uit Friesche namen, patronymicale geslachtsnamen en anderszins, bekend zijn: Offringa en Vitringa (voluit Witheringa van den mansnaam Witheri, Witer) bij voorbeeld.
Het getal van Germaansche plaatsnamen in Artesië is zeer groot en zeer menigvuldig. Wij moeten nog vermelden:
Audreselles, Aringzele, Tramezele. De eerste dezer namen is verfranscht in zijnen hedendaagschen vorm. Is hij oorspronkelijk [114]Ouderzele (Ter ouder Zele, woonstede bij de oude zale of halle) geweest? Dus de zelfde naam die nog eigen is aan het dorp Oudezele in Fransch-Vlaanderen, en aan het stadje Oldenzaal (ook Oldenzeel genoemd) in Twente? Waarschijnlijk wel.—Aringzele is weêr een oorbeeldig Germaansche naam, bestaande uit een patronymicon, met het bekende woord zele daar achter, dat zoo menigvuldig aan Vlaamsche plaatsnamen eigen is. De mansnaam, die aan dit patronymicon ten grondslag ligt komt als Ara en Aro, en in samengestelde vormen als de mansnamen Arafrid en Aragis, en de vrouwennamen Arohildis en Arolinda in oude geschriften voor. Ook leefde hij nog, als Are, bij de Friezen in de jaren 1500. Arema, oudtijds Aerma geschreven, is nog heden een Friesche maagschapsnaam, even als het patronymicon in den Sassischen vorm Arink nog elders in de Nederlanden als geslachtsnaam bestaat.
Zoo het al twijfelachtig is, bij gemis aan bescheiden, of de bovengenoemde verfranschte naam Audreselles wel werkelijk Ouderzele zij, bij eenen anderen verfranschten naam, die eveneens als eerste lid dit Audre heeft, is het wel zeker, dat oorspronkelijk het Dietsche woord oud, verbogen tot ouder, oudtijds, en nog heden in sommige onzer oostelijke gouwspraken ald, alder, aan den hedendaagschen verfranschten vorm ten grondslag ligt. Namelijk bij den naam van Audruicq, een stedeke, de hoofdplaats van het Land van Bredenaerde, eene bijzondere gouw van Artesië. Deze naam is anders niet als Ouderwijk, in goed Nederlandsch: ter ouder Wijk. In eene oorkonde van de 12de eeuw komt deze naam voor als Alder Wick, en in latere eeuwen vindt men hem geschreven als Auderwick en Ouderwick. De vorm aud voor oud, ook in België niet onbekend, komt nog voor in de Artesische plaatsnamen Audeland, een gehucht bij Licques; Audrehem, enz.
Het woord hof, in verbogen vorm hove, komt niet zeldzaam in Artesische plaatsnamen voor. Polincove is de verbasterde naam van een dorp. In goed Nederlandsch zoude men Polinkhove moeten schrijven; dat is, het hof (in den locativus ten hove) der Polinks of Polingen, der afstammelingen van den man [115]die Pole heette. Deze was waarschijnlijk een Sas, te oordeelen naar den vorm van het patronymicon, ink. Dit zelfde patronymicon leeft nog, in den Frieschen vorm, als Pohlenga, de naam van eene Oostfriesche maagschap. Verder vinden wij het woord hof nog in de namen van eenige landhoeven of hofsteden en gehuchten in Artesië. Bij voorbeeld: Westhove bij Blendecques (Blendekens of Blindekens, als in West-Vlaanderen?); Westerhove bij Eperlecques; Zuthove (Zuidhove) bij Boisdinghem; Monckhove (de hoeve der monniken), Ophove, enz. Alle deze zuiver Dietsche namen bestaan in gouwen, waar thans geen woord Dietsch meer gesproken wordt, en waar men dus ook deze namen niet meer verstaat. Geen wonder dan ook, dat men ze niet meer kan schrijven, en dat men ze langzamerhand verfranscht, verbasterd. Zoo is de naam der hoeve Ophove in deze eeuw reeds verbasterd tot „Au Pauvre”. Daar zal in de volgende eeuw misschien een Franschman zijn, die naspoort, hoe deze hofstede aan zulken vreemden naam, „Aan den Arme” gekomen zij. Waarlijk, van de namen, zoo wel als van de boeken, mag het oude gezegde gelden: habent sua fata.
Eene andere verbastering van het woord hove kan men aantoonen bij den naam van het Artesische dorp Offekerque, eene verbastering die lichtelijk op een dwaalspoor, ter naamsverklaring, leiden kan. Immers het ligt voor de hand om dezen naam te duiden als Offekerke, de kerk (ter kerke in den locativus) van Offe, van den man die Offe heette. Offe toch (Offo, Offa, Uffo) is een Oud-Germaansche mansnaam, die nog heden bij de Friezen als zoodanig in volle gebruik is, en al mede oorsprong gegeven heeft aan de Friesche geslachtsnamen Offinga, Offema, Offes, Offen, Ofkes, enz. en aan de plaatsnamen Offingawier, een dorp in Friesland; Offenwarden, een dorp bij Bremen (Duitschland); Offignies (dat is oorspronkelijk het patronymicon Offingen), een dorp in Picardië (Frankrijk); Offa’s Dyke, een oude grenswal in Engeland, in de 8ste eeuw opgericht door Offa den Angel-Sassischen koning van Mercia; enz. Intusschen, het Artesische Offekerque heeft met dezen ouden mansnaam niets te maken. Deze plaatsnaam is oorspronkelijk Hovekerke (ter kerke bij den hove), zoo als hij nog in oude geschriften voorkomt. In eene oorkonde [116]van den jare 1100 heet deze plaats eenvoudig Hove; misschien was daar toenmaals nog geen kerk aanwezig.
Ook nog andere plaatsnamen met kerke samengesteld, komen in Artesië voor: Ostkerke, Nordkerke, Zutkerke, St-Marie-kerke, die ook wel gelijk Dunkerque en Offekerque, geschreven worden: Ostkerque, enz. Twee andere dorpen aldaar hebben hunne namen heden ten dage volkomen verfranscht, als Vieille-Eglise en Nouvelle-Eglise. Maar op oude landkaarten, zelfs nog uit de vorige eeuw, heeten ze Ouderkercke en Nieuwerkercke. Laatstgenoemde plaats vinden wij in oorkonden van de 12de eeuw als: Niukerka en Niwkerka.
Artesië is, vooral in hare zuidelijke helft, eene schoone landstreek, met zacht glooiende heuvels en liefelijke dalen, met schoone bosschen en heldere bronnen en beken. Deze eigenheden van den bodem worden ook in de namen der plaatsen aangeduid. De heuvels heeten bergen—naardien het woord berg bij alle volken van het berglooze Neder-Germanië (onze Nederlandsche gewesten, Noord en Zuid, en die in Frankrijk daarbij inbegrepen) in gebruik is voor de heuvels en de kleine, soms haast onmerkbare verheffingen des bodems. Zulke bergnamen als plaatsnamen, zijn Boulemberg, Colemberg, Brunemberg, Reberg, Fauquembergue (dit is Valkenberge), enz. Verder heet een heuvel bij het dorp Tilques: Blackenberg. Die bij Journy gelegen is, komt in oude oorkonden voor als Calenberg, die bij Tournehem als Vierberg, en die bij Moulle, ofschoon thans tot Hautmont verfranscht, komt in een stuk van de 15de eeuw voor als de Hoberch (hooge berg). Aan den naam van het dorp Brunemberg bovengenoemd, ligt ongetwijfeld de oud- en algemeen-Germaansche, zeer bekende mansnaam Bruno ten grondslag, naardien Lambert van Ardres, een Artesische schrijver uit de 12de eeuw, dezen naam als Brunesbergh (de berg van Brune, Bruno of Bruin) vermeldt.
De dorpsnaam Colenberg of Colemberg wordt heden ten dage door de Franschen ook wel als Colembert misschreven. In oude oorkonden vindt men wel Coleberg, en [117]Lambert van Ardres bovengenoemd verlatijnscht dezen naam tot Colsbergium. Of de mansnaam Cole, op bladzijde 112 hiervoren vermeld, de oorsprong aan dezen plaatsnaam gegeven hebbe, dan wel Sint-Nicolaas, of iemand of iets anders, moet ik in het midden laten.
Aan den voet der heuvels of bergen strekken de dalen zich uit; en zoo zoekt men ook, nevens de bergnamen, onder de Artesische plaatsnamen de dalnamen niet te vergeefs. Deze namen zijn zoo wel eigen aan de werkelijke dalen zelven, als aan de dorpen, gehuchten, landhoeven, in die dalen gelegen. Op zich zelven, zonder bijvoegsel, is het woord dal, als naam, eigen aan Dalle, een gehucht bij Lacre. Met bijvoegsels vinden wij de plaatsnamen Waterdal, gehucht bij Seninghem; Bramendal, bij Boisdinghem; Langhendale; Diependal, geh. bij Boucquehault. Verder Bruckdal, gehucht bij Hesdin-l’Abbé; Grisendale, eene landhoeve bij Wimille; Merlingdal, hoeve, bij Verlincthun; Pittendal, Totendal, Wysquedal, Kinendale, enz. De vier eerstgenoemden van deze dalnamen zijn nog geheel oorbeeldig Dietsch, en in hunne beteekenis volkomen duidelijk voor iederen Nederlander. In Bruckdal herkennen wij het woord bruck, broek, moeras, dat ook in den naam Brussel (oorspronkelijk Broekzele) voorkomt; in Pittendal het woord put, dat ook in West-Vlaanderen en elders in dezen bijzonderen vorm wordt uitgesproken. Aan den naam Merlingdal ligt een patronymicon ten grondslag.
Aan de hellingen der heuvels en bergen ontspringen bronnen, en het water van die bronnen vloeit als beken door de dalen. Verschillende plaatsen in Artesië zijn naar die bronnen en beken genoemd. Het algemeen Dietsche woord bron komt even menigvuldig voor als born; Hoogduitsch Brunnen en Born; Engelsch burn, born (in de plaatsnamen Blackburn, Tyburn, Osborne, Hachborn) en bourne (Bournemouth, Ashbourne, Isbourne, Eastbourne). In Noord-Nederland als born, borne, boorn, in de plaatsnamen Born, Borne, Warnsborn, Boarnwert (Bornwerd), Boarn (Boorn), Aldeboarn (Oldeboorn), Easterboarn (Oosterboorn), Boarnsweach (Boornzwaag), enz. Zoo wisselt ook dit woord in beide vormen af, in de Artesische plaatsnamen. Een gehucht [118]bij Licques heet heden ten dage Courtebourne, maar wordt in de middeleeuwsche oorkonden als Curtebrona en Curtebrune vermeld. De naam van een ander gehucht, bij Audrehem, wordt hedendaags als Cousebourne geschreven, maar oudtijds Cusebrona, dat is: Kuischebron, of born van rein, helder water. Half verfranscht is tegenwoordig de naam Bellebrune, alsof het de schoone bron beteekende. Maar in de 12de eeuw werd deze naam door den geschiedschrijver Lambert van Ardres vermeld als Berebrona (de bron van den ber of beer, den edelman of baron?). Nog vroeger, in de 9de eeuw, droeg deze zelfde bron den naam van Helichbruna, de heilige bron. Een openbare bornput te Wimille heet Losenbrune, en een andere bij Tingry Lienbrune, de Liên- of Liedenbron, de bron voor alle liên, voor iedereen. Dus als tegenhanger of weêrga van de bovengenoemde Berebron? Dit zelfde woord komt ook voor in den naam Lienstrate, openbare straat of weg, zooals in de 17de eeuw nog eene buurt heette in het stedeke Ouderwijk of Audruicq. Bij Vieux-Moutier, eene plaats die in eene middeleeuwsche oorkonde Oudemonstre heet, is eene Rousquebrune bekend, oudtijds ook als Ruschebrune geschreven; dat is: de ruischende bron, waarvan het water, bij het afvloeien, een ruischend, klaterend gerucht maakt.
Estienbecq (overeenkomende met Steenbeke in Fransch-Vlaanderen en met Steenbeek bij Zetten in Gelderland) en Morbecque (oorspronkelijk de zelfde naam als Moerbeke in Fransch-Vlaanderen, dat ook wel tot Morbecque wordt verwaalscht, met Moerbeke in ’t Land van Waas, Oost-Vlaanderen, en met Moerbeek, gehucht bij Niedorp in Noord-Holland) zijn twee Artesische plaatsnamen, waar het woord beek in voorkomt. Eene straat in de stad Sint-Omaars, hedendaags Rue de l’Arbalête geheeten, werd in de middeleeuwen Becquestraet (Beekstraat) genoemd.
Nevens al de bovengenoemde plaatsnamen, die allen samenhangen met algemeen aardrijkskundige woorden, zijn daar in Artesië nog vele plaatsnamen, die elk voor zich meer op zich zelven staan. Uit het groote aantal dezer namen, allen ook zuiver Dietsch van oorsprong en beteekenis, allen ook zeer bijzonder en zeer merkwaardig, en tevens in hunne hedendaagsche geijkte [119]spelling min of meer verfranscht, kunnen wij hier ook slechts eenige weinigen den Lezer van dit opstel nader voorstellen. Als voor de hand opgenomen vermeld ik dan, vooreerst: Sangatte, en Wissant. Dat deze namen werkelijk in goed Nederlandsch, in algemeen Dietsch, Zandgat en Witzand zijn, namen geheel eigenaardig aan plaatsen die aan zee en in het witte duinzand gelegen zijn, bewijst ons Lambert van Ardres. Deze middeneeuwsche Artesische geschiedschrijver, reeds meermalen in deze verhandeling genoemd, schrijft (in Latijn) dat de hooge, onstuimige zee oudtijds een gat zich had gebaand dwars door de zandduinen, ter plaatse waar later het dorp Sangatte verrees en dat de bevolking dieshalve aan die plaats den naam van Arenae foramen gegeven had. En van het dorp Wissant, dat heden ten dage, nog meer verbasterd, ook wel als Wissan geschreven wordt, schrijft hij: „Ab albedine arenae vulgari nomine appellatur Witsant.”
Verder Marcq (mark of grens), Oye, hedendaags door de Franschen ten onrechte uitgesproken als hun woord oie, gans (’t is echter ode of eenzame onbewoonde plaats); Wiere (Friesch wier of vluchtheuvel?); le Wat (wad of doorwaadbare plaats in waterstroom of beek); Wimille (windmolen), en vele anderen zijn eveneens zulke bijzondere namen.
Al de plaatsnamen, tot dusverre in deze verhandeling genoemd en verklaard, zijn eigen aan plaatsen die nog heden ten dage bestaan, en komen in bovenvermelde, zoowel verbasterde als zuiver Dietsche vormen, in de hedendaags geldige Fransche taal voor. Deze namen zijn bij honderdtallen te tellen. Wil men echter in grondboeken en in oude geschriften, in middeleeuwsche oorkonden, vooral in oude koopbrieven gaan zoeken, dan vindt men de Dietsche namen van velden en wegen, van huizen en straten in Oud-Artesië bij duizendtallen. Ook onder dat zeer groote aantal Oud-Dietsche namen van dat gewest, die in den loop der eeuwen door den overheerschenden Franschen invloed zijn verloren gegaan, en die den hedendaagschen ingezetenen volkomen onbekend zijn, komen er zeer velen voor die uit een taalkundig oogpunt allermerkwaardigst zijn, en die ten volsten de aandacht, de opsporing en onderzoeking der Germaansche [120]taalgeleerden van onzen tijd verdienen. Hoe gaarne zoude ik dezen schat van oude namen den Lezer nader ontsluiten, ten volle kenbaar maken. Een geheel boekdeel zoude ik daarmede kunnen vullen, en—slechts weinige bladzijden hier staan mij daar voor ten dienste. Zoo moet ik mij tot enkele tientallen van deze oude namen beperken.
Namen van stukken land, velden, akkers, enz. Briedstic, Grotstic, Langstic, Cromstic (Breed-, Groot-, Lang-, Kromstuk), Hangstic (aan de helling van eenen heuvel), Skermestic, Vierhornstic en Driehornstic (het stuk met vier en dat met drie hoeken of hoornen; nog heden is het woord hoek in ’t Friesch horn of hoarne, en is daar een stuk land te Marsum in Friesland, dat de Trye-hoarne-finne, de Driehornfenne, heet). Verder Stridland, Gendekinslant (Gendekin is een mansnaam, in verkleinvorm), Morlant, Rodelant, Tarwelant, Brunevelt, Stienvelt en Sanctingevelt (Sint-Inge-veld? aan den weg van Gisen (Guines) naar Witzand (Wissant), heden ten dage tot Saint-Inglevert verfranscht), Stridaker, Gomenacre, Hobbenaker, Blekenaker, Nantacre, Alvesmerscene (Alvesmeerschen; Alf is een Oud-Germaansche mansnaam), Bonemersene, enz.