Het Friesche volk heeft zich, van ouds her en tot op den dag van heden, door vele eigenaardigheden in taal, zeden, kleeding, enz., steeds bijzonder onderscheiden van andere, naburige en stamverwante Germaansche volken. De bijzondere namen der Friezen, zoowel hunne vóórnamen als hunne geslachts- en plaatsnamen, die grootendeels van de vóórnamen zijn afgeleid, nemen onder die eigenaardigheden almede eene eerste plaats in.

Veel van ’t gene in den tegenwoordigen tijd voor bijzonder en eigenaardig Friesch geldt, is dit van ouds niet steeds geweest. In tegendeel, veel van die zaken was oudtijds zoowel Sassisch en Frankisch als Friesch, was algemeen Germaansch eigendom. Voor tien en vijftien eeuwen, bij voorbeeld, was er tusschen de taal der Friezen en die der Sassen bij lange na niet dat groote onderscheid ’t welk thans bestaat tusschen het hedendaagsche Friesch en de Sassische gouwspraken van Twente en den Gelderschen Achterhoek, van Westfalen en andere gouwen in noordwestelijk Duitschland. Ook het Angelsassisch, de moedertaal [197]van het hedendaagsche Engelsch, stond in die eeuwen, in hoofdzaak, vrij nabij het toenmalige Friesch.

Iets soortgelijks valt ook bij de kleeding op te merken. Immers de vrouwen der Angelsassen en van andere Neder-Germaansche volken en stammen droegen algemeen het oorijzer (natuurlijk in andere, min of meer gewijzigde, en altijd zeer smalle vormen), gelijk de Friezinnen en alle vrouwen die in de Nederlanden van Frieschen stam zijn, nog heden doen.1 Ook vele zeden en gebruiken, die thans als bijzonder Friesch gelden, waren oudtijds allen Neder-Germaanschen volken gemeen. Maar bij de Friezen bleven al zulke oude zaken in stand, terwijl ze bij de verwante volken en stammen, gedeeltelijk reeds sedert de invoering van het Christendom, gedeeltelijk gedurende den loop der middeleeuwen, ten deele ook nog bij, en kort na de kerkhervorming verdwenen, somtijds zelfs met geweld werden uitgeroeid. De Friezen hebben zich daar steeds tegen verzet. Zij bleven, zoo veel maar immer mogelijk was, aan het oude en volkseigene, dat door hunne voorouders hun overgeleverd was (voor zoo verre het ook goed was), „hou ende trou” en in liefde gehecht. Dit is hun eene eere!

En zoo is het ook met de bijzonder Friesche mans- en vrouwen-vóórnamen. Veel van wat thans in deze zaak als eigenaardig Friesch geldt, is van ouds algemeen Germaansch geweest. Oorspronkelijk toch hebben de Friezen geen afzonderlijke, slechts uitsluitend aan hen eigene namen gehad. De namen, die de oude Friezen droegen, hadden zij gemeen met de stamverwante volken. Maar bij de Friezen hebben deze namen, zoo in hunnen volledigen vorm, als in uiterst talrijke vervormingen, stand gehouden tot op den dag van heden. Bij de andere Nederlanders, bij de Engelschen en bij de Nederduitschers, hebben zij grootendeels plaats gemaakt voor namen van Bijbelschen en Kerkelijken oorsprong, en voornamen uit allerlei vreemde talen overgenomen. Ook dit vasthouden aan de oude, schoone en eervolle namen hunner roemruchtige voorouders strekt den Friezen tot eere, en is een bewijs van hunnen alouden Germaanschen adeldom. [198]

De Friesche namen hebben, sedert de 16de eeuw, veelvuldig de aandacht getrokken en de belangstelling gewekt van geleerden en van navorschers op het gebied der taal- en volkenkunde. Sommigen van dezen hebben min of meer uitvoerige, maar toch in geenen deele ook maar eenigermate volledige lijsten van die namen samengesteld. Maar die lijsten zijn slechts dorre opsommingen van namen; meer niet. Ze zijn zonder nadere aanduidingen, en zonder veel oordeel samengebracht, waarbij dan ook de oorsprong der namen, hunne oorspronkelijke, volledige vormen, hunne vlei- en verkleinvormen, hunne afleidingen tot geslachts- en plaatsnamen, het onderlinge verband dat er tusschen de verschillende namengroepen bestaat of ook niet bestaat, volstrekt niet in het licht gesteld wordt, noch tot gelding komt. Eerst in deze eeuw verscheen een eerste werkje, dat op eenigermate wetenschappelijke wijze, zij het dan ook nog slechts uiterst oppervlakkig, de Friesche namen behandelt. Het is opgesteld door Prof. Ev. Wassenbergh, hoogleeraar te Franeker, en komt voor, onder den titel Verhandeling over de Eigennamen der Friezen, in de Taalkundige Bijdragen tot den Frieschen tongval, Leeuwarden, 1802. In deze verhandeling worden ook de Friesche naamlijsten uit vorige eeuwen, die van Ubbo Emmius, van Hundius, van Boegherman, vermeld, overgenomen, en nader besproken.

Verder zijn in de verschillende jaargangen van het tijdschrift De Navorscher en ook in die van den Frieschen Volksalmanak onderscheidene kleine opstellen over sommige bijzondere Friesche namen opgenomen, die grootendeels door mij zelven geschreven zijn. Eenigszins uitvoeriger zijn in het tijdschrift De Vrije Fries, deel XIII en XIV, sommige Friesche namen, vooral geslachtsnamen, behandeld, in een opstel van mijne hand, Een en ander over Friesche Eigennamen. Ook vindt men in mijn werk De Nederlandsche Geslachtsnamen, Haarlem, 1885, vele zaken vermeld en behandeld, die in het bijzonder op Friesche namen rechtstreeks betrekking hebben. Dit is eveneens het geval met het voor Friesche namenvorschers allerbelangrijkste hoofdstuk over Zaansche Eigennamen, voorkomende in het werk van Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, Leiden, 1897. Eindelijk bevat het werk Nomina geographica Neerlandica, Amsterdam, 1882 en vervolgens, nog eenige opstellen, door mij geschreven, over Friesche [199]plaatsnamen, en in het bijzonder eene uitvoerige, en leerrijk toegelichte lijst van oude Friesche plaatsnamen, tegelijk eene bijdrage tot de oude aardrijkskunde van Friesland, geschreven door Dr. F. Buitenrust Hettema. Het laatst verschenen werk op Friesch naamkundig gebied is mijne Friesche Naamlijst (Onomasticon frisicum) Leeuwarden, 1898, eene volledige, stelselmatig geordende en beredeneerde lijst van Friesche eigennamen, zoo mans- en vrouwen-vóórnamen als geslachts- en plaatsnamen, in hunnen onderlingen samenhang en met toelichtingen voorgesteld.

Ook mogen hier niet onvermeld blijven drie werken van Oost- en Wezer-Friezen; namelijk een van Bernh. Brons Jr., Friesische Namen und Mittheilungen darüber, Emden, 1877, dat uitvoerige lijsten van Friesche eigennamen bevat, hoofdzakelijk uit Oost-Friesland; een van Dr. Karl Strackerjan, Die Jeverländischen Personennamen mit Berücksichtigung der Ortsnamen, Jever, 1864, ’t welk van groote geleerdheid en navorschingsijver getuigt. En eindelijk een opstel van Aug. Lübben, Einiges über Friesische Namen, voorkomende in Haupt’s Zeitschrift für Deutsches Alterthum, 1856.

Ten slotte moet hier nog genoemd worden een boek, waarin ook de Friesche namen en naamsvormen bijzonderlijk behandeld worden (in het hoofdstuk Ueber besondere Friesische Namensformen und Verkürzungen); namelijk Dr. Franz Stark, Die Kosenamen der Germanen, Weenen, 1868. In dit werk worden de eigenaardige algemeen Germaansche en bijzonder Friesche vleivormen der oorspronkelijk volledige namen duidelijk in het licht gesteld.


Evenmin als de Friesche taal, oudtijds geenszins, en ook heden ten dage nog niet, uitsluitend eigen was en is aan Friesland tusschen Flie en Lauwers, zoo min zijn ook de Friesche eigennamen, uit die taal voortgesproten, uitsluitend beperkt tot dat hedendaagsche Nederlandsche gewest Friesland. Integendeel. Immers komen ze eveneens voor, zij het dan soms ook in min of meer gewijzigde vormen, in de andere Oud-Friesche gouwen, dus in West-Friesland (noordelijk Noord-Holland), Groningerland, Oost-Friesland, Wezer-Friesland, Noord-Friesland, enz. Evenwel, gelijk de Friesche taal in het Nederlandsche gewest Friesland nog heden, als van ouds, hare grootste ontwikkeling, [200]ook hare grootste zuiverheid, eigenheid en waarde, en tevens hare grootste verbreiding heeft, meer dan in de andere gouwen, zoo zijn ook in dat Nederlandsche Friesland de Friesche eigennamen het menigvuldigst en het bijzonderst in hunne vormen, ook het meest verspreid en het meest in gebruik, van ouds her en nog heden ten dage.


Oudtijds, toen de Friesche taal in hare eigenheden, in hare eigene klanken en eigene vormen, en in de eigene plaats die zij inneemt tusschen de talen der andere volken, weinig of ook in het geheel niet bekend was bij de geleerden buiten Friesland, en veel minder nog bij de ongeleerden, heeft men wel gemeend, en dit ook verkondigd, dat de bijzonderheden der Friesche namen slechts te verklaren waren door aan te nemen dat die namen van Hebreeuwschen, van Trojaanschen, van Griekschen of van Romeinschen oorsprong moesten wezen. Dit behoeft heden ten dage geene wederlegging meer. Maar dat de Friesche namen zuiver Germaansch zijn, en in hun oorspronkelijk wezen niet verschillen van de namen der andere Germaansche volken, dit is nog geenszins van algemeene, en nog geenszins van voldoende bekendheid. De waarheid echter dezer stelling blijkt ruimschoots, en wel in de eerste plaats uit die Friesche mans- en vrouwenvóórnamen, die nog hunne volledige, of anders slechts weinig ingekorte, slechts weinig versletene, oorspronkelijke vormen vertoonen; bij voorbeeld, de mansnamen Adger (voluit Aldgar), Adser, Aeldert, in Nederlandsche spelling Aaldert, oorspronkelijk voluit Adelhart2, enz. allen nog hedendaags gebruikelijke [201]namen. Uit de oude en verouderde, hedendaags bij de Friezen reeds uitgestorvene namen blijkt dit eveneens; bij voorbeeld, uit Adelbald (in versleten vorm Albad, Albet), Adelbric, Adeldag, Adelric, Aldgrim3, enz. En niet minder uit de vrouwennamen, zoo hedendaagsche (Aeltsje, in Nederlandsche spelling Aaltje, de ingekorte en verkleinvorm van Aelheyt of Adelheid)—Aelmoed, in Nederlandsche spelling Aalmoed, oorspronkelijk voluit Adelmod,—Aerland, in Nederlandsche spelling Aarland4; als verouderde (Adelgarde, Adelburg, Adelharda)5, enz.

Dit zijn allen echt Germaansche namen, die in de zelfde of [202]in nagenoeg gelijke vormen aan alle andere Germaansche volken ook eigen zijn. Wel vertoonen enkelen dezer namen sommige bijzonder-Friesche eigenaardigheden, maar hun karakter van algemeen-Germaansche namen gaat daardoor geenszins verloren. Sommigen van deze namen, Albert, Evert, Folkert, Lammert, Willem zijn evenzeer algemeen-Nederlandsch als bijzonder-Friesch eigendom. Opmerkelijk is het betrekkelijk veelvuldig voorkomen van namen met bern samengesteld, bij de mannen: Bernolf, Bernlef, Gerbern, Hellingbern, Herbern, Liobbren (Hliodbern), Olbren, Reinbern, Ricbern, Rodbern, Sybren (Sigbern), Ulbern, Wybren (Wigbern), enz.; bij de vrouwen, met land en ou samengesteld: Aland en Eland, Gerland, Yslant, UblantBernou, Edou, Ferdou, Folkou, Gadou, Jildou, Meinou, Reinou, Rikou, enz. Sommigen van deze volledige namen zijn door afslijting en inkorting bijna onkenbaar geworden. Als zoodanigen zijn hier voren reeds vermeld Alem, Freark, Gelf, Grealt, Hattem, Jelmer, Jorrit, Tsjalf, enz. Andere soortgelijken zijn nog Sjoerd (Sigurd), Sierk of Sjirk (Sigrik), Tsjerk (Thiadrik, Theodorik,—Volkrijk—de zelfde naam als Dietrich in ’t Hoogduitsch, Diederik of Dirk in ’t Nederduitsch), Tsjaerd, Tsjeard, Searp, Worp, Merk, Murk, Sjuk, Jarich, Gjalt, Tsjerne, Ork, enz. Deze soort van namen heeft almede aan de Friesche namen in ’t algemeen dien eigenen stempel verleend, waardoor ze zoo bijzonder, schijnbaar zoo geheel eenig zijn onder de namen der andere Germaansche volken.

De vleivormen der namen, zoo overrijk onder de Friesche namen vertegenwoordigd, hebben almede eenen zeer bijzonderen stempel op die namen gedrukt. Die vleinamen worden verder in deze verhandeling nader behandeld en verklaard.

De Friesche vrouwennamen—behalve die welke reeds op de vorige bladzijde zijn vermeld, en nog een honderdtal andere dergelijken—de Friesche vrouwennamen zijn in den regel rechtstreeks van de mansnamen afgeleid, door achtervoeging van verkleinende uitgangen. Het vormen, het afleiden, op deze wijze, van vrouwennamen uit mansnamen, ofschoon ook bij andere Germaansche volken voorkomende, is toch bij [203]geen van dezen zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen. Het grootste gedeelte der Friesche vrouwennamen bestaat dus eigenlijk uit mansnamen in verkleinvorm, soms in eigenaardigen verkleinvorm. Zoo komen van de mansnamen Aldert, Douwe, Minne en Offe, door achtervoeging der verkleinende aanhangsels je, tse of tsen, tsje (tje) en ke, de vrouwennamen Aldertsje (Aldertje), Douwtsen, Mintsje (Mintje) en Ofke.

Evenzeer als van den volledigen, zij het dan ook ingekorten en eenigermate verbasterden naam Aldert (Adelhart), van Douwe, en van de vleinamen Minne en Offe, zoo zijn ook van de verkleinnamen die reeds als mansnamen dienst doen, bij voorbeeld van Bauke, Ibele, Oepke, Rinse, Wytse, door achtervoeging van weêr andere verkleinvormen vrouwennamen gemaakt: Baukje, Jbeltsje (Ybeltje), Oepkje, Rinske, Wytske. Deze namen zijn dus oneigenlijk gevormd, bij tautologie, door dubbele verkleiningsachtervoegsels. Zulk eene opeenhooping van verkleinvormen komt zelfs wel voor als samenkoppeling van drie achtervoegsels; bij voorbeeld: de vrouwennaam Reinskje, die ontleed wordt in Rein (dat is de mansnaam Rein, inkorting van den eenen of anderen met Rein, Regin samengestelden volledigen naam—Reinger of Regingar, Reindert of Reginhart), in se, ke en je, alle drie verkleiningsuitgangen, dus Rein-se-ke-je.

Deze liefhebberij der Friezen voor verkleinvormen achter hunne namen komt ook aan ’t licht bij die vrouwennamen, die uit eenen oorspronkelijken, volledigen naam bestaan, met een geheel overtollig, de schoonheid des naams schadend verkleiningsachtervoegsel; bij voorbeeld: Gerlandtsje (Gerlandje) nevens Gerland, Sibrichje nevens Sibrich (Sigburg), Welmoedtsje (in Nederlandsche spelling Welmoedje) nevens Welmoed, enz.


De namen der menschen staan geworteld in hunne taal. De oude Israëlieten droegen Hebreeuwsche namen, de oude Grieken en Romeinen Grieksche en Latijnsche, de oude Germanen Germaansche namen. Anders gezegd: zij droegen namen die samengesteld waren uit woorden, welke oorspronkelijk in hunne volkstalen eene beteekenis hadden, iets beduidden. De Hebreeuwsche naam Abraham beteekent: vader der menigte, dus stamvader. [204]De Grieksche naam Andreas beduidt: de mannelijke, de manhafte. De Latijnsche naam Victor beteekent: overwinnaar. Zoo ook beduiden de Germaansche namen Everhart (Everaart of Evert), Wybren (Wiberen, Wibern, Wigbern), en Godsschalk (Gosse): de man die een hart of een aard (’t is het zelfde) heeft als een ever of wild zwijn, het kind des gevechts, en Gods knecht.

De eigenaardigheden van de Friesche taal spiegelen zich af in de bijzonderheden der Friesche eigennamen. Anders uitgedrukt: de bijzonderheden der Friesche namen zijn ontstaan uit de bijzonderheden der Friesche taal. Sierk of Sjirk bij voorbeeld is een hedendaagsche Friesche mansvóórnaam, die wel algemeen voor een bijzondere, eigenaardig Friesche naam zal worden gehouden. Nogtans is Sierk van ouds een algemeen Germaansche naam, zij het dan ook in Frieschen vorm. Sierk immers is eene verbastering, bij uitslijting of inkrimping, een versletene vorm dus, van den oorspronkelijken, vollen vorm Sigerik. Dit Sigerik is een samengestelde naam, bestaande uit de Oud-Friesche, tevens algemeen Oud-Germaansche woorden sige, overwinning; en rîk of ryk, rijk. Dus is Sigerik in hedendaagsch Nederlandsch overgezet: rijk door overwinning. De naam is al oud; immers reeds in de vijfde eeuw na Christus droeg hem een koning der Goten. Dit Oud-Friesche woord sige hadden de oude Hollanders als zege, nog gebruikelijk in de uitdrukking de zege behalen, en deel vormende van de woorden zegepraal en zegevieren. Den Oud-Frieschen mansnaam Sigerik hadden de oude Hollanders als Segerik (Zegerijk) in gebruik, en de oude Hoogduitschers als Siegrich. Mannen die Zegerik of Siegrich heeten, treft men onder de hedendaagsche Hollanders en Hoogduitschers uiterst weinig of in het geheel niet meer aan. Maar in den samengetrokken vorm Sierk is het Oud-Friesche Sigerik nog heden bij de Friezen in volle gebruik gebleven. Zal men nu beweren: Sierk is een geheel eigenaardige Friesche mansvóórnaam? Wel neen! Men moet zeggen: Sierk is de hedendaagsche versletene vorm van den vollen, algemeen Oud-Germaanschen mansnaam Sigerik, Segerik, Siegrich.

De hedendaagsche Friesche mansnaam Freerk (in Friesche uitspraak Frjerk of Frjeark) verkeert in het zelfde geval [205]als Sjirk of Sierk. Immers Freerk is eene samentrekking van den vollen vorm Frederik. Opmerkelijk is het dat de Hollanders met de andere Nederlanders in het algemeen, met Franschen, Engelschen, Denen, enz. juist den Frieschen vorm van dezen naam als Frederik, Fréderic, Fredrik in gebruik hebben. Want in goed Hollandsch moest de naam Frederik als Vrederijk luiden en gespeld worden, omdat hij vrede-rijk, rijk aan of door vrede beduidt. De oude Hollanders uit de 17e eeuw schreven dezen naam dan ook wel, juist overeenkomstig hun taaleigen, als Vreerijck. En de Hoogduitschers hebben dezen zelfden naam, ook in overeenstemming met hun taaleigen, als Friedrich. De oude Hollanders hadden den geheel ingekrompen vorm Freerk ook wel in gebruik. In zuidelijk Holland en in Zeeland gaat men met verkorten nog wat verder. Die aldaar Frederik heet wordt in het dagelijksche leven veelal Freek genoemd. Maar dien vorm Freek heeft men dáár niet als schrijfnaam in gebruik genomen, gelijk de Friezen—eigenlijk ten onrechte—hun vorm Freerk zoo wel schrijven als noemen.—Zal men nu echter zeggen: Freerk is een bijzondere Friesche naam? Neen! Freerk is zoo min eigen en afzonderlijk Friesch, als Sierk het is, en als Gosse, Bartele, Sjaerd, Tsjerk, Eelke, met Aafke, Reintsje en Meintsje, Sjoerdtsje en Wytske het zijn. Alle deze namen en nog honderden anderen, zijn oorspronkelijk algemeen Oud-Germaansche eigennamen, maar in bijzonder Friesche vormen, afkortingen, verbasteringen.

Honderden bijzondere namen zijn als mans- en vrouwenvóórnamen heden ten dage bij de Friezen, zoo wel bij de Nederlandsche Friezen als bij de Duitsche en Deensche (Oost- en Noord-Friezen), als ook bij de Friso-sassische mengelstammen van Groningerland, Drente, Oldenburg en vele andere gouwen in noordwestelijk Duitschland in gebruik. En al die namen, die men bij al de andere volksstammen van de lage landen aan de Noordzee te vergeefs zoekt, zijn oorspronkelijk algemeen Germaansche namen. De oorsprong van deze namen kan nog heden bij velen duidelijk worden aangetoond. Maar ook bij velen van deze namen ligt de oorspronkelijke vorm niet zoo klaarblijkelijk voor de hand, ja schijnt bij een groot aantal in het geheel niet meer aangewezen [206]te kunnen worden. Nader onderzoek echter, uitgaande van eenen man die de Oud-Friesche taal kent en verstaat, die welbelezen en welervaren is in middeleeuwsche geschriften en oorkonden, kan hier nog veel licht verspreiden en tot verrassende ontdekkingen leiden.

Wat zoudt Gij, mijn waarde Lezer! wel maken van den mansnaam Sjoerd? een naam die algemeen bij de Friezen in gebruik is, en die heden ten dage als een bijzonder Friesche naam geldt. Dezen naam immers, of eenen naam die er op gelijkt, vindt men bij geen enkel ander volk in gebruik—meent Gij? Hij moet dus wel bijzonder en eigen Friesch zijn!—Toch is dit niet het geval. Wel is de hedendaagsche vorm slechts den Friezen eigen, maar d’oorspronkelijke vorm van dezen naam is algemeen Germaansch. Het Friesche Sjoerd is toch volkomen een en de zelfde naam als het Hoogduitsche Siegfried, als het Oud-Hollandsche Sievert of Sieuwert, ’t welk een versletene vorm is van Siegfert, Segevert. Onder den vorm Sievert en Sieuwert komt deze naam nog heden wel in noordelijk Noord-Holland voor. Daar zijn ook de geslachtsnamen Sieuwertsz en Siewerts inheemsch, die zoon van Sievert beteekenen. Sievert of Siegfried beteekent zege-vrede, overwinning door vrede, een naam van schoone beteekenis. In het Oud-Friesch, tevens in het Oud-Noorsch luidt deze naam Sigurd, dat is: sige, zege of overwinning, en urd, vrede. Dat hier urd = vrede is, bevreemdt hem niet, die weet dat de letter v oorspronkelijk anders niet is als eene u, namelijk de u die een woord of lettergreep opent. De Ouden verwisselden zoo wel in geschrifte als in uitspraak de u en de v. Men schreef wt, en sprak uut; de w is eene dubbele v of dubbele u. Van vrede, urede, tot urde, urd is de stap uiterst klein, en niet grooter dan van het Nederlandsche avond (evond, e-u-ond, i-u-ond) tot het Friesche joun of jond (i-u-ond). In dit oude woord urd = vrede sprak men de u natuurlijk op de Oud-Friesche, de Hoogduitsche, de algemeen Oud-Germaansche wijze uit, als de hedendaagsche Hollandsche oe in het woord boer. Dus Sigoerd. De g is eene letter die de oude Friezen veelvuldig als j uitspraken, en de hedendaagsche Friezen met de hedendaagsche Engelschen doen dit nog in sommige woorden. Het Nederlandsche woord gift of [207]gave luidt in het Oud-Friesch als jeftha, in het hedendaagsche Friesch als jefte, jeft; b.v. in het woord sketjeft. Het Nederlandsche woord garen luidt in het Friesch als jern (jen), in het Engelsch als yarn; het Nederlandsche gister in ’t Friesch als jister of juster, in ’t Engelsch als yester (day). Een kromme hoek van het oude Jacobiner-kerkhof te Leeuwarden heet: „het kromme Gat.” Maar de oude Leeuwarders spreken dezen naam nog heden uit als: „’t kroeme jat.” De hedendaagsche Berlijners, al zijn ze zoo min Friezen als Engelschen, zeggen ook Jott in plaats van Gott, en jans in stede van gans. Zoo zeiden ook de oude Friezen Si-joerd voor Sigurd (Si-goerd). Bij vlugge uitspraak in het dagelijksche leven werd Si-joerd al spoedig tot Sjoerd. Het onderscheid is geheel onwezenlijk en ter nauwer nood hoorbaar.

Zoo is van het oorspronkelijke Sigurd der oude Friezen en Noren het hedendaagsche Sjoerd gekomen, bij de Friezen; en het hedendaagsche Sjûrd (ook als Sjoerd uitgesproken) bij de bewoners van de Färör, een Oud-Noorsche volksstam. De letter r is in dezen naam, volgens de gewone uitspraak der Friezen, zeer zwak en nauwelijks hoorbaar, en slijt er gemakkelijk uit tot Sjoe’d, Sjoed, gelijk men gemeenlijk spreekt. De Oost-Friezen en de Friezen die verder oostwaarts op aan de monden van Wezer, Elve en Eider wonen, hebben die r niet enkel in uitspraak, maar ook in geschrifte volkomen verwaarloosd, maar de oorspronkelijke u (in Hoogduitsche uitspraak) hebben ze behouden in dezen naam. Van daar dat bij hen de volle oude naam Sigurd heden ten dage, in uitspraak en geschrifte, als Siut voorkomt; in patronymicalen vorm, als geslachtsnaam, Siudtz en Siutz. Het Oost-Friesche Siut luidt volkomen zoo als het Sjoe’d der Nederlandsche Friezen, en de geslachtsnamen Siudtz en Siutz als Sjoerds ten onzent.

Het schijnt dat de Friezen van de 16e en 17e eeuw, die, zoo zij geestelijken, leeraars of anderszins geleerden waren, hunne namen zoo graag vergriekschten en verlatijnschten, nog min of meer duidelijk den ouden vollen vorm en de beteekenis van den naam Sjoerd kenden. Althans zij, die van Hette maakten Hector, van Douwe Dominicus, van Tsjibbe Tiberius, van Sibbeltsje Sybilla, enz., maakten Suffridus van Sjoerd. In Suffridus, Suffried is nog eene [208]aanduiding van Siegfried = Sigurd te herkennen. Nog heden is deze in schijnbaar Latijnschen vorm verdraaide naam Suffridus in sommige Friesche maagschappen in gebruik.

De vrouwelijke vorm, eigenlijk de verkleinvorm of zoogenoemde kleengedaante, van den naam Sjoerd is Sjoerdtsje (Sjoerdtje, ook wel Sjoerdje en Sjoertje in Nederlandsche spelling). Daar zijn er genoeg Friezinnen die Sjoerdtsje heeten, maar weinigen die zoo genoemd worden. De Friezen zijn groote liefhebbers om hunne namen te verkorten, te verdraaien en te verknoeien. Zoo maken zij ook, in ’t dagelijksche leven, Sjutte, Sjutsje of beter Sjuttsje, en zelfs Sjute van den naam Sjoerdtsje. Zulke verdraaide namen zijn in der daad leelijk, en het is waarlijk geen wonder dat menige schoone Friesche maagd zich niet graag aldus hoort noemen, of dat zij op lateren leeftijd, misschien als grootmoeder, er zich tegen verzet dat haar kleindochterke of haar nichtje dien naam gegeven worde. Zoo gaan er wel, door onverstand, schoone oude namen te loor, die men zekerlijk niet zoude verwaarloosd hebben, zoo men den ouden, vollen vorm en de dikwijls schoone, altijd eervolle en eerbare beteekenis daar van gekend hadde. Dat dan de man die niet meer Sjoerd, en de vrouw die niet meer Sjoerdtsje of Sjutte wil heeten, noch ook deze namen aan hunne kinderen geven willen, niet tot de opgesmukte namen van vreemden vervallen, of hunne namen op belachelijke wijze verdraaien (van Sjoerdtsje bij voorbeeld Sjoerdina maken, of van Romkje Romelia)! Dat men liever de oude, schoone vormen herstelle, Sjoerd weêr tot Sigurd terug brenge, en Sjoerdtsje als Sigurda in gebruik houde! (Men lette er op de u op Oud-Friesche of Hoogduitsche wijze uit te spreken, en den vollen klemtoon op de lettergreep gurd te laten vallen.) Zoo blijft men Friesch, ook in zijne namen; zoo houdt men de schoone, beteekenisvolle namen der edele voorouders in eere en in gebruik, gelijk het waren Stand-Friezen past.

Dat de schoone naam Sigurd bij de oude Friezen in eere en veelvuldig in gebruik was, even als bij de Skandinavische volken, blijkt ook hieruit, dat er nog heden zoo vele Friezen zijn die Sjoerd heeten. Die algemeene verspreiding blijkt ook uit het groote aantal geslachtsnamen, nog heden onder de Friezen [209]voorkomende, die van den mansnaam Sjoerd afgeleid zijn. Dat zijn Sjoerda en ook Sjoorda, Sjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma, Sjoerds, enz. Behalven de maagschapsnamen Sieuwertsz en Siewerts, Siudts en Siutz bovengenoemd, nog Siewertz, Sieverts, Sievertsz, Siewertsen, Siewertsz in noordelijk Holland, het aloude Friesland bewesten Flie, en Sivertz, Siurtz, Siuts in de Friesche gouwen beoosten Eems. De Hollanders die een looden pijp en een gouden ketting ’n looie peip en ’n chouwe ketting noemen, laten veelvuldig, gelijk deze voorbeelden reeds aantoonen, de d uit de woorden slijten. Zoo doende is de geslachtsnaam Sjoerds buiten Friesland tot Sjoers geworden. De letter r, die bij de Friezen zoo los in den zadel zit, hebben de Hollanders in dezen patronymicalen geslachtsnaam behouden, maar de d hebben zij verwaarloosd.

In oude oorkonden uit de jaren der 15e en het begin der 16e eeuw, toen men de Friesche taal in Friesland ook nog in ambtelijke geschriften bezigde, komt de naam der maagschap Sjoerdsma gewoonlijk als Siwrdisma en Siwrdesma, ook wel als Siuwrdsma voor. Bij deze spelling Siwrd, voor Sjoerd, komt de samenhang met den Oud-Hollandschen vorm Siwert bijzonder aan ’t licht. En tevens blijkt uit deze oude spelwijzen dat men toenmaals de u, de v en de w als onze hedendaagsche oeklank in ’t woord boer uitsprak.

Al de bovenstaande geslachtsnamen zijn patronymica of vadersnamen. Zij zijn allen éérst gevoerd geworden door mannen wier vaders den vóórnaam Sjoerd droegen; zij beteekenen allen, zonder onderscheid, zoon van Sjoerd, van Sigurd, van Siegfried.


Uit al het bovenstaande blijkt hoe veel er van eenen enkelen Frieschen naam kan gezegd worden. Zulk eene beschouwing van alle hedendaagsche Friesche personennamen zoude ongetwijfeld zeer veel belangrijke en merkwaardige zaken op het gebied van taalkunde, geschiedenis en oudheidkunde aan het licht brengen. Maar een schat van tijd en een schat van vlijt en toewijding is daar toe noodig! Wie heeft zulke schatten steeds te zijner beschikking? [210]

Reeds is in dit opstel met een enkel woord vermeld dat van ouds her bij de Friezen het gebruik bijzonder sterk in zwang was om de namen te verkorten, te verdraaien, te verknoeien. Aan den eenen kant zekere gemakzucht van de tonge, waardoor men lange namen schuwde, en namen van twee of drie volle lettergrepen reeds te lang vond—en aan den anderen kant de neiging der menschen, vooral van vrouwen in ’t algemeen en van moeders in het bijzonder, om aan de voorwerpen hunner liefde kleine, mooie, zoete, lieve naamkes te geven (poppenammen, zoo als de Friezen, kepnamen, zoo als de West-Vlamingen, kosenamen, gelijk de Duitschers zeggen), dit zijn de oorzaken van het ontstaan dezer misvormde namen. Trouwens deze neiging is niet slechts den Friezen eigen, maar algemeen onder de volken van Germaanschen bloede verspreid. De Hollanders die Kees maken van den volledigen vorm Cornelis, Klaas van Nicolaas en Mie van Maria, de Vlamingen en Brabanders die Sefke maken van Josef, Cies van Franciscus en Treeske van Theresia, de Engelschen die Bob maken van Robert, Dick van Richard, James van Jacob en Bess van Elisabeth, de Duitschers eindelijk die Fritz maken van Friedrich, Kuntz van Konrad en Meta van Margaretha, die allen handelen in deze zaak juist zoo als de Friezen die Gosse maken van Godsskalk, Kei van Gerrit (Gerhard), en Gertje of in de wandeling Gjet, van Gerharda of van Gertruda. Gelijk ook Sibe van Sibrand (Sigebrand), Wobbe van Wolbrecht, Pibbe van Sibbeltsje, enz. Maar Hollanders, Vlamingen, Engelschen en Duitschers gebruiken zulke verkorte en verdraaide namen in den regel slechts in de dagelijksche spreektaal, en geenszins in geschrifte. Zij weten in allen gevalle wat de volle, oorspronkelijke vormen van die verbasterde namen zijn. De Friezen in tegendeel hebben die poppenammen ook in hunne schrijftaal overgenomen. Bij hen hebben die vleinaamkes geheel de plaats der volle, oude vormen ingenomen, en de oorspronkelijke beteekenis dier namen is bijna volkomen verloren gegaan, althans uit de gedachtenis en herinnering des volks, ten eenen male verdwenen.

Dit is in der daad de hoofdoorzaak van de hedendaagsche bijzonderheid en eigenaardigheid der Friesche namen. [211]

Zie hier een algemeen overzicht van de vleivormen en van de verkleinvormen der namen, zoo als die bij het Friesche volk in gebruik zijn.

De vleivormen zijn wel te onderscheiden van de samengetrokkene en ingekorte naamsvormen, zoo als bij voorbeeld Geart en Freark of Frjerk (in Nederlandsche spelling Geert en Freerk), dat samengetrokkene vormen zijn van Gerhard en Frederik; nevens Hille en Brand, dat ingekorte vormen zijn, eigenlijk slechts halve namen, van den volledigen en oorspronkelijken mansnaam Hillebrand (Hildebrand).

De vleivormen zijn bij alle Germaansche volken in gebruik. Op de vorige bladzijde zijn, als voorbeelden, eenige van die vleivormen opgenoemd. Anderen zijn nog bij de Duitschers Ede voor Eduard, Hans voor Johannes, bij de Hollanders Koos voor Jacob, Ari en Aai voor Adriaan, Hein en Henk voor Hendrik, Keetje voor Cornelia, bij de Engelschen Bill voor William, Fanny voor Francisca, enz. De Engelsche naam John is, even als de Nederlandsche naam Jan, de Fransche naam Jean, de Spaansche naam Juan, enz. op zijn beurt eigenlijk ook maar een vleivorm van den volledigen Bijbelschen naam Johannes.

Bij geen enkel Germaansch volk echter zijn de vleivormen der namen zoo veelvuldig, zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen. Hier komt nog bij dat die vleivormen bij de Friezen volle burgerrecht hebben verkregen als geijkte namen, zoo wel bij de doopvont, als in de registers van den burgerlijken stand; terwijl bij de andere Germaansche volken die vleivormen (immers bijna zonder uitzondering) slechts in hunne oorspronkelijke kracht van bestaan in gebruik zijn, slechts als vriendelijke namen in den huiselijken kring, maar geenszins als geijkte namen in het openbare leven. De vleivormen der namen zijn bij de Friezen zoo menigvuldig en zoo algemeen in volle gebruik gekomen en genomen, dat zij de oorspronkelijke, volledige vormen der namen, in menige gevallen, schier volkomen uit het gebruik hebben verdrongen. In zulker voegen, dat van verre weg de meesten dezer thans als geijkt geldende vleivormen de oorspronkelijke, de werkelijk volledige vormen niet meer bekend zijn; of althans, dat de samenhang is verloren gegaan, dat men niet [212]meer weet van welken oorspronkelijken, volledigen naam deze of gene hedendaags als volledige naam geldende vleivorm eigenlijk is afgeleid. Van sommigen weet men het wel; van Wobbe (om maar een enkele te noemen) kan men aantoonen dat deze hedendaags als geijkt en volledig geldende naam slechts een vleivorm is van den oorspronkelijken, volledigen naam Wolbrecht; van Pibe, dat deze naam oorspronkelijk voluit Sybren is, even als Tolle komt van Folkert; Benno en Binne van Bernhard, Ekke van Egbert, Ale en Ele van den eenen of anderen met den naamsstam adel of edel samengestelden naam, bij voorbeeld Adelbrecht, Edelmar, enz. Maar bij andere vleinamen kan men er hedendaags slechts met meer of minder goed geluk naar raden, van welke oorspronkelijke en volledige namen ze zijn afgeleid. Als voorbeelden uit deze overgroote afdeeling van Friesche mansvóórnamen kunnen dienen: Abbe, Abe, Adde, Age, Agge, Ale, Alle, Ame, Amme, Ane, Atte, Bauwe, Benne en Binne, Boaye (in Nederlandsche spelling Booye en Boye), Boele, Bokke, Bonne, Bote, Botte, Bouwe, Dedde, Djoere of Djurre, Doaye (naar Nederlandsche spelwijze Dooye), Doede, Douwe, Eabe, Eade, Eage, Eale, Eauwe (in Nederlandsche spelling Eeuwe), Ebe, Ede, Egge, Ekke, Ele, Enne en Enno, Eppe, Fedde, Feye, Fekke, Foeke, Fokke, Foppe, Gabbe, Gabe, Gale, Goaye (naar Nederlandsche spelwijze Gooye, Goye), Goffe, Gosse, Gurbe, Haeye (in Nederlandsche spelling Haaye of Hayo), Halbe, Harre, Hemme, Henne, Heppe, Here, Herre, Hette, Hidde, Hobbe, Holle, Ibe of Ybe en Iebe, Ide en Iede, Ime en Ieme (deze drie laatste, op het oog eenzelvige namen en naamsvormen, zijn volgens hunnen oorsprong, en volgens de Friesche wijze van uitspraak, geheel verschillende namen). Inne, Ipe of Ype, Iwe of Ivo of Jou (dit is, hoe vreemd het ook schijne, geheel één en de zelfde naam), Jelle, Jisse, Jolle, Keimpe, Lieuwe, Lolle, Melle, Menno en Minne, Molle, Nanne, Obbe, Oege, Oene, Offe, Okke, Onne, Otte, Pabe, Pibe, Poppe, Sjolle, Tamme, Tiede, Tiete, Tsjalle, Tsjamme, Tsjebbe, Tsjitte (in Nederlandsche spelling Tjalle, Tjamme, Tjebbe, [213]Tjitte), Walle en Wobbe en nog vele anderen meer, van gelijksoortigen oorsprong en vorm. Van alle deze op eene toonlooze e uitgaande namen valt op te merken, dat zij eveneens, maar minder algemeen, voorkomen met eene o op het einde: Abbo, Deddo, Hero en Heero, Hiddo, enz. zoo als trouwens bij een paar dezer namen in bovenstaand lijstje reeds is aangegeven.


De bovenstaande vleivormen van oorspronkelijk volledige namen hebben op hun beurt weêr het aanschijn gegeven aan verkleinvormen, die dan ook weêr bij de Friezen als geijkte namen gelden en dienst doen. En wijl deze verkleinnamen gevormd zijn door het aanbrengen van verschillende verkleinende achtervoegsels (namelijk se, te, le, tse, ke en tsje, dat is in Nederlandsche spelling tje) achter deze vleivormen of vleinamen, zoo is hierdoor het reeds bestaande overgroote aantal namen nog aanmerkelijk vermeerderd, ja wel verdriedubbeld ten minste. Door verwantschappelijke en vriendschappelijke genegenheid gedreven, hebben de Friezen van alle eeuwen steeds gaarne zulke verkleinende aanhangsels achter de volledige namen hunner bloedverwanten en vrienden gevoegd; en zij doen dit nog heden ten dage, al kunnen die hedendaags ontstane en in gebruik genomene verkleinvormen nu niet meer, gelijk vroeger, als geijkte namen opkomen, noch ook geijkte geldigheid erlangen.

De bovenvermelde verkleinende achtervoegsels se, te, le, tse, ke en tsje (tje) zijn in de Friesche taal gegrondvest, zijn anders niet dan Friesche taalvormen. Maar de drie eerstgenoemden zijn in de taal volkomen verouderd, uit de spreek- en schrijftaal geheel verloren gegaan; de vierde is in deze eeuw sterk verouderende, reeds nagenoeg uitgestorven; terwijl de beide laatste achtervoegsels ook nog in de levende taal, in haren hedendaagschen vorm bestaan.

Om de zaak den onfrieschen lezer duidelijker te maken stellen wij hier dat de algemeen-Nederlandsche vleivormen in verkleinvorm Keesje, Koosje, Heintje voor jongetjes die eigenlijk in de boeken van den burgerlijken stand Cornelis, Jacob(us) en Hendrik heeten, en Kaatje, Keetje, Jansje voor meisjes die eigenlijk als Catharina, Cornelia, Johanna te boek staan, [214]ook de Duitsche namen Fritzchen en Lieschen, in stede van Friedrich en Elisabeth, geheel overeenkomen met Friesche namen als Binse en Ynse, Jelte en Hoaite (Hooite), Andele en Likele, Atse en Feitse, Auke en Doeke, Bontsje en Eeltsje (Bontje en Eeltje), enz. Onder dit voorbehoud, dat de bovengenoemde algemeen-Nederlandsche vleivormen in verkleinvorm slechts gelden in ’t dagelijksche leven en in den huiselijken kring, terwijl de soortgelijke Friesche namen volkomen geijkte geldigheid hebben, ook in het openbare leven.

Als voorbeelden van zulke Friesche mans- en vrouwen-vóórnamen, die eigenlijk slechts vleinamen in verkleinvorm zijn, vermeld ik hier de volgende namen:

1º. Op se eindigende, waar nevens ook de vorm op sen (slechts een bijvorm) voorkomt: Aelse en Aelsen (in Nederlandsche spelling Aalse en Aalsen), Aise of Aiso, Alse, Amse, Bense met Binse, Biense en Bjinse, Bodse, Bonsen, Eadse, Ealse, Edse, Eelse, Eidse, Eise, Haeise (volgens Nederlandsche spelwijze Haaise), Hense, Inse, Ynse en Ynsen, Linse, Mense, Menso en Minse, Oense, Rinse, en vele dergelijken meer.

2º. Op te (oudtijds ook ta) eindigende: Aite, Alte, Bente en Binte, Boaite (in Nederlandsche spelling Booite en Boite), Boete, Bolte, Bonte, Doaite (volgens Nederlandsche spelwijze Dooite), Eente en Eento, Eite, Ente en Inte, Feite, Heite, Hente, Ynte, Jelte, Joute, Monte, Haeite (in Nederlandsche spelling Haaite), Hoaite (volgens Nederlandsche spelwijze Hooite), enz. enz.

3º. Op le eindigende: Amele, Andele, Bartele of Bartle, Bessele, Doekele, Eabele, Eagele, Ebbele, Fokkele, Heabele, Hebbele, Hebele, Hessel, Ibele of Yble, Igle, Ikele, Imele, Jakkele, Jisle, Lykele of Lykle, Nammele, Oebele, Okele, Redle, Ringele, Sibbele of Sibble, Teakele, Wessel, Wiggele, Wobbele, en nog anderen desgelijks.

4º. Op tse of tsen uitgaande: Aetse (in Nederlandsche spelling Aatse), Aitse, Atse, Beintse, Beitse, Betse, Bientse, Bintse en Bintsen, Bjintsen; Boaitse en Boaitsen [215](in Nederlandsche spelling Booitse, Boitse en Booitsen), Doaitse (volgens Nederlandsche spelwijze Dooitse), Douwtsen, Ealtse, Eatse, Eeltse, Eitse, Feitse, Fetse, Gatse, Gertse en Gertsen, Goaitse en Goaitsen (in Nederlandsche spelling Gooitse en Gooitsen), Haeitse (volgens Nederlandsche spelwijze Haaitse), Hentse, Hertse en Hertsen, Hoaitse (in Nederlandsche spelling Hooitse), Hoatse (volgens Nederlandsche spelwijze Hotse), Yntse en Yntsen, Ytsen, Jeltse en Jeltsen, Jetse, Jitse, Lútsen (in Nederlandsche spelling Luitsen), Mintse, Oentse, Reitse, Sytse (eigenlijk Syttse, Syt-tse, dat is: de verkleinvorm tse achter den vleivorm Site, Syt), Sweitse, Tsjitse (volgens Nederlandsche spelwijze Tjitse), Watse, Wytse, (Wyt-tse; zie bij Sytse, en ook Tsjitse, hierboven); en vele anderen van deze soort.

. Op ke (of op eene enkele k) uitgaande: Amke, Auke, Bauke, Binke, Boaike (in Nederlandsche spelling Booike en Boike), Bolke, Bouke, Doaike (volgens Nederlandsche spelwijze Dooike), Doeke of Duco, Ealke, Ebke, Eelke of Eelco, Epke, Feike, Fopke, Galke, Gerke of Gerk, Haeike (in Nederlandsche spelling Haaike), Harke of Hark, Heerke, Hemke, Hepke, Herke, Jelke, Jisk, Jouke, Lolke, Menke of Menco, Oepke, Popke, Rinke, Rouke, Sjouke, Solke of Solco, Tsjalke (volgens Nederlandsche spelwijze Tjalke), Tsjepke (in Nederlandsche spelling Tjepke), en nog een groot aantal soortgelijken.

. Op tsje (in Nederlandsche spelling tje) uitgaande: Atsje (volgens Nederlandsche spelwijze Atje), Bintsje, Boaitsje, Boeltsje, Bontsje, Ealtsje, Eeltsje, Galtsje, Goaitsje, Haeitsje, Jeltsje, Mintsje, Oentsje (in Nederlandsche spelling Bintje, Booitje, Gooitje, Haaitje, Oentje, enz.), en vele dergelijken meer.

Ook bij al deze namen in verkleinvorm wordt de toonlooze e op het einde eveneens wel door eene volklinkende o vervangen, zoo als in sommige gevallen reeds in bovenstaande lijstjes aangetoond is. De namen worden hierdoor in der daad klankrijker en schooner, en verliezen niets van hunne zuiverheid; integendeel, zij winnen er bij. Maar de namen op tsje eindigende, op den jongsten verkleinvorm, die voortspruit uit eenen nog hedendaags [216]geldenden taalvorm, maken hierop, althans in Friesland tusschen Flie en Lauwers, eene uitzondering. Die krijgen nooit eene o achter zich, in de plaats van de toonlooze e. Dit zoude dan ook al te sterk indruischen tegen het fijn ontwikkelde taalverstand en taalgevoel, den echten Friezen in den regel eigen. Maar Groningerlanders en Oost-Friezen vervormen ook wel die toonlooze e van hunne verkleinnamen op tje in eene o. Namen als Altjo, Eltjo, Entjo, Reltjo, Rentjo zijn bij hen niet zeldzaam.

De vleinamen, die aan alle deze verkleinnamen ten grondslag liggen (bij voorbeeld Ale bij Aelse [Aalse], Aye bij Aite, Age bij Agele, Binne bij Bintse, Abbe bij Abbeke, Atte bij Atsje) zijn gemakkelijk te herkennen, en staven dan mijn bovenvermeld inzicht aangaande de vorming en den oorsprong dezer namen. Van sommige vleinamen zijn verkleinnamen afgeleid in alle of schier alle boven vermelde verkleinvormen. Van den vleinaam Hayo, bij voorbeeld, zijn afgeleid de verkleinnamen Haeise, Haeite, Haeitse, Haeike en Haeitsje (in Nederlandsche spelling Haaise, enz.); van Boaye (Boye) komen Boaite, Boaitse, Boaike, Boaitsje (volgens Nederlandsche spelwijze Boite, enz.); van Jelle zijn afgeleid Jelse, Jelte, Jeltse, Jelke, Jeltsje, enz.

Nog een andere naamsvorm is van de vleinamen afgeleid; te weten: de patronymicale vorm op ing eindigende. Deze vorm, het echte, het ware Oud-Germaansche patronymicum aanduidende, kan dus van oorsprongswegen geene eigenlijke mansvóórnamen in ’t leven roepen; hij duidt veeleer een maagschapsnaam aan, en is dan ook, als inga, ink of ing, veelvuldig bij de Friesche, de Sassische en de Frankische volksstammen, die gezamenlijk het Nederlandsche volk uitmaken, als uitgang van maagschaps- of geslachtsnamen in gebruik. Niettemin, sommigen van deze patronymicale, op ing eindigende namen zijn heden ten dage, als bij misverstand (’t welk in dezen zin ook bij andere Germaansche volken voorkomt), nog bij de Friezen als mansvóórnamen in volle geijkt gebruik. Als zoodanigen mogen hier vermeld worden: Aling, Ameling, Asing en Asinga, Baling, Balling, Boaying (Booying), Ebbing, Eling, Haring, Hemsing, Henning, Nanning, Tsjalling (Tjalling), Waling en nog enkele anderen. [217]

De hedendaagsche Friezen hebben de gewoonte hunner voorouders om de mans- en vrouwenvóórnamen te verminken en te vervormen door vleivormen en verkleiningsvormen (overigens geenszins eene navolgenswaardige gewoonte), getrouwelijk aangehouden. Zij breiden dit gebruik zelfs nog meer uit. Niet enkel dat zij die verkorte en verknoeide namen hunner voorvaders trouw in gebruik houden, als of die wannamen heel wat eigens en bijzonders waren, maar zij blijven ook nog steeds voortgaan met dit verknoeien hunner namen in vlei- en verkleinvormen. Vele reeds zeer verkorte en verdraaide namen, vooral vrouwennamen, mishandelen zij rustig verder, zoo dat die namen ten langen leste gansch onkenbaar worden. Van de volledige namen Catharina en Margaretha, beiden van Griekschen oorsprong en beiden van schoone beteekenis (te weten: „de reine” en „de perel”), was bij de Friezen in den loop der eeuwen reeds Tryntsje en Grytsje (Trijntje en Grietje) geworden. Maar het schijnt als of voor de hedendaagsche Friezen die namen nog niet genoeg verkort en verbasterd waren. Immers maken zij in het dagelijksche leven de wannamen Tine of Tynke en Nine of Nynke van Tryntsje of Catharina, en Kike van Grytsje of Margaretha. Even zoo verknoeit men Dirk of Durk (voluit Diederik) wel tot Duye, de vrouwennamen Dirkje (beter Diederika) tot Dukke, Sibbeltsje tot Pibbe, Jelle wel tot Jeye, Jeltsje tot Jei of Jeike, Aeltsje (Aaltje) en Baukje tot Aeye en Baeye, Aukje en Barteltsje tot Akke en Bakke, Hylkje en Hiltsje tot Hike en Hikke, Eelkje tot Eke; Tsjeardtsje (Tjeerdtje) tot Kekke, Lutske tot Lukke of Lokke, Jitske tot Jikke, Romkje tot Pomme, Froukje tot Poi, (Sjoerdtsje) tot Sjutte, enz., enz. Deze nieuwerwetsche en leelijke naamsmisvormingen van den laatsten tijd worden thans in den regel niet meer in de schrijftaal opgenomen, ofschoon Akke, Baeye (Baaye) en Jeike ook al een enkele maal in de boeken van den burgerlijken stand vermeld staan. Intusschen—ware ’t honderd of twee-honderd jaren vroeger opgekomen om Romkje te mismaken tot Pomme en Sibbeltsje tot Pibbe, licht hadden wij thans ook Friezinnen die als Pomme en Pibbe in het kerkelijke doopregister en bij den burgerlijken stand te boek stonden. En [218]de geleerden, die honderd jaren na ons zullen leven, zouden zich dan mogen inspannen zoo veel ze wilden en navorschen wat ze wilden, de oorsprong en de beteekenis van de namen Pomme en Pibbe en Poi, dan zekerlijk als zeer eigenaardig Friesch vermeld, zoude hun een raadsel moeten blijven.


Nemen wij als een enkel voorbeeld om aan te toonen hoe zeer de oude, volledige namen heden ten dage in Friesland verbasterd zijn, den naam Eke in behandeling. Eke, zoo heeten eenige mij bekende Friezinnen, althans zoo worden zij in het dagelijksche leven genoemd. Eene enkele staat ook werkelijk in de kerk en ten gemeentehuize als Eke geboekt. In den regel echter, die Eke genoemd worden, staan als Eelkje te boek. Eke! korter kan het niet! Want dat ke is slechts een aanhangsel dat den verkleinvorm maakt; lam of laem, bij voorbeeld, wordt lamke, lammetje, in het Friesch. Neemt men dat aangehangene ke weg, dan blijft er van den naam Eke anders niet over als eene enkele E. Is dat nu een naam, een eigene Friesche naam? Wel neen! Eke is een vleivorm, een poppenamme van Eelkje, dat weet men nog. En de naam Eelkje is op zijn beurt weêr een verkleinvorm, door achtervoeging van het aanhangsel je, van den mansnaam Eelke. Zoo maakt men, door ze den verkleinvorm te geven, vrouwennamen van mansnamen: Pyttsje, (Pietje) van Piet (Pieter, Petrus), Baukje van Bauke (Bavo), enz. Met Eelke zijn wij intusschen nog lang niet waar wij wezen moeten. Immers de mansnaam Eelke is op zich zelven ook weêr een verkleinvorm, door achtervoeging van ke gemaakt. De Friezen toch, hierin onderscheiden van andere Germaansche volken, die slechts hunnen knapen, zoo lang ze nog kleine kinderkens zijn, met verkleinnamen noemen—de Friezen hielden en houden die namen in verkleinvormen ook in gebruik als de kinderen tot knapen en jongelingen, zelfs tot mannen zijn opgegroeid. Nevens Eelke staat Eeltje, het eerste met den Frieschen, het laatste met den Hollandschen verkleinvorm; beide mansnamen beteekenen het zelfde, beiden zijn het verkleiningsvormen van Ele. In der daad worden zij, die Eelke of Eeltje heeten, in den dagelijkschen omgang dan ook wel Ele, genoemd. Maar met Ele zijn wij [219]ook nog niet tot den oorspronkelijken vorm des naams gekomen. Ook Ele is weêr een verkorte, een versletene vorm. Ele staat in de plaats van Edele, en is door zeer gewone uitslijting van de d (de) ontstaan. Ook in het Hollandsch zegt men wel eêl voor edel, vereêlen voor veredelen, vooral in dichterlijken stijl. Edele is de volle vorm van dezen naam, die onder ons nog in zoo menigen verschillenden verklein- en vleivorm voorkomt. Edele is een naam die eene beteekenis heeft, die eenen zin te kennen geeft. Immers de naam Edel of Edele beteekent in der daad de edele, de edele man. Edel of Edele is de nieuwere vorm van den Oud-Frieschen mansnaam Athal, dat is Adel. Zoo heette, volgens de overlevering, de tweede Prins van Friesland, de zoon van den eersten, van Friso, en hij leefde 245 jaren voor Christus’ geboorte. En Athal of Adel, dien naam hebben vele oude Friezen gedragen. Ook is de naam van het roemruchtige Oud-Friesche geslacht Adelen er van afgeleid, en niets als een patronymikum van Adel.6 De vrouwelijke vorm van Athal of Adel is Athala of Adela, en dezen naam hebben zekerlijk vele Friezinnen in den ouden tijd gedragen. Welke vader gaf niet gaarne zulken schoonen naam, schoon in beteekenis en schoon in klank, aan zijn dochterke? Ook was deze naam niet alleen bij de Friezen, maar bij alle Oud-Germaansche volken in gebruik. Ook bij de oude Franken, die gedeeltelijk de Germaansche voorouders der hedendaags geheel verwaalschte Franschen geweest zijn. De naam Adela der Frankische vrouwen is nog als Adèle bij de hedendaagsche Fransche dames in gebruik. Andere volken, niet het minst ook de Hollanders, hebben ook hier in, als in zoo menige andere zaak, de Franschen nagevolgd, en zoo is nu Adèle vrij wel een kosmopolitische naam geworden.

De Friezen echter, trouw gehecht aan hunnen Germaanschen volksaard, hebben zich steeds te edel geacht om zulke en [220]andere Fransche en verfranschte namen en naamsvormen te dragen. Zij hebben ze steeds, met betamelijke minachting, van zich gewezen. Maar zoo er nu eene Friezin is, wier verknoeide naam Eke haar verdriet, of zoo er eene Friesche moeder of grootmoeder is, die er iets op tegen heeft dat haar kind of kleinkind Eelke of Eeltje zal heeten zoo het een knaap is, of Eelkje als het een meiske is—wel nu—met die, en met honderden andere soortgelijke verkorte en verknoeide namen staat of valt haar Friesdom niet. Dat men dan de volle, onverbasterde, oude en schoone namen Adel en Adela, vol beteekenis, weêr in gebruik neme en in eere herstelle! Bij dien vrouwennaam hoede men zich echter wel dat men er geen Fransche Adèle van make! Men late, bij ’t uitspreken, den klemtoon of de stemsate rusten op de eerste en op de derde lettergreep, op A en a. Zoo draagt men eenen echten Frieschen naam, in volledigen, schoonen vorm.


Bij ’t verknoeien en verbasteren van de oude, oorspronkelijke Friesche mans- en vrouwennamen spelen de verkleinvormen eene zeer groote rol. Wij hebben boven reeds gezien dat de namen Eelke en Eeltje, Eelkje en Eke alle vier verkleinvormen vertoonen door de aanhangsels ke, tje, en je, en deze vormen vinden wij terug in een zeer groot aantal hedendaagsche namen, zoo wel van mannen als van vrouwen. Bij voorbeeld in Auke en Bauke, in Epke, Harke en Yke, in Wilke en Uulke (Uilke), in Folke en Tsjepke (Tjepke), in Sipke en Wopke; dan in Haentsje (Haantje) en Hantsje, in Jentsje en Yntsje, in Luutsje, Rintsje en Wiltsje, (Hantje, enz.) allen mansnamen. En in Aukje en Baukje, Ymkje en Sjoukje, Froukje en Houkje, Feikje, Foekje en Fokje, Hiskje en Liskje, Hylkje en Lieuwkje, Lolkje en Namkje met Ofke en Oedske, Maeike en Minke, Riemke en Rinske, Sytske en Wytske, Saepke (Saapke) en Swobkje, Teatske en Yfke, allen vrouwennamen. Deze en soortgelijke namen erkent nog iedereen als verkleinvormen, omdat de aanhangsels ke, tje en je nog heden zoowel in de schrijf- als in de spreektaal in volle gebruik zijn. Anders is het met de Friesche namen die uitgaan op verkleinende aanhangsels welke in de hedendaagsche spreek- en [221]schrijftaal niet meer voorkomen. Slechts de man die de Oud-Friesche taalkunde in het bijzonder heeft beoefend, verstaat dat er verkleinvormen schuilen in de namen Atse en Watse, Sytse en Wytse, Reitse, Weitse en Sweitse, Doaitse en Hoaitse, Hoatse en Haitse, Fetse en Jetse, Tjitse en Ritse, in Rients, Bients en Graets, in Uultsen en Luutsen, in Ytsen en Montsen, in Douwtsen, Jeltsen en Martsen; verder in Abele en Heabele, Andele en Bartele, Eabele en Doekele, Lykle en Rykle, Seakele en Sibble, Jakkele, Nammele en Oebele. En toch is dit het geval. Het aanhangsel tse (ts, tsen) is een Oud-Friesche verkleinvorm, en le eveneens. Dit blijkt ook hier uit dat velen dezer namen nog heden ook in onverkleinde vormen bij ons in gebruik zijn. Bij voorbeeld: Atte (de vrouwelijke verkleinvorm Atsje is vooral niet zeldzaam), Feite, Haite en Hoaite, Tjitte of Tiete, Monte, Abe, Eabe, Bart, Doeke, Nammen (uit den verkleinvorm Nammele is de n van den oorspronkelijken vorm Nammen gesleten, omdat de n en de l te veel op elkanderen stooten), Oebe (Obbe of Ubbo), enz. Het Oud-Friesche verkleinende aanhangsel ts is volkomen een en het zelfde als het Nieuw-Friesche aanhangsel ke. Immers zijn k en ts of tsj wisselletters in het Friesch. De ts of tsj neemt in het Friesch en Engelsch dikwijls de plaats in van de k in de verwante Germaansche talen. Men denke aan tsjerke en church tegenover kerk en kirche, aan tsjiis en cheese tegenover kaas en käse.

De hedendaagsche Friesche uitspraak van het Hollandsche verkleinende aanhangsel tje als tsje, bij voorbeeld bytsje voor beetje, potsje voor potje, Pytsje voor Pietje, enz. is eigenlijk en oorspronkelijk tjse, tse, of ke. Zoo dat men eigenlijk byttsje (byt-tsje = bytke) moest schrijven, met Pyttsje, pottsje, enz. Immers de woorden byt, pot, Pyt eindigen uit zich zelven reeds op t, en ’t aanhangsel tje of tse of tjse begint er mede. Even eens moest men Attse (At-tse = At-ke = At-tje = de kleine Atto) schrijven, met Tsjittse, Luuttsen, enz., in plaats van Atse, Tsjitse, Luutsen. Die aangaande deze ts = k, en tse of tjse = ke als verkleinend aanhangsel iets naders weten wil, leze eene zeer belangrijke aanteekening van onzen taalgeleerde J. H. Halbertsma, bij zijn verhaal De treemter fen it Sint-Antoni-Gasthuws. [222]

Ook een zeer oud verkleinend aanhangsel is le, dat achter namen als Eabele, Doekele, Nammele geplaatst is. Oorspronkelijk is het volkomen een en het zelfde als het verkleinende achtervoegsel lyn bij de oude Hollanders en Vlamingen, als lein bij de hedendaagsche Hoogduitschers, in de woorden maegdelyn, oogelyn, vogellyn (niet vogelijn), en blümlein, röslein, äuglein.

Achter den verkleinvorm ke eischt de Oud-Hollandsche, alsook de Hoogduitsche uitspraak eene n (b.v. roosken, meisken, en röschen, mädchen), waar de Friesche uitspraak die n achterwege laat: roaske, fanke. En zoo is het ook met den uitgang lyn of lein, die in het Friesch, zonder n, als le luidt. Zoo als de oude Friezen in deze zaak deden, spreken nog heden de Zwaben in Opper-Duitschland, die rösle, mädle zeggen; terwijl de Zwitsers in hun röseli, maidli de i nog laten hooren, maar de n ook niet.


Eene bijzondere oorzaak van het verval der Friesche namen is gelegen in het onverstand van allerlei vreemde, onfriesche predikanten en pastoors, schoolmeesters, notarissen, ambtenaren van den burgerlijken stand, enz. in Friesland. Van ouds schreven de Friezen natuurlijk hunne Friesche namen volgens de Friesche spelling en niet volgens de Hollandsche of eene andere. Trouwens, eene andere schrijfwijze is ook niet mogelijk, ten zij men er niet om geve zoo men onzin voor den dag brengt. Die Friesche spelling van Friesche namen en woorden is de eenig goede, en is door alle Friezen, die slechts een weinig gevoel voor taalzuiverheid, slechts een weinig kennis van spelling en letterwaarde hebben, dan ook steeds gevolgd tot in deze eeuw. Sedert de helft dezer eeuw zijn er al meer en meer vreemde, onfriesche, meest Hollandsche onderwijzers, predikanten, pastoors en ambtenaren in de Friesche gewesten aangesteld geworden. Sommigen van deze vreemdelingen, ja bijna allen, geven den Friesche taal geenszins de eere die haar toekomt, waardeeren haar niet of minachten haar, omdat zij haar niet kennen, omdat zij haar dwazelijk uit der hoogte aanzien voor een verbasterd en leelijk volksdialect. Anderen zelfs haten haar, haten de Friesche taal omdat zij hun moeielijkheden in den weg legt in hun verkeer met het Friesche volk, haten haar omdat de Friesche taal hen dwingt zich in te spannen en nog wat te leeren—een zware eisch voor waanwijze [223]betweters. Die willen dan wel het Friesch schoeien op de Hollandsche leest, het Friesch dwingen in het Hollandsche spoor, met andere woorden: zij willen Friesche namen en woorden schrijven volgens Hollandsche spelregels en—begaan dan domheden, waar mede zij den waren Friezen ergeren. Deze schadelijke invloed van vreemdelingen op de Friesche taal, waartegen de Stand-Friezen dienen te waken en zich krachtig te verzetten, blijkt ook uit de dwaze spelling waarin heden ten dage sommige Friesche namen in nieuwsbladen en andere openbare geschriften voor ’t licht komen. Daar vindt men wel Sietsche en Wietsche, Jetsche en Vetje met Vokeltje en Vrouwkje, Zwopkje en Zweitse, Rinze en Binze, Taeke en Taetsche, Zijtze en Volkert geschreven, in plaats van Sytske en Wytske, Jetske en Fetsje (Fetje), Fokeltsje (Fokeltje) en Froukje, Swobkje, Sweitse, Rinse, Binse, Teake, Teatske, Sytse en Folkert.