Onderscheid in geaardheid, onderscheid in volkseigene zaken, taal en tongval, kleeding, zeden en gebruiken, nering en bedrijf bij zee-, steê- en landvolk, onderscheid in richting en partijschap op godsdienstig en op staatkundig en maatschappelijk gebied is er heden ten dage in ons vaderland nog ruimschoots voorhanden, tusschen de bevolking van het eene en van het andere gewest, van de verschillende Nederlandsche gewesten onderling. Niettegenstaande dit onderscheid langzamerhand al minder en minder wordt, en gedurig uitslijt, vooral door het meerdere en gemakkelijke verkeer tusschen de lieden uit de verschillende gewesten van ons land onderling, zoo onderkent men toch den Fries aan allerlei volkseigene en bijzonder Friesche zaken en eigenaardigheden nog gemakkelijk uit alle andere Nederlanders. Maar ook de Groningerlander en de Zeeuw, de Hollander en de Gelderschman, de Overijsselaar en de Brabander, de Drent en de Limburger, ja ook de Hollander uit het Noorden (West-Friesland) en die uit het Zuiden (het Overmaassche) zijn voor den opmerkzamen man duidelijk en gemakkelijk te kennen, duidelijk en gemakkelijk de een van den ander te onderscheiden.

Oudtijds traden de kenteekenen die den Fries en den Brabander, den Gelderschman en den Hollander, den Drent en den Zeeuw onderscheiden, veel sterker te voorschijn dan heden ten dage. Ja, allerlei bijzondere kenmerken waren zelfs op te merken [4]bij de bewoners van verschillende steden en dorpen—kenmerken, waardoor dezen zich onderscheidden van de ingezetenen van andere, van naburige of ook van verderaf gelegene plaatsen. Het onderscheid tusschen de bewoners van twee naburige plaatsen, al waren die lieden dan ook oorspronkelijk van geheel den zelfden volksstam, viel juist hen onderling, over en weêr, bijzonder in ’t oog, klonk juist te duidelijker in hun oor, werd juist door hen te scherper opgemerkt. Voor den Hollander moge er geen onderscheid zijn te bespeuren, in spraak noch in voorkomen, noch in eenigerlei andere volkseigene zaak tusschen eenen burgerman uit Leeuwarden en eenen uit Dokkum, voor den Leeuwarder en den Dokkumer zelven is dit onderscheid zeer wel te hooren en te zien. De Friezen mogen de Noord-Brabanders en Limburgers dooréén werpen, en niet afzonderlijk onderkennen, Bosschenaren en Maastrichtenaren, die van Breda en die van Roermond, zijn diep doordrongen van het verschil dat er tusschen hen onderling bestaat. De Hollander, in ’t algemeen de Nederlander uit het Westen en het Zuiden des lands moge al Groningerlanders en Friezen over eenen en den zelfden kam scheren en niet onderscheiden, de Amsterdamsche grootstedeling moge die twee gelijkelijk als „buitenlui”, als „provincialen, uit het Noorden” bestempelen en ze niet onderscheidenlijk onderkennen, voor den Fries en den Groningerlander zelven, over en weêr, zijn de bijzondere kenmerken, die hen onderscheiden, zeer duidelijk en zeer groot, en de Leeuwarder begrijpt zoo min als de Groninger hoe de Hollander den een met den ander als in eenen adem kan noemen, hoe hij den een met den anderen kan verwisselen en verwarren.

In oude tijden, toen de gelegenheden van onderling verkeer tusschen de verschillende Nederlandsche gewesten, ook tusschen de verschillende steden en dorpen van het zelfde gewest zoo veel minder en geringer waren dan thans, kwamen de menschen, over ’t algemeen genomen, uit de eene plaats vaak weinig of niet, soms schier nooit in aanraking met die uit eene andere plaats, al ware ’t ook dat die twee plaatsen, naar ons hedendaagsch begrip, volstrekt niet verre van elkander af lagen. Natuurlijk bleven, ten gevolge van dit besloten zijn binnen de muren en wallen en grachten van de eigene stad, hoogstens binnen de [5]grenzen van de eigene gouw, de oude volkseigenheden steeds vast en duidelijk in wezen, bleven scherper begrensd, hielden veel langer stand dan heden ten dage, nu schier de helft van de Nederlanders niet meer woont in de plaatsen, waarin ze geboren en groot gebracht zijn, waar hunne maagschap van oudsher gezeten is.

Het onderlinge verschil tusschen de ingezetenen van de eene plaats en die van de andere, werd ook wel eene oorzaak van min vriendelijke verhouding over en weêr, van onderlingen naijver—ja, als ’t hoog liep, van onderlingen afkeer, zelfs van haat. Kleingeestigheid, bekrompenheid, uit onkunde geboren, weêrhield, aan den eenen kant, wederzijdsche erkenning als volks-, als stamgenooten, en mat, aan de andere zijde, het onderlinge, veelal onwezenlijke verschil ten breedsten, ten hatelijksten uit. Leeuwarders en Dokkumers, bij voorbeeld, gevoelden zich niet als volksgenooten, als Friezen, de eene zoo goed als de andere, maar als Leeuwarders en Dokkumers op zich zelven, als „Leeuwarder Galgelappers” en als „Dokkumer Garnaten”, zoo als men elkanderen over en weêr betitelde, ja wel uitschold. Tusschen Amsterdammers en Haarlemmers, al hoe nabij elkanderen hunne steden ook gelegen zijn, heerschte in de 16e eeuw de grootste naijver—een naijver die zich onder anderen lucht gaf in de spotnamen „Koeketers” en „Muggen”, die men elkanderen wederkeerig toevoegde—een naijver die, bij voorbeeld, ook blijkt uit het min of meer smalende vers, waarmede de blijspeldichter Gerbrand Adriaense Brederoô, een Oud-Amsterdammer in merg en been, de Haarlemmers uitdaagde:

Haerlemsche drooge harten nu,

Toont nu eens wie gy syt!

Wy Amsterdammers tarten u

Te drincken eens om stryt.”

En juist zulk eene verhouding bestond er tusschen den Zwolschen Blauwvinger en den Kamper Steur, tusschen den Deventerschman en den Zutfenaar, tusschen den Franeker Klokkedief en den Harlinger Tobbedanser, tusschen den Rotterdammer en den Dordtenaar, tusschen den Emder Potschijter en den Auriker Pogge, tusschen den Antwerpschen Sinjoor en den Mechelschen Maneblusscher, tusschen den Gentenaar [6]en den Bruggeling, tusschen den Keuneter van Duinkerke en den Drinker van St. Winoksbergen.

Overal in al de Nederlanden, Noord en Zuid, en in aangrenzende stamverwante gewesten die thans tot Duitschland en Frankrijk behooren (Oost-Friesland, Bentheim, Munsterland, Fransch-Vlaanderen en Artesië), had men oudtijds zulke spotnamen voor de inwoners van steden en dorpen; en al mogen die namen tegenwoordig al minder sterk op den voorgrond treden als in vorige tijden het geval geweest is, ze zijn toch heden ten dage nog geenszins volkomen verdwenen. Oudtijds gaf de onderlinge naijver, zich vooral ook uitende in het wederkeerig elkander noemen en schelden met spotnamen, wel aanleiding tot zeer gespannen verhoudingen, tot wrevel en haat, tot vechtpartijen zelfs, waarbij men elkanderen wel bloedige koppen sloeg. Dit behoort in onzen tijd tot het verledene, maar de oude spotnamen zijn nog wel bekend, en worden nog wel eens gebruikt, zij het dan ook in tamelijk onschuldige plagerij, of geheel in scherts.


Deze oude spotnamen zijn voor een goed deel belangrijk in menig opzicht. Velen daarvan zijn reeds zeer oud en dagteekenen uit de middeleeuwen. Velen ook berusten op het eene of andere geschiedkundige feit, anderen op het wapen dat eigen is aan stad of dorp (Klokkedieven van Franeker, Balkedieven van ’t Ameland, Mollen van Schermerhorn). Anderen weêr danken hun ontstaan aan het eene of andere bijzondere voorval, waarbij door den nabuur, den tegenstander, in ’t geven van den spotnaam, juist de domme, de belachelijke zijde der zaak werd in ’t licht gesteld (Kalfschieters van Delft, Keislepers van Amersfoort, Maneblusschers van Mechelen, Rogstekers van Weert). Weêr anderen zijn ontleend aan eenen bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, die in de eene stad bestond, in de andere niet; Gortbuiken of Gortzakken van Alkmaar—te Alkmaar bestonden oudtijds vele grutterijen, en de Alkmaarsche gort was wijd vermaard in den lande; Botervreters van Diksmude en Kaasmakers van Belle—beide deze Vlaamsche plaatsen zijn van ouds bekend om hare zuivelbereiding. Sommigen ook zijn ontstaan door de eene of andere lekkernij, die in de eene of andere stad bijzonder gemaakt en [7]door de inwoners bij voorkeur gegeten of gedronken werd. (Koeketers van Amsterdam, Klienroggen van de Joure, Dúmkefretters van Sneek, Molboonen van Groningen, Roodbierdrinkers van Harelbeke.)

Kieskeurig waren de oude Nederlanders geenszins, in het bedenken en gebruiken van spotnamen. Van daar dat sommige dezer namen heden ten dage slechts ternauwernood in beschaafd mannen-gezelschap genoemd kunnen worden; (Zandpissers van de Zijpe, Gruppendrieters van Oldenzaal, Potschijters van Emden, Luzeknippers van Eernewoude, Mosterdschijters van Diest). Maar, jufferachtig preutsch moet men niet zijn, als men sommige eigenaardigheden onzer voorouders in nadere behandeling neemt.

Al deze Oud-Nederlandsche spotnamen te zamen genomen geven een veelal verrassend, ook leerzaam en soms niet onvermakelijk inzicht in de beschavingsgeschiedenis van ons volk.


De spotnamen zijn over al de Nederlanden, Noord en Zuid, verspreid; in al de Nederlandsche gewesten zijn ze in gebruik. In ’t eene gewest echter meer dan in het andere. In de Friesche en in de Vlaamsche gewesten zijn ze het talrijkst. Ook in de oorspronkelijk Dietsche gewesten van Frankrijk (Fransch-Vlaanderen en Artesië) komen er voor, en niet minder in de Friesche gouwen van Noord-Duitschland (Oost-, Wezer- en Noord-Friesland).1

Als Fries zijn mij de Friesche spotnamen het beste en het volledigste bekend. Dus komt in deze verhandeling aan de Friesche spotnamen het leeuwendeel toe, en worden ze in de eerste plaats uitvoerig besproken en verklaard. Vervolgens worden de spotnamen van de overige Nederlandsche gewesten, voor zooverre ze mij bekend zijn, hier allen vermeld. Bij sommigen van die namen heb ik eene kleine aanteekening gevoegd, zonder echter den oorsprong en de beteekenis van al die namen in het algemeen [8]na te speuren en aan te geven. De Oud-Vlaamsche spotnamen die ons overgeleverd zijn in het allermerkwaardigste gedicht Den langen Adieu, van den Bruggeling Eduwaert den Dene, worden ten slotte, nog bijzonderlijk vermeld, en, ten deele althans, in hunnen oorsprong en in hunne beteekenis nader besproken. Zoo is de indeeling van deze verhandeling.


De Friesche spotnamen zijn in de Friesche taal gesteld—dat spreekt geheel van zelven. Daar is nog geen man van Arum ooit voor „kruiper in het stof van den weg” gescholden; geen man uit Sneek voor „duimpjevreter”, geen man uit Warns voor „schapenkeutel”. Maar „Moudekrûpers”, zóó heeten de Arummers; „Dúmkefretters” de Sneekers; „Skiepeloarten” de Warnsers. De Friesche spotnamen zijn hier en vervolgens dan ook in het Friesch vermeld, en daarbij, voor zooverre noodig, verdietscht, of anderszins in het Nederlandsch verklaard.

In mindere mate is het gelijke ook met andere namen het geval, die steeds in gouwspraak genoemd worden. Welke Hollander en welke Vlaming, of welke andere Nederlander, die de gouwspraak van Twente niet kent, zal den spot naam van de Oldenzalers, „Gruppendrieters”, verstaan? Die Friesche namen, of die welke in de eene of andere gouwspraak genoemd worden, verliezen in oorspronkelijkheid, in eigenaardigheid, in kracht, als ze vertaald worden of in algemeen Nederlandsch overgezet. Moudekrûper, Gruppendrieter, dat is kernachtig, kort en krachtig, volkseigen-schoon gezegd. Hoe lamlendig en laf staat daar tegenover „Kruiper in het stof van den weg”, en: „Iemand, die zijne lichamelijke ontlasting verricht in eene greppel”—’k weet waarlijk niet hoe men dit best in zoogenoemd beschaafd Nederlandsch zal zeggen of schrijven.


Leeuwarden is de hoofdstad van Friesland. Met Leeuwarden willen we beginnen.

De Leeuwarders dragen den spotnaam van „Galgelappers”. Zij zijn eigenlijk wel twee spotnamen rijk. Immers heeten ze ook wel Speknekken. Speknek is een bijnaam voor een welgesteld, lichamelijk ook zeer welvarend man, wiens glad-geschoren [9]nek, zoo als bij zulke lieden wel ’t geval pleegt te zijn, als ’t ware glimt van vet (spek), en met plooien van eene dikke, onderhuidsche vetlaag is voorzien. Maar deze spotnaam voor eenen ouderwetschen, dikken, kwabbigen burgerman, zoo als ik die in den goeden ouden tijd, in mijne jeugd te Leeuwarden nog velen heb gekend (een geschoren nek, en krullokken vóór de ooren, was „mode” in de eerste helft dezer eeuw)—de spotnaam Speknek is verdrongen door dien van Galgelapper.

Hoe nu de Leeuwarders aan den spotnaam Galgelappers gekomen zijn, wil ik hier eens uitvoerig mededeelen, en wel, voor de verandering, geschreven in de dagelijksche spreektaal der ouderwetsche Leeuwarder burgerij; geheel zóó als een Leeuwarder burgerman van den ouden stempel, dat verhaal den zijnen zoude doen. Dit dient dan met één als een staaltje van de spreektaal der Leeuwarders, van het verkeerdelijk zoogenoemde Stad-Friesch (het Stêdsk der Friesch sprekende Friezen), ’t welk anders niet is als goed Oud-Dietsch, rijk vermengd met Friesche woorden en woordvormen en zinwendingen, en dan uitgesproken door eenen Frieschen mond, die geen letter n op ’t einde der woorden verwaarloost, maar dit wel doet met de r in ’t midden der woorden; ook met sk, s en f en zachte g in plaats van de Hollandsche sch, z en v en rochelende g, die geen Fries uitspreken kan (de s of z, de f of v dan in ’t begin der woorden), tenzij dan kunstmatig, met veel moeite, en met veel keelgeschrap wat de sch en g betreft.

Luuster nou ’ris! Dan sa’ ’k jimme ’ris fertelle, hoe-’t de Leewarders an har bijnaam fan Galgelappers komen binne.

Oudtiids hadden alle steden in Friesland, in de groote dorpen oek, daar ’t rechthuus fan ’e grietenij staat, in oek wel sommige staten (dat binne fan die groote, oud-adellike boereplaatsen), it recht fan galg in rad, liik as dat doe soo hiette. Dat is te seggen: in die plaatsen mochten in musten de boosdoenders, de moordenaars, de branstichters in suk gespuus, foor soo feer as se daar, of in ’e onderhoorichheit fan die plaatsen har misdaden uutricht hadden, oek ophongen wudde an ’e galge.

Later, doe-’t Leewarden, in ’e plaats fan Staveren, de hoofdstad [10]fan Friesland wudden waar, in doe de regeering over Friesland hoe langer hoe meer in ien han komen waar, in te Leewarden har setel hadde, doe houdde dat op. Doe musten alle boosdoenders, die-’t in Friesland oppakt waren, in tot ’e dood feroordeeld, die musten te Leewarden an ’e galge ophongen wudde. It lansbestuur liet in alle steden in andere plaatsen, die-’t it recht fan galg in rad hadden, wete—om so mar ’ris te seggen, met dizze woorden: „Hur ris, jimme Franekers in Harlingers, jimme Dokkumers, Sneekers in Bolseters, in die ’t it meer angaat, jimme hewwe ont nou toe jimme eigen moordenaars sels ophongen, mar dat houdt nou op; dat mut deen weze. As jimme en moordenaar of en andere kwaaddoender snapt hewwe, in feroordeeld om te hangen, dan mutte jimme die man na Leewarden sture, om daar dan ophongen te wudden. Set de man dan mar, goed in ’e boeiens slagen, met een paar dienders of feldwachters of wat jimme hewwe (as it mar goed fortroude mannen binne), in ’t trekskip na Leewarden, met en briefke der bij, hoe in wat. Dan salle se te Leewarden dat saakje wel feerder opknappe, in de man an ’e galge ophange.”

Nou! dat ston alle minsen lang niet an, in die kleine plaatsen. Want jimme mutte begripe, d’r gebeurt daar niet veul nijs, soo deur ’n bank; in dan gaf soo’n ophangerij altiid nog ’ris en aardig fersetsje, in ’n mooi fleurig kiikje. Mar wat suden se d’ran doen? Se musten wel doen soo-’t de regeering it hewwe wude, hee? Mar de Leewarders! nou, die hadden en boel wille deur die nijigheit; in en hopen foordeel oek.

De merkedag wudde doe te Leewarden houden op Saterdag, in niet op Frijdag, soo as nou teugenwoordig. In fan sels, op merkedag wudde der ophongen, in branmerkt, in giisseld, in te pronk set. Want sien! merkedag dan waar der altiid en hopen boerefolk in ’e stad, die daar dan doch weze musten foor har saken, in om te koopen in te ferkoopen. Mar dan kwammen d’r altiid oek en boel uut nijsgierigheit om ’t ophangen te sien. In soo had de Leewarder galge it mar drok; hast alle Saterdags waar d’r ’t ien of ander op ’t skawot te redden. In daar hadden de Leewarders dan niet allienig de nocht [11]in de wille fan, mar oek groot foordeel. Fooral de kas’leins in de koekebakkers. Want en koem koffi met en stuk koek, in en burreltsje—dat waar al ’t minste dat de lui bruukten. De meesten nammen feul meer achter ’t fesje. In daar kwam dan nog bij alderlei koopmanskap fan alderlei guud dat ’t boerefolk noodig had, oek fan goud in sulver in mooie kleeren foor de froului—dus de Leewarder merkedag wudde mar deeg fleurig fan dat alles.

Dat gong soo jaren heene, in de Leewarder galge had mar en boel te doen. In fan sels—soodoende sleet-i oek deeg. Langsamerhand begon-i al mooi oud te wudden, in te ferfallen. D’r muste noodig in nije galge komme, soo noodig as eten in ’e mon.

Ja, mar wie must die nije galge betale? Daar kwam it mar op an. De Leewarders seiden: Alles goed in wel! ’t is ons galge, in as d’r allienig mar Leewarders an ophongen wudden, dan musten wij him oek allienig onderhoude; of fernije, as ’t noodig waar. Mar nou al die kleinsteedsers d’r an ophongen wudde, in al dat butenfolk, nou mutte die minsen d’r oek mar an betale. It sude wat moois weze! Wij de galge onderhoude, of en nije galge geve; in die Franeker klokkedieven in Harlinger tobbedansers, die Dokkumer garnaten, Sneeker duumkefreters in Bolseter olikoeken, in al die butenminsen, die suden d’r mar frij anhange!—alles in recht in billikheid! Mar soo niet!

Hou wat! seiden doe de kleinsteedsers in it boerefolk, hou wat! Jimme Leewarder Speknekken! jimme hewwe alle wille in oek alle foordeel fan ’e ophangerij, mar wij krije d’r in ons eigen plaatsen niks meer fan te sien. ’T is billik in recht dat jimme nou oek de galge onderhoude, of anders en nije galge make late!

Dat gaf nou fan sels ’n hopen roezje onder ’e lui, in ’n hopen geskriif in gewriif onder ’e heeren. Want sien, ieder bleef fan sels stiif op siin stuk staan—dat is ’t oude Friesse gebruuk soo, in daar mut me ien dan oek an houde—is ’t nou waar of niet?

Nou, de galge waar oek nog niet soo, al sag-i d’r frij wat skunnig uut, of-i kon nog wel wat dienst doen. In soo bleef dan die saak fan ’n nije galge fooreerst mar sloeren.

Doe waar daar in die tiid ’n kleermaker te Dokkum, in die [12]man had ’n boos wiif. Benaud boos, kan ’k jimme segge. In op ’n goeie morgen sloeg die man siin frou dood, met ’t striikiisder in de parsplanke. ’T waar anders mar en klein, springerig in spichtig kereltsje, soo as de sniders feulal binne; mar sien, die booze flarde had de man breinroer maakt. Goed! Hij wudde oppakt, in fonnisd, in na Leewarden brocht, in ’t trekskip, om daar ophongen te wudden. De Frijdagsmiddags kwam-i te Leewarden an, in de Saterdagsmiddags om twaalf uur suud-i ophongen wudde. Eerst kreeg-i nog siin galgemaal. Want de lui die-’t oudtiids ophongen wudden, mochten die daags foor ’t laast nog ’ris uutkieze, wat se ete wuden. In wat se dan begeerden—as ’t niet al te mal waar, dat kregen se dan oek. Nou—dizze man dan, die koos eindfeugel met appelsmots; want it waar in ’t najaar. In daar ’n fles wiin bij; want wiin had de man eigentlik nooit niet goed proefd. In doe-’t-’i dat lekker oppeuzeld hadde, doe kwam d’r nog ’n domenij ’n half uurke bij him—och ja, mins!—In daarna brochten se him op ’t skawot.

Doe die man daar soo ston onder ’e galge, in de beulsknecht sette de ledder al klaar, in de burgemeester met de froedsmannen stonnen om him heene, doe keek die man ’ris na boven, na de galge daar-’t-i an hange muste. In doe skudd’-’i ’t hoofd, in doe wudd’-’i moeielik. Sij froegen him wat of-’t-’i hadde. Och! seid’-i, Heeren fan ’e stad fan Luwarden!2 dat ik hier ophongen wudde sil, dat is tot daair an toe. Daair sil ik niks fan segge. Dat hew ik ferdiend; in die wat ferdient, die mut wat hewwe, segge se bij ons in Dokkum. Dat is niet anders. Mar—(in doe sag die man al weêr na boven, na de galge) mar dat ik nou an soo’n skunnige, an soo’n rotterige galge mut—dat krinkt mij. Ik bin ’n fatsoendelik burgermanskiin fan ’e stad fan Dokkum, fan ouder tot foorouder. In dat ik nou an soo’n wrak, onsjog ding bongele sil, daair skiet mij ’t moed fan fol. [13]Waar it nog ’n knappe, krease galge, ik suud d’r niks fan segge. Sien! ik hew miin leven lang feul fan Luwarden seggen hoord, dat it soo’n mooie stad is, in sukke mooie groote huzen, in alles like deftig, knap in kreas. Mar die rotterige galge, die skeint de hele stad. It is suver en skande foor de hoofdstad fan Friesland. In jimme Luwarders! jimme sille om die oude galge, nog ’n kwaaide naaim krije bij andere lui. Dit is te slim, Heeren! fur ’n fatsoendelik burgermanskiin fan Dokkum!”

Mar, ons maat mocht lipe of pipe, in hij mocht hoog springe of leeg springe, dat holp him allemaal niks. Hij muste d’r an geloove. In gien twie minuten later, doe bongeld’-i al boven an ’t dwarshout fan ’e galge.

Nou, doe dat karwei dan ofloopen waar, doe seide de burgemeester fan Leewarden teugen ’e froedsmannen: „Hur ’ris! die Dokkumer kleermaker het geliik had. Ik wude d’r niks fan segge, daar die man bij waar, mar geliik het-i. Ons galge is te min. In d’r mut ferandering komme; anders houdt heele Friesland ons nog voor de gek. Wij binne ’t an de eere in an de goede naam fan ons stad ferplicht, om hierin ferbetering an te brengen. In kan d’r dan gien gloednije galge op staan, in fredesnaam! dan mutte wij de oude galge mar wat oplappe in opknappe. Dat kan oek best!”

In soo wudde ’t dan besloten. De stads-timmerbaas hakte de rotterige steden d’r uut, in-i sette daar nije stukken foor in ’t plak, in-i bespikerde de galge wat, in-i skoorde ’m wat. In doe ferwde de ferwer him mooi rood op. In sie daar! de galge waar alheel oplapt in opknapt, in-i leek wel weer nij.

Ja—mar de Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale wuden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van:

Leewarder Galgelappers

tot ’e dag fan fandaag toe. In se salle him wel houde, soo lang as Leewarden bestaat, in soo lang as d’r Leewarders binne. In wij wille hope dat dat nog duzent jaar in langer dure sal!


Na de Leeuwarder Speknekken en Galgelappers zijn de andere Friesche stedelingen aan de beurt. Dat zijn dan de [14]Tobbedounsers van Harlingen, de Dúmkefretters van Sneek, de Oaljekoeken van Bolsward, de Garnaten van Dokkum, de Klokkedieven van Franeker, de Brijbekken van Workum, de Ribbekliuwers van Staveren, de Keapmankes van IJlst, en de Tjeeunken van Hindeloopen. De burgers van Slooten zijn eigenlijk geen bijnaam rijk; maar over hen zal verder in dit opstel nog gesproken worden.

Te Harlingen waren oudtijds vele weverijen, waar eene bijzondere soort van linnen (later katoenen) stof vervaardigd werd; wit, met licht-blauwe ruitjes in verschillende teekening. Dit weefsel, deze kleedingstof had eenen zeer goeden naam in den lande, wegens hare deugdelijkheid, hare sterkte en haar fraai voorkomen. Ze werd vooral voor vrouwenschorten of voorschooten gebruikt, en ze was (en is nog heden, al wordt ze te Harlingen niet meer gemaakt) in Friesland als Harnser bûnt, Harlinger bont, in andere Nederlandsche gewesten als Friesch bont bekend. Dit maken van Harlinger bont geschiedde te Harlingen door wevers en verwers in het klein, bij wijze van handwerk, in het eigene woonhuis. Dat was lang voor den tijd van groote stoomfabrieken en van maatschappijen tot uitoefening van allerlei takken van nijverheid in het groot. Iedere burger, iedere „baas”, werkte toen op zich zelven en voor zich zelven als vrij man. Als het linnen garen dan ook blauw geverfd was geworden, moest het ter dege in frisch water uitgespoeld worden, eer het gebruikt, eer het geweven werd. Dat uitspoelen geschiedde in groote kuipen, en de verwer sprong met bloote beenen in die kuip of tobbe, en bearbeidde het garen, al trappelende met zijne voeten, tot het spoelwater helder en ongekleurd afliep, en het garen niet meer afgaf. De Harlinger stoffenverwer stond als ’t ware te dansen in de tobbe, en dat zonderling en dwaas schijnende werk heeft den Harlingers in ’t algemeen hunnen spotnaam van Tobbedansers bezorgd.

Nijverheid, van welken aard ook, is eigenlijk den echten Fries, die boer of zeeman is, een vreemd bedrijf. Nijverheid heeft dan ook nooit vasten voet in Friesland kunnen vatten, vooral geen nijverheid in ’t groot. En die daar dan nog de eene of andere tak van noodzakelijke nijverheid uitoefende, deed dit in ’t klein, en was in den regel een vreemdeling, veelal een [15]„Bovenlander”, uit Westfalen, uit Lippe of uit Hessen. Zulk een vreemdeling was bij voorbeeld ook Toon Wever, die in de geestige zedeschets van Dr. Eeltje Halbertsma, in De Reis nei de Jichtmasters zijn rol speelt. Ook de Harlinger-bontwevers en verwers waren oorspronkelijk vreemdelingen in Friesland, die hunne kunst, hunne nijverheid uit Vlaanderen, hun vaderland, waar ze, om geloofs wille, in de 16de en 17de eeuw waren uitgedreven, naar Friesland hadden meêgebracht, en in hunne nieuwe woonplaats uitoefenden, tot eigen opkomst en bloei, en almede tot opkomst en bloei van Harlingen. Die verdrevene Vlaamsche nijverlingen waren Doopsgezinden, en ze stichtten te Harlingen, te Haarlem, aan de Zaan en elders hunne eigene kerkelijke gemeenten, wier leden nog tot in het laatst der vorige eeuw als „Vlamingen”, als „Oude Vlamingen”, als „Vlaamsche Mennisten” in Friesland en Holland bekend waren, en zich van de landseigene Mennonieten afgezonderd hielden. Hunne nakomelingen zijn nog heden ten dage aan hun veelal bijzonder Vlaamsche namen, en aan andere bijzondere zaken kenbaar.—

De Sneekers heeten Dúmkefretters. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat de Sneekers van ouds bijzondere liefhebbers zijn geweest van dúmkes, dus gaarne en veelvuldig dúmkes aten, en alzoo zich dezen spotnaam verwierven. Een bijzonder soort van klein gebak, van koekjes, hard, droog en zoet, en rijkelijk met halve amandelen doorspekt (zal ik maar zeggen), in vorm eeniger mate en in grootte als een mansduim, draagt den naam van dúmkes (duumkes), verhollandscht tot duimpjes, en ook wel den griezeligen, alle eetlust benemenden naam van „doodemansfingers”. Die dúmkes zijn overal in Friesland bekend, en worden er vooral in kermistijd veelvuldig als snoeperij gegeten. Dus zegt ook Hoatse, de bloode vrijer uit het aardige liedje van De Boalserter Merke (bij de Friezen zoo zeer bekend, en zoo gaarne door hen gezongen), als hij voornemens is van de kermis naar huis toe te gaan:

Ik koft hwet dúmkes for de bern.”

De Sneeker koekbakkers kunnen anders niet uit tegen die van Franeker, in het bakken van bijzonder lekkere dúmkes. De Franeker dúmkes hebben den voorrang bij de Friezen, en [16]genieten zekere mate van bekendheid, ja van roem. Toch is ook Sneek niet verstoken van eene eigene lekkernij; de drabbelkoeken van Sneek zijn vermaard. Ik zie waarlijk geen kans, om dat eigenaardige gebak hier duidelijk te beschrijven. Die het kennen wil, koope het en ete het. In blikken bussen gesloten, naar hedendaagsch gebruik, zijn de Sneeker drabbelkoeken tegenwoordig ook in Holland en andere Nederlandsche gewesten verkrijgbaar.

Nog eene bijzonderheid; de drabbelkoeken hebben van ouds te Leeuwarden eenen eigenen naam. De Leeuwarders noemen ze keugels. Ik versta dezen naam niet, al ben ik Leeuwarder van ouder tot voorouder. Het Nederlandsche woord kogel is het niet—al zoude de vorm van den drabbelkoek anders wel aanleiding kunnen geven tot dezen naam; immers een kogel heet in de Oud-Leeuwarder spreektaal ’n koegel.


Ook die van Bolsward dragen hunnen spotnaam, die aan eene lekkernij, aan zeker gebak ontleend is. De Bolswarders heeten Oaljekoeken, Oliekoeken.

Oliekoeken zijn zeker eene versnapering, die bijzonderlijk bij de Friezen in ’t algemeen veel gebakken en veel gegeten werd, en nog wordt, en die bij het Friesche volk zeer in den smaak viel, en nog valt; ofschoon—heden ook al minder dan vroeger. In vroegere tijden, veertig en vijftig jaren geleden, waren de Friesche oliekoek- en wafelkramen op alle kermissen, ook in Holland en andere Nederlandsche gewesten te vinden. Het bakken van de bruin-glanzende oliekoeken, op een rookend vuur van turf en hout, verspreidde zijnen vettigen, scherpen, eigenaardigen walmgeur over alle kermissen in den lande, en het Friesche famke (meisje), Friesch sprekende en in Friesche kleeding, dat de oliekoek- of wafelssmullende gasten in het kraamke bediende, of anders het gebak aan de huizen der ingezetenen bracht of in de straten uitventte, was als „Friesch wafelmeisje” alom bekend. Zij vervulde eene vroolijke, vriendelijke rol in het Oud-Nederlandsche volksleven, en is in het bekende werk De Nederlanden, Karakterschetsen, enz. (’s-Gravenhage, Nederl. Maatschappij van Schoone Kunsten, 1862), in woord en beeld verheerlijkt. [17]

Zulk eene Friesche wafel- en oliekoekenkraam zag ik nog ten jare 1878 te Hamburg, op de Neumarkt, nadat al in de verte de eigenaardige walm aan het oliekoekbakken verbonden, mijne reukzenuwen had geprikkeld, en, onbewust, Oud-Vaderlandsche herinneringen bij mij had opgewekt. En een paar jaren later zag ik er nog eene te Brussel, op het plein bij de Halsche Poort. Beide keeren kon ik het niet laten mijnen landsman, die daar oliekoeken zat te bakken, eens vriendelijk goeden dag te zeggen, en den man en zijne vrouw, die met een oorijzer getooid was, eens aan te spreken in de zoete klanken der Friesche moedertaal.

Omstreeks het midden dezer eeuw werden oliekoeken nog te Leeuwarden op straat uitgevent, vooral des Zondags-avonds, en meest in de buiten- en achterbuurten der stad. Dan galmde het geroep „Oliekoeken hie-ie-iet, hiet ende warrem!” op lang gerekten, weemoedig-zangerigen toon, door de stille straten. De verkooper had zijne oliekoeken in eenen grooten schotel van grof aardewerk, dien hij in eene hengselmand aan den arm droeg; en, om zijne waar hiet ende warrem te houden, had hij een kussen boven op het deksel van den schotel gelegd. Uit dezen ouden woordvorm ende (min of meer als inne klinkende), die bij dezen oliekoekenroep nog steeds voluit werd gesproken, blijkt het dat deze wijze om oliekoeken uit te venten, al zeer oud, wel minstens twee-honderd jaren oud was. In de dagelijksche spreektaal der Leeuwarders van deze eeuw werd ende (inne) nooit meer gezegd.—Ook op de Oude Veemarkt te Leeuwarden zaten er op marktdag altijd een paar oude wijfkes, bij den ingang van het marktplein, te oliekoekbakken, ten dienste van de veedrijvers, die het vette gebak zóó uit de hand opaten, en hunnen voorraad daarvan soms in hunne petten bewaarden. En des winters, bij mooi ijs, als schier alle Friezen en Friezinnen tusschen de zes en de tachtig jaren, op schaatsen waren, zaten er hier en daar te lande, onder bruggen waar veel volk onder door reed, en bij de toegangen der waterherbergen,3 waar veel volk inkeerde, oude vrouwen te oliekoekbakken, met vuurpot en bakpot in eene oude theekist, voor den wind. Vooral de vrouw, [18]die onder de brug van Uultsjestein (aan de Bolswarder trekvaart, halfweg Leeuwarden en Bolsward) oliekoeken bakte, had veel gunst van Leeuwarder jongelieden, die reeds bij haar hunnen voorraad oliekoeken opdeden, waarmede zij de Bolswarders zouden hoonen, zoo als hier vervolgens zal vermeld worden.

Maar—om op de Bolswarder oliekoeken in het bijzonder terug te komen—of men nu dit volkseigene gebak oudtijds te Bolsward bijzonder lekker wist te maken, dan wel of de Bolswarder burgers het bijzonder gaarne en veelvuldig aten, daarvan melden „’s Lands Historieblaân” niemendal. Toch heeft iemand verkondigd dat de bijnaam der Bolswarders (Oliekoeken) wel degelijk eenen geschiedkundigen oorsprong zoude hebben. Paulus C. Scheltema vermeldt in zijne Verzameling van Spreekwoorden (Franeker, 1826) het volgende: „Zoo stamt de naam, waarmede men de Bolswarders alsnog betitelt, af van den hoofdman over Bolsward, Edo Jongema, die vreemde gezanten, bij zekere gelegenheid op oliekoeken onthaalde. Het spreekwoord Bolswarder oliekoeken was reeds bekend in de vijftiende eeuw.”

Waar of Scheltema dit bericht vandaan had, heeft nog geen Friesche navorscher ooit kunnen ontdekken; en of hij het misschien uit den mond des volks heeft opgeteekend, meen ik sterk te mogen betwijfelen. Immers als zulk eene overlevering, sedert de vijftiende eeuw, nog in de eerste helft dezer eeuw bij den volke bekend geweest was, me dunkt dan kon ze in de laatste helft dezer eeuw moeielijk geheel en al reeds bij het volk vergeten zijn. Toch hebben anderen en ik nooit ofte nimmer gehoord noch bespeurd, dat het volk iets wist van deze oliekoeken van Jonker Edo. Trouwens, men dient Scheltema’s mededeelingen altijd cum grano salis op te vatten; dit is bij de Friesche geschied- en oudheidkundigen bekend genoeg.

Een ander weet er weêr wat anders op ter verklaring van den spotnaam der Bolswarders. Waling Dykstra schrijft daarvan in zijn werkje In doaze fol âlde Snypsnaren (Frjentsjer, 1882):

„To Bolswert plichte in oaljemounle to wêzen der sokke bêste lyn- en raepkoeken makke waerden, dat de lju fier en hein der fen ha woene. Dy neamde men den, om de aerdichheid, Bolswerter oaljekoeken.” [19]

Maar het volk weet ook niets af van die oliekoeken voor het vee. Het Friesche volk kent, in betrekking tot de Bolswarders, slechts de oliekoeken voor de menschen. Om nu de Bolswarders niet openlijk en luide met dezen spotnaam te noemen, maar toch stilzwijgende daar mede te plagen, als door een teeken, rijden de jonge lieden uit andere plaatsen, des winters als er ijs is, wel te Bolsward op de gracht, die de geheele stad omgeeft, met een oliekoek op de punt van de schaats gestoken, gespietst. De Bolswarders plegen deze hoon en smaad, hunner oude en wijdvermaarde stede aangedaan, bijzonder kwalijk op te vatten. Zij vergelden deze beleediging gaarne, als ze daar kans toe zien, door de bedrijvers van die, in hunne oogen zoo gruwelijke wandaad, eens flink af te kloppen. Menigeen die het stoute stuk waagde te Bolsward op de gracht te rijden met oliekoeken op de schaatspunten, heeft deze zijne koene daad moeten boeten met een duchtig pak slagen, dat de verwoede Bolswarders hem gratis verstrekten, en dat lang niet malsch was, zoodat er wel blauwe oogen, bebloede koppen en andere krijgstropheeën bij te pas kwamen. Het gold in mijne jeugd dan ook nog voor eene schitterende heldendaad, bij de jongelieden van Leeuwarden, Sneek, Makkum, Harlingen, Franeker en de tusschen gelegene dorpen, als men te Bolsward de gracht om de stad rondgereden was, met oliekoeken op de schaatspunten. Want bij mooi weêr en mooi ijs, als het Friesche jongvolk, in kleine of groote gezelschappen vereenigd, voor pleizier naar naburige, vaak ook naar ver verwijderde plaatsen reed, stonden de Bolswarder jongelui (die anders ook wel uitgereden waren, maar waarvan er altijd eenigen opzettelijk om in de stad bleven) wel op den uitkijk of ook een vreemdeling het zoude wagen dien smaad hunner stede toe te voegen. En wee hem, dien ze betrapten en achterhaalden! Er behoorde moed toe om het stuk te bestaan, en vlugheid en behendigheid om de Bolswarder hoonwrekers te ontkomen. Slechts kloeke, dappere jongelingen, flinke schaatsrijders tevens, waagden zich daaraan.

Waarlijk, eene eigenaardige, echt Oud-Vaderlandsche soort van sport, die geen Engelschman den Frieschen jongelingen had behoeven te leeren! Die de gracht van Bolsward rond gereden had, de geheele stad om, met oliekoeken op de schaatsen, [20]gevolgd, maar niet ingehaald noch gegrepen door de wraaksnuivende bende Bolswarder hoonwrekers, was de held van den winter in ’t geheele Friesche land.


De Friezen zijn van ouds bekend als liefhebbers van zoetigheid, vooral van allerlei soorten koek en zoet gebak. Ook wordt in de Friesche keuken veelvuldiger en meer suiker gebruikt bij de bereiding der spijzen dan in andere Nederlandsche gewesten gebruikelijk is, veelvuldiger en meer dan den smaak der andere Nederlanders behaagt. Trouwens, hoe noordelijker men komt, hoe meer de smaak voor zoetigheid toeneemt bij ’t eenvoudige, krachtige en frissche, door de scherpe prikkels der verfijnde Fransche kokerij niet verwende en bedorvene volk. In Skandinavië staat de suikerpot bij het middagmaal altijd op tafel, zoo als bij ons het zoutvaatje, de peperbus, het mosterdpotje, enz. Zelfs strooit men in Zweden wel suiker over gebakken visch, en voor de Lappen is een mondvol keukenstroop de grootste lekkernij.

De liefhebberij der Friezen voor zoet gebak blijkt almede uit hunne hiervoren verklaarde spotnamen Dúmkefretters en Oaljekoeken, en blijkt ook uit den spotnaam, dien men den ingezetenen van ’t stedeke IJlst aanhangt. De lieden van IJlst (of van Drylts, zoo als de Friezen zelven dit plaatske noemen—en die zullen toch wel best weten hoe het heet—), de lieden van Drylts dan noemt men Keapmankes of Keapmantsjes, Kjepmankes of Kypmankes; ik weet waarlijk niet hoe ik dezen naam best spellen zal. Waling Dykstra zegt van dezen naam, in zijne Doaze fol alde Snypsnaren: „To Drylts wirdt en soarte fen moppen bakt, dy kypmantsjes neamd wirde. Dy ’t winters oer iis to Drylts komt, moat kypmantsjes mei nei hûs nimme.”4

Ook de ingezetenen van ’t dorp Hallum dragen hunnen spotnaam naar hunne liefhebberij voor koeketen; zij heeten Koekefretters. Over de Amsterdamsche koeketers vindt men verder in dit opstel nader bescheid. [21]

Niet aan zoetigheid, maar aan eene hartige versnapering danken (of wijten) de Dokkumers hunnen spotnaam. Zij heeten namelijk Garnaten.

Garnaet is het Friesche woord, beter gezegd: de Friesche woordvorm voor het bekende schaaldiertje Crangon vulgaris, dat in ’t Hollandsch Garnaal heet. De Oud- en Echt-Dietsche, de oorspronkelijke en volledige naam van den Crangon is Geernaart, Gernaart of Garnaart—dat is ’t zelfde, met een gering, onwezenlijk verschil in uitspraak of tongval. De West-Vlamingen, die onder alle Nederlanders juist het beste de oorspronkelijke, oude woorden en woordvormen tot op den dag van heden in hunne spreek- en schrijftaal hebben bewaard, zeggen nog voluit Geernaart, of, bij afslijting der sluitletter, Geernaar (Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon, op dat woord). Even als de West-Vlamingen de laatste letter in dit woord wel veronachtzamen, doen de Friezen dit met de voorlaatste, met de r. Trouwens, dit is geheel volgens den aard der Friesche taal, geheel volgens de volkseigene uitspraak der Friezen, die in al zulke woorden, vooral als de r op eene d of op eene t stuit, die r zóó flauw uitspreken, dat zij ter nauwer nood of ook in ’t geheel niet gehoord wordt. De Friezen zeggen dan Garnaet (Garnaat), met de volle stemzate op de laatste lettergreep, waardoor de eerste lettergreep zoo onduidelijk wordt, dat het woord in den mond van geheel ongeletterden en van slordig sprekenden wel als Ge’naat luidt. Deze woordvorm en uitspraak geldt ook voor andere Friesche gewesten, voor Groningerland, Oost- en Weser-Friesland, met dit onderscheid, dat de oostelijk wonende Friezen de a van de laatste lettergreep niet zuiver, maar op Sassische wijze, sterk naar de o zweemende, uitspreken. De Hollanders vervallen weêr in eene andere fout, door hunne eigenaardige uitspraak van dit woord, waarbij de t aan ’t einde, even als bij de West-Vlamingen, vervalt, maar tevens de r in eene l overgaat (r en l zijn wisselletters). Zoo is uit deze bijzonder-Hollandsche tongvalsvorm de hedendaagsche geijkt-Nederlandsche naam Garnaal ontstaan. De Strand-Hollanders spreken den zuiveren, onzijdigen aklank van ’t woord garnaal, volgens hunnen eigenen tongval, al blatende, naar de e zweemende, als æ uit. Te Haarlem hoort men de Zandvoorders (visscherlui van het zeedorp Zandvoort) hunne waar op [22]zangerigen toon uitventen, zoodat het des morgens al vroeg door de straten der stad galmt: Garn æ æ le-n—ekoakte garn æ æ le!” Noordelijker nog in Noord-Holland gaat de Strand-Hollandsche æ klank in de West-Friesche volkomene e over. Men spreekt daar van Garneel, of, gerekt, Garreneel. Zie Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal. De Hoogduitschers, op hunne bergen en in hunne bosschen van geen Geernaarts wetende, hebben voor hunne boeketaal den Noord-Hollandschen vorm des woord overgenomen, ofschoon anders de Oost-Friesche vorm hen toch veel nader lag. Immers den Crangon noemen ze Garnele.

De Dokkumers dan heeten Garnaten. Hoe ze aan dien naam gekomen zijn, daarvan weet het volksverhaal eene heele geschiedenis te vertellen, eene geschiedenis die men uitvoerig, en op geestige wijze naverteld, kan lezen in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Halbertsma, het geliefde volksboek als bij uitnemendheid, van de Friezen. Uit dat werk heb ik die geschiedenis hier overgenomen en uit het Friesch in het algemeen Nederlandsch vertaald, waarbij ik echter de Dokkumers, den Groninger en den Duitscher hunne volkseigene spreektaal heb laten houden.

Het is gebeurd in het jaar 1623, dat een schipper met eene lading hout uit Noorwegen kwam, en te Ezumazijl5 binnen liep. Die schipper had uit aardigheid eenige levende kreeften in eenen korf meegebracht voor zijnen reeder, die te Leeuwarden woonde. Dien korf met kreeften droeg hij ’s avonds, toen het al duister was, door de stad Dokkum, en toen kwam er, bij ongeluk een van die beesten uit de mand te vallen, juist voor de deur van zekeren vroedsman, Grada. Des anderen daags, ’s morgens vroeg, toen de dienstmaagd de straat zoude aanvegen, vond zij dat beest daar liggen. Zij liep verschrikt het huis weêr in, en riep: „Heere, Froedsman! Kom gau ’ris foor deur. Heere, wat leit daair ’n raair ding op ’e straaite?” Vroedsman, met eene roode kamerjapon aan, met de witte slaapmuts op het hoofd, en met afgezakte kousen, liep terstond naar buiten. Hij sloeg de handen van verbazing in één, en zei: „Dit is ’n mirakel! suud dat ok ’n jong weze van die roek, die hier boven in ’e lynneboom nestelt?” [23]Het duurde niet lang of daar liep al spoedig een half honderd menschen bijéén, om het schepsel te beschouwen. Een catechiseermeester, die daar ook voorbij kwam, riep: „Minsken! minsken! sien it beest dochs niet an; want ik loof dat it de Basiliscus is, daar men fan in ’e Skrift leest; it kon jimme allegaar it leven koste.”—” ’t Mocht in skyt, meester!” zeide een turfdrager, die daar met zijn korf voorbij kwam, „ik hew him al goed in siin freet sien; ’t stomme beest sal ons niks doen, in die d’r in mingelen bier foor over het, dan sal ik him daaidlik met de tange in miin korf legge, in draaige him waair de frinden him hewwe wille.”—„Dat gaait an!” zei vroedsman. De tang werd gehaald, de kreeft in den korf gelegd, en toen ging de man eerst naar de brouwerij, om zijn kan bier op te drinken. Daar van daan recht uit naar den burgemeester, met een troep straatjongens achteraan. De turfdrager zette den korf in het voorhuis neêr, en vroedsman ging in de kamer bij burgemeester. Hij sprak den burgemeester met een erg bedrukt en verschrikt gezicht aan, en zei: „Goeie morgen, Burgemeister!”—„Goeden morgen, Froedsman! Jou hier soo froeg al over de floer, man?”—„Ja, Burgemeister! Wij hewwe hier ’n raair stuk, Burgemeister. Wij hewwe fan ’e morgén ’n levendig ding op straait fonnen, en gien minske weet wat ding of it is, of hoe it hiet, Burgemeister. Wij hewwe it metnomen, Burgemeister: it staait in ’t foorhuus, Burgemeister. Wil Burgemeister it ok ’ris sien, Burgemeister?”—„Fooral in believen, Froedsman!” zei die heer; „Jou wete, seldsaamheden bin ik altoos nieuwsgierig na.” De Burgemeester, die een eerste grappenmaker was, zag terstond wel dat het een kreeft was, maar hij hield zich nog dommer als de vroedsman eigenlijk was. Hij sloeg dan de handen samen en zei: „Froedsman! Froedsman! ik loof dat er ons slimme dingen over ’t hoofd hange! Soo’n ding staat in gien kronyk beschreven, in soo lang as de wereld staat is er soo’n ding in Dokkum niet vertoond. Het is een stuk van te feel belang. Daarom gefoel ik mij verplicht om nog heden morgen om tien uur den raad te beleggen, om dan te bepalen, wat of wij met dit monster sullen aanfangen.—Jou komme dochs ok, Froedsman?”—„Ja wis, Burgemeister!”

Des morgens om tien ure dan kwamen de Heeren bij elkanderen [24]in het Raadhuis. De mand met den kreeft er in werd in de Raadzaal gebracht; ieder van de Heeren zag beurt voor beurt in de mand, en ging daarna weêr op zijne plaats zitten. Sommigen van de Heeren waren maar juist dapper genoeg om het onnoozele beest aan te durven zien. Toen allen weer gezeten waren, zei de Burgemeester: „Heeren van de Raad van Dokkum! De Heeren hebben gezien dat er in onze stad een wonderlijk creatuur gefonden is, en daar men niet weet, welk dier dit is, en fanwaar het gekomen is, soo heb ik het selve hier gebracht ten einde het advys fan de Heeren te hooren. Daarom U, froedsman Grada! als de oudste fan den raad dezer stad, fraag ik het eerst: wat dunkt u fan dit beest?”

„Ikke?” zei vroedsman Grada, „ik bliif bij miin eerste advys, dat it namentlik ien fan die jonge roeken is, die foor miin deur daair in die hooge lynneboomen nestele; want waar duvel suud it ding anders wegkomen weze? ’t Kan ok niet uut ’e straaitstienen kropen weze.”

„Daar ben je mis in, Froedsman!” zei de burgemeester. „Mijn soon heeft onlangs een nest fol roeken uitgehaald, en die jonge roeken geleken nergens meer op as op oude roeken. Nu is de beurt aan u, froedsman Inia!”

„Heeremistiid, Burgemeister! wat weet ik, froedsman Yuje, fan fremde gediertens. Ik hew wel seggen hoord, dat de kanarjefeugels, as se jong binne, dat se dan kropen. Suud it ok ’n kanarjefeugel weze?”

„Zou een jong kanariefogel dan grooter zijn als een oude? Dat spreekt sich immers selfs tegen,” sprak daarop de burgemeester.

„Dat weet ik niet,” zei vroedsman Inia. „Wij sien alderdegenst, dat groote minsken klein wudde kinne. Miin grootfader is fan burgemeister al bierdrager wudden.”

Nu was de beurt aan den vroedsman Starkenbolte, een Groningerlander, een rijk man en een fijn man; fijn in de kerk, en fijn in de wereld. Toen diens beurt was om te spreken, zeide hij in zijne eigene Groningerlandsche spreektaal: „Ik wijt nijt, ik leuf Burgemeister! dat onze Meister Douwe nog geliik had het, dat et nomentlik ’n Bosiliscus of ’n ploagbeest is, doar de Heere ons met besuiken wil veur onze sonden en [25]ongerechtigheid, en al dat goddelooze vlouken, dat in Dokkom doan wordt. Doarom hol ik mi oan Meister Douwe.”

„Meister Douwe,” viel vroedsman Grada daarop in, „die het wel eerder de planke mis weest. Ferleden jaar song er foor it bordtsje in ’e kerk: „Aller oogen wachten”, op ’n Karsmorgen.

Bij dezen uitval begon de geheele raad van Dokkum te lachen, maar de burgemeester niet. Die moest zijne deftigheid ophouden, en hij sprak weêr:

„Als er dan niemand fan de Heeren is, die mij eenige inlichting in de saak geven kan, soo laat dan eens de beide stadsboden boven komen, of die ons in dit gefal ook nog souden kunnen dienen.”

De boden kwamen boven, en zagen een voor een in den korf. De een was een stakker; hij durfde het beest niet bezien, en geloofde ook steevast aan Meester Douwe. „Ik sil der miin oogen niet na draaye, Heeren!” zei die man. „Want as it gien Basiliscus is, dan is it ’n plaaigbeest, die nachts omloope en pest en kwalen ferkondige, en ik suud er foor weze om it heele beest met korf en al te ferbrannen.” Maar de tweede stadsbode zei ronduit, dat het een kleermaker was, omdat hij twee flinke scharen vooruit stak.

Toen werd er ook nog een kleermaker, een oude Duitscher, ten raadhuize geroepen. Maar toen die man den kreeft in de mand zag liggen, toen werd hij nog bleeker om zijne smalle kaken als tien bleeke kleermakers met elkanderen, en hij riep het uit: „Gott beware, Her Pirgemeister! soll mich die sweernoot straffen, wenn ich solchen Peest langer in de Stadt von Dokkom tolden sollte. Et is de Teufel, prave Herren! de lebendige Teufel. On wann ikke Pirgemeister war, ik that den Hundsfot in de Graft gooyen on versupen him.”

„Heb ik it nijt seid,” zei vroedsman Starkenbolte, „dat we ’t hijr met de kwoade te doun hebben? Dat komt nou van ’t vervlouken en ’t koartspeulen, dat de noatie hyr dout; nou loat de Heere hem los, en geeft hem an de kwoade over.”

„Ja,” zei vroedsman Inia, „as it de kwaaide is, dan is fersupen de baais, want dan helpt gien ferbrannen, want die is fuurfast.”

En de heele Raad van Dokkum riep: „Fersupe mar, fersupe!” [26]De turfdrager smeet den kreeft in de gracht, en de heele stad van Dokkum was blijde. Maar de kreeft nog blijder.

Ettelijke jaren daarna, toen de kreeft al lang vergeten was, toen vischten de Heeren van Dokkum de stadsgrachten met een’ zegen af, en toen vingen ze onzen maat den kreeft weêr in hunne netten. „Soo’n groote garnaait is der nog nooit in Europa fonnen, as dizze hier in dit kleine Dokkum,” zei een hopman van de burgerwacht. „Die sal ik bewaaire, soo lang tot Syn Hoochheit de Prins hier komt!” Hij legde de kreeft (anders gezegd de groote garnaat van Dokkum), om hem in ’t leven te houden, met een zilveren kettinkje vast in ’t water onder eene brug.—

Nog heden ten dage pleegt men er de Dokkumers veelvuldig mede te plagen, dat hun „groote garnaat” te Dokkum onder de „Syl” ligt, dat is onder de breede, gewelfde steenen brug over het vaarwater dat midden door de stad stroomt, en welke „Syl”, als een plein vlak voor het Raadhuis gelegen, als ’t ware het middenpunt van de stad uitmaakt. De Dokkumers zijn zeer gevoelig op dit punt; zij worden wrevelig, als men er hen, met geveinsde belangstelling en ernst, naar vraagt of hun „groote garnaat” nog wel veilig aan de ketting ligt. Juist dien tengevolge worden ze daar nog altijd mede voor den gek gehouden.

Buitendien, onder de Friesche steden lijdt Dokkum altijd veel aanstoot. Het overoude, gansch niet onaardige, vroeger ook bloeiende stadje, met herinneringen, in overblijfselen en in overleveringen, aan Bonifacius, den Apostel der Friezen, moet in Friesland de zelfde ongelukkige rol vervullen, die in de andere Nederlandsche gewesten aan Kampen eigen is, evenals aan Büsum in Noord-Friesland, aan Schilda en Krähwinkel in Duitschland, aan de Pintschgau in Duitsch-Oostenrijk, aan Iglau in Bohemen, aan Beaune in Frankrijk, enz. Van de Dokkumers vertelt men in Friesland honderd en meer domme stukjes, zotternijen, uien, grappen en grollen, de zelfde honderd en meer, die men elders van Kampen, van Büsum, van Schilda vertelt, en nog honderd anderen bovendien. Deze kluchten strekken nog steeds tot vermaak voor andere Friezen, en worden nog steeds in vroolijke gezelschappen verteld, vooral als er een Dokkumer bij is, en vooral als deze zich daarover gekrenkt toont te zijn—zooals in den regel het geval [27]is. Wij willen hier het leed der Dokkumers niet vermeerderen, en laten de domme stukjes die men hen nahoudt, hier verder onvermeld, al zijn velen daarvan ook nog zoo vermakelijk, en geschikt om geestig verteld en lachende aangehoord te worden.

De Dokkumers zijn onder de Nederlanders de eenigen niet wier bijnaam aan de garnaal is ontleend. Ook de ingezetenen van het zeedorp Blankenberge in Vlaanderen, deelen in deze zaak hun lot. Immers ook dezen dragen bij de andere Vlamingen den spotnaam Geernaarts.


Klokkedieven, dat is de bijnaam van de burgers van Franeker, en zij dragen dezen leelijken naam om de onnoozele reden dat het wapenschild hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Onschuldiger is wel niemand ooit aan eenen leelijken bijnaam gekomen dan die van Franeker aan den hunnen. Zij dragen hem echter niet alleen. Ook de ingezetenen van Oudewater, van Delfzijl, van Schermerhorn en van Carolinensyl (Oost-Friesland) deelen hun lot. Maar bij dezen moet eene andere oorzaak als te Franeker in het spel zijn; immers op hunne wapenschilden prijkt er geen klok.

Ook andere Friezen, die van ’t eiland Ameland, moeten zich zulk eenen oneerlijken spotnaam laten welgevallen, naar aanleiding van het wapenschild hunner woonplaats. Het wapenschild van het Ameland vertoont op de eene helft drie balken, op de andere eene halve maan. Dies noemen de andere Friezen de Amelanders Balketsjeaven, Balkedieven, en zingen hen ook dit spotrijmke toe: