De Amelander schalken,

Die stalen eens drie balken,

’s Avonds in den maneschijn,

Daarom zal ’t hun wapen zijn.

Een schalk en een guit, dat is vrijwel het zelfde, volgens de hedendaagsche beteekenis van deze woorden. En zoo heeten de Amelanders niet enkel Schalken, ze heeten ook Guiten. Te Holwerd, het Friesche dorp aan den vasten wal waar het hoofdveer is op het Ameland, waar dus de Amelanders in den regel eerst voet aan wal zetten, zingt de straatjeugd dien eilanders toe—in het Friesch natuurlijk: [28]

De Amelanner Guten,

Dy komme hjir mei skuten:

Hja geane foar de finsters stean

En kypje troch de ruten.

Voor eenen Amelander is Holwerd, wat voor eenen Holwerder Leeuwarden is, voor eenen Leeuwarder Amsterdam, voor eenen Amsterdammer Londen. Als een Amelander jongmensch voor het eerst aan den vasten wal komt, ziet hij daar zoo veel, dat zijne nieuwsgierigheid grootelijks opwekt. Hij kan zich niet bedwingen, en, gewend als hij is aan het vertrouwelijke, ongedwongene, gemeenzame verkeer van de menschen onderling op zijn eiland, gaat hij ook te Holwerd al te vrij voor de ramen der ingezetenen staan om naar binnen in de kamer te turen.


Die van Workum heeten Brijbekken. De uitlegging van den oorsprong van dezen spotnaam is tweeërlei. Sommigen meenen, dat er van ouds onder de Workumers steeds velen geweest zijn, die de letter r niet wel konden uitspreken, die dus behept waren met het spraakgebrek dat men in Friesland brijen, en in Holland brouwen noemt; en dat men deswegen den Workumers den spotnaam van Brijbekken gegeven heeft. Anderen denken eenvoudig aan eene bijzondere liefhebberij der Workumers voor het eten van brij. Welke van deze twee meeningen nu de ware is, moet ik in het midden laten. De eene reden is zoo waarschijnlijk of zoo mogelijk, als de andere. Onder de Friezen, vooral onder de Friesche stedelingen, zijn er steeds velen voor wie de goede uitspraak der letter r een struikelblok is—meer in aantal dan elders in de Nederlanden het geval is. Wijl dit spraakgebrek veelal erfelijk is, van ouder op kind overgaat, zoo kan het zeer wel zijn dat er een tijd geweest is, waarin een groot deel der Workumers brijde. En aan den anderen kant, brij, de bekende melk- en meelspijze, is steeds eene zeer algemeen en dagelijks gebruikte spijze bij het Friesche volk geweest; en is dit nog.

De Workumers deelen hunnen spotnaam met de Zwollenaars. Immers de inwoners van Zwolle, ofschoon meest als Blauwvingers bekend, moeten zich toch ook den spotnaam van Brijbekken laten welgevallen. En bij de Zwollenaars behoeft men niet te twijfelen of hun spotnaam Brijbekken van het [29]brijen of gebrekkig spreken herkomstig zij, dan wel van de bekende volksspijze. De Zwollenaren brijen schier allen. Te Zwolle zijn duizenden menschen, die de r niet goed uitspreken; ’t zij dan dat deze gebrekkige uitspraak veroorzaakt wordt door eenig aangeboren gebrek aan de spraakwerktuigen—’t zij dat bij dit brijen eenvoudig nabootsing van anderen, of eenvoudig gewoonte in het spel is. In der daad zijn er duizenden Zwollenaars die, als ze in Holland zijn, of met Hollanders spreken, of anderszins bij andere gelegenheden eens niet hunne aangeborene stadstaal willen spreken, maar Hollandsch,—alsdan volstrekt niet brijen. Maar die anders, als ze in hunne eigene stad zijn, of elders met stadgenooten spreken en dus hunne eigenlijke, aangeborene, hunne ware moedertaal spreken, terstond weer in die zonderlinge uitspraak vervallen. Zulk een echte Zwollenaar zal in het eerste geval heel duidelijk b.v. Overijssel zeggen, en in ’t andere geval zoo ongeveer Ovechiissel (Ovech-iissel).


Hindeloopen en Staveren zijn twee hoogst merkwaardige stedekens. Hindeloopen, wegens talrijke bijzonderheden en eigenaardigheden in de taal, de kleeding, de zeden en gebruiken der ingezetenen, waardoor ze zich van andere Friezen onderscheiden. En Staveren, omdat het in de middeleeuwen eene welvarende, wijd vermaarde handelstad was, als ’t ware de poorte des lands—ja meer! omdat het, volgens de overlevering, de woonplaats is geweest der Oud-Friesche koningen, omdat het de oudste hoofdstad is geweest van het Land tusschen Flie en Lauwers. Het is wel opmerkelijk dat de eigenaardigheden van het bijzondere Hindeloopen en van het Oud-Friesche Staveren als ’t ware eenen weêrklank gevonden hebben in de spotnamen, waarmede andere Friezen de ingezetenen dezer steden noemen. Immers is (of was althans voor een 50-tal jaren nog) de spreektaal der Hindeloopers, ofschoon oorspronkelijk goed Oud-Friesch, toch voor andere Friezen ten deele onverstaanbaar, althans moeielijk verstaanbaar,—hunne spotnamen (want ze hebben er wel drie) zijn dit ook. Ik vind als spotnamen der Hindeloopers aangegeven, volgens Halbertsma Thjeunken of Tjeeunken (Waling Dykstra spelt Tjeunken en zelfs Thé-unken) en Thjoaten of Tsjoaten. Deze namen zijn bij het tegenwoordige geslacht niet [30]meer in gebruik. Ik weet niet wat ze beteekenen, noch ook wat hun oorsprong is, en niemand heeft mij dit ook kunnen verkondigen, al hoe dikwijls ik er naar gevraagd, of er anderszins onderzoek naar gedaan heb. Ook W. P. de Vries, in zijnen Lapekoer trochskodde (Deventer, 1895), schrijft er van: „Ik haw in bulte war dien om to witten to kommen hwat dizze wirden bitsjutte, mar it wier om ’e nocht.”

De spot naam van de Hindeloopers, heden ten dage meest in gebruik, is Uilen (ûlen in het Friesch, ulen in den tongval der stedelingen); sommigen echter zeggen hûlen, of huwlen volgens Halbertsma’s spelling. Deze tweeërlei uitspraak is bij de nog Friesch sprekende Friezen zeer vreemd, en komt anders nooit voor, tenzij dan bij de Schellingers. Immers de letter h pleegt in den mond der Friezen wel goed vast te staan, en geenszins te wankelen, zooals bij Vlamingen en Zeeuwen, bij Flielanders en Zwollenaren en sommige andere Nederlanders. En waarom de Hindeloopers dan ûlen moeten heeten, of anders hûlen, heb ik ook niet kunnen uitvorschen. Inderdaad, het schijnt wel of de Hindeloopers altijd en in alles iets bijzonders moeten hebben, of iets vreemds. Het gaat niet anders!

De lieden van Staveren, die oude Friezen, heeten Ribbekliuwers—en dit is een naam, dien ik niet met een enkel woord verdietschen kan. Bij hunne wedstrijden in het schaatsrijden, rijden de Friesche hirdriders in voorover gebogene houding (mei de noas op ’t iis, zooals de term luidt), al roeiende met de armen, alsof dit molenwieken waren, met korte, krachtige, krassende streken, geenszins met lange, sierlijke zwaaien, maar schier rennende, scharrelende voort; en deze voor ’t oog zoo leelijke, maar snel vorderende wijze van schaatsrijden heet in het Friesch kliuwe, volgens den tongval der stedelingen klouwe. Oudtijds, in overoude tijden, toen de hedendaagsche, maar ook reeds zeer oude ijzeren, in hout gevatte schaatsen nog niet bekend en in gebruik waren, reed men op het ijs, op beenderen, op pijpbeenderen uit de pooten, of ook op de ribben van het rund. Zulke runderbeenderen, die den ouden Friezen als schaatsen hebben gediend, glad afgeslepen op hunnen vlakken kant door het schuren over ’t ijs, en met gaten doorboord, waar men de riemen door stak, die dienden om ze aan [31]den voet te bevestigen, vindt men nog wel in Friesland in den bodem. Bij het slatten van vaarten en stroomen, bij het afgraven van terpen, komen ze nog wel aan den dag. Natuurlijk was er, bij het gebruiken dezer beenderen-schaatsen geen sprake van schaatsrijden in den hedendaagschen zin met bevallige draaien, met zwierige zwenkingen en zwaaien. Het kan niet anders dan een onbevallig en onbeholpen kliuwen geweest zijn. Al is het nu eeuwen en eeuwen geleden, dat de oude Friezen zich met zulke runder-pijpbeenderen en runderribben op het ijs behielpen, de heugenis aan deze zaak is nog steeds bij het Friesche volk in leven gebleven, zoo als blijkt uit eene spreekwijze, nog heden in zwang. Een overmoedige Friesche schaatsrijder daagt nog wel, al spottende en snoevende, eenen anderen uit, in wedstrijd tegen hem te rijden om het hardst of snelst, daarbij aanbiedende dat de tegenpartij op gewone ijzeren schaatsen mag rijden, hij zelf daarentegen het wel op koeribben zal doen. Zoo daagt ook, in het overschoone gedicht van Dr. E. H. Halbertsma, De Winter yn it Wetterlân”, een overmoedige Friesche jongeling, Worp met name, de Groningerlanders uit, tegen hem te rijden:

Sa geide do d’útlitt’ne Woarp:

’k Wol ride om liif en libben,

’k Wol tsjin de bêste út jimm’ doarp,

Den ik op koueribben.”6

En ook uit den spotnaam der inwoners van Staveren, Ribbekliuwers, blijkt het gebruik dat de oude Friezen van zulke beender-, van zulke ribbeschaatsen hebben gemaakt. Onder de Friezen die in de vijfde eeuw, met Sassen en Angelen, in Brittanje hunne volkplantingen stichtten, was dit rijden of kliuwen op beenderschaatsen natuurlijk ook in gebruik; en zelfs heeft het, onder hunne nakomelingen, de Engelschen, nog stand gehouden tot in het laatst der vorige eeuw. Immers Dr. J. H. Halbertsma deelt ons mede: „Het schijnt dat men in Friesland eertijds ook gebruik maakte van koeribben; althans de zwetsers op het ijs, om hunne minachting voor het rijden van eenen mededinger [32]uit te drukken, nemen aan op koeribben tegen hem op ijzeren schaatsen om snelst te rijden. En deze gissing is mij tot zekerheid geworden, toen de bedaagde pedel van het antiquarisch kabinet te Newcastle mij verhaalde, dat hij in zijne kindschheid op koeribben gereden had.”7


Slooten is de laatste en de kleinste der Friesche steden, en de inwoners van dit stadje hebben geenen bijzonderen spotnaam. Toch blijven ze van spot niet vrij. Integendeel! De gebruikelijke hoeveelheid hoon en smaad wordt hun door de andere Friezen rijkelijk toegediend in een vierregelig rijmke.

Men verhaalt dat een gezelschap vroolijke en overmoedige jongelingen (en espel biisfeinten), met elkanderen, des avonds laat, den koster van de kerk te Slooten een bezoek bracht, en den man zoo onthaalde op meêgebrachten sterken drank, dat hij daar dronken van werd, ja zich aanstelde alsof hij stapel gek was. Dit werkte aanstekelijk op het jonge volkje. Zij ontnamen den man den sleutel van den kerktoren, klommen in den toren naar boven, en verstelden het uurwerk, zoo dat het te middernacht zes ure zoude wijzen en slaan. Toen weer naar beneden gaande, vonden ze beneden in den toren, in het vertrekje dat den nachtwachter van het stedeke tot verblijfplaats diende als hij zijne ronde had gedaan, dien man slapende. Zij namen zijnen ratel, waarmede hij op zijne ronde het uur verkondigde, al zingende: tsien ûre hat de klok! en verstaken dien, waar de man hem niet zoude kunnen vinden. Ook, van kwaad tot erger vervallende, namen zij zijnen toethoorn, waarmede hij den dageraad verkondigde, en de burgerij wekte (des winters te zes ure), en deden daarin iets wat er volstrekt niet in behoorde. Toen maakten ze door eenig gedruisch den man wakker. Hij hoorde daarop de torenklok zes ure slaan, en geheel verbijsterd denkende dat hij den geheelen nacht doorgeslapen had, wilde hij zijnen ratel nemen, en vond dien niet; nam zijnen hoorn, en wierp dien vol afschuw weer weg; ging naar den koster, en vond dien gek van dronkenschap. In vertwijfeling holde hij de straat op, roepende: [33]

Boargers fen Sleat, stean op! it is dei;

De hoarn is fol skyt, en de rottel is wei,

De koster is gek, en de toer is mal,

Ik wyt net hwet ik roppe sal!

Met dit rijmke worden nu nog steeds de ingezetenen van Slooten geplaagd, alsof zij het kunnen helpen dat het oudtijds eens zóó is toegegaan in hun stadje.


Hebben we hiermede de spotnamen van de elf steden van Friesland (en nog van een Friesch eiland op den koop toe) afgehandeld, thans zijn die van de Friesche dorpen en vlekken aan de beurt. Het aantal dorpen in Friesland is zeer groot; maar onder die dorpen zijn er dan ook velen die zeer klein zijn. Volgens de volksmeening zijn er 365 dorpen in Friesland: „sa folle doarpen as der dagen yn ’t jier binne”, zegt men. En het getal spotnamen is weinig kleiner dan het aantal dorpen is; immers schier ieder dorp in Friesland heeft zijnen spotnaam. In der daad zijn er in geen ander Nederlandsch gewest zoo vele spotnamen bekend en in gebruik als juist in Friesland. Dr. J. H. Halbertsma zegt van deze zaak: „Dit sit yn ’t Frysce laech om eltsjoar to narjen mei bynammen, dorp tsjin dorp, ind stæd tsjin stæd. De Anglen ind Angelsaxen hienen dat eak hiem, ind de scrandre Kemble het yn Sept. 1845 ien geleard stik foarlæzen yn it Archaeological Institute of Great Britain to London, oer de by- ind sceldnammen, dy de Angelsaxen eltsjoar joegen.” De Friezen zijn dus met hunne spotnamen in oud en goed gezelschap.

Maar al zijn die spotnamen ook al oud en volkseigen, ze strekken juist niet ter beschavinge des volks, noch ook ter bevordering van vrede en eendracht, van goede verstandhouding en vriendschap. Waling Dykstra schrijft hiervan: „Overal waren” (oudtijds in Friesland) „befaamde vechtersbazen, die snoefden op hunne kracht en dapperheid, en door velen werden gevreesd. De feesten waar ’t jonge volk samenkomt om pret te hebben, bezochten zij met het bepaalde doel om te vechten. Maar dan moest er eerst twist gezocht worden, en hiervoor was gewoonlijk niets anders noodig dan het noemen van den schimpnaam waarmeê de inwoners van een dorp gebrandmerkt waren. Een [34]gezelschap jonge lieden van Menaldum b.v. bezocht de kermis te Berlikum, en begon daar in de herberg, ten aanhoore van de aanwezigen, te zinspelen op het konsumeeren van honden. De Belkumers verstonden dat, en kwamen spoedig tot het besluit dat die Menamer Beren voor hun geschimp eens duchtig dienden afgerost te worden. Zoo ontstond niet zelden een allerbloedigst gevecht, dat voor de belhamels correctioneele gevangenisstraf ten gevolge had.”

In bonte rij wil ik die dorps-spotnamen hier opnoemen (voor zooverre ze mij bekend zijn—immers daar zijn er zekerlijk nog veel meer). Zoo heeten de ingezetenen van Berlikum Hounefretters (Hondevreters), bij verkorting Hounen (Honden). Ook die van Peasens moeten den hondennaam dragen, maar dan in verkleinvorm; men noemt ze Peasumer Hountsjes (Hondtjes), in tegenstelling met hunne buren, die van Wierum, die men Katsjes (Katjes) noemt. Honden en katten behooren bij elkanderen, even goed of even kwaad, als Peasumers en Wierumers, beide visscherliên op de Noordzee, dus vrienden of vijanden al naar het valt, medestanders tegenover de boeren van Ternaard en Anjum en Metslawier, maar onderling tegenstanders. De Wierumer Katsjes hebben hunne naamgenooten in de bewoners van het dorp Winaldum, en in die van Baard, die beide Katten heeten. Bij de katten noemt men zoowel de ratten, als in ’t bovenstaande geval de honden. Dies heeten dan de ingezetenen van Midlum, het dorp dat het naaste bij Winaldum ligt, Rotten. Men heeft van deze Winaldumer Katten en Midlumer Rotten zelfs een volksgezegde, dat eigenlijk een raadsel is, maar waarvan ik de oplossing niet weet:

De Winamer Katten

Jeye de Mullumer Rotten

Troch de Harnser kloksgatten.

Verder heeten de ingezetenen van Warga Brêgebidlers (Bruggebedelaars), even als die van Heeg, omdat in deze plaatsen op de bruggen tol placht geheven te worden. Die van Oldeboorn heeten Toermjitters (Torenmeters) en die van Tzum Lyntsjesniders (Lijntjesnijders); deze twee namen staan met elkanderen in verband, zoo als verder in dit opstel zal worden aangetoond. Die van Ureterp heeten Oanbreide [35]Hoasen (Aangebreide Kousen), en die van Eernewoude Luzeknippers. Dit is een leelijke naam, die de Eernewoudsters als onzindelijke en vuile menschen voorstelt, ’t welk bij de Friezen, die zindelijkheid en reinheid zoo hoog in eere houden, eene groote blaam is. De Eernewoudsters nemen het dan ook driedubbel kwalijk, als ze met hunnen bijnaam genoemd worden, en juist daarom is hun schimpnaam meer bekend en wordt meer genoemd dan met die van de bewoners der naburige plaatsen het geval is. Volgens het volksverhaal zoude ’t geheele dorp Eernewoude zoo dik in ’t ongedierte zitten, dat dit er zelfs den toren bedekt. Als het dan kermis wezen zal te Eernewoude, en de Eernewoudsters zich zelven, hunne kleeding en hunne huizen wat opknappen tegen dien tijd, wordt het ongedierte dan ook vooraf met bezemen van den toren geveegd. En zoo hijschen dan de overmoedige jongelieden uit Leeuwarden en Grouw, die des zomers, al spelevarende, met hunne jachten en boeiers op de breede stroomen langs Eernewoude zeilen, wel eenen bezem in den mast van hun vaartuig, tot eene stilzwijgende beschimping; even als ze des winters te Bolsward op de gracht wel met oliekoeken op de schaatsen rijden (zie bladzijde 19 hiervoren). En even als de Bolswarders door die oliekoeken, zoo worden de Eernewoudsters dan door dien bezem in den mast, in helle woede ontstoken en tot wraak geprikkeld, die dan in vervolging en beschimping van de beleedigers, en zelfs in vechtpartijen, soms te water, als in een zeeslag, voldoening eischt en vindt.


De inwoners van Arum heeten Moudekrûpers (Kruipers in het stof van den weg), en die van de naburige dorpen Pingjum en Kimswerd noemt men ook wel zoo. Deze bijnaam, die nog al raadselachtig is, schijnt dus aan den geheelen noordwestelijken hoek van Wonseradeel eigen te zijn. De ingezetenen van Blija noemt men Bellefleuren, die van Holwerd Roekefretters (Roekevreters), die van Marrum Gibben (Wilde duiven, Veldduiven), van Hallum Koekefretters (Koekvreters), van Stiens Rotten (Ratten), als die van Midlum; van Hijum Skiepebingels (Schapebengels), van Britsum Keallekoppen (Kalfskoppen), van Rinsumageest Hounewippers (Hondewippers), [36]van Kollum Kattefretters (Kattevreters), van Ternaard Bargestrûpers (Varkenvilders), van Hantum Marge-iters (Merg-eters), van Birdaard Skiepekoppen (Schaapskoppen), van Grouw Tsjiisfordounsers (Kaasverdansers), van Irnsum Kattekneppelders (Katteknuppelaars), van Akkrum Skytstoelen (men zie de verklaring van dezen naam verder in dit opstel), van Makkum Strânjutten en Miigen (ook deze namen worden verder in dit opstel nader verklaard), van Wirdum Toerkefretters (Torentjevreters), van Menaldum Beren, van Finkum Flinters (Vlinders), van Sint-Jacobi-Parochie Rammevreters, van Sint-Anna-Parochie Raapkoppen, van Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie Wortelkoppen, van Oude Bildtzijl Vlashalen (Vlasstengels)—deze vier laatstgenoemde namen worden niet in het Friesch gesproken, noch door mij geschreven, maar in het Nederlandsch, omdat op het Bildt, de grietenij waarin deze vier plaatsen gelegen zijn, niet het Friesch de volksspreektaal is, maar een Oud-Hollandsch, met Friesch vermengd dialect.

Verder heeten de ingezetenen van Lekkum Mieuwen (Meeuwen), van Tietjerk Biizesniders, van Garijp Klitsefretters, van Suameer Samaritanen, van Bergum Koustirten (Koestaarten), van Oostermeer Broekophâlders (Broekophouders), van Eestrum Oksen (Ossen), van Veenwouden Gleaunkoppen (Gloedkoppen, Heethoofden), van de Valom, een gehucht in Dantumadeel, Gnob; van Buitenpost Brimsters, van Kollumerzwaag Hyngstefilders of Hyngstestrûpers, (Paardevilders), van de Rottevalle Glêsdragers, van Drachten Keallestirten (Kalverstaarten) en Bôllen (Wittebrooden), van Boksum Kneppelders (Knuppelaars), van Beetgum Skierroeken (Bonte Kraaien), een naam dien ze gemeen hebben met die van Balk; van Dronrijp Sleepsloffen, van Minnertsga Keallebouten (Kalfsbouten), van Lollum Stippers, van Pingjum Beannehûlen (Boonehullen), van Spannum Eartepûlen (Erwtepeulen), van Winsum Spinsekken (Spinzakken), van Baayum Eartepotten (Erwtepotten), van Ooster-Littens Ropeinen (Roepeenden), van Jorwerd Dweilstikken, van Weidum Wynhounen (Windhonden), van Hilaard Prommen (Pruimen), van Molkwerum Tsjoensters (Heksen of Toovenaars), [37]van Warns Skiepeloarten (Schapekeutels), van Woudsend Driuwpôllen (Drijvende eilandjes—zooals er in de meren en stroomen rondom Woudsend wel voorkomen), van Koudum Beantsjes (men spreekt uit: Bjentsjes) of ook Siike ierdappels (Boontjes of zieke aardappelen); van Achlum Fjûrskiters, (Vuurschijters), van Idsegahuizen Beannefretters (Boonevreters), van Gaast Otterfretters, van de Gaastmeer Blijen, van de Joure Klienroggen (kleine, zoete broodjes van rogge gebakken; aan de Joure bijzonder eigen), van Langweer Dykwoartels, (Dijkwortels, een groot en grof soort van wortels of peeën). Eindelijk de inwoners van het vlek Heerenveen noemt men Poehoännen, dat een bijnaam is voor hoogmoedige en opgeblazene, veel drukte en beweging makende menschen.


Elke naam, die onder menschen gegeven en gedragen wordt, heeft eenen oorsprong, eene reden van bestaan, eene beteekenis. Dit is zonder twijfel ook met alle deze spotnamen het geval, maar—die oorsprong, die beteekenis is geenszins meer bij alle namen bekend. Integendeel, het grootste gedeelte dezer namen is duister van oorsprong en beduidenis. Wie weet er onder de hedendaagsche Friezen waarom bijvoorbeeld de ingezetenen van Langweer Dykwoartels heeten, die van Bergum Kouestirten, die van Britsum Keallekoppen? Waarom de Lekkumers Mieuwen, de Marrumers Gibben, de Balksters en de Beetgumers Skierroeken heeten? En die van Arum Moudekrûpers, van Hijum Skiepebingels, van Pingjum Beannehûlen?

De huislieden te Warns houden, of hielden, veelal een melkschaap op het erf hunner woning (’t welk trouwens in Friesland in ’t algemeen gebruikelijk is bij de geringe burgerij ten platten lande); des avonds en des morgens verzamelen ze de schapekeutels, ten deele om het erf zindelijk te houden, ten deele om die keutels als mest te gebruiken op de hooge, zandige akkers van hun dorp. Daarom hoont men die van Warns met den naam van Skiepeloarten, (Schapekeutels).

De oude vrouwen te Winsum sponnen oudtijds, en nog in het begin dezer eeuw, veelvuldig het garen voor de wevers te Franeker; zij brachten dan het gesponnen garen in groote zakken naar [38]die naburige stad. Dies noemt men de Winsumers Spinsekken. Hoe eenvoudig, hoe huiselijk was toen nog de nijverheid! De wevers betaalden het spinloon aan die oude vrouwen niet altijd in geld. Zij betaalden haar wel met levensbehoeften, met allerlei benoodigdheden des dagelijkschen levens, vooral met het spek van hunne eigengeslachte varkens. Vandaar dat het Friesche volk zulk ruilverkeer, met een aardig, zeker overoud stafrijm noemt: spek om spinnen. Hoe eenvoudig, hoe huiselijk was toen nog de handel!

De kermis te Hilaard valt in den tijd dat eerst de pruimen rijp zijn en ter markt komen. Zoo is die smakelijke, bij de Friezen zeer beminde vrucht alsdan veelvuldig te Hilaard te koop, en zoo moeten dientengevolge de Hilaarders het geheele jaar door Promiters (Pruimeneters) of enkel Prommen (Pruimen) heeten. Ook de kermis van Irnsum valt in dien zelfden tijd van het jaar. De Grouwsters trekken dan naar het naburige dorp Irnsum om kermis te houden, en pruimen te koopen; zij noemen de Irnsumer kermis dan ook steeds Jinsumer Prommerk (Irnsumer Pruimenmarkt—merke of merk is het Friesche woord zoowel voor kermis als voor markt.)

Maar de eigenlijke spotnaam van de Irnsumers is Kattekneppelders (Kattenknuppelaars), en ook deze naam hangt met de Irnsumer kermis samen. Oudtijds, en nog in het begin dezer eeuw, bestond eene der zoogenoemde vermakelijkheden, die bijzonderlijk de Irnsumer kermis den volke bracht, in het katteknuppelen—een barbaarsch spel van afschuwelijke dierkwellerij, dat met het hondewippen, het aaltrekken en het ganzesabelen thans (ofschoon dan ook nog maar sedert korten tijd), gelukkig volkomen tot het verledene behoort, en nergens meer wordt uitgeoefend. Midden aan een touw, tusschen twee boomen of tusschen de topgevels van twee tegenover elkanderen staande huizen dwars over den weg gespannen, werd een biertonnetje bevestigd, waarin men eene kat besloten had. Door het spongat kreeg de kat lucht, en uit het spongat klonken weldra hare angstkreten omhoog. De jongelingen en jonge mannen, om hunne vaardigheid in het mikken te toonen, smeten dan met knuppels naar het hangende tonnetje. Wien het gelukte met zijnen knuppel eenen van de niet al te vast bevestigde bodems van het tonnetje uit te smijten, of anders te verbrijzelen, had het spel en den [39]uitgeloofden prijs gewonnen. Als de bodem uitgesmeten was, sprong de arme, verbijsterde kat uit het tonnetje, en kwam, naar kattenaard, veelal ongedeerd, ofschoon in doodsangst, op hare vier pooten, op den weg terecht, onder het gejuich der knuppelaars en der toeschouwers, die haar nog menigen knuppel op hare vlucht nasmeten. Men begrijpt, de oude moedertjes te Irnsum hielden tegen den tijd dat de kermis kwam, wijsselijk hare poesjes in huis opgesloten.

Naar eene soortgelijke, als vermakelijkheid geldende dierenmishandeling dragen ook de ingezetenen van het dorp Rinsumageest hunnen spotnaam, die in deze gevallen wel een schandenaam heeten mag. Als het kermis was te Rinsumageest—eene van ouds vermaarde kermis, waar de lui uit de Dokkumerwouden en uit Dokkum in groote scharen heentrokken—had men op den voormiddag van den dag, voor de feestelijke (?) hondewipperij bestemd, alle honden die men machtig kon worden, in eene schuur bij elkanderen verzameld. Dan gingen twee jongelingen tegenover elkanderen aan weêrszijden van den dorpsweg staan, midden in het dorp, voor de herberg. Zij hielden een zeel of reep (platgevlochten touw) strak gespannen laag over den weg. Langs beide zijden van den weg tusschen de schuur en de herberg, stond het volk in gesloten gelid geschaard. Dan werden de honden uit de schuur losgelaten, een voor een, en tusschen de dubbele menschenhaag door over het gespannen zeel gejaagd, waarbij de arme dieren door het gegil der wreede menschen geheel verbijsterd werden. Op het oogenblik dat de hond over het zeel liep of sprong, werd dit plotseling met eenen forschen ruk omhoog getrokken, zoodat de hond met kracht omhoog geslingerd, gewipt werd, soms zeer hoog, hoe hooger hoe mooier—om daarna, al jankende, met een smak weêr op den weg neêr te vallen, en soms, anders als de katten te Irnsum, pooten, ribben of nek te breken. Waling Dykstra vermeldt dat er bij dit feest eene vlag, waar de hondewipperij op afgebeeld stond, uit de herberg hing, en dat, naar hij meende, die vlag nog in 1882 te Rinsumageest bewaard werd. Naar dit wreede spel, dat nog omstreeks de helft dezer eeuw alle jaren met veel omhaal en drukte op de kermis te Rinsumageest vertoond werd, dragen de ingezetenen [40]van dat dorp nog heden hunnen bijnaam Hounewippers.

De kerktoren van het dorp Tzum is zeer hoog; volgens de volksmeening is hij de hoogste toren van Friesland. De hooge toren van de oude Sint-Martens-kerke in het naburige Franeker is eene Deventerkoeks-lengte lager, zegt het volk. In de 17de eeuw zoude te Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. In dat groote en schoone, van ouds reeds aanzienlijke dorp wilde men nu ook eenen bijzonder fraaien toren bij de kerk hebben; en niet alleen de fraaiste—het moest ook de hoogste toren van Friesland worden, hooger nog dan de Tzummer toren. De Boornsters vaardigden dus twee man uit hun midden af naar Tzum, om den Tzummer toren te meten, ten einde daarnaar het bestek van hunnen eigenen nieuwen toren te kunnen maken. Die Boornster mannen maten dan ook den Tzummer toren, en berekenden zijne hoogte, en, toen ze daarmede klaar waren, gingen ze in de herberg te Tzum wat rusten en zich verkwikken met spijs en drank, eer ze weêr op de t’huisreis gingen naar Oldeboorn. Maar de Tzummers, die de eere van hun dorp niet wilden prijsgeven, de eere van den hoogsten toren des lands te hebben, sneden onderwijl in de herberg listiglijk een paar ellen af van het touw (it lyntsje, lijntje), dat de Boornsters als torenmaat mede naar huis nemen wilden. De Boornsters bemerkten niet, hoe de Tzummers hun, in den letterlijken zin des woords, te kort gedaan hadden; zij kwamen met de maat van den Tzummer toren t’huis (met de goede maat, zoo ze meenden), en bouwden in hun dorp eenen nieuwen toren, die nog eene el hooger was, als hunne maat aangaf. En een fraaie toren met opengewerkte spits was het, ook een hooge toren—en zoo staat hij nog heden ten dage, een sieraad van het dorp Oldeboorn. Ja, maar in stede van de hoogste toren van Friesland te zijn, hooger dan de Tzummer toren, was hij integendeel nog eene el lager. In het begin hielden de Tzummers zich stil. Maar toen de Boornster toren kant en klaar was, brachten ze, vol vermaak in het leed van anderen, zelve hun schelmstuk uit.

Sedert heeten die van Oldeboorn Toermjitters (Torenmeters), en die van Tzum Lyntsjesniders.

De ingezetenen van het dorp Grouw hebben den naam van een vroolijk en levenslustig volkje te zijn, en gaarne, als het, [41]pas of ook geen pas geeft, eens een deuntje te dansen. Oudtijds was daar eens een gezelschap jongvolk bijeen, en, wijl er juist dien dag een reizende speelman in het dorp gekomen was, die daar ook overnachten zoude, zoo brachten de jongelui dien man in de herberg, en weldra kwamen de beenen van den vloer, en draaiden en zwaaiden ze lustig rond. De speelman moest betaald worden, en dat deden de Grouwsters ook. Maar zij hadden nog van dansen niet genoeg; al weêr en al weêr moest de speelman vedelen, tot laat in den avond, tot middernacht. Eindelijk had niemand van het gezelschap nog geld in den zak, om den vedelaar te betalen. Maar een van de jongelingen, de zoon van eenen kaaskoopman, wist wel raad. Hij haalde uit zijns vaders pakhuis eene groote nagelkaas, om die den speelman als loon te geven. Deze nam daarmede gaarne genoegen—maar of de vader, des anderen daags, toen het geval uitkwam, dit ook deed, meen ik te moeten betwijfelen.

En sedert heeten de Grouwsters Tsjiisfordounsers, Kaasverdansers.

In der daad is men te Grouw, spoediger dan wel elders in Friesland, klaar met een dansje. In de jaren 1864 en ’65, toen ik als levenslustig jongeling veel te Grouw verkeerde, en onder de Grouster fammen eene trouwe verloofde, eene lieve bruid had, werd daar veel gedanst bij ’t gezellig samenzijn van het jongvolk, en het devies Efternei dounsje, in Friesland zoo bekend, werd daar toen strijk en zet toegepast bij elke feestelijke volksbijeenkomst, van welken aard ook. Eens op eenen avond in den laten herfst zat ik te Grouw in de herberg, met eenen vriend, die mijn gast was, student als ik. Jongelingen, jonge mannen uit de Grouwster burgerij, boerezonen, schippers-feinten, ook een paar matrozen (bûte-farjers), waren daar, gul en vroolijk en eerbaar, gezellig met ons vereenigd. De piano werd tusschenbeiden door den eenen of den anderen bespeeld, en menig Friesch liedje („It wier op in Simmerjoun”, „Forjit my net, as bolle wyntsjes waeye”, en vooral „De Bolseter-” en „De Snitser-Merke”) werd er helder op gezongen. Daar zaten ook een paar bejaarde schippers, en ook dezen werden door de algemeene vroolijkheid aangestoken. Een van deze twee, een oorbeeldige oude waterrot, met nog lustig schitterende oogen in [42]’t gelaat, dat door weêr en wind gebruind en gerimpeld was, sprong op, en vertoonde ons den Zevensprong. Hij zelf zong het deuntje, dat daar bij behoort:

„Hestou wol ’ris heard fen de saune, de saune?

Hestou de saunsprong wol ’ris dounsjen sjoen?”

„Da’s ien, da’s twa, da’s trije, da’s fjouwer, da’s fiif, da’s seis, en da’s saun!” en poemp! sloeg hij met het voorhoofd op den vloer—en boem! daar stond de zestigjarige met een sprong weêr overeind, lenig en vlug als een jongeling, onder ’t gejuich der omstaande Tsjiisfordounsers.

En dan wordt er, reeds van oudsher, nog gezegd: „Frisia non cantat, non saltat,” Friesland zingt niet en springt niet!

Het was een alleraardigst tooneeltje uit het Friesche volksleven van den goeden, ouden tijd.8 En waar vindt men dat nu nog zoo in onzen kwaden, hedendaagschen tijd?


Die van Akkrum hebben eenen bijzonderen, geenszins mooien spotnaam: Skytstoelen heeten ze.

Van ouds heet zeker meubel, eene soort van stoel, waar men kleine kinders in zet, op z’n platst uitgedrukt: skytstoel, in betrekking op het ronde gat, dat in de zitting is, en dat tot zeker bijzonder doel dienstig is. Later, ook nog in deze eeuw, noemde men in Friesland zulk een meubel gewoonlijk kakstoel; dat was al wat fatsoenlijker. Thans is men al weer een graad fatsoenlijker geworden, en zegt men meest tafelstoel. Hebben de Akkrumers oudtijds misschien zulke skytstoelen eerder of meer in gebruik gehad voor hunne kinderen dan andere Friezen? Of waren juist de Akkrumer skytstoelen bijzonder mooi, of anderszins bijzonder—en is alzoo de spotnaam der ingezetenen van dat groote en fraaie dorp te verklaren. Wie zal ’t zeggen!

Opmerkelijk is het dat er nog zulk een Oud-Akkrumer skytstoel is overgebleven, en tot op den dag van heden (immers nog voor twee jaar) aan den tand des tijds ontsnapt. Een handelaar in oudheden, op z’n mooist „antiquaire” genoemd, te Amsterdam, had toen nog zulk een meubelstuk in zijn bezit;—Oud-Friesch model, zooals ik er in mijne jeugd nog velen [43]in Friesland heb gezien. Maar deze stoel was zeer bont van verwe, en er was een rijmke op geschilderd, achter op de bekkeling (ruggeleuning). Dit rijmke:

In ’t jaer 1710

Werd ick voor het eerst gesien,

Ick was vercierd al nae behooren

Als kackstoel voor den eerstgeboren

Uyt de houwlickstrou

Van Geert Ackrum en syn vrou.

De man die hier genoemd wordt, had geen eigenen geslachtsnaam, zooals vele Friezen uit den geringen boeren- en burgerstand, in die tijden. Hij was een Geert Sjoukes, een Geert Bonnes, een Geert Hylkes, een Geert Folkerts of zoo iets, maar bij deze gelegenheid schreef hij zijnen naam, deftig, als Geert Ackrum, omdat hij een Akkrumer was, te Akkrum woonde. Zoo iets gebeurde in die tijden, en ook later, tot den jare 1811 toe, wel meer, en is de oorsprong van menigen hedendaagschen geslachtsnaam.9

Welk een huiselijk, welk een aardig tafereeltje wordt ons door dit eenvoudige en ongekunstelde, maar geenszins onbevallige rijmke als voor de oogen getooverd. Een jonge vader, trotsch op zijnen eerstgeborenen, verrast zijn wijfje, op den eersten verjaardag van hun kindje, van hun kroonprins, met eenen nieuwen, fraaien, misschien door hem zelven gemaakten, door hem zelven met een eigengemaakt „vaers” beschilderden tafelstoel, dien hij ten overvloede, in de vroolijke stemming van zijn hart, voor dit huiselijke feestje nog bijzonder versierd had met groen en bloemen—zeker wel met palmgroen, dat in de 18de eeuw in geen enkel tuintje ontbrak, met papieren bloemen en met klatergoud—„vercierd al nae behooren”. En hoe aardig wordt het kindje aangeduid, de kleine Sjouke of Bonne of Hylke of Folkert Geerts, als de „eerstgeboren uit de huwelijkstrouw van Geert Ackrum en zijn vrouw.” Een tafereeltje van eenvoud, [44]van ongekunstelde en zeker dankbare blijdschap, van waar huwelijksgeluk. O rijkdom van zegen, waer soo de liefde viel!”

De ingezetenen van Makkum, een groot dorp of vlek aan de Zuiderzee (eigenlijk aan het Flie), waar van ouds handel en scheepvaart en nijverheid tierden, zijn zoo rijk als die van Leeuwarden. Even als die, hebben ook de Makkumers twee spotnamen; men noemt ze zoowel Makkumer Miigen als Makkumer Strânjutten.

Deze laatste benaming is eigenlijk een scheldnaam. Een strandjut is een strandroover, iemand die bij nacht en ontijd, bij stormweêr, langs het strand loopt, om alles wat uit zee aanspoelt, vooral allerlei goed van gestrande schepen, lading en wrakstukken, ook kisten en kleedingstukken der schepelingen zich wederrechtelijk toe te eigenen; een man die, als hij kan, zich zelfs niet ontziet om den armen schipbreukeling, die nog levend het strand bereikt, te berooven, of zelfs hem te dooden, om geen getuige van zijne schanddaad in dien man te hebben—in stede van hem hulp en bijstand te verleenen. Van ouds her strandden er jaarlijks wel Friesche schepen, die naar de Oostzee voeren om graan en hout te halen, op de westelijke kust van Jutland. De Jutten nu hadden den naam, en de daad ook, zich veelvuldig aan strandrooverij, in bovengenoemden zin, schuldig te maken. Menig Friesch zeeman heeft schip en lading, geld en goed, ook wel ’t vege leven, op de Jutsche kust, in handen der Jutsche strandroovers moeten laten. Geen wonder dat de „Strân-jutten” bij de Friezen fel gehaat waren.

Het schijnt dat er oudtijds ook onder de Makkumer ingezetenen sommigen waren, die zich aan strandrooverij schuldig maakten, en dat men deze Makkumers, in navolging van den naam der Jutsche roovers, ook Strandjutten heeft genoemd.

De andere bijnaam van de Makkumers heeft geen oneerlijke beteekenis, maar geeft integendeel eervol getuigenis van den trouwen, Frieschen zin, op het gebied der taal, die den Makkumers eigen is.

Een Oud-Germaansch woord heet „maag” (oudtijds maegh) in het Nederlandsch, en miich (miig, myg) in het Friesch, en beteekent bloedverwant in het algemeen, in ’t bijzonder neef, soms ook kleinzoon. Zoo beteekent ook het Latijnsche woord [45]nepos10 zoowel kleinzoon als neef (broeders of zusters zoon). In het Nederlandsch is het woord maag, op zich zelven en in deze beteekenis, schier volkomen verouderd, maar het leeft toch nog in het woord maagschap, verwantschap, waarvoor vele verbasterde Nederlanders heden ten dage liever de Fransche woorden famille en parentage gebruiken, die ze dan tot familie en parmentasie verknoeien. Het woord maag leeft ook nog in de uitdrukking „met man en maag”, waaronder men iemands geheele verwantschap en aanhang verstaat. Dit „man en maag” wordt heden ten dage ook veelvuldig verbasterd tot „met man en maagd”, en tot „met man en macht”, ja zelfs tot „met mannemacht”, omdat men het oorspronkelijke woord niet meer kent.

Met miich, de Friesche weêrga van het Nederlandsche woord maag, is het al niet veel beter gesteld. Ook dit woord is heden ten dage uit den mond des Frieschen volks (met uitzondering van de Makkumers) verdwenen. Maar de Friezen, die geene vreemdelingen zijn in hunne eigene geschiedenis, kennen dit woord nog uit het antwoord: Ja, Wibe-miich! dat Swob Sjaardema, de weduwe van Jarich Hottinga, dat valsche wijf, aan haren neef Wibe Sjoerds Sirtema thoe Groustins gaf op zijne vraag Swob-nift! is ’t lauwa?, toen zij dien neef Wibe, ten jare 1580, met leugentaal lokte op de brug van haren burcht Hottinga-hûs te Nijland, en hem daar verraderlijk door hare krijgsknechten gevangen nemen liet. En zelfs in de 17de en in de vorige eeuw was ’t woord miich nog in de spreektaal der Friezen in gebruik. Gysbert Japicx gebruikt het nog een en ander maal in zijne gedichten; b.v. Lolcke myg, Neef Lolke; ook in de vermaning, die Haytse-yem, Oom Haitse, zijnen neef Nijzgierige Jolle toedient:

Tinkste it tygge oer, foare in ney,

Fen dy salm, Myg! rinste wey.”

(Bedenkt Gij het ter dege, voor en na, van U zelven, Neef! loopt Gij weg—’t is te zeggen: Gij krijgt eenen afkeer van U-zelven.) Ook Eelke Meinderts gebruikt dit woord nog in dezen [46]zin, in zijn bekend volksboek It libben fen Aagtsje Ysbrands, gedagteekend van 1779.

Maar, is dit Oud-Friesche woord elders al uit den mond des volks verdwenen, de Makkumers hebben het in stand gehouden, en gebruiken het nog heden ten dage, vooral ook als vorm van aanspraak, bij jongelingen en jonge mannen, waar men elders in Friesland heite! zegt, of jù!

En dit oude en goede gebruik, nog getuigende van den bloeitijd onzer tale, strekt den Makkumers tot eere, maar het heeft hun ook, bij de andere Friezen, den spotnaam Makkumer Miigen bezorgd.

Ook in den spotnaam der ingezetenen van Suameer speelt taalkunde eene kleine rol. De naam van dit dorp is in het Friesch Suamar, eene samentrekking van den oorspronkelijken, volledigen naam Sudera-mar, dat is in het Nederlandsch Zuidermeer. Het dorp draagt dezen naam omdat het ligt bezuiden de Bergumermeer, de bekende groote meer bij het dorp Bergum. De naam Suderamar, Suamar, Suameer (Zuidermeer) staat in tegenstelling met dien van het dorp Eastermar, Oostermeer, dat beoosten de Bergumermeer ligt, en met dien van het gehucht Noardermar, Noordermeer, dat benoorden die meer gelegen is. De naam Suamar, zooals de geijkte Friesche schrijftaal eischt, wordt in de dagelijksche spreektaal der Friezen nog nader ingekrompen tot Samar, Sumar, Semar (met toonlooze e, en den klemtoon op mar). Van Samar tot Samaria, de naam van eene stad en van eene gouw in het oude Palestina, is, op den klank af, geen groote stap; in scherts komt men er geleidelijk toe den Frieschen met den Bijbelschen naam te zamen te brengen. Samar dan eenmaal Samaria genoemd zijnde, moest men er wel geleidelijk toe komen om de ingezetenen van Samar Samaritanen te noemen. Zoo berust de spotnaam der Suameerders op eene letter- en woordspeling, in scherts bedacht.

Lollum is een klein dorp in Wonseradeel; maar deze dorpsnaam is toch in geheel Friesland bekend. Immers een flauw sausje van wat meel, wat edik, wat mosterd, met water te zamen gekookt, en dat de arme huismoeder, in tijden van nood en gebrek, wel haren man en kinders zuchtende voorzet, om, in plaats van vleesch- of spekvet, bij de aardappelen gebruikt te worden, noemt [47]men Lollumer stip. Stip, omdat men de drooge aardappelen bij het eten in dit sausje stipt of doopt. Of nu dit schrale, armoedige sausje juist veel, of meest, te Lollum op de tafel van den arme komt, of daar, in hongerjaren, eerst op verschenen en dus eene Lollumer uitvinding is, weet ik niet. Maar wel, dat Lollumer stip te recht eenen kwaden naam heeft onder de Friezen, en dat de Lollumers, als ze Stippers genoemd worden, dezen naam juist niet als een vleinaam opvatten, als een naam die van weelde en welstand getuigt, maar als eene getuigenis van kommer en gebrek.


De inwoners van het dorp Molkwerum, die oudtijds veel talrijker waren dan tegenwoordig, en die toen voor een groot deel uit rijke zeelieden en schippers bestonden („welvarenden” in den dubbelen zin des woords), hadden van ouds veel bijzonders in hunne spreektaal, in hunne kleeding, in hunne zeden en gebruiken, evenals die van het naburige Hindeloopen. De eigenaardigheden van de Molkwerumers kwamen wel in hoofdzaak overeen met die van de Hindeloopers, maar ze waren daar toch ook aanmerkelijk van onderscheiden; ze hebben slechts tot het einde der vorige eeuw, toen de Molkwerumer welvaart verloopen was, stand kunnen houden. Toch onderkent men nog heden ten dage den Molkwerumer van andere Friezen, aan enkele bijzonderheden in zijne spreektaal.

In den bloeitijd van Molkwerum, zoo van de jaren 1600 tot 1750, lagen daar soms wel twintig en meer, (volgens Halbertsma wol sechstich”) Molkwerumer koopvaardijschepen, allen met het zwaantje, het wapen van Molkwerum, in de witte baan van de vlag, te gelijkertijd te Amsterdam aan den dijk bij de Haringpakkerij (thans het westelijkste deel der Prins-Hendrikskade), en in het Damrak, te laden en te lossen. En zoo ook te Bremen en te Hamburg, en verder op te Dantzig, Riga, Reval en andere havens in de Oostzee. Aan de Haringpakkerij te Amsterdam, bij de Panaalsteeg is daar nog heden eene herberg, die dien goeden ouden tijd in gedachtenis houdt. Dat huis, ’t welk voor weinige jaren uit- en inwendig nog geheel het karakter van ’t begin der jaren van 1600 vertoonde, maar dat sedert verbouwd is in den hedendaagschen trant, draagt nog [48]zijn ouden naam „Het wapen van Molqueren, aan den gevel, en it Molkwarder Swanke, het Molkwerumer Zwaantje, staat er nog steeds, in beeltenis, boven de voordeur. Ei! hoe menige Molkwerumer zeeman, Tsjalling, Gosse of Sierd, heeft, twee honderd jaren geleden, daar bij den waard in het voorhuis zijn mingelen Haarlemmer bier gedronken! Hoe menige Molkwerumer schippersdochter, Jildoe, Fod of Rimme, heeft daar bij de waardinne in ’t kamerke achter ’t voorhuis, haren verschovenen foarflechter te recht gezet, of hare verwaaide frissels wat geordend!

Evenals de spotnamen van de Hindeloopers zoo bijzonder zijn, dat men ze niet eens meer verstaat, veel minder nog verklaren kan, zoo heeft de spotnaam der Molkwerumers ook al weer iets zeer bijzonders; te weten dit: dat hij niet geldt voor alle Molkwerumers zonder onderscheid, maar dat hij slechts op de Molkwerumer vrouwen betrekking heeft, en de Molkwerumer mannen buiten schot laat. De mannelijke ingezetenen van „het Friesche doolhof” (zooals het dorp Molkwerum oudtijds genoemd werd, wegens de onregelmatige, schier verwarde wijze waarop de huizen daar, over zeven pôllen, eilandjes, verdeeld, schuins en scheef naast en nevens, voor en achter elkanderen gebouwd waren)—de mannen van Molkwerum dan hebben geenen spotnaam. Maar de vrouwen van dit zonderlinge dorp heeten bij de andere Friezen en Friezinnen Tsjoensters, Molkwarder Tsjoensters, dat is: Heksen, Molkwerumer Heksen.

Het werkwoord heksen, tooveren, is in het Friesch tsjoene. Daarvan afgeleid, noemt men in Friesland eene vrouw, die tsjoene, die tooveren of heksen kan, eene tsjoenster, eene heks of toovenaarster. De mannelijke vorm van het zelfstandige naamwoord, van tsjoene afgeleid, zoude, volgens de regels der taal, tsjoender moeten wezen; maar dit woord is mij nooit voorgekomen. Trouwens, tsjoene, heksen, tooveren, was van ouds hoofdzakelijk het werk van vrouwen. Niettemin, de volksverhalen en volksoverleveringen der Friezen weten juist ook wel te berichten van Molkwerumer mannen, die tooveren konden. Men leze daar maar eens over na een geestig verhaal, vol van oude overleveringen, dat onder den naam van It Hexershol geschreven is door Dr. J. H. Halbertsma, en voorkomt in Leed in Wille in de Flotgearzen, Dimter (Deventer), 1854. [49]

In den bloeitijd van Molkwerum waren de Molkwerumer mannen en jongelingen, als schippers en zeelieden, geregeld negen of tien maanden van het jaar van huis—op zee, of in vreemde havens. Omstreeks Sint-Nicolaas’-dag kwamen ze thuis, en met Sint-Pieter’s dag, den Oud-Frieschen zeemansdag, gingen ze al weêr aan boord. Van het vroege voorjaar tot het late najaar waren daar te Molkwerum, om zoo te zeggen, geen andere mannelijke wezens in het dorp dan jongens beneden de twaalf, en grijsaards boven de zeventig jaren, behalve dominé, vermaner en schoolmeester, kastelein, bakker en winkelman, en een paar kleine ambachtslieden. Dan hadden de zeemansvrouwen en dochters een leven zonder tier, zonder rechte fleur—al hadden ze ook volop werk in huis en hof, en met de verzorging van het paar stuks vee, dat allen hielden. Dan zaten ze, na afloop van hare bezigheden, bij elkanderen, en vertelden elkanderen honderd malen de zelfde oude verhalen van heksen en van tsjoenen, van foartsjiermerye en dûbeldsicht, van skynsels en van spoek en foarspoek; en wat ze niet van mem of van beppe of van moaike (moeder, grootmoeder en moei) hadden gehoord, dat bedachten ze in hare vaak verhitte en ontstelde verbeelding er bij, zoo dat ze op ’t laatst zelven ook aan tsjoenen, aan allerlei duivelskunstenarijen begonnen te doen.

Zoo zijn de Molkwerumers, bijzonderlijk de Molkwerumer vrouwen, de froulju fen ’t Heksershol, aan den spotnaam van Tsjoensters gekomen.


Te Birdaard, bepaaldelijk in de rij huizen die langs de Dokkumer-Ee zich uitstrekt, woonden van ouds vele kleine slachters, die hunne slachtwaar, bijzonderlijk schapevleesch, en ’t vleesch van nuchteren kalveren (dit laatste ook wel spottender en smalender wijze Birdaerder skylfisk—schelvisch—genoemd) op de weekmarkten te Leeuwarden en te Dokkum uitstalden en verkochten, of anders bij de boeren in den omtrek uitventten. Naar de schapekoppen, het geringste deel van het geslachte beest, noemde men die slachters Birdaerder Skiepekoppen, Schapekoppen, een spotnaam die op al de ingezetenen van Birdaard is overgegaan.

Even als in andere gewesten voorkomt (Amsterdamsche [50]Koeketers, Kiekenvreters van Brussel, Konijneters van Duinkerke), zoo zijn er ook bij de Friezen vele spotnamen in gebruik, die aanduiden dat in deze of gene plaats de eene of andere spijze (of ook geen spijze) bijzonderlijk is gegeten geworden. Zoo heeten de inwoners van bet dorp Berlikum Hounefretters (Hondenvreters), die van Kollum Kattefretters, die van Hallum Koekefretters, als de Amsterdammers, die van Holwerd Roekefretters, die van Gaast Otterfretters, die van Garijp Klitsefretters (Klitsen, in ’t Nederlandsch Klissen of Klitten, zijn de bloemhoofdjes van Arctium Lappa), enz. Zoo de overlevering waarheid spreekt, is de spotnaam der Berlikumers al van zeer oude dagteekening. Ten jare 1182 bezochten de Noormannen, als zeeroovers, de Friesche havenplaats Utgong (sedert verdwenen, door de dichtslibbing der Middelzee) en bet naburige Berlikum, en ze plunderden, verbrandden, verwoestten die plaatsen. De inwoners, ten gevolge daarvan aan allerlei ellende, ook aan hongersnood ten prooi, kwamen er toe om hunne honden te slachten en te eten, ’t welk hunnen nazaten, nu nog heden, zeven eeuwen later, door de andere Friezen, met den spotnaam Hounefretters wordt nagehouden.

Bij al de niet, of nauwelijks eetbare dingen (klitten, honden, katten, roeken, otters), die, volgens bovenstaand lijstje, door Friezen zijn gegeten, en hun eenen spotnaam hebben bezorgd, overtreffen de Wirdumers de andere fretters nog grootelijks. Den ingezetenen van het dorp Wirdum in Leeuwarderadeel wordt niets meer of minder verweten, dan dat zij eenen toren zouden hebben opgegeten. Zij worden derhalve Toerkefretters, torentjevreters genoemd. De kerk te Wirdum pronkte oudtijds met twee torens—en dat vonden de Wirdumers juist één te veel; ze konden best één van die torens missen, meenden ze. Dies besloten ze, ten jare 1680, in kommerlijken tijd en toen de geldmiddelen der kerk uiterst gering waren, om één van die twee torens voor afbraak te verkoopen, en de opbrengst ten bate der kerk aan te wenden. En zij voerden dit besluit ook uit. Trouwens, als het er enkel om te doen was om geld te maken, dan misten de Wirdumers in dezen hun doel niet. Want de toren, die toen reeds zeer oud was, maar geenszins vervallen, en die uit de [51]elfde of de twaalfde eeuw dagteekende, was geheel opgetrokken van tufsteen, zoo als de oudste Friesche kerken allen. De afbraak van den toren leverde 1395 ton tufsteen op, en die steen werd voor 4790 gulden verkocht, en meest naar Makkum vervoerd, waar men er tras van maalde. Men kan uit deze hoeveelheid steen afleiden, dat de toren groot en zwaar moet geweest zijn. Dat hij nu, in den spotnaam van de Wirdumers, een toerke, een torentje, genoemd wordt, heeft dus niet te beduiden dat het een kleine, onaanzienlijke toren zoude geweest zijn. Maar de verkleinvorm van het woord, maar toerkefretter heeft beter val, is den sprekers gemakkelijker om te zeggen, dan het eenigszins stootende toerfretter. Juist de Friesche volksmond eischt dat men de woorden vloeiend kunne uitspreken.

De toren was bij de afbraak nog hecht en sterk. Hij zoude, ware hij sedert dien tijd goed onderhouden geworden, nog heden kunnen staan als een gedenkteeken van den kerkelijken bouwtrant der Friezen uit de vroege middeleeuwen. Jammer! dat men hem aan de baatzucht, hoewel dan in nood, heeft opgeofferd. Voor dit snood bestaan hunner voorouders dragen de Wirdumers nog heden hunnen spotnaam.


In bovengenoemde namen wordt eten en eters smadelijk als vreten en vreters (frette en fretters) aangeduid. Deze lompheid in spreekwijze is niet den Friezen alleen eigen. Zelfs de burgers van het quasi zoo fijn beschaafde, half verfranschte Brussel worden door de andere Brabanders en Vlamingen ruwelijk Kiekenvreters gescholden,11 even als die van Hulst Wijnzuipers heeten, in tegenstelling met de Roodbierdrinkers van Harelbeke.

Maar, nevens de fretters weten de Friesche spotnamen toch ook, in beleefder vorm, van iters, eters. Zoo heeten de ingezetenen van Hilaard wel Promiters (Pruimeneters), om de reden, die op bladzijde 38 reeds is vermeld. En die van Hantum dragen den naam van Margeiters, Marge-iters (Mergeters, Merg-eters). [52]

De spotnaam Marge-iters is zekerlijk ook van zeer oude dagteekening, misschien nog wel veel ouder dan die van Hounefretters van Berlikum. Reeds in overoude tijden, in den zoogenoemden vóórhistorischen tijd, in het steentijdvak, was het merg uit de pijpbeenderen der dieren eene bijzondere lekkernij voor de menschen. De versteende beenderen van het wilde gedierte, die men in bergholen en in den bodem, of in de hoopen afval van de maaltijden der menschen uit den grauwen vóórtijd, nog heden wel vindt en uitgraaft, zijn veelal gespleten, door slagen met de steenen hamers en beitels, die den lieden toenmaals tot wapenen en werktuigen dienden—gespleten, stuk geslagen, verbrijzeld, om het merg er uit te halen, nadat men eerst het vleesch er af geknaagd had. En al de eeuwen door, tot heden toe, gold en geldt het merg der beenderen te recht als eene krachtige spijze, als eene bijzondere lekkernij, die, op een sneedje brood gesmeerd, bij boer en burger bijzonderlijk den huisvader toekomt. Ja, de Friezen, bij wie alle oude zaken zulk een taai leven hebben, gebruiken nog heden een spreekwoordelijk gezegde om aan te duiden dat deze of gene met eene kleine versnapering of eene andere kleinigheid, in ’t algemeen gemakkelijk en lichtelijk kan verlokt en verleid worden. Dan zeggen ze van zoo iemand: det wiif (of dy tzierl) is mei in margebonkje to fangen, dat wijf (of die kerel) is met een mergbeentje te vangen.

In latere tijden, toen de menschen langzamerhand van ruwe en zwervende jagers tot stille en vreedzame herders, en nog later tot rustige, gezetene landbouwers waren geworden, en men niet meer uitsluitend of hoofdzakelijk het vleesch at van de dieren op de jacht gedood of uit de kudde geslacht, maar hoe langer hoe meer ook allerlei plantaardig voedsel den menschen tot spijze begon te dienen—later kwam het merg der beenderen niet meer zoo dagelijks op den disch, niet meer zoo veelvuldig op de tonge. Toen begon de huisvrouw kunstmatig merg te maken—als ik dat zoo eens noemen mag. Zij kookte in een pot allerlei voedsel, zoowel van dierlijken aard, vooral ook zuivel, als van plantaardigen oorsprong (granen, meelachtige vruchten) te zamen tot eene weeke, zachte brij of pap, waaraan men nog wel den naam van merg bleef geven. [53]

Te Leeuwarden is een oud en vermaard en rijk gesticht, uit de middeleeuwen dagteekenende, het Sint-Anthonij-Gasthuis, dat thans ten deele een zoogenoemd proveniershuis is, waar oude lieden, tegen vooruit-betaling van zekere somme gelds, hun leven lang kunnen inwonen en gevoed worden, zoogenoemd „den kost kunnen koopen”. Die kost, de spijzen, die daar gereed gemaakt en den inwonenden verstrekt worden, zijn veelal eigenaardig, en veelal nog zeer ouderwetsch toebereid, zoo als men dat reeds in de middeleeuwen deed. Onder die spijzen is er eene, die een samenkooksel is van varkensbloed, roggenmeel en vierkante stukjes reuzel, met stroop, rozijnen en wat kruiderijen daar toe. Dat bloed is van de varkens die in de Slachtmaand geslacht worden, en hun vleesch en spek moeten geven om ingezouten of gerookt te worden, voor de wintertering der bewoners van Sint-Antoon’s gesticht. Dat saamgekookte mengsel wordt in wijde darmen gedaan, als beuling, eerst eenige weken bewaard (belegerd), en dan gegeten. Wel! het is in der daad eene gezonde en krachtige spijze, ook zeer smakelijk voor eenen Frieschen mond, al zoude men de samenstelling aanvankelijk ook wat vreemd vinden. Deze kost noemt men in Friesland Bargemarge, dat is: varkensmerg, en hij wordt als eene bijzondere, veel begeerde lekkernij, die buiten het Sint-Anthonij-Gasthuis niet te verkrijgen is, door de bewoners van dat gesticht, tegen Kersttijd, aan verwanten en vrienden ten geschenke gezonden. Dat is dus kunstmatige merg, die nog de gedachtenis aan verouderde tijden en zeden in wezen houdt.

Te Hindeloopen placht men ook aan samengestelde, weeke kooksels den naam van marge te geven. Nog in deze eeuw droeg dik gekookte rijstepap aldaar dien naam. Ook gort met rozijnen samengekookt noemt men hier en daar in Friesland ook wel marge. Al zulk soort van spijzen noemt men er ook wel in ’t algemeen potmarge, in de Sassische gewesten van ons land wel pöttiensbeulink, even als men in Holland wel van pot-eten, van hutspot, van gestampte pot spreekt.12 Volgens Dr. J. H. Halbertsma [54](De Lapekoer fen Gabe Skroar) is margemiel (letterlijk mergmaal in ’t Nederlandsch) „de avondmaaltijd die door de boeren bij geeindigden hooioogst aan de hooiers gegeven wordt, en bestaat uit pannekoeken, gort met rozijnen,” enz. Eindelijk meldt de oude Kiliaan, in zijn zestiende-eeuwsch woordenboek, dat Marghe een Friesch woord is en Bolinck (beuling) of worst beteekent.

Maar genoeg van marge, en van de Hantumers, die deze spijze zoo gaarne en zoo veelvuldig aten, dat zij van de andere Friezen eenen spotnaam daarom gekregen hebben.


Nu resten nog de Heerenveensche Poehoannen, dat zijn hoog- en overmoedigen, druktemakers, ophakkers. Naar Dr. E. Laurillard, mijn voorganger in het verklaren van Nederlandsche spotnamen, willen we ten slotte luisteren in ’t gene hij mededeelt over dezen spotnaam der ingezetenen van het Heerenveen. „Als de burgers van Heerenveen den naam van Poehanen krijgen, dan is dit eene bespotting van dien voornamen naam Heerenveen,—geen boerenveen, maar „het veen der heeren”. Want wat is een poehaan? ’t Is iemand, die zich kenmerkt door stoutheid en grootspraak. Nu, zóó, zegt men, zijn de Heerenveeners, en dat er iets van aan kan zijn, zou men haast gissen, als men er bij bedenkt, dat Heerenveen zich „het Friesche Haagje” noemt, zoo wel als de Friesche Hofstad.”


Die nu nog wat nazwelen wil op het veld der Friesche spotnamen, vindt al licht iets van zijne gading in Dr. J. H. Halbertsma’s Skearwinkel fen Joute-baes.


De spotnamen van steden en dorpen in het Nederlandsche gewest Friesland zijn hiermede tamelijk uitvoerig behandeld en verklaard. Zoo ik op deze wijze ook de spotnamen der steden en dorpen van de andere Nederlandsche gewesten wilde beschrijven, zoude dit zekerlijk een al te uitvoerige arbeid worden, en den lezer van dit boek al licht vervelen en verdrieten. Ook zoude ’t meer kennis en wetenschap van mij eischen, dan mijn deel is. Dies laat ik het, in dezen uitvoerigen zin, bij de boven behandelde Friesche namen blijven. Misschien dat anderen zich genoopt gevoelen of lust hebben, de overige, hier vervolgens nader [55]opgenoemde spotnamen op betere wijze te beschrijven, als mij met de Friesche namen gelukt is. Dit hoop ik.

Eene opsomming echter van de overige Nederlandsche spotnamen, voor zoo verre mij die bekend zijn, moge hier nog eene plaats vinden. Die mij zouden willen navolgen in ’t verklaren van spotnamen, vinden dan hier eene aanleiding daartoe. Enkele korte aanteekeningen wil ik hierbij ook niet achterwege laten.