Geheel Londen dacht en sprak over niets anders dan over den naam en de faam van de Amerikaansche erfdochter, die zoo pas voet aan wal had gezet op Engelschen bodem.
„Zij is de bekoorlijkste vrouw van hoogen rang, die geheel Engeland kan aanwijzen,” luidde de meening van velen en haar millioenen zouden den hertog in staat stellen zijn verbleekt blazoen opnieuw te vergulden en de glorie van zijn geslacht uit stof en verval op te delven.
De couranten, die voornamelijk van particulier nieuws werk maakten, gaven lange artikelen met min of meer juiste opgaven omtrent de familiebetrekkingen van de hertogin, omtrent het uitzet van de hertogin, omtrent de plannen van de hertogin.
Dan volgden uitvoerige verhalen omtrent de ontvangst van de jonge hertogin door haar schoonmoeder, douairière Silverton.
De heeren van de „Club of Lords” lazen met begeerige blikken al dit nieuws en genoten ervan als echte fijnproevers.
Men wilde alles, wat men kon, ervaren omtrent de hertogin, alvorens in haar verheven tegenwoordigheid te verschijnen als haar nederige bewonderaars.
Omtrent enkele punten van ondergeschikt belang liepen de meeningen der autoriteiten echter nogal tamelijk ver uiteen.
Voornamelijk omtrent de geschiedenis, het voorkomen en de manieren der jonge hertogin waren de meest verschillende meeningen in omloop.
„Oortjes als schelpjes,” sprak een dame opgetogen, „keurige handen en vingers, met lange amandelvormige nagels, een hoogst aristocratisch voorkomen, een figuurtje om voor te knielen. Ik heb haar niet hooren spreken, maar men zegt, dat zij geestig en hoogst origineel is.”
Enkelen beweerden, dat zij goddelijk slank en meer dan goddelijk mooi was; anderen, dat haar donkere schoonheid aanbiddelijk was en dat haar ravenzwarte lokken en donkere, sprekende oogen alle beschrijving trotseerden.
Volgens den correspondent van de „Times” sprak zij het zuiverste en fraaist geaccentueerde Amerikaansch-Engelsch, dat men men zich kon denken.
Een ander, die in een evenzeer hoog gewaardeerd blad schreef, en die zich in een even groote reputatie van geloofwaardigheid mocht verheugen als zijn collega van het andere blad, beweerde evenwel, dat haar uitspraak haar deed herkennen als afkomstig uit de landen van de Mississippi.
De „Morgenstond” wilde weten dat zij met melasse en maïskoeken was grootgebracht in een blokhuis aan den oever van het Boven-Meer; weer een ander blad verklaarde daarentegen, dat de hertogin haar prille jeugd had doorgebracht en dat haar opvoeding was voltooid in een liefdadigheidsinstelling te New-York.
Anderen wisten naar waarheid te vertellen, dat zij elken avond komische liedjes placht te zingen in een biersalon totdat haar broer met zijn Ansberg-motor naam had gemaakt en haar bij zich in huis had genomen.
Op drie punten waren allen het echter volmaakt eens—in de eerste plaats, dat de manieren van Hare Genade de hertogin vorstelijk waren, verder, dat zij gewoond had in Madison Square, in de beroemde Ansberg-villa en in de derde plaats, dat zij voornemens was, den winter in Onslow Gardens door te brengen, in afwachting dat de herstelling en verfraaiing van Silverton House, waaraan intusschen met alle kracht werd gewerkt, was afgeloopen.
Op een goeden ochtend opende lord Lister, alias Raffles, de Groote Onbekende, een envelop, die een kaart bevatte met de uitnoodiging: [8]
„Lady Simpson ontvangt Woensdagavond, 12 Februari,” met in een der hoeken, in kleiner schrift:
„Ter ontvangst van hertog en hertogin Silverton.”
Een bijna onmerkbare glimlach gleed over het gelaat van lord Edward Lister, die als lord Aberdeen, lid van de „Club of Lords”, deze uitnoodiging had ontvangen.
„Charly, heb je lust om mij Woensdagavond te vergezellen naar den soirée van Lady Simpson?” vroeg hij, toen een oogenblik later de knappe, blonde secretaris de studeerkamer van zijn vriend binnentrad. „Of voel je je te voornaam om nog met mij uit te gaan, sinds je je erfenis te pakken hebt?” voegde lord Lister er schertsend aan toe.
Charly antwoordde met een grappig gebaar en vroeg toen:
„Sinds wanneer ben jij zoo dol op de soirée’s van lady Simpson? Vorige jaren heb je de uitnoodigingskaart altijd in de prullemand gegooid.”
„Die opmerking van jou is zeer juist,” klonk het lachend terug, „doch lees eens wat er nog is bijgeschreven.”
„Zoo, zoo, dus ook jij bent aangegrepen door de algemeene belangstelling, die de nieuwe hertogin heeft opgewekt. Nu, ik ga mee, Edward, want de verhalen, die er omtrent haar buitengewone schoonheid en bevalligheid in omloop zijn, hebben ook mijn nieuwsgierigheid tot het uiterste geprikkeld.”
Eindelijk was dan die lang verwachte dag aangebroken, de datum, waarop de jonge hertogin Silverton voor het eerst in de salons der Londensche wereld zou verschijnen.
Ook Basil Malwood had een uitnoodiging ontvangen van Lady Simpson en hij had bijna het oogenblik niet kunnen afwachten, waarop hij zich, in zijn beste galapak zou kunnen steken om zich, met een bloem in het knoopsgat, naar het avondfeest te begeven.
Er waren groote toebereidselen gemaakt door de Simpsons—een roode looper van af de straat en een troonhemel voor de deur.
De voornaamste Londenaars waren tegenwoordig en Malwood, die een goede, maar hoogst onbeduidende jongeman was, zwom in zaligheid, nu hij rondom zich niets dan schoone vrouwen en edele mannen ontwaarde.
Hij voelde zich altijd zeer behagelijk, zoo in het hartje van de beste kringen.
Het wemelde in alle ruime hallen van baronets en bisschoppen, en stellig een vierde van de aanwezige gasten stonden met naam en toenaam in Burke vermeld, terwijl de overigen, hoewel niet zoo voornaam, toch een zekere maatschappelijke beteekenis ontleenden aan hun betrekking of beroep, hetzij op het gebied van medicijnen, kunst, rechtsgeleerdheid, litteratuur en wetenschap.
Basil’s hart zwol van rechtmatigen trots en zijn blinkend wit overhemd zwoegde op en neer, wanneer hij zijn bewonderende blikken liet varen over al de mooie, prachtig gekleede vrouwen, die hem omringden.
Ja zeker, hij bevond zich in een uitgelezen gezelschap!
De bewegelijke, kleine lady Simpson, welgedaan, knap en in de eerste jaren van den matroneleeftijd, buigende en glimlachende naar rechts en naar links, stond te midden harer gasten en ontving de nieuw aankomenden met een gracieuze buiging van datgene, wat de natuur haar had overgelaten van wat eenmaal haar hals moest zijn geweest.
Basil greep de kleine, dikke hand, die hem ter verwelkoming werd toegestoken, boog, bracht het oogglas, dat hij zich ter verhooging van zijn belangrijkheid, kort geleden had aangeschaft, op de ware plaats en trok zich toen bescheiden terug naar de tweede of derde linie van opgetogen gasten, die de salons vulden.
Hij keek met arendsblikken om zich heen om in de volle zalen iemand te vinden, met wien hij een gesprek kon aanknoopen.
Daar ontdekte hij op eenigen afstand van hem twee heeren, die hij dikwijls op de „Club of Lords” had gezien.
Het waren lord Aberdeen en diens jongere neef, baron Charlton, met welken laatste hij weleens een partij biljart had gespeeld en telkens verloren.
Met eenige moeite wist hij zich door de gasten heen te bewegen en eenige oogenblikken later begroette hij de beide heeren, waarop Charly Brand al spoedig in druk gesprek met hem gewikkeld was.
„Vertel mij eens wat van de jonge hertogin,” begon hij op fluisterenden toon. „U moet mij haar dadelijk aanwijzen, als zij komt. U kent haar immers reeds?”
„Zeker, zeker,” haastte Malwood zich te antwoorden.
Voor geen schatten van de wereld zou hij hebben bekend, dat hij de spiksplinternieuwe hertogin zelfs niet van aanzien kende.
„Ik ben erg verlangend, haar te zien,” sprak Charly weer. „Iedereen is opgetogen over haar en zegt, dat [9]zij zoo’n prachtige vrouw en op end’op Amerikaansch moet zijn.”
„Ik geloof, dat zij nog niet is aangekomen,” antwoordde Basil, met zijn oogglas gewapend rondkijkend. Hij monsterde met een blik van zaakkennis de aanwezigen.
„Ik zie haar ten minste nergens.”
Vóór dat Charly een verdere vraag kon doen, werden de vleugeldeuren weer geopend en diende een der lakeien aan met een plechtige stem, die boven het verward gegons in de salons uitklonk:
„Hertog en hertogin Silverton!”
Allen wendden zich werktuigelijk naar de deur, om de Amerikaansche schoone te zien binnentreden.
De gesprekken staakten als bij tooverslag.
Aller oogen waren gericht op haar, die thans met groote bevalligheid haar entree maakte en die een hertogin was vanaf den juweelen diadeem in haar kapsel, tot aan de hakjes van haar vergulde schoentjes.
Zij was slank, donker van haar en oogen en met veel smaak gekleed, zooals trouwens te verwachten was van een Amerikaansche erfdochter.
Alles, wat Sir Basil Malwood in de eerste oogenblikken kon zien, was, dat zij bevalliger en bekoorlijker was en een vorstelijker verschijning dan hij zich had voorgesteld.
Hij zag in een oogwenk, dat zij een geboren dame was, welke geheimzinnige verhalen er ook omtrent haar jeugd de ronde deden.
Ook lord Lister en Charly Brand hadden vol attentie naar de bevallige Amerikaansche gekeken en Charly met zijn licht ontvlambaar gemoed en zijn groote bewondering voor het schoone geslacht, hield bijna den adem in en scheen in een zwijmel van bewondering te zijn verzonken.
„Betooverend, goddelijk mooi!” fluisterde hij en toen wendde hij zich tot zijn vriend Edward om ook diens oordeel te hooren.
Maar op lord Listers aristocratisch, fijn besneden gelaat lag nog iets anders uitgedrukt dan bewondering voor de buitengewone schoonheid en bevalligheid dezer vrouw.
Met den blik zijner wijdgeopende oogen volgde hij de gracieuze verschijning en een uitdrukking van spanning was op zijn gelaat te lezen.
De jonge hertogin zweefde door de zaal in de richting van de kleine, bewegelijke lady Simpson, langs de in rijen geschaarde gasten.
In haar gang, in haar rustige gratie was iets, dat Raffles bekend voorkwam.
Zeker, zeker,—hij had die slanke, lenige figuur, dat hoofdje dat zich zoo fier bewoog, meer gezien.
Maar waar?
In Nizza,—of in Vichy,—in Genève,—in Parijs?
Eensklaps echter kwam hem de oplossing van het raadsel met bliksemsnelheid en helder als de dag, voor den geest.
Hij wist het nu!
De Amerikaansche erfdochter, de jonge hertogin Silverton was—niemand anders dan miss Lily Baker, het aardige, eenvoudige meisje, bij wie hij nu misschien vijf of zes jaar geleden, eenigen tijd op kamers had gewoond in Clandon street.
Met haar keurig witgeborduurd schortje voor, had zij hem al dien tijd bediend, zijn kamers gestoft, zijn kachel aangemaakt en met haar dienstmeisje de borden gewasschen en de bedden opgemaakt.
Dat was geweest in den tijd, toen Raffles het voor zijn werk en zijn plannen noodig had geoordeeld om, als eenvoudig burger, eenigen tijd zijn prachtige villa in Londen te verlaten en het gewone kamerleven te leiden in een eenvoudige omgeving.
Charly bevond zich toen voor herstel van gezondheid eenigen tijd op het eiland Wight en de luttele maanden, welke de Groote Onbekende in de woning van Lily Baker had doorgebracht, behoorden tot de aangenaamste van zijn leven.
Groote sympathie had hij toen gekregen voor het beschaafde jonge meisje, dat kalm en rustig haar plichten vervulde, in wier huis steeds een aangename toon heerschte en die den onbemiddelden student—want daarvoor had zij den jongen man moeten houden—met bijna zusterlijke genegenheid had behandeld, terwijl zij altijd op onberispelijke wijze haar waardigheid wist op te houden.
Een ondeelbaar oogenblik slechts was de uitdrukking van herkenning op het gelaat van lord Lister te zien geweest.
Toen had zijn blik de gewone levendigheid herkregen en sprak hij tot Charly, die zijn oogen niet scheen te kunnen verzadigen aan de bekoorlijke jonge vrouw:
„Ja zeker, ze is heel mooi, Charly!”
De officieele voorstelling met alle daaraan verbonden ceremonieel nam nu een aanvang.
De kleine, bewegelijke lady Simpson boog zoo goed en zoo sierlijk als zij vermocht en bracht de jonge hertogin [10]in kennis met de gasten, die in haar salons bijeengekomen waren.
Raffles zag, hoe Lily telkens bevallig het mooie hoofdje boog, terwijl de eene gast na de andere aan haar werd voorgesteld.
Toen verliet de Groote Onbekende onopgemerkt door de aanwezigen, wier middelpunt werd gevormd door hertogin Silverton, de salons van lady Simpson.
Een kwartiertje later overhandigde een lakei een visitekaartje aan Baron Charlton, waarop deze onder den gedrukten naam van lord Aberdeen, de inderhaast geschreven woorden las:
„Verontschuldig mij bij de gastvrouw. E.”
En Charly begreep niet, hoe zijn vriend het aan zichzelf had kunnen verkrijgen om nu reeds heen te gaan uit de nabijheid van een vrouw, zoo beminnelijk en schoon als de jonge hertogin Silverton!