Den volgenden dag hield de donkerblauwe auto van lord Aberdeen stil voor de woning, die tijdelijk door hertog en hertogin Silverton was betrokken.
Een lakei nam een visitekaartje van den lord in ontvangst met de opdracht om hem bij de hertogin aan te dienen.
De jonge vrouw las den naam, die op het kaartje vermeld was en zag, dat daaronder geschreven stond: „een oud vriend.”
Toen de rijzige, slanke gestalte van den lord den drempel van het kleine salon overschreed, stond Lily op van de sofa om den bezoeker te begroeten en een uitdrukking van aangename verrassing verscheen op haar gelaat.
Zij had in den voornamen lord Aberdeen, wiens naam zij reeds herhaaldelijk had hooren noemen en die algemeen geacht en gezien scheen te zijn, onmiddellijk den heer uit haar pension in Clandonstreet herkend, de heer, die zich toen eenvoudig Mr. John Williams had genoemd.
Met een lieftalligen glimlach om de fijnbesneden lippen stak zij den lord haar hand toe en met welluidende stem sprak zij:
„Daar doet u goed aan, lord Aberdeen! Het bezoek van een ouden bekende is een prettige afwisseling bij al de vormelijke ceremoniën!”
„Dus u hebt John Williams nog niet geheel vergeten, hertogin?” sprak Raffles, terwijl hij het kleine, blanke handje aan zijn lippen bracht.
„Neen, lord Aberdeen, dat heb ik niet,” antwoordde de jonge vrouw, „en het doet mij veel genoegen, dat het pension van Lily Baker ook bij u niet tot de onaangenaamste herinneringen schijnt te behooren. Mijn broeder en ik hebben in Amerika nog dikwijls samen over u gesproken.”
Zonder een zweem van verlegenheid of valsche schaamte sprak zij nu over allerlei kleine voorvallen uit die jaren van fatsoenlijke armoede en groote zuinigheid en toen de lord tegenover haar had plaats genomen, zaten zij weldra te babbelen als twee oude vrienden.
„Ik zag u gisteravond op den soirée bij lady Simpson,” vertelde lord Lister, „maar ik wilde u niet begroeten te midden van al die vreemden. Daarom verliet ik de salons, voordat ik aan u werd voorgesteld.”
„Laat ik u nu mijn geschiedenis vertellen,” sprak [11]Lily. „Zij is eenvoudiger dan gij misschien zult denken, lord Aberdeen.”
„Ik zal er gaarne naar luisteren, hertogin,” antwoordde de lord, „maar vertel mij eerst eens hoe het uw broeder, dien knappen en flinken Georges op het oogenblik gaat?”
„O dank u Georges is heel wel en hij is zoo welgemoed en zoo opgewekt als ooit. Wel werkt hij hard, maar hij beweert, dat hard werken nog nooit iemand kwaad heeft gedaan en hem schijnt het zelfs goed te doen.
„Op het oogenblik is hij druk bezig met het plaatsen van motoren in verscheiden groote mijndistricten van Nevada en Arizona. Hij verwacht er heel veel van voor de ertsbewerking.”
„Mr. Ansberg ging altijd in zijn vak en zijn wetenschap op,” antwoordde lord Aberdeen, alias Edward Lister. „Maar,”—Raffles zweeg even—„hij was niet gaarne onbescheiden.”
„Maar?” herhaalde de hertogin.
„Hoe komt het, dat ge u in Clandonstreet miss Baker hebt genoemd?”
„O, lord Aberdeen, dat is heel eenvoudig te verklaren. Onze naam is heelemaal niet veranderd. Wij hebben altijd Ansberg geheeten. Ook toen wij hier woonden, heeten wij Ansberg. Maar wij noemden ons Baker.
„De meisjesnaam van mijn moeder was Baker en Baker had altijd op het naambordje gestaan van het huis in Clandonstreet.
„Toen wij echter in New-York kwamen en een nieuw leven begonnen, besloten wij, onzen eigen naam weer aan te nemen en werden dus opnieuw Ansberg.”
Ze glimlachte vriendelijk bij deze woorden:
„En het geluk”, vervolgde Raffles, „was op uw hand, zoodat ge in een uitnemende financieele positie geraaktet.
„Uw broer is rijk geworden. Enorme inkomsten van het licht en de motor.
„Maar u zelf?”
Hij zag haar vragend aan en wachtte een oogenblik om te bedenken, hoe hij zijn vraag verder zou inkleeden.
Doch de hertogin had haar antwoord reeds klaar. Een antwoord, zoo eenvoudig en helder als alles was, wat zij zeide.
„Dat is gemakkelijk genoeg te zeggen.
„Ik had een paar honderd pond van mij zelve. Geld, dat ik gekregen had voor de meubelen en den stand van mijn huis in Clandonstreet en nog een beetje, dat ik had overgehouden van de huur der commensaals.
„Cecil had geld noodig en daarom gaf ik alles, wat ik had, aan hem en nam daarvoor aandeel in zijn onderneming.
„De onderneming ging goed. en van de voordelen genoot ik de helft.
„Dat is alles. Heel eenvoudig, nietwaar? Geen mysterie, of iets, wat er op lijkt. Ik ben voor de helft aandeelhoudster in het licht, den motor, de mijnen en de waterwerken.
„Ik maak deel uit van het Syndicaat. In alles, wat Cecil ondernomen heeft, sinds hij in de Staten kwam, ben ik voor de helft geïnteresseerd.
„Wij deelen alles samen en mijn aandeel is dus mijn rechtmatig eigendom.”
Toen de hertogin met haar verhaal zoover was gevorderd, werd de deur van den salon geopend en hertog Silverton trad binnen.
De hertog was een knappe jonge man, met ongedwongen, losse manieren. Hij kende lord Aberdeen nog uit vroeger jaren en had dus alle reden om hem vriendelijk tegemoet te treden.
Maar desondanks zag Raffles, dat zijn oogen een flikkerende, katachtige uitdrukking hadden, toen ze hem aanzagen bij de begroeting, die overigens aan wellevendheid van weerskanten niets te wenschen liet.
„Wat zei je, Lily?” vroeg hij daarna op scherpen toon met een wantrouwenden blik op Raffles, die zoo vertrouwelijk met zijn vrouw had zitten praten—„alles samen deelen. Wàt samen deelen? Waarover heb je met lord Aberdeen gesproken?”
„Ik heb hem verteld van mijn relatiën met Cecils onderneming”, zei de hertogin bedaard, „en hem uitgelegd, hoe het komt, dat ik geïnteresseerd ben bij het licht en den motor!”
„O, zoo!”
De toon van den hertog veranderde niet.
„Ja, lord Aberdeen, dat is wel heel merkwaardig, niet waar? Overigens, spijt het me, Lily, dat ik je onderhoud met een vroegeren kennis moet komen verstoren”—hij monsterde lord Aberdeen met iets uitdagends in zijn blik—„het zal me heel aangenaam zijn, als je me zoudt willen vergezellen naar een oude en lieve vriendin van mijn familie, hertogin Van Munster, die je gaarne eens zou zien,—een lieve, oude dame, Lily, doe dus je best, zoo aardig mogelijk tegen haar te zijn.”
De hertogin werd bloedrood. [12]
En Edward Lister, met al de gemakkelijkheid, die den man van de wereld zoo eigen is, stond op, boog hoffelijk en sprak:
„Het was mij aangenaam, hertogin, u te hebben kunnen begroeten!”
Toen boog hij ook voor den hertog en even later suisde de blauwe auto weg.
„Vervloekt”, mompelde Raffles, terwijl hij door het raampje van het voertuig naar buiten staarde, „verdoemd—deze Silverton heeft ook al een deel van de kwaal van zijn geslacht te pakken. De kerel is mateloos jaloersch. Alle Silverton’s zijn jaloersch en dat heeft al meermalen tot hun verderf geleid, tot— —”
Het woord bleef hem op de lippen, want met een schok stond de auto stil.
Het scheelde maar een meter of wat of een botsing was onvermijdelijk geweest.
„Hoe heb je het in je hoofd kunnen halen om zoo lang met dien vent te praten?” vroeg de hertog zijn gemalin. „En waar ter wereld of wanneer heb je hem leeren kennen? Je weet wel, dat ik niet van die familiariteiten houd. Het past niet, Lily, dat jij bezoek ontvangt van wie dan ook.”
Lily keek haar echtgenoot aan.
Zijn oogen hadden een vreemde uitdrukking, die Lily daarin nog niet had bespeurd. Het scheen, alsof zij van buiten bedekt waren door een vlies, waardoor de man niet dan onduidelijk en vaag kon onderscheiden wat om hem heen voorviel.
Zijn wangen waren bleek en zijn lippen vast op elkaar gesloten als van iemand, die een vast besluit had genomen en dit wenscht ten uitvoer te brengen.
De geheele uitdrukking van zijn gelaat deed haar ontstellen en huiveren.
„Lieve hemel, Bertie! Waar ben jij geweest! Dat mag ik wel vragen!” riep ze uit.
„In de club”, bracht hij er kortaf uit.
„In welke club?”
„In mijn club!”
Lily wist genoeg.
„Heb je gespeeld, Bertie?”
„Ja!”
„En veel verloren?”
„Ik heb nog niet eens gezegd, dat ik iets verloren heb.”
„Je hadt me beloofd, Bertie, om niet meer te zullen spelen!”
„Ik heb je beloofd, niet hoog te zullen spelen. In het geheel geen kaart aan te raken zou eenvoudig onmogelijk zijn voor een man in mijn positie. Iedereen speelt, als hij naar zijn club gaat. Maar hoog spelen doe ik niet meer … tenminste voorloopig niet. En vanmiddag zou ik ook niet boven mijn maximum zijn gegaan, als ik niet zulk een ongehoorde tegenspoed had gehad.
„Maar enfin, dat kom terecht!”
„Hoeveel heb je verloren, Bertie?” vroeg Lila ontsteld.
De hertog keek haar lang en ten hoogste verbaasd aan.
Hoe brutaal, om zooiets te durven vragen.
Daarop stond hij op en schelde.
„Breng mij een glas cognac met spuitwater”, beval hij koel.
Als zij wilde probeeren, hem uit te hooren, of hem onder curateele te stellen, zou ze wel begrijpen, dat zulke praktijken bij hem niet aansloegen.
Lily’s hart kromp ineen.
Als een bliksemstraal trof haar de waarheid. Uit goedhartigheid had zij zich in de armen geworpen van een onbeduidend man, een speler met een grooten naam.
Langzaam welden tranen op in haar oogen, toen zij zag, met hoeveel gulzigheid de hertog den grooten tumbler in één langen teug leeg dronk.
Toen vervolgde hij, doelende op den bezoeker, die zoo even vertrokken was, op een toon, die getuigde van inwendige drift:
„Kijk eens, Lily, het spreekt vanzelf, dat ik er niet aan denk, mij te willen stellen tusschen jou en je kennissen, maar die bezoeken van heeren—”
„Lord Aberdeen is een heel oude kennis, Bertie. Hij woonde indertijd in Clandon Street.”
„Zóó—woonde lord Aberdeen in het huis, waar jij vroeger met je broer Cecil hebt gewoond.
„Wonderlijk! Ik begrijp dat niet recht!”
„Hij was commensaal bij ons, Bertie, onder een anderen naam. Te New York heb ik je immers al verteld, dat wij hier kamers verhuurden!”
„Je wilt toch niet zeggen, Lily, dat je vroeger commensaals gehouden hebt,—kamers verhuurd?”
„Zeker wel, ik had gedacht, dat je dat allang wist, na hetgeen ik je in New York heb verteld.”
„Het is om van te rillen”, sprak de hertog en hij stond op.
Een aandoening van hevige ijverzucht, de erfelijke [13]kwaal der Silverton’s verleende zijn stemgeluid een heeschen toon.
„Denk er aan, Lily, dat je waardigheid als vrouw en je positie als mijn vrouw je, naar mijn oordeel, moeten weerhouden om je vrienden van Clandonstreet opnieuw in te halen—al zijn het ook lords.
„Het schijnt, dat jij van een andere meening bent!
„Zooals je nu gedaan hebt, heb je den trots der Silverton’s met voeten getreden, door als Hertogin, lieden te ontvangen, voor wie je eens als huisjuffrouw hebt gewerkt.
„Dat is onvergefelijk, onvergefelijk! Ik had je meer tact en meer goeden smaak toegeschreven, hertogin! Maar het schijnt, dat ik mij vergist heb.
„Wij zullen vanmiddag niet uitrijden! Bonjour!”
Lily sprong op.
Zij was als versteend van schrik.
„Bertie! Bertie!” riep ze, hem nasnellende. „Wat wil je doen? Waar ge je heen?”
Met een doodsbleek gelaat wendde de hertog zich tot haar.
„Ik ga naar mijn club terug om daar den dag verder door te brengen!” sprak hij.
En met een harden slag viel de deur in het slot.