[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Een opzienbarende dood.

Oude James had uitstekend voor alles gezorgd.

De villa van lord Edward Lister in Regent-street zag er weer zoo gezellig en intiem uit, alsof zij nooit door haar bewoners was verlaten.

Raffles had zich voor onbepaalden tijd met zijn jongen secretaris Charly Brand in Nederland gevestigd en vertoefde nu sinds ruim veertien dagen in zijn vorstelijk huis in Londen.

Morgen zou Charly, die thans onder den naam van baron Charlton in Londen vertoefde, zijn erfenis, groot vijfduizend pond sterling, worden uitbetaald. Twee dagen later wilden de vrienden dan weder naar Amsterdam oversteken, waar, in het Willemsparkkwartier, het groote prachtige heerenhuis hen wachtte.

Tegenover Edward Lister zat, aan de lunchtafel de jonge secretaris.

„Wel, Edward”, begon hij. „We zijn nu toch eens veilig in Londen. Weet je wel, hoe dikwijls ons huis omsingeld werd door allerlei gedaanten uit Scotland Yard, die op hoog bevel van onzen vriend Baxter naar hier waren gezonden? De arme kerel!!”

„En hoe Marholm, die brave „vloo”, mij steeds op de een of andere manier van het dreigende gevaar kennis wist te geven”, voegde lord Lister er aan toe.

„Och, Charly, dat waren toch wel prettige dagen. Zoo vol afwisseling! Zoo vol van dreigend gevaar en kwade verrassingen.

Ik kan niet zeggen, dat ik over mijn verblijf in Nederland ontevreden ben.

Integendeel!

We hebben ook daar al heel wat wederwaardigheden beleefd, maar ik heb tot nog toe in de Hollandsche steden geen enkelen keer zoo’n geweldig grooten stommeling aangetroffen, als James Baxter de eer heeft te zijn.”

Charly lachte hartelijk.

„Ik heb heerlijk van de rust genoten, Edward en als ik morgen mijn kapitaal in bezit heb, bestaat er geen gelukkiger mensch in het Vereenigde Koninkrijk!”

Raffles belde.

Oude James kwam binnen.

„Je kunt afnemen, James!” [14]

Lord Lister haalde zijn gouden sigarettenkoker te voorschijn en spoedig kringelden de blauwe rookwolkjes naar het beschilderde plafond.

Toen het uur voor den lunch voorbij was, kwam een krantenjongen, hard loopende, de stille Regent-street binnenstormen uit alle macht schreeuwende en half verstaanbare klanken uitstootende.

Het geluid van zijn stem verbrak de stilte, die heerschte in het vertrek, waar de vrienden zwijgend en lezend bijeen zaten.

Evening Standard! Extra-tijding! Dood van Hertog Silverton! Verdachte omstandigheden! Rapport van den geneesheer! Wonderlijk gedrag van de Hertogin!… Extra-tijding! Extra-tijding!… Evening Standard!

Raffles sprong op.

Alle kleur was van zijn gelaat geweken, toen hij schelde en den binnenkomenden kamerdienaar beval:

„Loop dadelijk naar buiten en haal mij die courant.”

Eenige oogenblikken later was de man reeds terug en overhandigde zijn meester het verlangde blad.

Raffles rukte het blad open en daar zag hij het staan, ernstig, sober, met groote dikke letters:

Dood van Hertog Silverton. Verdachte omstandigheden. Een onderzoek wordt ingesteld. Hoe de Hertogin zich gedroeg. Geruchten van vergiftiging.

Met vluggen blik doorliep hij de kolommen, eerst vaag de hoofdstrekking in zich opnemende en toen het geheele stuk langzaam en met aandacht overlezende, alsof hij elken regel in zijn geheugen wilde prenten.

Zie hier wat het blad schreef over de gebeurtenissen in het huis Silverton:

„Met leedwezen zien wij ons verplicht, het overlijden te berichten van Hertog Silverton, die in den vroegen ochtend is gestorven. De Hertog was, zooals onze lezers weten, slechts een week lang ongesteld.

Verleden Dinsdag nam de ziekte een gunstige wending en kon men een spoedige en algeheele genezing van den patient verwachten. Doch in den avond van dien dag deden zich verschijnselen voor van onverklaarbare slaapzucht, die hand over hand toenam, zoodat de kundige geneesheeren, die den patient behandelden, ernstige vermoedens begonnen te koesteren omtrent vergiftiging door narcotische middelen.

Tot dusverre is nog niets met zekerheid bekend, maar tal van zeer verontrustende geruchten loopen in de stad. Van zeer goed ingelichte zijde vernemen wij, dat een gerechtelijk onderzoek zal worden bevolen en dat, indien dit mocht geschieden, een proces kan worden verwacht van een hoogst merkwaardig en sensationeel karakter.”

Hieronder volgde een beschrijving van minder belang voor het groote publiek, waarin de stamboom van den Hertog werd uiteengezet.

Maar dan kwam weder in vette letters het volgende hoofdje van een uitvoerig bericht:

LAATSTE BERICHTEN! VERDACHT VAN MOORD!

„Inlichtingen, door ons ingewonnen aan en nabij de woning van den overleden edelman, hebben onzen indruk versterkt dat hier een groot geheim schuilt.

De dienstboden in het huis van den overledene weigeren elke inlichting en dus is het zeer moeilijk, de waarheid te vinden uit de talrijke en elkander vaak tegensprekende geruchten, die in de buurt de ronde doen.

Wat ons ter oore kwam laten wij hier volgen:

Eerst drie of vier dagen geleden begon de geneesheer, die den Hertog voortdurend behandeld had, teekenen van opium-vergiftiging bij zijn patient op te merken. Hij vroeg den Hertog, of deze de gewoonte had, in het geheim eenig narcotisch middel te gebruiken, waarop echter ontkennend werd geantwoord.

De geneesheer begon nu nauwlettend acht te geven op het voedsel, wat den patient gereikt werd en het bleek hem weldra, dat groote hoeveelheden morphine door een onbekende hand en op onverklaarbare wijze in het voedsel en de medicijnen werden gemengd.

Zoodra deze ontdekking door hem gedaan werd, werden alle pogingen in het werk gesteld om het gevaar te keeren en nauwkeurig acht te slaan op de verpleegsters en op allen, die met den zieke in aanraking plachten te komen.

Evenwel gelukte het niet, den schuldige te ontdekken: Inmiddels werd de Hertog al zwakker en zwakker en de geneesheer besloot nog strenger toe te zien op het voedsel en de medicijnen en niemand toe te staan den zieke te naderen, behalve de Hertogin zelve en twee vertrouwde verpleegsters. [15]

En nu komt het belangwekkendste gedeelte van de loopende geruchten, waarvan wij echter niet dan onder alle mogelijke reserve melding wenschen te maken.

Men wil namelijk weten, dat gisteravond, omstreeks acht uur, de Hertog zijn geneesheer alleen heeft willen spreken en men vermoedt, dat hij bij die gelegenheid den dokter ernstige vermoedens omtrent de Hertogin moet hebben toegefluisterd.

Na dit onderhoud heeft de geneesheer de Hertogin uitdrukkelijk te verstaan gegeven, dat hij haar den toegang tot de kamer van haar echtgenoot verbood en heeft hij den Hertog aan de zorgen der verpleegsters overgelaten.

In den loop van den avond evenwel is de Hertogin, gebruik makende van de tijdelijke afwezigheid der verpleegsters, ondanks het verbod van den geneesheer, toch doorgedrongen in het ziekenvertrek en heeft zij den patient een dosis medicijn ingegeven uit een fleschje, dat zij bij zich droeg.

Toen de verpleegsters een poosje later terugkeerden vonden zij den Hertog in een toestand van bedwelming en bijna stervende. De Hertogin, op haar rechten staande, weigerde uitdrukkelijk de kamer te verlaten.

De ongelukkige edelman ontwaakte niet weder uit de bedwelming, die zijn doodslaap zou worden. En tegen half vijf in den morgen verwisselde hij kalm het tijdelijke met het eeuwige.

Men vertelt, dat het drinkwater en enkele andere bestanddeelen van het voedsel, dat de Hertogin haar echtgenoot toediende reeds in den vroegen morgen aan een scheikundig onderzoek zijn onderworpen en dat in die bestanddeelen groote hoeveelheden morphine zijn geconstateerd.

Een fleschje met dit vergif, een hoeveelheid bevattende, voldoende om een geheel huisgezin naar de andere wereld te helpen, maar voorzien van het onschuldig etiquet „Magnesia poeder” moet eveneens reeds uit het juweelenkistje van de Hertogin, dat toevallig in een kast op de slaapkamer van den Hertog was neergezet, zijn te voorschijn gehaald.

Als inderdaad deze geruchten waarheid blijken te bevatten, dan zal Londen spoedig een der merkwaardigste rechtzaken van de laatste jaren kunnen beleven.

Wij vernemen intusschen dat de zenuwen van de Hertogin zeer zijn geschokt door de pijnlijke gebeurtenissen van de laatste weken.”

Dat alles las Raffles en om hem heen scheen de gansche wereld met al haar kleine beslommeringen in het niet te zinken.

Bertie Silverton dood!

Vergiftigd door morphine, hem toegediend door de Hertogin, door Lily Baker— — — —

Hij zag weer vóór zich het pension in Clandonstreet, waar het bevallige meisje in de eetkamer rondging met stofdoek en plumeau en waar zij de heerlijkste puddingen kon bereiden.

Hij had haar ijver steeds bewonderd, als zij vlug en handig het ontbijtgoed wegruimde op een wijze, die duidelijk aantoonde, dat zij vrij was van alle zelfingenomenheid; nooit spreidde zij coquette maniertjes ten toon, zooals dat zooveel andere dames doen, die kamers verhuren.

En van de eenvoudige, bevallige Lily Baker dwaalden zijn gedachten naar de salons van de kleine, vriendelijke lady Simpson, waar hij in de schitterende, bekoorlijke en schatrijke Hertogin Silverton terstond zijn kostjuffrouw uit Clandonstreet had herkend.

Toen herinnerde hij zich het aangename uurtje in het groote huis van den Hertog doorgebracht, waar de Hertogin zoo onbevangen met hem had gebabbeld en waar ze hem had verteld, dat het alles „zoo heel eenvoudig” in zijn werk was gegaan—het verwerven van Cecils rijkdommen, waarin zij voor de helft aandeelen had.

Toen—de kwaadaardige uitdrukking in de oogen van den hertog, terwijl hij den salon binnentrad en zijn onbeschofte houding tegen Lily.

Dan—de geruchten die er liepen omtrent de afstammelingen uit het Huis Silverton.

En eindelijk—deze plotselinge, geheimzinnige dood en de laaghartige beschuldiging, door den hertog op zijn sterfbed geuit tegen de vrouw, die goed genoeg was geweest om met haar millioenen zijn speelschulden te dekken en zijn verbleekt blazoen opnieuw te vergulden.

In zijn eerste opwelling van razernij had hij, de Groote Onbekende, die zoo weinig zijn gevoelens placht te uiten, de Evening Standard in zijn gebalde vuist ineen geknepen. [16]

Charly had dit alles stilzwijgend, doch in de uiterste verbazing aangezien.

De jonge secretaris wist maar al te goed, dat hij zijn vriend en meester met geen vragen moest lastig vallen, als deze onder den indruk verkeerde van eenige oogenblikkelijke aandoening.

Maar toen de, tot een bal opgerolde krant op het tapijt neerviel en lord Edward Lister in peinzende houding voor het venster ging staan, toen raapte Charly het dagblad op, vouwde het open, streek de honderden plooien weer glad en begon het bericht te lezen, dat John C. Raffles zoozeer had doen ontstellen.

Ook toen hij het, tot tweemaal toe, ten einde had gelezen, sprak Charly Brand nog geen woord.

Geen enkel geluid kwam over zijn lippen.

Maar vol ontzetting dacht hij eraan, dat zulk een schoone vrouw als hij in Hertogin Silverton had aangetroffen, den dood van haar echtgenoot op haar geweten kon hebben.

Een Hertogin-giftmengster!

En de jonge man met zijn onschuldig gelaat en de groote, blauwe oogen huiverde bij de gedachte, dat ook in de groote wereld, in de „beste kringen”, zooals Basil Malwood ze placht te betitelen, de misdaad niet vreemd scheen te zijn.

En welk een misdaad!

Het was geen „peulschilletje” wat die mooie, schatrijke Amerikaansche had durven onder handen nemen.

„Die arme Silverton,” dacht Charly, „ongelukkige kerel! Wat had-ie nou gehad aan al die kostelijke millioentjes, die hij, met z’n vrouw, van den overkant van den Oceaan naar hier had meegenomen.

In de kracht van zijn leven had hij „het loodje er bij moeten leggen.”

Wat de vrienden uit „De kaart en de Dobbelsteen” er wel van zouden zeggen? peinsde Charly verder, wiens gedachten zich niet lang bepaalden bij het droevige van dit sterfgeval.

En of Bertie veel speelschulden zou hebben achtergelaten?

Natuurlijk zou d’ie dat.

Bertie had altijd en overal schulden gehad—en bovenal in „De Kaart en de Dobbelsteen”.

„Charly!”

De secretaris van den Grooten Onbekende schrikte op, toen hij door de stem van zijn vriend en meester uit zijn gedachten werd weggerukt.

„Wat is er, Edward?”

„Heb je ’t gelezen?”

„Ja.”

„En?”

„Vreeselijk vind ik het!”

„Wàt vind je vreeselijk?

„Den treurigen moed van die bekoorlijke hertogin, Edward!”

De Groote Onbekende keek zijn vriend langen tijd zwijgend in de oogen.

„Wat heb je?” vroeg Charly, wien dat onderzoekend aankijken door zijn vriend maar half beviel.

„Wat er is, Charly? Er is, dat ik een gelukkige keuze deed, toen ik jou tot mijn secretaris en mijn helper benoemde.”

„Je helper, Edward, ben ik toch maar in enkele gevallen geweest.”

„Mijn helper ben je in zooverre, Charly, dat je de publieke opinie vertegenwoordigt. Altijd dadelijk klaar met je oordeel, altijd gereed te be- en te veroordeelen zonder de minste kennis van zaken.”

Het gelaat van den jongeman betrok.

„Zóó Edward? Dank je voor de gulhartige bekentenis van je opinie omtrent je secretaris. Je zult toch zeker wel willen toestemmen, dat in deze zaak van „verwikkelingen” geen sprake kan zijn!”

„Ik zal over deze zaak niet met je redetwisten, m’n jongen!

En ik wensch je verder een goeden middag. We zien elkaar aan het diner wel terug!”

John C. Raffles verdween in zijn kleedkamer.

Geen tien minuten later hoorde Charly Brand de zware huisdeur in het slot vallen en toen hij door de hooge ramen naar buiten keek, zag hij lord Aberdeen, alias John C. Raffles langs het hek der villa wandelen.

De Groote Onbekende zag er zéér eenvoudig uit. Een groote vilthoed bedekte zijn zwarte haren en een lange, donkergrijze jas omsloot zijn slanke leden.

„De jas met de dievenzakken”, fluisterde Charly, „wat zou hij van plan zijn?” [17]