De volgende dagen sprak, schreef, dacht en droomde Londen over niets anders dan over datgene, wat de dagbladen „het geheim van Onslow Gardens” hadden gedoopt.
Sinds de vlucht van Dorrit met honderd millioen had geen zaak het voorrecht van zooveel onverdeelde opmerkzaamheid gehad als deze.
Zij leverde de stof voor gesprekken in de clubs en aan de theetafel en iedereen sprak over de vergiftiging van den hertog en de wijze, waarop hij door zijn eigen vrouw opzettelijk was om het leven gebracht, alsof de feiten reeds onomstootelijk vaststonden.
In het begin trokken wel de medelijdende zielen partij voor Linda—enkelen omdat zij een vrouw was, anderen omdat ze een hertogin was, weer anderen omdat zij jong was en bevallig. Een zeer kleine minderheid deed het, omdat ze niet geneigd was, als vaststaande aan te nemen, wat nog niet was bewezen en te oordeelen zonder vonnis.
Die verdedigers beweerden, dat er geen enkele reden kon worden aangenomen, waarom de beschuldigde den echtgenoot, dien ze pas zoo kort geleden haar hand had geschonken, naar het leven zou hebben gestaan.
Dan antwoordden weer anderen, met een hatelijk, wereldwijs lachje op de lippen, dat niemand ter wereld zich borg kon stellen voor de motieven van anderen; dat niemand ooit met zekerheid kon zeggen, wat er achter stak.
Dat de hertog een speler was, die zijn vrouw had genomen om haar geld en dat geld met handen vol het venster uit had gesmeten, zoodra hij het onder zijn bereik had gekregen.
Dat de hertogin eensklaps van de onderste rangen der samenleving tot invloed en rang was geklommen en dat haar snelle stijging eerst tot rijkdom en later tot den hoogsten stand in den lande haar hoofd waarschijnlijk op hol en haarzelve in den waan gebracht had, dat ze alles straffeloos mocht en kon doen.
Rijkdom en titel hadden haar denkvermogen van streek gebracht.
Zij, de hertogin, had te laat ontdekt, dat ze een dwaasheid had gedaan, toen zij den hertog trouwde, die haar niet liefhad en niet achtte.
Ze waren nog geen jaar getrouwd geweest en toch had hij reeds een belangrijk gedeelte van haar onmetelijk fortuin verdobbeld en verkwist.
Iedereen wist nu te vertellen, dat de hertogin begonnen was als dagmeisje in een kommensalenhuis en tot rijkdom gekomen door haar broeder, een gewoon Londensch werkman, die zijn vak geleerd had als smidsjongen en later als gasfitter.
Velen wisten het met volkomen zekerheid te zeggen, dat de hertogin lezen noch schrijven kon; terwijl anderen in bedekte termen te verstaan gaven, dat haar verandering van naam, bij het verhuizen naar New-York, haar grond vond in dingen, die in fatsoenlijk gezelschap niet met name genoemd konden worden.
Maar als vaststaande wist een ieder, zoowel in de salons van West-End als aan de bars in de burgerwijken te vertellen, dat de hertogin haar man vergiftigd had, omdat zijn dobbelen en zijn losbandigheid haar ergerden en omdat hij haar al te duidelijk en te gauw had laten gevoelen, dat hij niet haarzelf, maar haar geld had getrouwd.
De eenige vraag, die de menschen overwogen en bespraken was:
„Waarom heeft ze hem vergiftigd?”
Niemand echter kwam op de gedachte om de vraag te stellen, die toch allereerst had behooren te worden gedaan:
„Heeft ze hem wel vergiftigd?”
De nieuwsbladen rakelden alle mogelijke voorvallen op van eigen en vreemden bodem, waarin hooggeplaatste giftmengers of moordenaressen van aanzien een rol hadden gespeeld.
Zij liepen de zaak vooruit door de vermoedelijke toedracht [18]en het vermoedelijke vonnis te fingeeren en bewerkten de openbare meening, door verhalen van gelijksoortige gevallen in den breede op te disschen, blijkbaar overtuigd, dat iedereen de strekking wel zou begrijpen en het verband weten te vinden.
Voor Lily zelf waren deze dagen van angstig wachten onuitsprekelijk droevig.
Maar zij hield zich goed; zoo goed als zij kon.
Èn toch!
De aanklacht was van dien aard, dat zij wel in staat moest zijn om elke vrouw, de sterkste niet uitgezonderd, van schrik en ontsteltenis te doen verstommen.
Toen Lily het gedetailleerd verslag van de lijkschouwing hoorde voorlezen, hoe ongelooflijk schenen toen alle omstandigheden in elkander te vatten; hoe gemakkelijk te verklaren dacht het haar toen, dat een ieder aan haar schuld geloofde.
De geneesheeren—de gerechtelijke scheikundigen—de verpleegsters—de detectives—de dienstboden—allen hadden onderdeelen te vertellen van dezelfde geschiedenis; onderdeelen, die elkander aanvulden en versterkten en die onveranderlijk hierop neerkwamen:
De hertogin heeft haar echtgenoot vergiftigd!
Bertie was vergiftigd! Dat stond vast! Ook bij haar!
Maar wie ter wereld kon dat gedaan hebben?
En waarom?
Niet voordat zijzelve dit raadsel had vermogen op te lossen zou zij zich schoon gewasschen achten in de oogen der menschen,—ook al mocht het haar gelukken, door de rechters te worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende bewijzen.
De arme vrouw begreep wel, dat de schijn fel tegen haar was, maar dat iemand in volle ernst haar kon verdenken van Bertie te hebben vergiftigd, dat wilde haar maar niet klaar worden.
De gedachte alleen was zoo monsterachtig slecht en wreed.
Wat haar echter het meest van alles deed ontstellen, was niet de ontdekking, dat de buitenwereld haar wel degelijk verdacht, maar dat haar eigen rechtsgeleerde raadslieden, de mannen, die haar zaken zouden behartigen en verdedigen, klaarblijkelijk geen geloof sloegen aan de betuigingen van onschuld van hun cliënt.
Lily zelve verdacht niemand.
Maar toch begreep ook zij, dat iemand het gedaan moest hebben—hetzij dan de verpleegster of de dokter of een van de dienstboden of wie dan ook,—maar één van allen moest de morphine hebben gemengd in Berties voedsel.
Lily’s gedachten dwaalden terug naar de tijden, toen ze als de eenvoudige miss Baker in deze zelfde stad, waarin ze thans zoo nameloos, zoo onduldbaar veel te lijden had, kamers verhuurde.
Toen kwelden haar wel eens geldelijke zorgen; toen moest ze niet zelden rekenen en nog eens rekenen om de maand uit te komen zonder schulden te hebben gemaakt bij bakker, slager of kruidenier.
Wat leken die kleine, peuterige zorgen haar nu belachelijk.
Hoe had ze toch ooit kunnen tobben over zulke nietige, onbelangrijke dingen!
Hoe had ze er toch ooit een zwaar hoofd in kunnen hebben, dat al die kleinigheden niet terecht kwamen, in orde werden gebracht.
En ze dacht aan de leveranciers, die haar destijds hunne waren leverden; ze haalde zich hun gelaatstrekken weer voor den geest.
En ook dacht ze aan de personen, die ze had bediend, en toen verrees daar in haar verbeelding de nobele figuur van den donkeroogigen student John Williams, den sympathieken jongeman, die haar in haar huis in Onslow Gardens kwam bezoeken, omdat hij, „als oude kennis” het zoo onaangenaam had gevonden, haar te moeten begroeten op den soirée van lady Simpson te midden van het banale gebabbel der gasten.
Lily herinnerde zich, hoe onhebbelijk Bertie haar dien middag had bejegend in het bijzijn van den bezoeker, en hoe hij dien bijna vijandig tegemoet was getreden.
Haar gedachten gingen terug naar al die andere keeren, dat de hertog haar onhebbelijk had behandeld, onrechtvaardig ruw had bejegend.
En ten slotte bleef zij zich in haar geest wederom bezighouden met lord Aberdeen. Ze dacht terug aan dien slanken jongeman met de doordringende en toch zoo trouwe oogen en het was haar als een geruststelling, waarvan ze zich geen verklaring kon geven, dat ze wist, dat lord Aberdeen haar niet had vergeten.
In zijn wijde „dievenjas” gehuld, zooals Charly Brand het kleedingstuk van John C. Raffles betitelde, had lord Lister zich op weg begeven. Nadat hij ongeveer een kwartier had voortgeloopen, nam hij een cab en in die cab reed hij nog een groot half uur.
Daarna stapte hij uit, betaalde den koetsier met [19]een goede fooi en liep nog vijf minuten door. Toen was hij, waar hij moest zijn.
Het huis in de dwarsstraat, dat het einddoel van zijn tocht was, was laag van verdieping.
Lord Lister drukte drie keer op de electrische bel en toen uit een raam van de eerste en eenige verdieping een hoofd werd gestoken, riep hij: „Varken en koe!”
„All right,” klonk de stem terug en geen twee minuten later werd de deur geopend, juist zoover als noodig was om den slanken bezoeker door te laten.
„Bonjour, Hoper,” zei de nieuw aangekomene.
„Goeden middag, sir,” antwoordde de stem van den man uit het lage huisje, „ik hoorde al aan de manier, waarop u het wachtwoord riept, dat u het waart, graaf Harrison. Ik heb u in geen tijden gezien. Komt u zaken doen?”
„Ja, Arthur, er moet worden ingebroken.”
„En dan komt u bij den chef van het vak, nietwaar sir?”
De „chef van het vak” zag er volstrekt niet uit, zooals onze lezers zich hem misschien zullen voorstellen: een boeventronie met platten neus, breeden mond, laag voorhoofd en dikke wenkbrauwen. De „chef” was een goed gekleed man, met het voorkomen van een heer, die beleefd boog en onmiskenbaar goede manieren had. Maar de goede opmerker—en Arthur Hopers bezoeker was een uitnemend observator—zag ook de weinig goeds beduidende uitdrukking in de loerende, groene oogen van den „chef” en het leelijke lachje, dat speelde in de hoeken van zijn dikke lippen, een lachje, dat sprak van de grootste onbeschaamdheid.
„Kom binnen, graaf,” noodde Hoper, „ik was juist aan m’n brandy-soda. Is er veel te verdienen?”
„Ja.”
De oogen van den inbreker glinsterden.
„En is ’t werk gevaarlijk?”
„Neen. Niet voor jou. Je hebt er enkel maar zorg voor te dragen, dat de pakken, die ik je misschien zal aanreiken, zoo gauw mogelijk in veiligheid worden gebracht.”
Het gelaat van den „chef” betrok desondanks.
„Loopt ’t erg in den kijker?” vroeg hij. „Heel Scotland Yard weet, dat ik een van de gevaarlijksten van ons vak ben. Alle detectives hebben me in hun boekje en weten op een prikje te vertellen, dat Arthur Hoper „meneer de inbreker” is.”
Hij richtte zich in zijn volle lengte op en keek zijn bezoeker ernstig aan.
„Als de politie me in handen krijgt, graaf, dan laat ze mij niet weer los, en dan kon het wel eens wezen, dat ze u ook in de kladden kreeg. Wat zou dan ’t eind van ’t liedje zijn, graaf?”
„Je waagt niets, Hoper, dat kan ik je verzekeren en ik zou in dezen je hulp niet hebben ingeroepen, als ik die niet inderdaad noodig had. Hoe ben je eensklaps zoo bang geworden?”
De „chef van het vak” keek den ander verbaasd aan.
„Heb je van den dood van hertog Silverton gelezen?” vroeg de „graaf.”
„Alle duivels uit de hel! Die arme Bertie! Och graaf, u weet, dat al de Silvertons vroeg aan hun eindje komen en als zijn vrouw het niet hem gedaan had, dan zou—die.…..”
„Hou je mond!” viel de „graaf” in.
„’t Is anders jammer van de hertogin!
„Ik heb haar eens gezien bij de Derby-rennen. Ze zag er allemachtig goed uit. Die zal nou heel wat jaartjes te brommen krijgen. Al neemt ze nòg zoo’n knap advocaat, vrij krijgen doet-ie ’r toch niet! Ik verzeker je graaf, dat ik, stevig vermomd, de rechtszitting zal bijwonen.”
„Ken je het huis, waar de hertog is gestorven?”
„Asjeblieft graaf! Arthur kent alle voorname huizen in Londen!”
„Onze onderneming is van een beetje griezeligen aard.”
De bezoeker keek om zich heen en sprak toen op fluisterenden toon:
„We zijn hier toch onbespied?”
„We zijn hier zoo veilig als in de Bank, meneer!”
Hij nam wederom een grooten slok uit het grocglas en sprak toen met een aanmoedigend gebaar tot zijn bezoeker:
„Heeft het zaakje wat te maken met hertogin Silverton? Hebt u die flauwe kletspraatjes in de kranten gelezen over de hertogin? Wat maken ze weer een kabaal, die dagbladen. Wie het meeste kabaal maakt, heet de knapste en best ingelichte. Ze hebben al heel wat over ’r geschreven, graaf. Eerst toen ze uit Amerika naar hier kwam! Toen was ’t niets dan goeds en moois, wat ze van haar te vertellen hadden en nou ze haar hoogvereerden heer gemaal zoo’n kool heeft gestoofd, laten ze geen haar goed an d’r. En als de zaak eerst voor de rechtbank komt, dan begint het [20]ware pas, dan wordt alles haarfijn uitgeplozen.”
En Arthur Hoper sloot één oog om des te beter de opstijgende koolzuurbelletjes in zijn glas te kunnen waarnemen, trok de lippen samen en floot zachtjes een deuntje.
„Je bekendheid met de hertogelijke woning komt me uitstekend van pas,” vervolgde nu de graaf. „Is ze van de achterzijde te bereiken?”
„Ja, dat is ze.
„De „chef” weet alles, graaf.
„Luister!
„Aan de achterzijde van de prachtige huizen in Onslow Gardens vindt men een doorloopend zinken plat, een soort terras of platform.
„Dit plat verbindt de huizen onderling en wordt gevormd door de daken der uitgebouwde tuinkamers, die maar één verdieping hoog zijn, zoodat men, door uit een der vensters van de eerste verdieping te klimmen, gemakkelijk op het terras kan komen.
„En dat tref je nou bijzonder prachtig, graaf, want twee huizen verwijderd van Silvertons woning, dient een vriendin van me als kamenier. Ze woont op nummer twintig en ze zal me natuurlijk helpen bij mijn uitstapje.”
Hier daalde het gesprek tot den fluistertoon en nadat „de graaf” nog eenigen tijd met den „chef van het vak” had gesproken en hem ten slotte een banknoot van twintig pond in de hand had gedrukt, na welke geste de „chef” hoffelijk boog, verliet Raffles het lage huis in de dwarsstraat, waar hij met Arthur Hoper zulke eigenaardige „zaken” had gedaan.
Een uur later trad lord Lister zijn woning in Regent Park weer binnen. Hij was van de onaanzienlijke zijstraat naar huis teruggewandeld, want hij voelde behoefte om de koele voorjaarslucht langs zijn voorhoofd te voelen strijken.
De oude James vertelde hem, dat mister Brand was uitgegaan en eerst tegen het diner thuis zou komen.
Ook lord Lister verliet reeds een kwartier later weer het „Vossenhol”, zooals hij en Charly de veilige villa bij voorkeur noemden.
Hij was nu gekleed in een zwarte winterjas en droeg daarbij weer den gladden cylinder.
De rechterhand met fijne castoorleeren handschoen omklemde den gouden knop van een ebbenhouten wandelstok.
Lord Lister begaf zich naar het gebouw van de „Club of Lords.”
Hij wist, dat hier op dezen tijd van den dag, het gewone bitteruur der heeren, druk bezoek zou zijn en dit was het juist, wat hij noodig had.
Daar, te midden der praatgrage jonge en oudere heeren, wenschte hij eenigen tijd te vertoeven.
Toen hij binnentrad was reeds het gesprek der clubleden in vollen gang.
Raffles zag eenige kennissen, die met hoogroode kleur en druk gesticuleerend zaten te betoogen en weer anderen, die schenen op te komen tegen de meening van hen, met wie zij een twistgesprek voerden.
En aldra vernam hij nu, dat zijn vermoeden was bewaarheid.
Men sprak slechts over één ding; over den vreemden, plotselingen dood van Bertie Silverton.
Basil Malwood zat omringd door een aantal oudere heeren.
„Wat mij betreft,” hoorde Raffles den hooggeplaatsten ambtenaar van het handels-ministerie zeggen, „ik heb dien grootvader van Silverton nog heel even gekend. Die man heeft zich indertijd allerellendigst gedragen.
„Hij heeft zich zelf van het leven beroofd, maar als hij dat noodig oordeelde, dan had hij toch minstens de moeite kunnen nemen om een stukje papier na te laten, waarom hij het gedaan had, al was het maar alleen om anderen voor verdenking te vrijwaren.
„Iemand, die zichzelf te kort doet, begaat onrecht tegenover zichzelf!”
„Volkomen waar, mr. Berton,” sprak nu graaf Simkins, „en bovendien vind ik, dat iemand, die zelfmoord pleegt en den schijn laat bestaan, dat hij vermoord werd, zeer onrechtvaardig is jegens anderen!”
„Wel,” sprak nu Basil Malwood, „ik ben het volstrekt niet met de heeren eens. Ik vind het al erg genoeg, als iemand zich van kant moet maken. Waarom zou hij dan bovendien nog schande moeten brengen over zijn familie?
„Toen ik eens, jaren terug, het zal nu vijf of zes jaar geleden zijn, met Bertie Silverton in de „Kaart en de Dobbelsteen” over een dergelijk onderwerp sprak, was hij het volkomen met mij eens.”
„Wat beweerde hij dan?” klonk plotseling de sonore stem van lord Aberdeen, die zoojuist de clubzaal was binnengekomen en stilzwijgend gedurende de laatste vijf minuten het gesprek der heeren had aangehoord.
„Wat beweerde Silverton destijds, mr. Malwood?”
Basil kreeg een kleur. [21]
Hij hield niet van de doordringende oogen en het strenge ondervragen van den ernstigen lord.
Maar juist in de oogen van dien man, dien hij onwillekeurig als zijn meerdere erkende, trachtte hij steeds een zoo goed mogelijk figuur te slaan en daarom antwoordde hij op gewichtigen toon:
„Hertog Silverton beweerde destijds, dat hij, àls hij eens er toe zou moeten overgaan, zichzelven van kant te maken, waartoe hij misschien door geldgebrek nog wel eens zou kunnen komen, hij evenmin een briefje na zou laten om zichzelf aan te klagen en de nieuwsgierigheid van anderen te bevredigen.”
„Volkomen juist!” viel lord Crofton bij, „men moet ieder laten raden, hoe en waarom het gebeurd is en als de menschen het niet kunnen gissen, dan moeten ze het maar blauw-blauw laten.”
„De Silvertons,” sprak Basil, „zagen er ook niet tegenop, als hun de wind wat al te vinnig tegen was.
„En dat wist de heele wereld. Bertie maakte er nooit een geheim van, dat spel en zelfmoord in zijn geslacht inheemsch waren.
„Ze verkwistten hun vermogen en dan sneden ze zich den hals af. Dat is bij hen de gewone loop van zaken.
„Zoodra het hoofd van het geslacht „op” is, trouwt zijn opvolger een rijke erfgename, speelt en drinkt tot alles weg is en dan … hetzelfde programma weer opnieuw. Zoodra zoo iemand zijn laatste bezitting verdobbeld heeft of genoeg heeft van zijn vrouw of zijn jaloezie voelt opgewekt—volgt hij het doorluchtig voorbeeld van zijn voorgangers, snijdt zich den hals af en—’t is uit!”
De tachtigjarige graaf Mortby boog zich voorover en wendde zich tot den vraagbaak van het gezelschap, tot Basil, die alle schandaalnieuwtjes in voorraad scheen te hebben.
„Is het waar,” informeerde hij en zijn spitse neus stak puntig naar voren, „is het waar, dat de hertog zijn gemalin haatte, hoewel zij een engel van goedheid en liefde was?”
Basil haalde de schouders op.
„Rechtstreeks heb ik dit nooit vernomen,” sprak hij met een gewichtig air, „maar het tegendeel is me toch ook nooit ter oore gekomen.
„Wel weet ik, dat hij de laatste tijden weer ontzettend grof heeft gepeeld.”
„En gelukkig?”
„Integendeel, voortdurend verloren.”
„Maar dat kon hem met de onmetelijke rijkdommen, die zijn vrouw hem heeft meegebracht, toch niet deeren,” beweerde graaf Mortby weer.
Basil lachte geheimzinnig.
Hij wachtte eenige oogenblikken, voordat hij antwoordde, toen sprak hij langzaam:
„Och, ook aan de grootste rijkdommen komt eenmaal een einde, en zeer zeker als ze in handen vervallen van iemand als Silverton was.”
Lord Aberdeen mengde zich niet meer in het gesprek, maar van alles, wat in dit bitteruur werd gesproken over den plotselingen dood van den hertog, ontging hem geen woord en vooral schonk hij bijzondere aandacht aan alles, wat de gladde tong van Malwood met blijkbaar welgevallen er uit flapte.
Toen hij ongeveer een uur in den leeren fauteuil had zitten luisteren en een groot aantal sigaretten in rook had doen opgaan, stond hij langzaam op, dronk zijn portglas leeg en riep den kellner, die ijlings toeschoot met de jas en den cylinder van zijn lordschap.
Toen reed Edward Lister terug naar Regent Park waar hij om zes uur met Charly het middagmaal gebruikte. [22]