[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Het werk van Raffles.

Het was de dag vóór de begrafenis van hertog Bertie Silverton. De grootste opwinding heerschte in de Londensche hooge kringen. En allen bespraken de vreeselijke gebeurtenis, de vreeselijke daad, door de hertogin bedreven.

In zijn bureau in Scotland Yard zat politie-inspecteur Baxter een geurigen havanna te rooken. Hij dicteerde zijn secretaris Marholm, bijgenaamd „de vloo”, een proces-verbaal.

Toen dat werk geëindigd was, zuchtte hij eens diep, geeuwde hoorbaar en zei toen: „Marholm, we hebben vandaag hard gewerkt—héél hard gewerkt. Ik zal nu wat gaan rusten.”

„Slaap lekker, inspecteur!”

„Slapen? Wie praat er van slapen?”

„O, vraag excuus inspecteur—ik dacht soms, het zou niet voor den eersten keer zijn!”

„Wàt zou niet voor den eersten keer zijn!” stoof Baxter op met woedend gebaar! „Zal ik je eens vertellen, wat voor de laatste maal moet gebeurd zijn? Dat jij zoo’n grooten, brutalen mond opzet tegen je chef! Hoor je, Marholm, je chef! Pas op, dat ik je niet voor ontslag voordraag wegens insubordinatie!”

De „vloo” haalde de schouders op, snoof hoorbaar door zijn neus, blies zware wolken uit zijn pijpje, dat gestopt was met „Amersfoorter” en zei op uitdagenden toon, want aan Baxters dreigementen had hij zich nog nooit gestoord:

„O chef, hoogvereerde chef, wat bent u vandaag bijzonder prikkelbaar. Ik vond u in den laatsten tijd anders steeds in zoo’n goed humeur! En ik had die goede luim al in verband gebracht met Raffles’ verdwijning uit Londen! Dat was een pak van uw hart, inspecteur!”

Inderdaad!

Het was een pak van het hart geweest van den braven inspecteur, toen hij hoorde, dat de Groote Onbekende, in gezelschap van zijn onafscheidelijken secretaris zich voor „onbepaalden tijd” naar het buitenland had begeven.

En ditmaal was het geen grapje!

Baxter had het gehoord uit de meest betrouwbare bronnen, dat hij vooreerst geen last of overlast zou hebben van den man, die hem voortdurend een hinderpaal was geweest op zijn levensweg, die zijn werklust, zóó hij dien al eens had, verlamde, zijn ijver bekoelde.

Want hoe tientallen van keeren was het niet gebeurd, dat Raffles, de gentleman-dief den een of anderen misdadiger had opgespoord, terwijl inspecteur Baxter op dwaalwegen zocht naar den vermeenden boef.

Baxter dacht aan dat alles en een zucht van verlichting ontsnapte hem.

Ja, hij was in z’n nopjes, dat die brutale Raffles niet in Londen woonde.

„Ja, inspecteur,” herhaalde Marholm met een onnoozel gezicht, „dat was een pak van uw hart, nietwaar?”

„Hou je brutalen mond, of je gaat er op staanden voet uit,” snauwde Baxter.

„Maar chef!”

„Wat, maar— —”

„M’n mond houden? Ik? Maar als ik niet meer kan praten, dan heb ik heelemaal niets meer te doen.” [31]

„Je bent de grootste luilak, dien ik ken”, stoof Baxter op.

„Op één na, inspecteur, op één na!”

„En die eene is?”

„Raad eens, inspecteur!”

Marholm had ternauwernood deze woorden gesproken, toen er aan de deur werd geklopt.

Een kleine jongen, in blauw uniform met zilveren tressen trad binnen.

„Mr. Baxter?”

„Die ben ik!”

Please, sir!

De jongen overhandigde een groote, gele enveloppe.

„Van wien?”

„Weet ik niet, sir! Good bye, sir!

De jongen boog, draaide zich om en verdween.

Baxter, vóór den brief te openen, draaide dien om en om en nog eens om.

Toen, met een gewichtig air, en alsof hem nu te binnen schoot, dat hij dit gewichtig epistel wachtte, zei hij:

„Juist, dat zal het schrijven zijn van den referendaris van Zijne Majesteit!”

„Ik zie anders geen koninklijk wapen,” merkte de „vloo” droog op.

Baxter smoorde een vloek en bromde een verwensching tusschen de tanden.

Daarna opende hij de envelop, haalde een groot vel papier te voorschijn en begon te lezen.

Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter, zijn mond viel open, zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd.

„Allemachtig,” steunde hij, „alweer die naam!”

Het papier ontgleed zijn handen en Marholm haastte zich, het op te rapen.

Het eerste, wat „de vloo” zag, was de naam:

JOHN C. RAFFLES.

Toen las hij het volgende:

Londen, Club of Lords.

Hooggeachte Inspecteur Baxter.

Daar ben ik dan eindelijk weer eens op komen dagen—ditmaal om u te helpen!—

Ge kunt lauweren oogsten. Ga met twee van uw beste detectives (vergeet ook uw braven secretaris Marholm niet) naar het sterfhuis van Hertog Silverton in Onslow Gardens. In de sterfkamer zult ge het vinden. Onder de achttiende plank van den parketvloer, geteld van het hoofdeinde van het ledikant, gaande naar rechts, naar den kant van de ramen.

Haast u met uw werk. Ik groet u vriendschappelijk en zal, als het weer te pas mocht komen, niet nalaten, u danig bij den neus te nemen.

JOHN. C. R.”

De laatste zin was het, die Baxter zoozeer in twijfel bracht, dat hij besloot, niet te gaan.

„Neen, Marholm,” zei hij op een toon vol overtuiging, „we gaan niet. Raffles is in staat om mij zelfs in een sterfhuis belachelijk te maken en een zot figuur te doen slaan!”

Marholm’s pijpje dampte als een stoomketel, vóórdat hij antwoordde:

„Als u niet gaat, inspecteur—wel—hm—ziet u—dan ga ik. Dan doe ik dat zaakje op m’n eigen houtje, ziet u! U kunt van Raffles denken wat u wilt, maar hij is teveel gentleman om in een sterfhuis kabaal te gaan schoppen!”

Baxter dacht na—langen tijd. Als Baxter dacht, had hij daarvoor steeds veel tijd noodig, omdat het denken hem nu juist niet al te vlot af ging.

„Goed, Marholm, ik zal nog eens, maar voor het laatst in mijn leven, je raad opvolgen! We zullen over een uur naar Onslow Gardens optrekken!”

En aldus geschiedde!

Heel het Vereenigd Koninkrijk was verbijsterd, toen het uit de dagbladen vernam, hoe Hertog Adelbert Silverton, die onder zulke verdachte omstandigheden het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld, zich niet had ontzien, om door een laaghartige daad—de laatste uit zijn leven—zijn geslacht te bezoedelen.

Van heinde en verre stroomden inspecteur Baxter de gelukwenschen toe, en allerwege werd zijn speurderszin geroemd.

De hooge borst van den inspecteur van Scotland Yard zwol en zwol—steeds hooger.

Totdat aan al die roem en eer een einde kwam op een wijze, die viel als een ratelende donderslag aan helderen hemel.

Een week nadat Hertogin Lily Silverton haar eer en goeden naam had teruggekregen, kon men in de groote Londensche bladen lezen:

Het werk van John C. Raffles.

Niet Baxter, den goedigen, genoeglijken inspecteur van Scotland Yard komt de hooge eer toe, de ware toedracht van Hertog Silvertons [32]rampzalig einde aan het licht te hebben gebracht.

Het was niemand anders dan de Groote Onbekende gentleman-dief, John C. Raffles, die, na zich van den toestand in den Huize Silverton op de hoogte te hebben gesteld, de afwikkeling der zaak overliet aan James Baxter, nadat hij dezen er van had verwittigd.

Hulde aan John C. Raffles, den kampioen voor verdrukten en onrechtvaardig bejegenden!”

In een noot had de „Times” nog aan dit bericht toegevoegd:

„Wij betreuren het, dat inspecteur Baxter geen belangrijker rol had gespeeld in deze interessante geschiedenis dan die van—stroopop”.

Toen Baxter, in zijn bureau-stoel gezeten, dit bericht met de toevoeging las, was hij een beroerte van ergernis nabij.

Hij smeet zijn inktpot aan stukken en kneep, van louter woede, een handvol havanna’s aan stof.

Toen hij een beetje uitgeraasd had, wendde hij zich tot Marholm, die rustig z’n pijpje dampte.

„Marholm,” barstte hij los, „als ik wist, dat jij—dan—dan—”

De „vloo” draaide z’n stoel een halven slag om, deed een flinken haal en zei:

„Beste, Hollandsche tabak, chef. En—uitstekend voor de zenuwen! Wilt u niet eens opsteken?”