No. 2. De oorsprong der eerste menschen (C.)

De bewoners van den hemel gluurden eens door een opening, die zij, zooals hen geleerd was, niet mochten naderen, naar beneden, en ontdekten toen een geheel andere wereld. Zij sneden toen lange [74]bastrepen en lieten zich er mede naar beneden zakken.

Toen zij nu een tijd lang op de aarde hadden rondgedoold, begonnen zij angstig te worden en besloten zij weder naar boven te klimmen. Nadat zij nu weder de opening, waaruit zij waren neêrgedaald, hadden bereikt, bleef een vrouw, die buitengewoon breed en zwaar was, in het gat steken en gedurende het gevecht en het gedrang, dat er ontstond, om binnen te komen, brak de bastreep af en een aantal Caraïben vielen naar beneden en waren nu genoodzaakt op de aarde te blijven.

Toen zij echter geen eten konden vinden, dat naar hun smaak was, zagen zij zich genoodzaakt, aarde te eten, waarvan zij koeken bakten. Zij begonnen echter hoe langer hoe magerder te worden, en toen zij bemerkten, dat de Acouri* er zoo welgedaan uitzag, zetten zij een Specht* op den uitkijk, om te weten te komen, op welke wijze de Acouri zich voedsel verschafte. Maar de specht verried zichzelf door zijn getik tegen den stam, toen het kleine dier naar buiten kwam. Zij droegen nu den Alligator* op, om het te bespieden; deze keerde terug, maar vertelde een leugen. Na hem daarvoor gestraft te hebben, door zijn tong uit te snijden30, zonden zij er een rat op uit; doch deze keerde niet terug en het volk moest hongerlijden. [75]

De menschen trokken toen naar elders, alleen een kind achterlatend. Toen zij nu na langen tijd, waarin zij zich met bessen hadden moeten voeden, op de plaats terugkeerden, troffen zij het kind niet alleen nog levend, maar zeer welgedaan, te midden van een aantal maïskolven aan. De Acouri, die het kind zoo lang met maïskorrels had gevoed, was na een zijner bezoeken door het kind gevolgd en dit had toen het maïsveld ontdekt, waaruit het zoo lang eten had gekregen. Het volk was nu gered en nam in aantal toe.