1 Zie voor de beteekenis der sterretjes achter de woorden bladz. 6 onderaan. 

2 Voor de kenmerkende verschillen tusschen mythen, sagen, legenden enz., verwijs ik den lezer o.a. naar „Woordkunst” door M. A. P. C. Poelhekke. 

3 Zie: Alfred Russel Wallace (Travels on the Amazon and the Rio Negro, Chapter IX, Londen 1853), Dr. Herman ten Kate, „Schetsen en stemmingen” l. c. en Dr. H. van Cappelle, „Bij de Indianen en de Boschnegers van Suriname” blz. 383. 

4 In Suriname bezigt men het woord parel voor pagaai. In den Engelschen tekst staat „paddle my cano”. 

5 Slot van een gedicht van Wallace (l. c.) den later zoo beroemd geworden Engelschen natuuronderzoeker, die een tijd lang onder de Arowakken aan de Orinoco verblijf heeft gehouden. Dit gedicht, dat ik in het Nederlandsch heb trachten over te zetten, is hem uit de pen gevloeid in een toestand van verontwaardiging over het leven in de „beschaafde wereld”. 

6 De vertellingen zijn ontleend aan:

  • H. W. Brett (B.)—No. 17.
  • C. van Coll (Co, b en a)—No. 29 en 39.
  • F. P. en A. P. Penard (P, a.)—No. 38 en 40–47.
  • Albert I. Gatschet (Ga.)No. 48.
  • Walter E. Roth (R.)—Alle overigen.

7 In den noordelijken vorm der fabel is voor de excrementen van beide dieren het uitbraaksel der hen vervangende dieren in de plaats gekomen. 

8 Dit geloof komt zelfs nog bij stadsnegers van Suriname voor (zie C. b. blz. 185). 

9 Bij alle stammen wordt de zon mannelijk gedacht. 

10 Deze voorstelling leert de Indianen weder als natuurdichters kennen; want treffen wij deze vergelijking van de maansikkel met een wapen—het uitgangspunt hunner dichterlijke phantasie—ook niet bij poëtisch aangelegde zielen in het „beschaafde” Europa aan, die behoefte hebben gevoeld, ieder op hunne wijze de tallooze wonderverschijningen in de natuur te bezingen?

In dit verband treffen o.a. eenige regels in een der gedichten, van Augusta Peaux, de Nederlandsche natuurdichteres, die 40 jaren na Jacques Perk hare gedichten liet verschijnen en waarin van een „Dennenboom in den avond” wordt gezegd:

„Een den staat met donker gebogen hoofd

Onder de kromme kling van de maan:

Een sombere dweper, een fatalist,

Een donkere slaaf, die kwaad heeft gedaan.

De maankling boven zijn hoofd is blank,

Blinkend en scherp in de groote lucht.

Roerloos staat hij voor ’t purpergordijn

van den avond, fanatiek, ducht

Geen dood”.

enz.

(Zie een artikel van J. Reddingius in Groot Nederland van Augustus 1925). 

11 Een der leden van ons personeel gedurende de Expeditie door de Binnenlanden van het Surinaamsche district Nickerie (C. b.), een Hollander van geboorte, werd door deze boschgeluiden bijzonder aangegrepen. Telkens hoorden wij hem in zijn hangmat verzuchtingen slaken als: „To be or not to be”; „Home sweet home”. Voelde hij de slechte voorteekens?—Drie dagen na onzen terugkeer in de stad overleed hij. 

12 Een dergelijk geloof treft men bij de negers aan. Hier noemt men onthouding van een bepaald voedsel: treef

13 Bij de Caraïben aan de Cottica in Suriname (C.a.) geschiedt het planten van Cassave door de mannen. 

14 Het werkje van de Gebroeders Penard (P.) bevat van deze beeldspraak talrijke voorbeelden. Onder deze komen er wellicht voor, die den lezer gezocht voorkomen. De omstandigheden, die dezen schrijvers ten deel zijn geworden, hebben er toe geleid, dat zij de Benedenlandsche Indianen beter hebben leeren kennen, dan menig ander. 

15 Wanneer de Caraïben door sommige schrijvers menscheneters genoemd worden (de titel van het boekje van de Penards (P. a.) is misleidend), dan komt dit, omdat zij eertijds de gewoonte hadden, hunne buitgemaakte vijanden op te eten, meenende hierdoor den moed van den tegenstander in zich op te nemen. Dit gebruik bestond nog een vijftiental jaren geleden bij Indianenstammen in het Amazone-gebied, o.a. bij de Mangeroma-Indianen, die aan de grens van Peru en Brazilië wonen, en onder welke Algot Lange (In the Amazon Jungle. C. P. Putnam’s Sons. New York and London 1912) de feestelijke, doch minder smakelijke viering van de overwinning in een strijd met Peruanen heeft bijgewoond, die, op roof naar hunne vrouwen en dochters, het gebied der Mangeroma’s hadden betreden.

Na den strijd, waarin geen der twintig Peruanen het er levend afbracht, werden de handen en voeten der verslagenen afgehakt, naar de hutten gebracht en aan de verschillende families rondgedeeld om gekookt te worden.

Dat deze Indianen dat deden, zegt de schrijver, was slechts het voldoen aan een eeuwenouden, religieusen ritus, en tegenover dit ons toeschijnend afschuwelijk gebruik is het wel treffend, het afscheid te lezen, waarmede hij de schets van zijn verblijf van vijf weken te midden dezer „menschenetende” [44]Indianen besluit. „How wonderful was this farewell! It was my opportunity for acknowledging that the savage heart is by no means devoid of the feelings and sentiments that characterise more elevated, so called civilised individuals”.

De „beschaafde” mensch heeft deze gewoonte, om zijn vijand op te eten reeds sedert de oudste praehistorische tijden verlaten en bepaalt er zich slechts toe, zijn verlangen, om dit te doen, te uiten met van iemand, die hem moreel kwaad heeft gedaan, te zeggen: „ik zou hem wel willen opvreten”.

Een man van rijpe ervaring, die over een groot deel van het tegenwoordige menschdom in hetgeen men gewoon is „de beschaafde wereld” te noemen, zeer slecht te spreken is, zei mij, toen ik dit onderwerp met hem besprak: Deze lust komt hoe langer hoe meer bij mij op! 

16 Hier wordt een verklaring gegeven van den z.g. Dubbelgeest. 

17 Boa constrictor. 

18 Op een reis door Auvergne in 1910 vernam ik uit betrouwbaren bron, dat dit gebruik zelfs nog op het granietplateau van Limousin bestond. 

19 Mocht zulks in de maatschappij, die men gewoon is, tegenover de zoogenaamde „wilden”, beschaafde maatschappij te noemen, immer zoo wezen en niet zoo vaak juist het tegendeel voorkomen! 

20 Gedurende de Nickerie-expeditie in 1900 (C. b.) bracht slechts een neger, die bij de Indianen was opgevoed en er alleen met pijl en boog op uittrok, naar het kampement aan de rivier of in het oerwoud geregeld wild van de jacht mede. 

21 The American race, New-York 1891. 

22 Volgens Brinton (L. c.) is het ontwijfelbaar, dat de algemeene richting, waarin het Amerikaansche ras zich verspreid heeft, zoowel in Noord- als in Zuid-Amerika van Noordelijke breedten naar de Tropen heeft plaats gehad en van de groote bergketenen in het Westen naar het Oosten en dat, zooals een Indiaansch opperhoofd hem heeft verzekerd, de geesten der dooden steeds daarheen terugkeeren, vanwaar zij gekomen zijn, d.i. waar de zon nederdaalt.

Deze kundige schrijver merkt terecht op, dat deze volksverhuizingen doorgaans niet in grooten getale, volgens een vooruit beraamd plan, zullen hebben plaats gehad, doch voet voor voet, familie na familie, wanneer de oude jachtgronden uitgeput of de landen te dicht bevolkt raakten. Hier uit leidt hij den grooten ouderdom van het Indiaansche ras af, waarvoor nog vele andere feiten pleiten, vooral de cultuurgewassen, die sedert onheugelijke tijden door de Indianen gekweekt zijn en van welke velen, zooals de maïs, de cassave en de tabak eerst veel later bij andere volken bekend zijn geworden, en wier wilde stamplanten niet weer terug te vinden zijn. In verband hiermede mag er op gewezen worden, dat het verhaal, dat onder No. 30 voorkomt, van de herkomst van de tabak vertelt over zee, dus vermoedelijk uit noordelijk gelegen streken. 

23 Daar de Arowakken deze streken bewoonden, reeds lang voordat de Caraïben het land binnendrongen, schijnt deze legende van ouderen oorsprong te zijn dan de voorgaande Legende van Letterhoutstomp. 

24 Ook nu nog zien de Indianen niet tegen lange tochten op. Tijdens ons verblijf te Nickerie, de hoofdplaats van het gelijknamig district, maakte ik kennis met een twintigtal Indianen, die met al hun hebben en houden, huisdieren niet te vergeten, stadwaarts waren gekomen, om op 31 Augustus de viering van den verjaardag onzer Koningin bij te wonen. Het waren Indianen, die gevestigd waren aan de monding der Karapana-kreek, twee en een halven dag varens van de stad gelegen, en wier dorp wij op onzen daarna ondernomen tocht geheel verlaten vonden. 

25 Natuurbeschouwingen Leiden 1850. 

26 Of kust hier gebruikt is om het te laten rijmen op rust? Of heeft de vertaler niet geweten, dat hier een oord bedoeld wordt aan den bovenloop der Orinoco, het gebied der watervallen en stroomversnellingen? 

27 Het neêrstortende water van den waterval. 

28 In tegenstelling met de gewone woonhuizen, die aan twee zijden geheel open zijn, bewoont de piaiman, en wanneer het bij uitzondering een vrouw was, de piaivrouw, een gesloten hut. 

29 Zie blz. 27

30 De Indianen kunnen in de vormelooze vleezige massa van den Alligator (het Amerikaansche krokodillengeslacht), die niet kan worden uitgestoken, onmogelijk een tong herkennen. Herodotus, die eveneens een goede waarnemer van den krokodil is geweest, beweert ook, dat dit dier geen tong bezit, waarom de krokodil bij de Egyptenaren het zinnebeeld van geheimzinnigheid was. Bij den stam der Akawai-Indianen (Engelsch Guyana) heerscht het geloof, dat de tong van den Alligator eertijds lang en buigzaam is geweest; dat Makoenaima* bij de schepping zijn vuur was kwijt geraakt, dat door de maroedi (een zwarte vogel, Penelope sp.) was ingeslikt; en dat, toen hij er overal naar ging zoeken, en de beesten (ook hier worden de vogels tegenover de andere dieren geplaatst) hem hadden verteld, dat de alligator, dien zij allen verafschuwden, er mee op den loop was gegaan, hij met geweld alligator’s muil heeft geopend, om het vuur te zoeken, en daarbij den tong, die hem in den weg zat, heeft uitgerukt. 

31 Pisangs*. 

32 Deze zin is fatsoenshalve veranderd. 

33 Volgens de tradities der Caraïben hebben de Boschgeesten een grooten afkeer voor zoete pataten. 

34 In de geheele folklore der Indianen van Guyana is dit het eenige, wat nog herinnert aan het scalpeeren, welk wreedaardig gebruik vroeger ook bij de Indianen van de drie Guyana’s, evenals bij andere Indianenstammen van Zuid-Amerika, geheerscht heeft. 

35 Alleen wanneer hij voor meerdere dagen op de jacht gaat, neemt hij zijn vrouw meê. 

36 Merkwaardige beeldspraak! 

37 Zonder maïsplant kan de schimmel, die op deze cultuurplant woekert, niet leven. 

38 Wanneer men een aap barbakot, buigen de vingers zich, tengevolge der spiercontractie, sterk om. 

39 Het dier loopt dus op den buitenkant van zijn klauwvormige nagels, en de punten der nagels, die bij het graafwerk dienst doen, ondervinden geen druk. 

40 Hoewel de miereneter niet aanvalt, wanneer men hem ongemoeid laat, wordt hij, als hij zich verdedigen moet, door zijn ontzettende kracht een gevaarlijke tegenstander, die zijn aanvaller met zijn groote sikkelvormige nagels den buik tracht open te rijten. 

41 Deze dierenfabel, die de verwisseling der excrementen tot onderwerp heeft, is volgens Von der Steinen uit Noord-Amerika afkomstig, waar de Coyote (prairie „wolf”) met een beer het uitbraaksel verwisselt; ook het motief van het oogensluiten ontbreekt hier niet. 

42 De tegenwoordige Indianen der benedenlanden van Guyana hebben doorgaans slechts één vrouw. Een piaiman wordt gerekend er meer te mogen hebben. 

43 Dit doet, volgens Walter E. Roth, denken aan den beenderloozen Held Kòn van de Yoenka-Indianen van Peru. 

44 Zie bldz. 27. 

45 Wood-skin, zooals er in den Engelschen tekst staat, is een eenvoudige kano, gemaakt van repen boombast. 

46 Walter E. Roth, aan wien wij deze mythe ontleenen, merkte de Indiaan, die hem deze vertelde, op, waarom de vrouw niet naar het Oosten, dus de zon tegemoet, trok. Hij antwoordde, dat zij de zon juist wilde ontmoeten, waar hij weêr naar de aarde nederdaalt, aan den verren horizon. 

47 Zie blz. 19

48 De Pakaraima-keten in Britsch-Guyana. 

49 Flambouw. 

50 De komeet of staartster. 

51 Volgens Th. Koch-Grünberg voorzien de kinderen der Indianen aan de Boven-Aiuri hun pijlen met een dop van zwarte was. 

52 Vampier*. 

53 Een Indiaan overkomt dit niet licht, daar de zon zijn kompas is. 

54 Zie blz. 36

55 Zie „bekoring” in Inleiding, blz. 36

56 Walter E. Roth, aan wien ik deze vertelling ontleen, vroeg aan de vertelster, waaraan de jongen bemerkte, dat er iets zou gebeuren? Zij antwoordde, dat wanneer kinderen en jonge menschen ver van hun woonplaats zijn, zij doorgaans angstig en zenuwachtig zijn. 

57 Zie blz. 41

58 Ook rotsen en gesteenten, dus ook hunne verweeringsprodukten, worden door den Indiaan als bezield gedacht (zie blz. 27). 

59 De vrouw zet steeds het gerecht, dat zij heeft klaar gemaakt, voor den man neêr en deze doet het maal alleen. (C.a.). 

60 Zie voor de gewoonte, om de vogels van de overige dieren af te scheiden, blz. 17

61 Snavel. 

62 Van de bestaande Katoen-(Gossypium-)soorten wordt door de Indianen op hunne kostgronden de Peru- of bokke- (bokken = Indianen) katoen (G. Peruvianum) verbouwd. De hangmatten worden er van vervaardigd. 

63 Bij de Arowakken is de koningsgier de dochter van Anoeanima of Annoeánna. Zij kan haar veêren afleggen en in een vrouw veranderen. Bij de Trios (Bovenlandsche Indianen) dient deze gier tot verblijf van een boschgeest, Akalamano geheeten. 

64 Wanneer een Moenirikoeti (soort zwarte mier) iemand bijt, moet hij, beweren de Indianen, er geen acht op slaan, want het beteekent, dat er iets goeds met hem gebeuren zal. (Zie blz. 34). 

65 Hier is verband met het wreedaardig gebruik, om een mat of gordel, in wier openingen mieren (ook wel wespen) gezet zijn, tegen borst enz. te houden van dengene, die zich voor het piaimanschap moet bekwamen, en dit zonder pijn te toonen moet kunnen verdragen. 

66 Hier en daar is katholieke invloed duidelijk te bespeuren. 

67 Hier wordt herinnerd aan de verhuizingen (migraties, zie blz. 53), die eertijds op groote schaal bij de Indianen hebben plaats gehad. 

68 Dubbelgeest (zie blz. 44). 

69 Vermoedelijk zinnebeeldig bedoeld. 

70 Zinnebeeldige voorstelling van den Worgslang. (P.a.). 

71 Hut voor den Boschgeest. 

72 Zie blz. 46

73 De vader van het meisje, dat door een jongen man tot vrouw begeerd wordt, zal, wanneer zijn vrouw en zijn dochter tegen het huwelijk geen bezwaren hebben, wel zijn toestemming tot een voorloopige samenleving geven, doch hij zal van zijn dochter slechts blijvend afstand doen, wanneer de aanstaande echtgenoot niet een zeker aantal werkzaamheden heeft verricht, die als waarborg en geruststelling kunnen gelden. 

74 Vanaf de rivier in het gat van een boom te schieten, dat de toegang is tot het nest van een specht, was inderdaad een kunststuk, vooral als de korjaal, waarin het volbracht moest worden, zoo snel mogelijk voortgepareld werd. Dikwijls gelukte het dan ook eerst na herhaalde proefnemingen, zoodat het soms zeer lang kon duren, voordat een man een meisje in den waren zin des woords zijn vrouw mocht noemen. 

75 Niet bij alle Indianen-stammen zijn de voorwaarden tot een huwelijk dezelfde. Bij de hedendaagsche Caraïben moet de candidaat een stuk land van bepaalde grootte hebben schoongekapt en met cassave hebben beplant, en twee korjalen hebben vervaardigd, een groote voor reizen naar de stad, een kleinere voor het jachtbedrijf. (C.a.) 

76 Het vlechtpatroon van deze krabkorven noemen de Arowakken kassaroa- of vieroogpatroon, om de wijze, waarop de bundels als zoovele oogen geweven behooren te worden. De man had aldus het model in grooten getale voor zich, en zoo zou het, meende hij, wel gelukken. Ook de Caraïben (zie P.a. blz. 126) hebben voor hun vlechtwerk en aardewerk verschillende patronen die aan allerlei dieren ontleend zijn en met zinnebeeldige voorstellingen in verband staan. 

77 Wanneer iemand op bezoek komt, wordt hem een of ander te eten of te drinken aangeboden. Wanneer hij genoeg heeft laat hij het zijn gastheer of gastvrouw op deze manier merken. 

78 Zie blz. 37

79 Er bestaat een nauw verband tusschen padden, kikvorschen en verwante dieren met geluk op de jacht. In Engelsch Guyana hebben de Indianen, die de savanne nabij de Kaieteur-val (zie blz. 28) bewonen, de gewoonte, om over twee sneden, die aan iederen kant van de borst zijn toegebracht, een kikvorsch te wrijven, teneinde zich geluk op de jacht te verzekeren. Voor ieder soort wild nemen zij, zegt W. Roth, een andere kikvorsch-soort. 

80 Dit was het antwoord, dat de verteller gaf op een vraag van Walter Roth, waarom hij zoo lang bleef roepen. 

81 Odontophorus. 

82 Onder de geheimzinnige pijlen, die bij de Kenaimas (zie blz. 41) behooren, komen er voor, die met een moeilijk waar te nemen schimmel bedekt zijn en waardoor zij de oorzaak zijn van het missen van hun doel. Ook als de schimmel zich op den arm van den jager bevindt, zijn de pijlen niets waard. 

83 De Kenaimas gebruiken gebroken en onzichtbare pijlen. (Zie bl. 41). 

84 Volgens de gebroeders Penard is de voorstelling van een menscheneter met een mond aan de borst bij den Indiaan het zinnebeeld van een wreedaard, en wie die het zeldzame waarnemingsvermogen der Indianen en hun zin tot het maken van vergelijkingen kent, zal deze meening in twijfel trekken? Men denke slechts aan de houding, die een in woede ontstoken wreedaard aanneemt, die een moorddadig plan gaat volbrengen. Drukt hij zijn hoofd niet naar beneden, en brengt hij zijn geopenden mond niet ter hoogte van zijn borst? 

85 Dubbelgeest. 

86 Volgens de Penards zou het loopende tabbertje doelen op drijfzand of een zandbank of ook wel op een eilandje, dat in den loop der jaren werkelijk van plaats verandert. 

87 Kaiwiri of Skroerki, ook Wisi-wisi genoemd, is de Withals-boomeend (Dendrocygna discolor). De vorm van den rots komt overeen met dien van een boomeend. 

88 Volgens de Penards was de Kaaiman geen vaartuig, maar een zinnebeeldige voorstelling van de woede, die Paira-oendepo en zijne strijders bezielden, toen zij tegen de Roodhuiden optrokken, terwijl de Geest der Bekoring de slimheid was, waarmede de Indianen Stomp in een hinderlaag wisten te lokken.

Het gehele verhaal zou alzoo een zinnebeeldig gevecht zijn van een Worgslang met een Kaaiman. De Worgslang overwon den Kaaiman en slokte hem op, hetgeen zou doelen op een Caraïbisch feestmaal van menschenvleesch. Het verdwijnen en weêr terugkomen van het tabbetje zou vermoedelijk een zinnebeeldige voorstelling zijn van de taktiek der Indianen. 

89 Temere-rots (ook wel Timehri-, Temehri, Kemere- en Toemere-rots geschreven), hetgeen in het Caraïbisch of Kalienjas „geteekend, gewerkt of beschilderd” wil zeggen, is een granietrots in de bedding der Marowijne, waarop rotsteekeningen of liever rotsingriffelingen zg. petroglyphen voorkomen, die tot de oudheden behooren, welke de oudste bewoners van Suriname, de voorouders der tegenwoordige Indianen, op den bodem hebben achtergelaten. Zulke inschriften komen ook op sommige rotsen in den Corantijn en zijn bijrivieren en nog meer westwaarts, ook in Engelsch Guyana, voor. Zij laten, behalve tal van moeielijk te verklaren figuren, afbeeldingen van menschen zien (op den Temererots o.a. een met veerenkroon versierden Indiaan), die volgens ten Kate, Im Thurn, Cushing e.a. niet als louter krabbels, als uitingen van een gril, mogen beschouwd worden, doch ongetwijfeld verband houden met mythen, legenden, godsdienstige handelingen en geschiedkundige gebeurtenissen, hetgeen reeds hieruit blijkt, dat het bekend is, dat de Indianen van Engelsch Guyana een zekere vrees koesteren voor rotsen met teekeningen en inschriften. Terwijl ten Kate de uitleggingen der inschriften op de Temere-rots in de Marowijne door de Penards gegeven minstens twijfelachtig noemt, acht hij het niet onwaarschijnlijk, dat zij in verband staan met de door hen medegedeelde en in dezen bundel overgenomen overlevering van Letterhoutstomp. 

90 De stichting van Suriname’s hoofdstad dateert van den aanvang der zeventienden eeuw. 

91 De Arowakken zijn met den stam der Warraus de eerste bewoners van Suriname geweest. Eerst later drongen de strijdlustige Caraïben binnen, die spoedig een overwicht over de andere stammen verkregen. 

92 Volgens Pater van Coll kan deze door hem opgeteekende legende aan de vele gissingen omtrent den naam Paramaribo een nieuwe toevoegen. 

93 Sommigen beweren, dat het een levende raaf (met dezen vogel worden de groote Ara- of papegaaiensoorten bedoeld, in de kolonie raven genoemd) is geweest. De Ara is bij den Indiaan het zinnebeeld der waakzaamheid. 

94 Linker zijstroom van de Surinamerivier. 

95 De legenden der Maskoki-stammen, waartoe ook de z.g. Creek-Indianen behooren, die het zuidelijk deel van Noord-Amerika (Alabama en Georgia) bewonen, maken herhaaldelijk van holen gewag, die zij als plaatsen van oorsprong hunner voorvaderen beschouwen. Deze holen bevonden zich o.a. langs de Roode-rivier, en bezochten zij nog nu en dan, omdat zij geloofden, dat zij vandaar afkomstig waren. Dit geloof, dat hunne voorvaderen uit onderaardsche holen zijn voortgekomen (zie blz. 18), is bij hen zóó vast geworteld, dat zij iedere streek, die rijk is aan zulke holen, als de oorspronkelijke woonplaats van hun stam beschouwen. Daar nu deze zuidelijke stammen van Noord-Amerika het verband vormen tusschen de Indianenstammen van Noord- en Zuid-Amerika, is het feit, dat wij van dit geloof ook nog in legenden van Surinaamsche Indianen sporen aantreffen, de aandacht waard. 

96 Zie onder „vloed” in het verklarend register. 

97 Volgens de Penards, die deze legende in hun geschrift verkort overnemen, hebben we hier met beeldspraak te doen. 

98 Bedoeld wordt een der twee Indianen in het zegel der West-Indische compagnie. 

99 Jorobodie beteekent, volgens de Penards, Geweldige Worstelaar en Omklemmer. 

100 Het is niet bekend of met blanken, Spanjaarden, Engelschen, Franschen of Nederlanders bedoeld werden. De Penards meenen, dat het Engelschen zijn geweest, die in het jaar 1626 uit de Commewijne- en de Suriname-rivier verdreven werden. 

101 Zie blz. 37

102 Evenals Simson, die door de list van Dalila zijn kracht verloor en in handen der Philistijnen viel. 

103 De strijd met de blanken, zegt de geschiedenis, eindigde, toen deze een Arowaksch meisje gevangen hadden genomen en naar Europa hadden [170]gezonden. Het kind werd daar opgevoed en had daardoor gelegenheid, zich andere denkbeelden omtrent de bedoelingen der blanken eigen te maken, zoodat zij, weder bij hare stamgenooten teruggekeerd, haar gewijzigd oordeel op hen deed overgaan en op deze wijze den vrede voorbereidde.

Volgens de Gebr. Penard krioelt de legende van Jorobodie, die wij hier met die van Arimoribo vereenigd hebben, evenals deze van zinnebeeldige voorstellingen, van welke de juiste oplossing vrij wel onmogelijk is.

Toch hebben de schrijvers zich aan eene verklaring gewaagd. Zoo, meenen zij, was de raaf of Ara, die alarm maakte, misschien een werkelijke schildwacht, terwijl Vleermuizen de Bloedgeesten voorstelden, die den door de piaimannen opgeroepen Slangegeest tot den terugtocht noodzaakten. Het geheel vormt dus een zinnebeeldig gevecht tusschen bloeddrinkende Vleermuizen en Slangen. En wat kan de slang uitrichten tegen de Vleermuis, die zij niet kan omkronkelen?

Ook de koude, die over de Wereld kwam, mag, volgens de schrijvers, een zinnebeeldige voorstelling zijn van de vrees, die de voorvaderen der Arowakken beving voor vijanden, die geregeld ieder jaar tegen het droge seizoen kwamen opzetten.

Dat Jorobodie een dracht van slechts drie weken was, bedoelt vermoedelijk, dat hij zich in dien tijd van een gewonen, onbekenden Indiaan door zijn moed tot opperhoofd had opgewerkt, terwijl de tijger de woede of de strijdlust was, waarmede hij de blanken bevocht, zooals geen Indiaan te voren had gedaan. De voorstelling van Jorobodie in een vat is het Indiaansche zinnebeeld voor een moeilijke positie, waaruit de tijgergeest of moed hem redde, door gebruik te maken van de geringste kans.

De Boa constrictor als ankertouw en loopplank zou de zinnebeeldige voorstelling van den Slangegeest zijn, terwijl het aannemen van een spin vermoedelijk verraad beteekent, want zoowel bij negers als bij Indianen is de spin het zinnebeeld van list en streken. 

104 Zie blz. 36

105 W. E. Roth deelt in zijn hoofdstuk over Kenaima (R. blz. 354 enz.) ook op gezag van Coudreau, mede, dat er in den omtrek van de Rio Branco, het gebied ten Noorden grenzend aan Engelsch Guyana, wilde stammen [179]zijn, die van geslacht tot geslacht de gewoonte hebben, moordend rond te trekken, uit de scheenbeenderen der slachtoffers fluiten maken en de tanden tot halskettingen rijgen. Hij meent, dat het zeer goed mogelijk is, dat deze stammen, bekend onder den naam Kenaima-stammen, hunne rooftochten ook tot Engelsch Guyana hebben uitgestrekt, en acht het niet onmogelijk, dat het Kenaima-geloof der Indianen aan deze stammen den naam ontleend heeft. 

106 In de litteratuur zijn deze Kenaima-stammen noch uit het Orinocogebied, noch uit Suriname en Fransch Guyana bekend, zegt W. E. Roth

107 Deze overlevering komt geheel met de geschiedenis overeen. Immers, in 1650 rustte graaf Parham een schip uit met bestemming naar de kust van Guyana. Dit schip bereikte Suriname en de bemanning, vriendelijk ontvangen door de Indianen, vestigde zich aldaar. Later, in 1652 kwam Lord Parham zelf in Suriname.

De naam Paramoelo beduidt, volgens de Penards, letterlijk „oorsprong of plaats van afstamming van Parham. Paramaribo beteekent, hier is de oorsprong van Parham.”

Voor een andere afleiding van den naam Paramaribo zie de noot 3 in No. 39

108 Zie blz. 41

109 Hij, die met de noodige ervaring omtrent het maatschappelijk leven in het „beschaafde” Europa toegerust, het voorrecht heeft gehad, eenigen tijd te midden der Indianen te verblijven, zal met dit oordeel hartgrondig instemmen. 

110 Waarover de geschiedenis zwijgt. Volgens de Caraïben zeggen de Penards, zijn de Arowakken alleen door zich bij de blanken te voegen, aan een geheelen ondergang ontsnapt. 

111 Zie: Vampier*. 

112 Volgens de Penards zijn de Indiaansche jongetjes reeds op zeer jeugdigen leeftijd min of meer vreemdelingen voor de moeder. Zij verrichten geen huisarbeid, maar loopen overal in het omliggende woud rond, om met pijl en boog vogeltjes en ander klein wild te schieten. 

113 Evenals bij andere wilde stammen (o.a. bij de Dajaks van Borneo) worden touwtjes, meest gemaakt van rotan of andere boschprodukten, met knoopen gebruikt, om aan afspraken en overeenkomsten te herinneren. Het aantal knoopen, er in gelegd, is aan het aantal dagen gelijk, dat tot den voor de afspraak bepaalden dag verloopen moet, en iederen dag wordt door beide partijen een knoop losgemaakt. 

114 De Penards zijn van oordeel, dat deze overlevering in verband moet worden gebracht met berichten van Al. v. Humboldt omtrent Zuid-Amerikaansche Indianen-stammen. Deze groote natuuronderzoeker en wetenschappelijke reiziger houdt de Cabres of Cabeires met eenige andere stammen uit Guyana en Brazilië (zie de noot op blz. 43) voor de grootste menscheneters. Omstreeks het begin van de achttiende eeuw vereenigden de Caraïben zich onder het opperhoofd, Tip genoemd, om een aanval op dezen Kannibalenstam te doen. Zij werden echter verslagen. De overwinnaars plaatsten een gevangen Caraïb in een boom, van waar hij het afschuwelijk schouwspel van het braden en opeten zijner makkers kon gadeslaan. De jongeman werd daarna vrijgelaten, om de tijding der nederlaag aan zijn stamgenooten over te brengen.

De Caraïben riepen toen hunne strijders tot een algemeenen aanval op en doodden alle menscheneters.

Von Humboldt zag de honderden geraamten dezer verslagen Kannibalen

115 Zie blz. 17. De plaats, waar de Kasi’hta stam, evenals de stammen der Kawita- en Chicasaw-stammen van daan kwamen, wordt aangegeven door het punt van samenvloeiing van de Washita en de Roode Rivier. 

116 De hayoyálgi, die van de vier kanten van de wereld komen om het heilige vuur, het symbool van de zon, aan te blazen, zijn de vier winden, die het tot een grooter hoogte doen opvlammen. 

117 Het heilige getal vier dezer Indianen is vermoedelijk afkomstig van de vier winden, die het heilige vuur aanblazen, het symbool van hun Weldoener. 

118 Daar een rat bij de Indianen het zinnebeeld van teeltkracht en slimheid is, moet deze roode rat de vermeerdering van het Roode Ras symboliseeren. 

119 Met leeuw wordt bedoeld de Poema of Amerikaansche leeuw (Felis concolor). Hoewel dit roofdier zelden menschen aanvalt, zal dit dier in deze legende vermoedelijk menschenetende Indianenstammen moeten symboliseeren. 

120 Is dit een christelijk element, dat aan de legende is toegevoegd? 

121 In verhalen, van de Warraus in Engelsch Guyana afkomstig en door W. Roth medegedeeld, vinden wij nu en dan eveneens van geluiden gewag gemaakt, die uit den bodem voortkomen en het volk angstig maken. 

122 Hondenkoning (Dog king) der Euchitaws. Deze was ook tegenwoordig bij het vertellen dezer legende. 

123 De oude woonplaatsen der Creek-Indianen in Alabama en Georgia bestonden uit niet minder dan 102 steden en dorpen, allen met namen genoemd in het zoo leerrijke boek van den taalvorscher Albert S. Gatschet. Sommige dezer plaatsen bestaan nog onder den zelfden naam in beide Staten. Afgevaardigden der Creeks brengen ieder jaar een bezoek aan Washington.

Onder steden en dorpen, hier bedoeld (tafóla), zijn kleinere of grootere verzamelingen van woningen te verstaan. Elke stad of dorp wordt bestuurd door een Mîko, het Opperhoofd, door de blanken eertijds Koning genoemd.