No. 7. Hoe lichaamspijnen, dood en ellende in de wereld kwamen. (C.)

Vroeger bestonden er geen twisten. Alle menschen leefden gelukkig; niemand werd ziek of stierf. In dien tijd waren de Joroka’s* gewoon onder ons als vrienden te leven. Zij waren kleine wezens, evenals wij. Het was vooral een dezer Joroka’s, die gewoon was ons te komen bezoeken, en dan paiwarri met ons te drinken. Hij kwam nagenoeg iedere maand terug. Den laatsten keer, toen hij ons bezocht, had hij de gedaante van een vrouw met een kind aan de borst.

De Caraïben lieten haar van den peperpot* meêëten, waarin zij haar cassavebrood doopte, het uitzoog en het daarna opat. Maar de peperpot was zóó heet, dat zij haar mond en haar binnenste leelijk brandde. Zij vroeg daarom haar gasten om water, maar deze beweerden, dat ze op dit oogenblik niets hadden. Joroka vroeg toen om een kalebas en terwijl zij haar kind achterliet, liep zij naar den waterkant, om haar pijn te stillen en haar dorst te lesschen.

Toen zij in de hut terug keerde en om haar kind vroeg, was het nergens te vinden. Zij zocht overal, boven en beneden in de hut, maar vond het niet. Wat was er gebeurd: een booze vrouw had het kind in haar afwezigheid in den kokenden peperpot gestopt.

Toen Joroka weêr trek begon te krijgen en, zich bij den peperpot neêrzettende, de kassiri met de roerspaan ging omroeren, rees plotseling haar kind omhoog. Joroka begon te schreien, en zich tot de omstanders wendende, [82]voer ze uit: „ik heb nooit iets slechts met jullie voorgehad, maar nu zal ik jullie deze daad betaald zetten. In het vervolg zullen al jelui kinderen sterven en dat zal jullie doen schreien, evenals ik nu schrei. En wanneer jelui kinderen geboren zullen worden, zal dat met pijn gepaard gaan. En verder”, zich nu tot de mannen wendende, ging Joroka voort, „wat jullie aangaat, de vischvangst zal voortaan niet gemakkelijk meer zijn”. En Joroka hield woord. Tot nu toe behoefden wij, Caraïben, met onze kalebassen maar naar de rivier te gaan, en de visschen zoo maar van den bodem uit te hoozen. En wanneer we alle visschen hadden uitgeschept, duurde het niet lang of wij vonden weêr nieuwe. Joroka heeft dit nu alles veranderd. Nu hebben wij zelfs allerlei middelen moeten bedenken, zelfs vergiften* moeten zoeken, om de visschen in onze handen te krijgen.

Toen Joroka haar wraakplannen had uitgeroepen, wierp zij zich op de slechte vrouw, die haar kind in den peperpot had geworpen, en sloeg haar met één slag neêr. Even daarna de kinderen der vrouw buiten de hut ziende, vroeg ze hun, waar hun moeder gebleven was. „Zij is naar de kostgronden gegaan”, antwoordden zij. „Neen”, riep Joroka hen beleedigend toe: „Ze is heen gegaan, om te zorgen, dat mijn stam zich zal vermeerderen”.32 En toen de kinderen op haar herhaalde vraag beweerden, dat zij weg was gegaan, om cassave te gaan halen, schreeuwde ze hun toe: „Neen, niet waar! Zij heeft haar weg door mijn oor geboord!” Voor de derde maal deed zij haar vraag en toen de kinderen ten antwoord gaven, dat zij was uitgegaan om zoete pataten* te oogsten, verdween Joroka onmiddellijk, toen zij het woord „pataten” hoorde.33 [83]